Naast wie ga je zitten?

Bij drie stoeltjes altijd de buitenste nemen.

Er komt nog iemand die neemt de verste

Mijn tas zit dan tussen ons in.

 

Met deze regels begint het gedicht Inbreuk van Vrouwkje Tuinman. Ze schetst met dit vers een treffend beeld van de dagelijkse keuze-mogelijkheden waarvoor het openbaar vervoer ons stelt. Zijn er nog plaatsen vrij en waar ga je dan zitten? Als er nog maar een enkele zitplaats beschikbaar is, is de keuze snel gemaakt. Maar wat doe je als je meerdere opties hebt?

In Amsterdam heeft deze vraag een nieuwe dimensie gekregen door de komst van nieuwe metrostellen. Terwijl er nog voldoende oude modellen heen en weer rijden, staat er tegenwoordig af en toe ook zo’n nieuw type voor je neus. Het meest opvallende aan deze nieuwe treinen (metrostellen worden ook treinen genoemd: “de volgende trein is lijn 53 naar Gaasperplas”) is de manier waarop de zitplaatsen zijn geordend. In de oude metro’s zijn de stoelen per twee geplaatst en zit je, vooruit of achteruitrijdend, hooguit naast één andere medepassagier. Je keuze-opties zijn beperkt. In de oude metro’s gaat het puur om het vinden van de lege plek en je kunt daarbij hooguit nog aanvullend kiezen om vooruit (mijn voorkeur) of achteruit te rijden. In de nieuwe stellen zijn de stoelen in rijen van vijf langs de zijkanten van de wagens geplaatst, met de rug naar het raam toe. Je hebt dus vaak twee directe buren, maar er zijn ook altijd overburen. Als je de metro binnenstapt zie je aan je linkerhand twee rijen van vijf tegenover elkaar en aan je rechterhand ook. Dat zijn bij elkaar 20 potentiële zitplekken met allerlei combinatiemogelijkheden. Ga je op een hoek zitten, dan komt er hooguit één ander persoon naast je zitten. Die hoekplaatsten zijn geliefd; ze hebben zelfs ook nog een kleine armleuning ter afscheiding van de plaast ernaast. Ga je ergens op een van de drie middenplekken zitten, dan kan dat direct naast iemand anders, of met een lege plek ertussenin. Dit levert veel meer opties op, dus je moet echt een keuze maken.

Uit (onwetenschappelijk) onderzoek blijkt dat de uitstraling van de potentiële buurman of buurvrouw hierbij een grote rol speelt. Een groep studenten heeft dit maandenlang getest in het Amsterdamse metronetwerk. De groepsleden (meiden en jongens; blond/blauwogig, maar ook donkerharig/getint; afwisselend bozig kijkend of juist open en toegankelijk) gingen steeds expres verspreid zitten; zoveel mogelijk middenin een vrije rij zitplaatsen. Vervolgens keken ze wie er naast hen kwam zitten. Uit dit veld-experiment kwam naar voren dat iemand die binnenstapt eerder naast een vrouw gaat zitten dan naast een man; eerder naast een blond iemand dan naast een donkerharig iemand en eerder naast een blij kijkend persoon, dan naast een bozig ogend type. Kortom, een vrolijk blond meisje heeft snel iemand naast zich zitten en een norse, donkere man blijft het langst alleen.  En dat laatste zal helemaal het geval zijn als die man ook nog eens aan ‘manspreading’ doet, zoals dit onlangs in New York het thema van een campagne was: http://www.nytimes.com/2014/12/21/nyregion/MTA-targets-manspreading-on-new-york-city-subways.html?_r=0

MANSPREADING4web-articleLarge

 

Allerlei stereotypen en vooroordelen doen zich dus kennelijk ook in het OV voor. Misschien is het een idee om dit, net als andere vooroordelen, aan te pakken. Je zou kunnen zeggen: morgen ga ik eens gezellig naast een chagrijnige, zwartharige vrouw zitten, of naast een sombere kerel. Maar laten we het niet overdrijven. Anders krijg je een situatie die Vrouwkje Tuinman een paar verzen verderop in haar gedicht beschrijft:

De trein het midden van de ochtend

bijna leeg. De enige op veertig stoelen

in de coupé en dan toch naast mij