Categoriearchief: Verkiezingen Europees Parlement 22 mei 2014

Valt er wat te kiezen?

 

Dat brengt de volgende vraag met zich mee: wat hebben Queen Elisabeth, een Syrische bootvluchteling en D66 met elkaar te maken? Meer dan je op het eerste gezicht zou vermoeden!

 

Aan de overkant van het Kanaal mag het referendum zich tegenwoordig in een grote populariteit verheugen. Zo gingen ruim een half jaar geleden de Schotten naar de stembus om te kiezen voor of tegen onafhankelijkheid en mochten de Ieren afgelopen weekend in een volksstemming zich uitspreken over de vraag of homo’s mogen trouwen. Londen wil natuurlijk niet achterblijven. Geheel conform zijn verkiezingsbelofte schotelt Cameron de Britse kiezer op afzienbare termijn een EU-referendum voor.

Dat brengt de volgende vraag met zich mee: wat hebben Queen Elisabeth, een Syrische bootvluchteling en D66 met elkaar te maken? Meer dan je op het eerste gezicht zou vermoeden!

Queen Elisabeth kondigde gisteren (27 mei) aan dat de Britse regering voor het einde van 2017 een referendum zal uitschrijven over het toekomstig EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk. D66 heeft vanaf haar oprichting hartstochtelijk gepleit voor democratische vernieuwingen, waaronder de mogelijkheid om referenda uit te schrijven. De Syrische bootvluchteling (arm, moslim en migrant) symboliseert de druk waaraan Europa momenteel blootstaat met alle gevoelens van ongemak, verdeeldheid en angst van dien. Die onzekerheid en verdeeldheid binnen Europa vormen de context waarbinnen Cameron een referendum uitschrijft met het oog op het beperken van de Europese samenwerking en het inperken van de Brusselse macht. D66 is in ons land bij uitstek de partij die pleit voor meer Europese integratie met de EU als vehikel om gezamenlijke ambities te realiseren en gemeenschappelijke zorgpunten te kunnen aanpakken.

Wie de samenhang van deze zaken beter wil begrijpen, kan ik het recente artikel van Rutger Bregman over D66 en de teloorgang van de  democatie aanbevelen (De Correspondent: https://decorrespondent.nl/2849/Hoe-D66-symbool-ging-staan-voor-het-einde-van-de-democratie/216985845692-4bab75ac).

Bregman constateert dat de idealen van de oprichters van D66 zijn veranderd in hun tegendeel. Een paar citaten:

Toen Hans van Mierlo in de collegebanken zat, stonden de Nederlandse zuilen – de katholieken, de protestanten, de socialisten en de liberalen – nog recht overeind. Kiezen voor een partij was net zoiets als kiezen voor een kerk; het was een keuze die je niet zo snel veranderde. De opkomst tijdens de verkiezingen was torenhoog, veel mensen waren lid van een partij en de electorale verschuivingen waren beperkt. De partijen vormden de ruggengraat van de democratie: ze waren het platform waarop burger en politicus elkaar ontmoetten. Hier werd het volk gerepresenteerd.

Er is bijna geen keuze meer. Van Groot-Brittannië tot Duitsland, van Nederland tot Frankrijk: in vrijwel alle westerse democratieën sterft de oppositie langzaam uit. Kiezers zijn gaan zweven, maar niet omdat er zoveel te kiezen valt. Ze zweven omdat partijen steeds meer op elkaar lijken. In Nederland zitten de tegenpolen van weleer, PvdA en VVD, inmiddels samen in één regering. 

Zowel burger als politicus hebben zich teruggetrokken in hun eigen wereld. Partijen zijn losgekomen van de samenleving. Ze concurreren nog wel met elkaar, maar op een betekenisloze manier. De nieuwsmedia vullen de overgebleven leegte; meer dan ooit bepalen zij de politieke agenda. 

In een wereld waarin partijen steeds meer op elkaar lijken, gaat de politieke strijd steeds meer over de vorm in plaats van over de inhoud. Zo kan het gebeuren dat terwijl de wezenlijke beslissingen ingewikkelder worden – van ‘quantitative easing’ in Europa tot ‘marktwerking’ in de gezondheidszorg – het politieke debat juist simplistischer wordt. De regel lijkt: hoe groter de belangen, hoe ingewikkelder de besluiten, hoe minder discussie. Wat overblijft zijn de heftige tegenstellingen over de islam, racisme, integratie, seksisme, enzovoorts (in het Engels wordt ook wel van ‘identity politics‘ gesproken).

