Hun strijd, onze strijd

Onze jongens vechten dus tegen onze jongens. Nog scherper gesteld: het is denkbaar en mogelijk dat twee broers uit een Nederlands gezin daar tegen elkaar vechten: de één aan de kant van IS, de ander als F16-piloot.

 

Een paar jaar geleden kwam ik een oude studievriend tegen. We raakten aan de praat en wisselden allerlei verhalen van vroeger en nu uit. Zo vertelde hij dat zijn zoon op dat moment als militair gestationeerd was in Afghanistan. “En dan te bedenken”, zo zei hij, “dat ik als student naar Afghanistan ging voor de goeie hash en die mooie gekleurde jassen”. “Tijden veranderen”, vervolgde hij, “ik was fel tegen de NAVO en nu vecht mijn zoon in een ver land als NAVO-soldaat”. Op de één of andere manier bracht onze ontmoeting hem ook op het spoor van een spannend wapenfeit uit onze studietijd, want hij vroeg opeens “wist je trouwens dat dat leuke roodharige meisje dat een tijdje in het studentenhuis naast ons woonde aangesloten was bij een Nederlandse groep die sympathiseerde met de Rote Armee Fraktion? Het gerucht ging dat ze een pistool op haar kamer had.” Ik schudde van nee en kon het nauwelijks geloven. Ik wist wel dat er heel wat radicale types in die tijd rondliepen. Variërend van half-militaire corpsballen die bij de Studentenweerbaarheid zaten tot extreem-linkse actievoerders die harde actiemiddelen niet schuwden.

We zijn nu, terecht, heel bezorgd om het geweld en de terreurdaden die we dichterbij en verder weg meemaken, maar in de jaren ’60- ’80 was het ook flink raak. Molukse kapingen, doodseskaders in Zuid-Amerika, de Baader Meinhof groep, de PLO, militaire regimes in Zuid-Europa, bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld, rassenrellen in de VS. En als dreigende donderwolk boven dit alles de Koude Oorlog en de dreiging van een nucleaire oorlog. Ik weet niet of deze prille 21e eeuw wat dat betreft angstaanjagender is dan de wereld van pakweg 40 jaar geleden. In ieder geval volgden we als geëngageerde studenten het nieuws over deze ontwikkelingen op de voet en je werd al gauw gedwongen om partij te kiezen. Niet voor niets was in die tijd de kreet ‘hun strijd onze strijd, internationale solidariteit’ erg populair. Maar de overgrote meerderheid van de mensen om mij heen liet het bij woorden en bij posters van Che Guevara op hun kamer.

De enkelen die wel daadwerkelijk tot gewelddadige actie overgingen kon in bepaalde kringen op begrip, instemming of zelfs bewondering rekenen. Zij hadden illustere voorgangers.

Twee voorbeelden: Byron en Malraux

Lord Byron, de bekende Britse dichter, reisde in 1823 naar Griekenland om met de Grieken mee te vechten tegen de Turkse overheersing. Hij stierf korte tijd later, niet op het slagveld, maar door een koortsaanval. Zijn ‘martelaarschap’ droeg bij aan zijn geromantiseerde status van geëngageerd kunstenaar.

André Malraux, de Franse schrijver (en latere minister van Cultuur) nam net als Byron ook in vreemde dienst de wapens op. Zijn beroemd geworden boek La Condition Humaine[1] schetst een indrukwekkend beeld van strijd en eenzaamheid tegen de achtergrond van de Chinese burgeroorlog in de jaren ’20 van de vorige eeuw.  Malraux koos zelf ook daadwerkelijk partij in China en later ook tijdens de Spaanse burgeroorlog (jaren ’30) door mee te vechten aan de zijde van de Republikeinen tegen Franco. Malraux laat zien hoe deze gruwelijke oorlog tot duivelse dilemma’s leidt. Als ik mijn vijand niet doodschiet, schiet hij mij dood. Mag je doden om het doden te stoppen? Een soort Russisch roulette met mensenlevens als inzet. De menselijke toestand dwingt ons vaak op pijnlijke wijze te balanceren tussen denken en doen, tussen bewustzijn en handelen.

Ook nu treden mensen in vreemde krijgsdienst. Soms simpelweg omdat ze een dubbele nationaliteit hebben. Het is bekend dat Turks-Nederlandse mannen aan hun Turkse dienstplicht moeten voldoen. Het bijzondere is dat zij deze plicht kunnen afkopen.[2]

Je hoort ook wel over Joodse jongeren (die buiten Israël wonen) die een tijdlang meedraaien in het Israëlische leger. In een column van David Brooks (The New York Times) weergegeven in De Volkskrant van 6 januari 2015 staat in een bijzin: “mijn zoon neemt op het ogenblik deel aan het Lone Soldiers programma, waarbij mensen van over de hele wereld dienst mogen doen in de Isrealische strijdkrachten”. Als ik via Google de trefwoorden Lone Soldiers Israël invoer, kom ik informatie tegen van de organisatie Friends of Israel Defence Forces (http://www.fidf.org/page.aspx?pid=282 ). Het blijkt dat jaarlijks bijna duizend jonge mensen van over de hele wereld zich aanmelden voor het Israëlische leger.

