Moedige stap van Edith Schippers

Het is goed als een gezichtsbepalende politicus de gelegenheid krijgt en neemt om uitgebreid en afgewogen zijn denkbeelden omtrent een groot maatschappelijk vraagstuk op papier te zetten en in het openbaar te delen. Minister Edith Schippers deed dit onlangs door te spreken over ‘De Paradox van de Vrijheid’ in de door Elsevier georganiseerde H.J. Schoo-lezing.[1]  Geen schreeuwerige verkiezingsretoriek, geen ultra-korte soundbites, geen voortkabbelend praatje-plaatje verhaal à la Zomergasten, maar een doordacht en doortimmerd betoog. Politiek en persoonlijk. Dat zouden meer politici moeten doen.

De centrale vraag van haar lezing is hoe we onze (westerse) verworvenheden met als trefwoord ‘vrijheid’ beter kunnen bewaken en uitdragen zonder onze eigen vrijheid en die van anderen nodeloos in te dammen. Met andere woorden: hoe vrij laat je ander zijn die onze vrijheid op de korrel neemt? Hoe tolerant wil je zijn tegenover intoleranten? Hoe op te treden tegen mensen die onze principes bestrijden, zonder daarmee diezelfde principes ontrouw te worden?

In een uitvoerig betoog, waarin linkse en rechts heilige huisjes niet worden ontzien, probeert Schippers een onderbouwd antwoord te formuleren op haar centrale vraag

Ik heb haar lezing met veel belangstelling en ook op meerdere punten met veel instemming en waardering gelezen. Maar ook met een kritische blik. Ik ga graag in op drie termen die in het betoog van minister Schippers centraal staan: cultuur, maatschappelijk contract en vrijheid.

 

Cultuur

Schippers zegt het volgende over het begrip cultuur:

Frits Bolkestein zei het al in de jaren negentig: alle culturen zijn helemaal niet gelijkwaardig. En ik zeg het hem na: de onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken. In elk geval voor de vrouw. In elk geval voor de homo of de transseksueel. In elk geval voor mensen die niet behoren tot de groep van de machthebbers. Voor mensen die de overheersende religie niet aanhangen.

Cultuur is een complex begrip dat zich moeilijk laat definiëren en operationaliseren. Het woord is afkomstig van het Latijnse werkwoord colere, dat bebouwen of bewerken betekent. Denk aan het het Engelse woord ‘agri-culture’ (= akker bebouwen). Je zou kunnen zeggen dat cultuur in die betekenis gaat om datgene wat de mens toevoegt aan de natuur. In minder materiële zin kan cultuur ook gaan om het ‘bewerken’ van je geest of ziel. En dan kom je in de buurt van de termen verering, religie  of cultus. Het woord cultuur kan ook verwijzen naar de hogere kunsten; vaak wordt het dan met een hoofdletter C geschreven.  Cultuur kan ook opgevat worden als een algemeen begrip dat verwijst naar goede omgangsvormen en civilisatie. Deze opvatting kan meer specifiek toegepast worden op de zeden, gebruiken en instellingen van een bepaalde groep mensen.