Ik herken en onderschrijf meerdere elementen in de analyse van Bregman, maar toch wringt er iets in zijn redenering. Je kunt een kanttekening plaatsen bij zijn uitgangspunt dat er in de tijd van de verzuiling ware democratie heerste. Veel mensen volgden braaf en slaafs de voorschriften (en stemadviezen) van hun zuil. Je kunt je afvragen of dat het ideale democratische plaatje was. Viel er toen echt iets te kiezen, of was het vooral gedwongen winkelnering? Abram de Swaan heeft fraai beschreven hoe de samenleving zich ten tijde van de ontzuiling ontwikkelde van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding.[1] Traditionele gezagsdragers konden niet langer op basis van hun afkomst of status de lakens uitdelen. Er moest gepalaverd worden en de keuze voor de burger werd vrijer. Niet de verzuiling, maar de ontzuiling zou je zo kunnen zien als vorm van democratisering.

Een tweede kanttekening wil ik plaatsen bij de koppeling die Bregman maakt tussen democratie en  volk cq natiestaat: dat de democratie een heel volk in staat stelt om zichzelf te regeren. Wat is een volk en wat is een staat? Het wekt geen verbazing dat Bregman spreekt over identity politics en de heftige tegenstellingen daaromtrent. We lijken niet meer zeker van onszelf. Trekken we ons terug achter onze nationale en regionale grenzen (Schotland, Catalonië, Vlaanderen) of zoeken we ons heil in grotere verbanden? We leven in een tijd dat de maat van de staat bij sommige vraagstukken ontoereikend is en dat we moeten inkrimpen naar het lokale marktplein of moeten opschalen naar de Grote Markt in Brussel. Kan onze behoefte aan democratische bestuursvormen op al die niveaus worden ingevuld? We zien dat democratie verschillende gedaantes kan aannemen. Democratie is er in soorten en maten. Op het dorpsplein kunnen we zelfs à la de oude Grieken of volgens Zwitserse gebruik met elkaar knopen doorhakken. Maar bij een grotere schaal wordt het ingewikkelder. Hoe groter de afstand tussen burger en bestuurder, des te ingewikkelder het vraagstuk van representativiteit en effectiviteit.

Bregman constateert terecht dat de wereld complexer [is] dan ooit. Globalisering, financialisering, robotisering. Bregman spreekt van Investeerders en technocraten die aan de touwtjes trekken. Hoe kunnen we daar op democratische wijze tegen optreden?

In onze tijd en in ons werelddeel hebben we vanaf de jaren ’50 op vrijwillige basis vormen van internationale samenwerking in het leven geroepen om in te kunnen spelen op allerlei complexe, supranationale uitdagingen. Gepalaver op internationaal niveau. In mijn proefschrift[2] geef ik aan dat tot circa 1990 de gemiddelde EU-burger geen greintje belangstelling voor en kennis van de EU bezat. Dat is de afgelopen 25 jaar en met name na de eeuwwisseling flink veranderd. De burger haalt zijn schouders niet meer op bij het thema ‘Europa’ en steeds meer politieke partijen nemen tegenwoordig duidelijk stelling als het om de EU gaat. PVV, GroenLinks, SP of D66: de Europese paragrafen in de partijprogramma’s laten grote verschillen zien.

Er valt dus voor de burger echt wat te kiezen. En binnenkort aan de overkant van het Kanaal al helemaal. Die keuze hebben ze aan de overkant van de Middellandse Zee niet.

 

[1] De mens is de mens een zorg, 1997

[2] Impressions of European Integration, 2012

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 2. Proloog: van winterslaap naar verkiezingskoorts

“Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie”

 

Op woensdag 22 mei vinden in Nederland de verkiezingen voor het Europees Parlement plaats. Terwijl de EP-verkiezingen tot een jaar of tien geleden een vorm van democratisch corvee vormden, waar niemand zich werkelijk druk om maakte, loopt tegenwoordig de verkiezingskoorts ook flink op als het om de EU gaat. De Europese Unie is groot nieuws geworden en daardoor sloven politieke partijen en media zich uit om ons, gewone burgers, de hete hangijzers en de te maken keuzes duidelijk voor te schotelen. En dat is winst: er valt daadwerkelijk wat te kiezen.

 

Winterslaap

Tot de eeuwwisseling was het project van Europese samenwerking iets waarmee media en publieke opinie zich nauwelijks bezighielden. Af en toe zorgde een Brusselse kwestie voor een rimpeling in de vijver, maar over het algemeen deden de (nationale) politiek, media en burgers er het zwijgen toe. Europese samenwerking was een non-issue: ver weg, ingewikkeld, oninteressant. Niemand had er noemenswaardig last van, dus waar zou je je druk om maken.  En als iemand zich al druk maakte was het die Nederlandse Europarlementariër of die Nederlandse correspondent in Brussel die graag wilde laten zien hoe belangrijk zijn werk was en wat er allemaal bewerkstelligd werd. Zij bleven roependen in de woestijn. Een soort omgekeerd Calimero-effect: ‘ons Europese werk is groot en belangrijk, maar niemand kijkt naar ons om’. Natuurlijk was er wel wat aandacht voor het Europese project , maar dan vooral incidenteel: als er in Brussel werd gefraudeerd door een Commissaris of als er een Europese Top in ons land plaatsvond. Diverse onderzoeken[1] naar media-berichtgeving en publieke opinie over ‘Europa’ in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw wijzen uit dat Brussel zelden de voorpagina wist te halen en dat de Nederlandse burger weliswaar weinig kennis over Europese samenwerking bezat, maar wel heel tevreden over Europese samenwerking was.

