Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 3: Economie

“Zo weinig omstreden als de interne markt door de jaren heen is geweest, zo controversieel -vanaf het begin- is de Euro. De Euro is wat dat betreft een goede graadmeter, een betrouwbare rekeneenheid,  voor het EU-sentiment geworden”

 

>>>>>  over kosten en baten <<<<<

 

 

Een van de meest voor de hand liggende vragen omtrent de EU is: wat levert het ons op? Naast idealisme, cultuur en historie speelt natuurlijk het huishoudboekje een grote rol in onze waardering van de EU. En laten we wel wezen, vanaf de jaren ’50 is de Europese samenwerking toch vooral opgezet als economisch project met de interne markt als hoofdthema. De oude naam Europese Economische Gemeenschap spreekt wat dat betreft boekdelen. Ook in het Verdrag van Maastricht (1992), het kantelpunt van oud (EEG) naar nieuw (EU), vormt de interne markt de basis van Pijler I: de bundeling van beleidsterreinen met de meest vergaande vormen van samenwerking. Bovendien nemen de Europese leiders in Maastricht het besluit tot de vorming van een munt-unie: de geboorte van de Euro. De Euro is, twintig jaar later, uitgegroeid tot het meest tastbare en herkenbare symbool van de EU. Meer nog dan de vlag, de hymne, het motto en 9 mei (Dag van Europa) bij elkaar.[1]

 

De geboorte van de Euro

Zo weinig omstreden als de interne markt door de jaren heen is geweest, zo controversieel -vanaf het begin- is de Euro. De Euro is wat dat betreft een goede graadmeter, een betrouwbare rekeneenheid,  voor het EU-sentiment geworden. Dat begon al in de aanloop naar ‘Maastricht’. De val van de Berlijnse muur in 1989 bracht de Duitse hereniging tot stand. Duitsland was nu veruit de grootste lidstaat. En als voormalig Oost-Duitsers opgenomen konden worden, hoe zat het dan met Hongarije en Polen en al die andere voormalige Oostblok-landen. Had West-Europa niet de dure plicht om de deze buren welkom te heten? Zo zorgde het verdwijnen van het IJzeren Gordijn voor twee kernvragen. Wat doen we met versterkte machtspositie van Duitsland en hoe gaan we met de landen in het Oostblok om? In die context werd het Euro-idee geboren, als middel om de Duitse expansie via verdere Europese integratie aan banden te leggen. Vooral Frankrijk had hier behoefte aan en in die jaren was de as Bonn/Berlijn-Parijs de onbetwiste spil van de Europese samenwerking. Voor Duitsland was het slikken of stikken. Kort door de bocht: de sterke D-Mark werd opgeofferd ten gunste van de Euro in ruil voor erkenning van de Duitse hereniging. In die zin wilde Frankrijk met de Euro meer politieke munt (verdere integratie) uit de situatie slaan dan economische. Op dat moment was een echte politieke unie niet haalbaar. Nederland had als gastland een opzet voor een Europese Politiek Unie samengesteld die op maandag 30 september 1991 door de andere lidstaten radicaal van tafel werd geveegd (deze datum staat sindsdien bekend als ‘Zwarte Maandag’). Maar zelfs zonder de context van een politieke unie was het Euro-initiatief voor meerdere lidstaten een brug te ver. Groot-Brittannië, Zweden en Denemarken haakten af. En in Frankrijk werd via een referendum met de hakken over de sloot (51%-49%) ingestemd met ‘Maastricht’.[2] Kortom, de Euro was vanaf de conceptie al omstreden.

 

Omstreden berekeningen

Deze voorgeschiedenis is van belang om het verhaal over kosten en baten in het juiste perspectief te plaatsen. Zoals eerder gezegd, de interne markt is als zodanig weinig omstreden; de pijn zit ‘m meer bij de Euro. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de discussie over de vraag wat de EU ons kost en/of oplevert juist sinds de introductie van de Euro in 2001 op gang is gekomen en de afgelopen paar jaar is verhevigd door de Euro-crisis.

De meest uitgesproken Nederlandse criticus op dit gebied (en aanjager van de discussie), Geert Wilders, heeft enkele kosten-baten studies laten uitvoeren. In 2012 liet hij uitrekenen wat de herinvoering van de gulden ons zou opleveren (http://www.pvv.nl/images/stories/Netherlands_and_the_Euro_-_Full_Report_Final.pdf)  en drie maanden gelden presenteerde hij een onderzoek naar een gehele terugtrekking van Nederland uit de EU (http://www.pvv.nl/images/Rapport_NExit_full_ENG.pdf). Wilders houdt ons voor dat een ‘Nederlandse exit’ de weg uit de crisis zal betekenen. Beide rapporten brachten andere politici, onderzoeksbureaus en journalisten in beweging. Het eerste rapport (van Lombard Street Research) werd door vrijwel iedereen als volstrekt ontoereikend en onevenwichtig neergesabeld. Zo presenteerde het Centraal Planbureau in 2012 (later ook door Alexander Pechtold aangehaalde) berekeningen waarin de gemiddelde Nederlander dankzij de EU een extra maandsalaris zou verdienen en dankzij de euro een extra weeksalaris.

