Categoriearchief: Gepubliceerd

Burgemeester word wakker!

“Hebben we eindelijk een jeugdige, vrouwelijke burgemeester (na decennia van middelbare VVD-mannen in dito pakken), dreigt er meteen onheil”

 

 

Politiek Amstelveen (mijn woonplaats) is in rep en roer. De kersverse burgemeester Mirjam in ’t Veld heeft een nevenfunctie: zij neemt zitting in de Raad van Toezicht van WNL. Je weet wel, Wakker Nederland, die nieuwe omroepvereniging uit de Telegraaf-stal.

Hebben we eindelijk een jeugdige, vrouwelijke burgemeester (na decennia van middelbare VVD-mannen in dito pakken), dreigt er meteen onheil.

Sommige klagers vinden WNL te rechts en daarom geen goede keuze voor de nieuwe ‘burger-moeder’ (van CDA-huize) die boven de partijen zou moeten staan. Anderen vinden dat de burgemeester zich geheel op haar burgemeesterstaak moet richten. Frits Barend, een bekende local, vindt dat laatste weer onzin en noemt het juist gezond dat de burgemeester zich inlaat met maatschappelijke organisaties. Vrijwel alle fractievoorzitters steunen de keuze van in ’t Veld, maar een groep oud-raadsleden heeft zich per brief juist weer heel kritisch uitgelaten. Kortom, de gemoederen in mijn -onlangs tot groenste stad van Europa- verkozen woonplaats lopen op.

Wat vind ik er van? Ik neem als communicatie- en media docent een formeel standpunt in.

In veel reacties op de nevenfunctie van burgemeester in ’t Veld blijft het feit onderbelicht dat WNL een omroepvereniging in het publieke bestel is. Volgens de Mediawet (2008) moet iedere omroepvereniging “zich volgens de statuten ten doel stellen in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen” (artikel 2.24). Mensen die zich daartoe aangesproken voelen kunnen lid worden van deze vereniging. Het gaat bij iedere omroepvereniging (ongeacht haar politieke, religieuze of maatschappelijke profiel) dus altijd om het vertegenwoordigen van een deel-belang, terwijl een burgemeester juist het brede belang dient te representeren. In die zin maakt burgemeester in ’t Veld dus een ongelukkige keuze met deze nevenfunctie. Een tweede bezwaar is het feit dat omroepverenigingen in het publieke bestel niet alleen amusement en verstrooiing bieden, maar ook een informatieve en educatieve functie hebben. De media (vooral ook in het via belastinggeld gefinancierde publieke bestel) vormen een erkende machtsfactor in de samenleving die bedrijven, sporters, actiegroepen, politici, etc. kritisch en onafhankelijk moeten kunnen benaderen. Dat is een onmisbare functie in een pluriforme, democratische samenleving. Daarbij komen soms ook burgemeesters onder vuur te liggen (zie recente voorbeelden als Hoes, Rehwinkel en van Aartsen). Dan moet niet de schijn gewekt worden dat het ene medium zich wat moet inhouden omdat er nu eenmaal een burgemeester in de Raad van Toezicht zit. Of dat de burgemeester niet vrijuit kan spreken en handelen, omdat dat niet spoort met de lijn van de omroepvereniging waarop zij toezicht houdt.. In die zin bewijzen zowel de burgemeester als WNL zichzelf geen dienst. Laten we blij zijn dat we zo langzamerhand bevrijd zijn van de reflexen uit de tijd van de Verzuiling met die stevige verstrengeling van belangen tussen politieke partijen en omroepen.

Laat de burgemeester op zoek gaan naar een andere klus. Dit is niet zo maar een nevenfunctie. Dit is een onhandig gekozen verbinding tussen politieke macht en media-macht en dat moeten we niet willen.

La Superba

“het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal”

 

Ik kende Pfeijffer van zijn gedichten, maar had nog geen roman van hem gelezen. De publiciteit rondom dit boek bij het winnen van de Libris Literatuurprijs 2014 en het vooruitzicht van een heerlijke zomervakantie in Italië trokken me over de streep. Ik kocht La Superba en begon te lezen. Het werd een plezierige lees-ervaring, met een enkele kritische noot.

Pfeijffer schrijft bloemrijk en beeldend. Hij voert je op bijna zintuiglijke wijze mee door de stad van zijn dromen, Genua. De liefde voor z’n zuidelijke woonplaats, haar inwoners en haar geschiedenis druipt van de pagina’s en werkt aanstekelijk. Je krijgt zin om in zijn voetsporen door de stegen van Genua te dwalen, om wat te drinken op een van de vele terrassen of met je hand boven je ogen bij de haven naar de zee te staren. Een illustratie: “Wie ter wereld wil niet wandelen door de Vico Amandorla? Het is een naam die geurt als een belofte, zacht als marsepein, gerijpt als likeur op vergeten vaten, in de kelder van een verafgelegen klooster waar de laatste monnik twintig jaar geleden is gestorven met een onschuldig kindergebedje op zijn lippen in de kloostertuin, in de schaduw van de amandelboom, gelukkig als een man na een rijke maaltijd met dierbare vrienden” (p. 37). Het zou me niets verbazen als er in de toekomst speciale La Superba stadswandelingen worden georganiseerd. Pfeijffer zou met dit boek een aardige bijdrage kunnen leveren aan de lokale toeristische sector.

