Femke

Drie weken geleden krijg ik een alarmerend telefoontje.

Femke is slachtoffer geworden van een beroving op straat. Ze was gisterenmiddag met een vriendin naar de film van Herman Finkers geweest. Op de terugweg, vlakbij huis, had een jongen geprobeerd haar handtas te stelen terwijl hij haar voorbij fietste. Omdat Femke het hengsel van de tas om haar onderarm had geslagen, was dat niet gelukt, maar door de harde ruk was ze met een smak op de grond terecht gekomen. Ze ligt met een gebroken oogkas, een kapotte knieschijf en tal van kleinere verwondingen in het ziekenhuis.”

Het is de buurvrouw van Femke die me belt. Ze heeft van Femke een lijst gekregen met namen van mensen met wie ze contact moet opnemen.

Femke is een warme, intelligente, positieve, wereldwijze vrouw van 83 jaar. Ze was in de jaren ’70-’80 een goede vriendin van mijn moeder. Toen mijn moeder in 1988 overleed en ik met mijn jonge gezin net in Amstelveen was komen wonen, kwam Femke af en toe bij ons langs. Het toeval wilde dat zij ook in Amstelveen woonde; niet ver van ons vandaan. Het was fijn om met haar over mijn moeder te kunnen praten. Maar, zoals dit soort dingen gaan, na verloop van tijd verwaterde het contact en zagen we elkaar steeds minder. Totdat ik zes jaar geleden een rouwadvertentie in het Amstelveens Nieuwsblad zag staan. Femke’s man was overleden. Onderaan de rouwadvertentie stond een ander adres dan in ons adresboekje. Ze was kennelijk verhuisd en bleek nu nog dichterbij te wonen. Ik besloot bij haar langs te gaan en werd heel hartelijk ontvangen. Ondanks haar verdriet vond ze het heel fijn om bij te praten. Ze vertelde met veel warmte over haar man en over de moeilijke laatste weken. Maar al snel vroeg ze naar mij, mijn gezin, mijn werk, mijn broers en hadden we het over literatuur, politiek en de wereld om ons heen. Dat hield ze allemaal goed bij, zoals ook bleek uit de kranten, tijdschriften en boeken op haar leestafel.

Vanaf dat moment spraken we elke maand af. Soms kwam Femke bij ons langs, maar meestal ging ik naar haar toe. Vaak was het even puzzelen om een afspraak te kunnen maken, omdat haar dagen goed gevuld waren: bridgen, de wandelclub, etentjes, de leesgroep, museumbezoek, taalles aan vluchtelingen, uitstapjes met vriendinnen, naar de film. Als ik dan bij haar op de bank zat, kwam er altijd nog wel iemand langs. Een buurvrouw met een bloemetje, een vriendin die een boek had geleend, of een zwager die even een praatje kwam maken. We genoten allebei van het hernieuwde contact. Na enige tijd durfde ze me ook te vragen of ik een klein klusje voor haar kon doen. Nu ben ik niet de handigste, maar een lamp vervangen, de laptop verbinden met het internet of de stand van de watermeter aflezen gaat me nog prima af.

Een jaar geleden vertelde ik haar dat ik van Amstelveen naar Zeist zou gaan verhuizen. Ze schrok meer van deze mededeling dan ik had verwacht. Het deed haar zichtbaar verdriet, maar ze herpakte zich snel. Ze vertelde me dat zij haar jeugd in Zeist had doorgebracht. Ik beloofde dat ik haar na de verhuizing een keer zou komen ophalen voor een gezellig dagje Zeist. In februari ging ik weer even bij haar langs en we spraken af dat ze in april/mei naar Zeist zou komen. In het voorjaar, als het wat lekkerder weer zou zijn. Eerst even langs het huis rijden waar zij vroeger heeft gewoond en dan naar ons nieuwe huis.

 

Dan wordt Femke op straat overvallen.

Ze ligt een paar dagen in het ziekenhuis en moet daarna een paar maanden revalideren in een verpleeghuis. Ik ga op een woensdagmiddag bij haar langs. Haar broer en een goede vriendin van haar (ik herken haar, het is mijn vroegere huisarts) zijn er ook. En een paar minuten later stappen ook twee andere vriendinnen van Femke binnen. De kamer is vol met bloemen, kaarten en bezoek. Femke ziet er enorm gehavend uit, maar er komt geen woord van zelfbeklag of boosheid over haar lippen. Ze geniet van de aandacht en de afleiding.

Een paar dagen later kondigt de regering tal van beperkende maatregelen aan. De buurvrouw belt me om te vertellen dat het verpleeghuis ook zal worden vergrendeld. Femke mag geen bezoek meer ontvangen. Ze mag zelfs haar kamer niet uit. Ze heeft geen radio, geen televisie en ze weet even niet meer hoe haar mobieltje werkt. Na een paar dagen is ze de wanhoop nabij. Een paar vriendinnen geven bij de receptie een radio, een bos bloemen en wat lekkers af. Een verpleegkundige legt Femke uit hoe ze haar mobieltje aan de praat kan krijgen.

Om haar op te monteren stuur ik haar een grote envelop met wat lectuur en een vrolijke kaart. Een paar dagen later belt ze me op. Voor het eerst met haar mobiele telefoon. Ik ben verrast en blij. Ze klinkt monter, maar vertelt me ook dat de afgelopen week erg zwaar is geweest. Het dagenlang alleen op de kamer zitten heeft haar enorm aangegrepen. “Maar ik mag niet mopperen”, zegt ze, “er zijn mensen die het veel zwaarder hebben”. Daarna vertelt ze me dat ze binnenkort naar een ander verpleeghuis gaat, waar er iets meer bewegingsruimte zal zijn en waar ze in de tuin kan zitten.

Aan het einde van het gesprek vertrouwt ze me nog iets toe: “die jongen op die fiets was een blonde jongen, hoor. En toen hij wegreed en ik op de grond lag, keek hij nog even om. Het leek wel alsof hij sorry zei”.

Typisch Femke. Altijd uitgaan van het positieve, nooit klagen. Geen wonder dat ze met haar warme, belangstellende persoonlijkheid een grote, gemêleerde kring van familieleden, vrienden en kennissen om zich heen heeft verzameld. Nu alles op slot zit zal mijn dierbare vriendin voor onbepaalde tijd geen bezoek mogen ontvangen. Een enorme beproeving. Ze zal al haar positieve zeilen bij moeten zetten om deze tijd door te komen. Ik hoop van harte dat het goed komt. Die beloofde dag in Zeist zal dan nog mooier zijn.

 

 

 

(om privacy redenen heb ik de naam Femke gebruikt en niet de werkelijke naam van mijn dierbare vriendin)

Geef een reactie