 

Kritischer

Die situatie is inmiddels behoorlijk gekanteld. Hoewel het  gemiddelde kennisniveau van de doorsnee Nederlander ten aanzien van de EU niet noemenswaardig is gestegen, is zijn mening wel fiks veranderd: hij is veel kritischer geworden. Dat bleek in 2005 uit de uitslag van het roemruchtige referendum over de Europese grondwet (62% van de kiezers zei Nee). En dat blijkt uit de slinkende steun voor de EU in diverse opinie-peilingen. Nederlanders behoorden in Europa decennia-lang tot de grootste EU-fans (met steun-scores van boven de 75-80%), maar die liefde is inmiddels bekoeld. Al is het zeker niet tot het vriespunt. Nog steeds staat een royale meerderheid (60-65%) van de Nederlanders achter het lidmaatschap van de EU[2].  Je kunt constateren dat we wat bewuster en zakelijker naar de EU zijn gaan kijken. En we weten ook meer minpunten van Europese samenwerking te benoemen. Dat is ook niet zo gek, want de EU is de afgelopen 15 jaar steeds nadrukkelijker  in beeld gekomen: door de introductie van de euro, door de toetreding van dertien nieuwe lidstaten, door de uitbreiding van de bevoegdheden van Europese instituties en door de financiële crisis. Geen wonder dat de media nadrukkelijk meer aandacht aan ‘Brussel’ zijn gaan besteden. Mijn promotie-onderzoek[3] laat zien dat niet alleen de hoeveelheid berichtgeving toenam, maar ook de toon en onderwerpkeuze steeds kritischer werd. Tegen die achtergrond is het goed te begrjpen dat het opinie-klimaat veranderde.

 

Moeilijk te vatten

Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie.  Ook doorgewinterde journalisten en parlementariërs geven toe dat het moeilijk is greep te krijgen op alle processen en dossiers van Brussel. Laat staan dat de gemiddelde Nederlander vat heeft op Europese zaken. Dat draagt er aan bij dat je vaak aperte onjuistheden hoort verkondigen, of dat men bepaalde zaken volkomen uit z’n verband haalt of opblaast tot irreële proporties. Ik denk niet dat we de EU volledig hoeven te doorgronden. We hoeven geen EU-experts te worden. Maar een beetje basis-kennis is zeker nodig. En ook gezond verstand.

Waar gaat het proces van Europese samenwerking in de kern nu eigenlijk over? Wat mij kunnen we daar naar kijken vanuit de vijf perspectieven die ik in de volgende  blogs van deze serie behandel.



[1] Zie o.a. Claes DeVreese, Jochen Peter, Peter ’t Lam

[2] Zie onderzoek Eurobarometer(voorjaar 2013), onderzoek van Maurice de Hond (januari 2014), onderzoek SCP (maart 2014)

[3] Impressions of European Integration (Vrije Universiteit, 2012)

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 1. Introductie

“Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optelsom en de weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden”

>>>> Een serie beschouwingen over Europese samenwerking in de aanloop naar de Europese verkiezingen van mei 2014 <<<<

Nederland is tegenwoordig klaarwakker als het om de Europese Unie gaat. De EU is voorpagina-nieuws geworden. Politieke partijen meten zich een duidelijker (pro of anti) EU-profiel aan en de burger heeft zijn mening klaar. Dat is pas sinds een jaar of acht het geval.  Voor die tijd hield Nederland een soort winterslaap als het om ‘Europa’ ging. Tegenwoordig zijn we wakker en valt er wat te kiezen. Maar welke overwegingen laten we daarbij een rol spelen. Op grond van jarenlang onderzoek stel ik vast dat het gesprek over Europa, de EU of Brussel verschillende dimensies en invalshoeken kent. In veel discussies komt maar één zienswijze aan bod. Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optel-som en weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden. De blogs in deze serie hopen daar een bijdrage aan te kunnen leveren. Dit zijn de thema’s:

Proloog. Van winterslaap naar verkiezingskoorts (gepubliceerd)

Deel 1. Geografie: over grenzen en buren (perspectief 1; in voorbereiding)

Deel 2. Geschiedenis: over oorlog en vrede (perspectief 2; in voorbereiding)

Deel 3. Economie: over kosten en baten (perspectief 3; in voorbereiding)

Deel 4. Cultuur: over eenheid en verscheidenheid (perspectief 4; in voorbereiding)

Deel 5. Democratie en besluitvorming: over burgers en Brussel (perspectief 5; in voorbereiding)

Slotbeschouwing. Over nu en later (in voorbereiding)

 

(illustratie: Peace Talks van Hugo Kaagman)