De CPB berekening in grote lijnen:

De kosten:

De jaarlijkse bijdrage van Nederland aan de Euro bedraagt tussen de 5,5 en de 6 miljard euro. Nederland ontvangt jaarlijks ruim 2 miljard euro. Netto kost de EU ons dus circa 3,5 miljard euro, oftewel ongeveer 220 euro per Nederlander per jaar.

De baten:

Deze kant van de balans is moeilijker te bepalen. Ik baseer me op een Fact-check document van Nieuwsuur (http://nieuwsuur.nl/onderwerp/413587-factcheck-pechtold-over-opbrengst-eu.html):

De export draagt 29 procent bij  aan het Bruto Binnenlands Product, ofwel wat we met zijn allen verdienen in Nederland. Dit is echter de totale export. Het aandeel van Europa is lager. In 2011 ging bijna driekwart van onze totale export naar EU-landen. Dit betekent dat 21 procent van de toegevoegde waarde van de export via Europa gaat (74 procent van 29 procent). Uitgaande van een Nederlands Bruto Binnenlands Product van ongeveer 600 miljard euro en dat 20 procent van de toegevoegde waarde van export via Europa gaat, kom je op een bedrag van 120 miljard euro. Vaststaat dat de export naar andere EU-landen de afgelopen vijftig jaar sterk is toegenomen en sinds 1996 zelfs meer dan verdubbelde Die groei kan volgens het CPB voor 18 procent worden toegeschreven aan het effect van de interne markt – dus aan de open grenzen en de muntunie. Het berekende extra inkomen: jaarlijks 1500 tot 2200 euro per Nederlander.

Het tweede rapport van Wilders (opgesteld door Capital Economics) werd beter ontvangen, maar kreeg ook de nodige kritiek, met name  op de bewijsvoering en het oningevuld laten van bepaalde scenario’s. zie o.a. http://www.z24.nl/ondernemen/mathijs-bouman-vreemde-veronderstellingen-in-wilders-eu-rapport-432536) .

Een groot kritiekpunt op dit rapport is dat Nederland zal willen blijven handelen met Europese landen en dat die handel toch via Brusselse regels dient te verlopen. Zoals ook Noorwegen en Zwitserland diezelfde regels moeten volgen, ook al zijn ze geen lid van de EU. Een ander belangrijk kritiekpunt is dat niemand kan overzien (laat staan berekenen) wat een stand alone positie van Nederland voor effecten zal hebben op handelspartners. Nederland zit niet meer aan tafel, praat niet meer mee, en kan zo makkelijker overgeslagen worden. Al met al lijkt de interne markt niet de meest logische reden om uit de EU te stappen en onvoorziene risico’s te lopen.

Met de Euro ligt dit wat anders. Iedere kosten-baten berekening moet ook de kosten van de bestrijding van de Euro-crisis verdisconteren. En dan komt het plaatje er minder rooskleurig uit te zien. Nederland heeft door de crisis ruim 135 miljard aan garanties uitstaan. Als gevolg hiervan neemt de staatschuld toe en daarmee ook de nationale rentelasten. Die lasten per hoofd van de bevolking zou je dan weer moeten aftrekken van het extra maandsalaris dat het CPB ons heeft voorgeschoteld. Aan de andere kant kon Nederland dankzij de crisis weer tegen lagere rente buitenlands kapitaal aantrekken, wat weer voor miljarden aan meevallers opleverde. Zo blijft het plussen en minnen.

 

Het is niet de markt, het is de munt

Het economische perspectief, het verhaal van kosten en baten, laat zien dat de interne markt ons geen windeieren heeft gelegd. Vriend en vijand zijn het er over eens dat de EU (en z’n voorgangers) op dit terrein enorm heeft bijgedragen aan onze welvaart. Het is niet de markt, maar juist de munt die vanaf het begin tot de dag van vandaag voor beroering zorgt. Alleen als de EU de eurocrisis effectief weet te beteugelen, zullen de baten van Europese samenwerking groter blijven dan de kosten. En alleen dan zal het EU-sentiment zich stabiliseren, met kans op groeiend vertrouwen. Zo niet, dan kalft de steun voor het EU-project verder af. Iedereen voelt namelijk die euro in zijn portemonnee.

 

[1] Johan Förnas publiceerde enkele aardige artikelen over de symbolen van de EU.

[2] Wie in de tijd door Frankrijk reisde zag overal affiches met Maastricht OUI of Maastricht NON hangen. Destad Maastricht kreeg zo een enorme naamsbekendheid.

Een gedachte over “Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 3: Economie”

Reacties zijn gesloten.