Schippers lijkt met haar opmerking het meest op de laatste omschrijving van het begrip cultuur te doelen. Maar welke cultuur bedoelt ze hier precies? De Westerse? En dan die van Noord-Noorwegen tot South Carolina, met alle onderlinge verschillen en gradaties van dien? Of beperkt ze zich tot Nederland? Het gebruik van het woord ‘onze’ lijkt daarop te wijzen. Er staat niet letterlijk dat onze cultuur het beste is (zoals sommigen in hun reactie op haar lezing beweerden), maar het staat er wel met zoveel woorden. Het vergelijken van culturen is een hachelijke kwestie. Als ‘de onze’ beter is, zijn de andere culturen minder. Welke criteria heeft Schippers gebruikt om de rangorde te bepalen? Vergelijk het eens met de volgende vragen: is Friesland beter dan Zeeland; en Zweden beter dan Denemarken? Hoe wil je dat bepalen? Bovendien kan het vooropstellen van je eigen cultuur een soort superioriteitsdenken opleveren dat door sommigen als excuus of aanmoediging kan worden gebruikt om vertegenwoordigers van andere (mindere) culturen te onderdrukken of af te wijzen (“minder-minder-minder”). Aan de andere kant mag je culturen best vergelijken zonder te vervallen in vruchteloos cultuurrelativisme. Schippers doet dat indirect door haar opmerking over cultuur te koppelen aan specifieke groepen: vrouwen, homo’s en transgenders. Dat is vruchtbaarder. Je zou homo’s in allerlei landen kunnen vragen in hoeverre zij zich in hun land en omgeving gelukkig en veilig voelen. Dan zou het best kunnen dat homo’s uit Nederland gunstiger rapportcijfers laten zien dan homo’s in homo-vijandige landen. Is dat dankzij onze cultuur? Zit dat in ons dna? Veertig jaar geleden was het hier in Nederland niet zo fijn voor homo’s. En er zijn nog steeds scholen waar homo’s niet voor de klas mogen staan. Laten we dus niet te snel over cultuur en ‘onze genen’ te spreken. Wat je ziet is dat de afgelopen decennia het maatschappelijk discours over homoseksualiteit is veranderd. Er werd gedemonstreerd voor erkenning en gelijke rechten. Er ontstond ruimte voor debatten over gelijkwaardigheid. Langzaamaan veranderde de publiek opinie. Wetgeving werd aangepast. Daarmee kom je op het interessante punt van mensenrechten en regelgeving. Paul Scheffer zegt hierover in zijn bekende boek Het land van herkomst: “er is geen waarachtig alternatief voor de codex van mensenrechten” (p. 287). Wie die zin op zich in laat werken ziet dat we ons niet moeten verliezen in discussies die gekleurd worden etnocentrisme (“wij zijn beter”) of cultuurrelativisme (“automatische erkenning voor en waardering van andere tradities”). Beide opvattingen brengen ons niet verder. In een wereld die zo sterk globaliseert hebben we universele spelregels en rechten nodig om de menselijk waardigheid te beschermen. “Deze rechten van de mens zijn wezenlijk voor een samenleving, maar ze omvatten niet cultuur in algemene zin. Daarom moeten we  nooit over een rangorde van culturen spreken.”(Scheffer; p. 287)

scheffer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maatschappelijk contract

Laten we dus niet simpelweg over betere en mindere culturen spreken. Cultuur is vaak iets dierbaars voor mensen. Het biedt houvast en het doet pijn als de cultuur wordt aangevallen. Waar culturen elkaar raken, kan spanning en wrijving ontstaan. Schippers schetst in haar lezing hoe dat ook gebeurde tussen de zuilen en de generaties in het 20e eeuwse Nederland:

Voor wrijving heb je elkaar nodig. Je botst met elkaar, discussieert. Dat is wrijving. Wrijving geeft glans. Door wrijving hebben wij in deze samenleving iets bereikt. En dat is dat onder al onze verschillen, die uiteenlopende opvattingen en religies, toch een gemeenschappelijke basis ligt. Gemeenschappelijke normen en waarden. Het bezielende verband. Onze bakens. Een maatschappelijk contract. Dat contract is over de decennia heen bevochten, geconsolideerd en geschreven. Dat contract zit in onze genen, en natuurlijk kan het ook door nieuwkomers worden onderschreven.

Het valt mij op dat Schippers in deze passage veel zaken op een hoop gooit die ik juist zou willen scheiden. Normen en waarden zijn verschillende dingen. Ik ben op dit gebied meer geïnteresseerd in normen (regels, afspraken) dan in waarden. Meer geneigd te denken in termen van de rechtsstaat dan in termen van cultuur. Hoe iemand tot bepaalde opvattingen en waarden komt (religie, opvoeding, culturele achtergrond, politieke opvatting) is op zich interessant en de ene waarde of cultuur zal me meer aanspreken dan de andere. Maar we moeten met elkaar (met al die verschillende waarden en opvattingen) vooral komen tot gemeenschappelijke normen. Noem dat een maatschappelijk contract. En die normen liggen niet voor eeuwen vast, maar die kunnen langs democratische weg worden bijgesteld. En steeds weer zullen groepen opstaan die hun plek in de publieke ruimte en het maatschappelijke verkeer opeisen. Nieuwkomers (en oud-ingezetenen) moeten het huidige contract niet alleen onderschrijven, maar moeten ook meeschrijven aan het maatschappelijke contract van de toekomst. Pas dan doen ze volwaardig mee en hebben zij dezelfde rechten en plichten die we onszelf toedichten. Zoals Scheffer zegt: “de normen die men aan de wereld wil voorhouden, slaan onverbiddelijk terug op degene die ze uitdraagt”. (p. 288)