Op dit moment is er veel te doen om jihad-strijders die vanuit Europa naar Syrië en Irak afreizen. Premier Rutte heeft liever dat ze daar sneuvelen dan dat ze hier terugkeren. Het bijzondere aan deze situatie is dat niet alleen Nederlandse jihadstrijders in den vreemde actief zijn, maar dat ook het Nederlandse leger daar opereert. Onze jongens vechten dus tegen onze jongens. Nog scherper gesteld: het is denkbaar en mogelijk dat twee broers uit een Nederlands gezin daar tegen elkaar vechten: de één aan de kant van IS, de ander als F16-piloot. Dat klinkt als een oud-Griekse tragedie èn als een eigentijds plot van een Hollywood film.

Met alle geweld

Ik schaar me graag in de grote kring van mensen die het afreizen van jihad-strijders afwijzen en die grote zorg hebben over hun eventuele terugkeer. Laat dat duidelijk zijn. Maar hebben wij zelf al ‘afgerekend’ met onze ’jeugdzondes’? Hans Achterhuis, voormalig denker des vaderlands, heeft daar een doorwrocht boek aan gewijd, zijn magnum opus Met Alle Geweld. Hij worstelt in dit boek met zijn eigen stellingnames van destijds (“Zo schrok ik van de manier waarop ikzelf in het verleden over links geweld had geschreven”) en geeft aan dat hij tot het inzicht is gekomen dat je moet oppassen om voor geweld te pleiten als dat ‘de goede zaak’ ten goede komt. Idealisme en bevlogenheid kunnen leiden tot een spiraal van geweld en daarmee zich ontwikkelen tot hun tegendeel. In de jaren ’60-‘80 werd in bepaalde kringen openlijk opgeroepen tot ‘gerechtvaardigd’ geweld.[3] Achteraf gezien was dat zeer discutabel, aldus Achterhuis.

Er valt nog iets over dit onderwerp te zeggen. Mij valt het ontbreken van een brede maatschappelijk discussie op over de inzet van onze legeronderdelen in bijv. Afghanistan, Mali en Irak. We vochten in de jaren ’60 toch ook niet mee met de Amerikanen in Vietnam? Waarom dan nu wel zo zonder ophef in deze landen? Waarom is er zoveel discussie (en terecht) over de jihadstrijders en zo weinig debat over onze formele, gewapende bemoeienis van ons land met de strijd in verre oorden? Waarom zijn onze militairen daar? En is het effectief? Welke gevolgen heeft onze inzet? Ik zeg niet op voorhand dat ons leger in dergelijke landen niet zou mogen optreden, maar ik begrijp het gebrek aan debat hierover niet. Veel politici willen dat we minder geld uitgeven aan ontwikkelingshulp, en dat we de deuren dichtdoen voor vluchtelingen, maar ze bepleiten wel dat we bombarderen en schieten in landen waar we de verhoudingen nauwelijks kennen, en waar we de gevolgen van ons optreden maar moeilijk kunnen overzien.

We kunnen niet de ene deur open zetten en de andere deur dicht doen. Als we ons bemoeien met andere landen (en in deze globaliserende wereld kan dat haast niet anders) via handel, verdragen, militaire inzet, bondgenootschapen, toerisme, etc. moeten we ook accepteren dat we, andersom, de gevolgen daarvan merken in ons land. En dat zijn niet alleen plezierige gevolgen.

Hun zorg, onze zorg?

Als we minder vluchtelingen willen en minder jihastrijders, zullen we ook moeten kijken wat we als land kunnen bijdragen om achterliggende oorzaken op te lossen. En dat is meer dan simpelweg de deur dicht doen en zeggen “rot op”. En dat is ook meer dan het bombarderen van terroristische targets. We zullen kritisch moeten zijn ten aanzien van ons gehele optreden als land in de wereld. Dat gaat van milieubeleid, handelsverdragen, investeringen, culturele uitwisseling en noodhulp tot militair optreden, sancties en boycots. We hoeven niet solidair te zijn met iedereen, en we moeten zeker niet ‘hun strijd’ tot ‘onze strijd’ maken, maar we moeten wel kijken of en hoe we in brede zin kunnen bijdragen aan een meer vreedzame en rechtvaardige wereld.

Dat laatste klinkt wel weer heel idealistisch. En ook met idealen moet je oppassen, vindt Achterhuis, want de geschiedenis laat zien dat vaak juist de  ‘beste bedoelingen’ kunnen leiden tot de wreedste daden. Hoe dan wel? Achterhuis zegt dat je niet moet proberen geweld uit te bannen (daarmee roepen we vaak juist tegen-geweld op), maar dat we moeten proberen geweld te domesticeren en in te dammen. Een pluralistische cultuur met ruimte voor democratische discussie en publiek debat draagt daaraan bij. Meer in gesprek, dus, en minder op de vuist.

 

[1] Malraux droeg zijn boek op aan zijn Nederlandse vriend Eddy du Perron. Du Perron vertaalde het boek en gaf het de titel ‘Het menselijk tekort’ mee.  In tegenstelling tot zijn Franse vriend Malraux trok Du Perron niet ten strijde. Toen Nederland op 14 mei 1940 capituleerde werd Du Perron getroffen door een hartinfarct. Zijn vriend Menno ter Braak pleegde op die zelfde avond zelfmoord.

 

[2]  http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/krijgsmacht/vraag-en-antwoord/ben-ik-dienstplichtig-in-mijn-land-van-herkomst-als-ik-een-dubbele-nationaliteit-bezit.html

 

 

[3] Als voorbeeld: in 2008 vormden onthullingen omtrent het actieverleden van GroenLinks kamerlid Wijnand Duyvendak in de jaren ’80 voor hem aanleiding om af te treden