Vrijheid

De tekst van Edith Schippers is doorspekt met het woord vrijheid. Vrijheid is de centrale term. Vrijheid is zelfs haar “propositie”:

Maar laten we eerlijk zijn: onze propositie is beter! Onze vrijheid is nú, onze kansen kun je nú pakken, onze welvaart kun je nú hebben, jouw kinderen kunnen het beter krijgen dan jij nu. Je mag nu van het leven genieten, muziek luisteren, een feestje vieren, jezelf ontplooien, verliefd worden.

Dat klinkt natuurlijk prachtig en aanlokkelijk. Wie zou dit niet willen? Maar is dit wel het soort vrijheid waarbij Schippers een paradox ziet opdoemen? Is deze ‘lekker jezelf kunnen zijn’-vertaling van vrijheid zinvol als hoeksteen van haar betoog’? Ik denk het niet. Ik denk dat de propositie niet vrijheid, maar gelijkwaardigheid moet zijn. Het streven naar democratie, pluriformiteit en mensenrechten komt voort uit de opvatting dat mensen in principe gelijkwaardig zijn. Zij moeten zich kunnen ‘bevrijden’ van datgene wat hen onderdrukt en  ondermijnt. Vrijheid op grond van gelijkwaardigheid. Vrijheid omwille van de vrijheid mist een dergelijk fundament. Ongebreidelde vrijheid leidt al snel tot minder vrijheid voor anderen. Gelijkwaardigheid gaat ten koste van niemand. Als je (in tegenstelling tot Schippers) niet het woord vrijheid, maar het woord gelijkwaardigheid als uitgangspunt kiest, kun je ook duidelijker optreden tegen mensen die die gelijkwaardigheid ondermijnen. Niet omdat zij minderwaardig zijn, maar omdat ze het fundament van ons maatschappelijke contract bedreigen. We zouden dat expliciet kunnen vastleggen als een aanvulling op het bekende artikel 1 van de Grondwet.

monument_artikel1grondwet

Monument met weergave Artikel 1 in Den Haag

 

De huidige tekst:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”[2]

 

 

 

De Grondwet bepaalt de verhouding tussen overheid en burgers (verticale werking), maar de passage over discriminatie kan ook opgevat worden als spelregel tussen burgers onderling (horizontale werking). Misschien is het goed om dit nog explicieter te maken. Een suggestie (als niet-jurist):

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld op voorwaarde dat zij de gelijkwaardigheid van anderen onderschrijven en zich onthouden van discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook”

Schippers stelt een vrijheidscoalitie voor. Dat is op het eerste gezicht een sympathieke oproep, waarbij ze niemand uitsluit. Maar bij nader inzien kan ik me er niet iets heel concreets bij voorstellen. Ik doe het tegenvoorstel om het aangepaste eerste artikel van onze Grondwet ter ondertekening voor te leggen aan iedere inwoner van Nederland (bijv. bij het ophalen of vernieuwen van het paspoort of verblijfsvergunning) en aan elke organisatie die zich hier wil vestigen. Wie dit niet wil onderschrijven, hoort hier niet thuis. Dit is namelijk ons maatschappelijk contract.

 

 

[1] http://www.elsevier.nl/nederland/achtergrond/2016/09/hj-schoo-lezing-edith-schippers-de-paradox-van-de-vrijheid-353734/

 

[2]  Opmerkelijk genoeg deed Pim Fortuyn (“ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg”) in 2002 het voorstel om dit basis-artikel uit de Grondwet te halen.