Naast de prachtige taal is er de bijzondere vorm van het boek. Er is een niet nader aangeduide ‘vriend’ aan wie Pfeiffer zijn Genuese verhalen doorspeelt. Op diverse plekken in het boek stapt Pfeiffer even uit zijn rol en zijn verhaal om zich direct tot die vriend te wenden, bijvoorbeeld: “Ik ga het je vertellen, mijn vriend”,p.93; of:“Die laatste zin moet er natuurlijk uit wanneer ik deze notities omwerk tot een roman”, p. 278). Zo creëert Pfeiffer een vernuftig raamwerk om zijn deels losstaande  verhaallijnen een plek te geven. Deze korte intermezzi storen me soms, doordat ze me uit het verhaal halen. Alsof Pfeiffer af en toe roept: het is maar een verhaal hoor! Het doet denken aan acteurs in bepaalde films of TV-series die zich af en toe direct tot de kijker wenden (zoals Kevin Spacey in House of Cards) en daarmee de zogenaamde ‘vierde wand’ doorbreken.

Naast het raamwerk, moet er natuurlijk ook voldoende inhoudelijk cement zijn om de bloemrijke verhalen bij elkaar te houden. En dat is wat mij betreft niet in alle opzichten gelukt. Met name het verhaal over de Britse fantast Don spreekt me niet aan. Teveel doorzichtige bravoure en te veel schelmenstreken à la Ik Jan Cremer. Omdat het Don-intermezzo ruim 40 pagina’s omvat, moet ik moeite doen om bij de les te blijven, maar gelukkig krijgt Pfeijffer me daarna weer in zijn greep.

Het is ronduit knap hoe hij in zijn boek de verhalen van het Genua van nu en vroeger (kruistochten, de pest, ontdekkingsreizen), en van hier en daar (Afrika, ‘La Merica’) weet af te wisselen en te combineren. Is de immigratie van nu (Marokkanen, Senegalezen) wezenlijk anders dan de grote uittocht van Italianen zelf naar Noord- en Zuid-Amerika honderd jaar geleden? Het verhaal van de Afrikaan Djiby is het rauwe, maar respectvol genoteerde, relaas over de ellende die vluchtelingen meemaken op weg naar het gedroomde paradijs Europa waar mensen “zich douchen met parfum en waar bier gewoon uit de kranen komt”(p. 241). Opmerkelijk dat Pfeijffer net als Tommy Wieringa in Dit zijn de namen zo’n prominente plaats inruimt voor het hedendaagse vluchtelingenvraagstuk in Europa. “In deze stad waarop ik ooit aan dek van een schip zo verliefd ben geworden, voel ik mij als ongedierte dat dient te worden verdelgd. De waarheid is dat ik een rat ben voor iedereen hier in deze stad, zelfs voor jou, Ilja” (aldus de uit Senegal gevluchte Djiby, p. 265).

Het boek begint en eindigt met ‘het mooiste meisje van Genua’. Daarmee is de cirkel rond. Alle lijnen uit het boek komen in het laatste deel samen. Pfeiffer’s queeste naar haar is een ontluisterende mislukking gebleken, zoals alle ontmoetingen met vrouwen in dit boek uitmonden in gemankeerde verhoudingen en zielige seks. Het mooiste meisje is in het begin van dit boek nog een aantrekkelijke barmeid, maar ze eindigt als straathoertje. En Pfeiffer rondt zijn relaas af met een ingebeeld personage, een spiegelbeeld-travestiet, een man met netkousen en watten in zijn BH.

In de woorden van Pfeijffer: “het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal.”(p. 276)

 

Bijzonder

Come si deve: hoe het hoort (p. 29/30). “De beste kok is zoals de beste schoenmaker niet iemand die je voor verrassingen stelt. Daarom eet je ook altijd zo goed in Italië. En daarom hebben ze zulke goede schoenen.”

Over de Kerk in Italië: “Katholicisme is de default, de standaardinstelling.” (p. 41)

Over de vlag: De vlag van Engeland is overgenomen van Genua (p. 84).

Mooie passage over werkelijkheid, perceptie en illusie: “De wereld om ons heen bestaat alleen maar in zoverre wij haar waarnemen, zin geven en bedenken. Zonder onze ogen en gedachten zou er geen wereld bestaan, of zou ze lekker nutteloos in haar eentje liggen te bestaan zoals een planeet in een verafgelegen sterrenstelsel nog steeds wacht tot wij hem ontdekken, zien en een naam geven. Alles wat bestaat, bestaat alleen maar in ons hoofd of het bestaat niet. En wie zegt dat wij met velen zijn? Wie zegt mij dat ik niet de enige ben? Wie zegt mij dat jij bestaat, mijn vriend? Het is veel waarschijnlijker dat ik je heb bedacht. Zo zijn ook de straatnamen, het plaveisel en de mensen die voortslenteren door mij bedacht. En niet alleen omdat ik een schrijver ben. Ik zie alleen maar wat ik wil zien, zoals alle mensen alleen maar zien wat zij al denken, te kennen of verwachten. …. Het is mijn beroep. Maar dat is het punt niet. Zo zijn wij allemaal. Ook jij, mijn vriend. Zo leven we langs elkaar heen in elkaars verzonnen werelden. We zijn figuranten in elkaars autobiografie. We zijn decor van elkaars illusies. “  (p. 102-103)

“Verandering is per definitie een bedreiging van andermans zaken.” (p. 177)

 

NASCHRIFT 12 maart 2016:

En jawel, er worden nu reizen naar Genua georganiseerd met een stadswandeling onder leiding van Ilja Leonard Pfeiffer:

“De natuur- en cultuurhistorische rijkdom komt tot leven in de roman La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs. Hij zal voor ons aan de hand van zijn boek tijdens een wandeling de geheimen van de rafelranden van Genua ontsluiten.”

 

http://www.voyageculture.nl/reizen/italie/het-trotse-en-eigenzinnige-genua

 

 

 

Teveel reclame?

 

“Kortom, communicatie-Inuits kennen voldoende verschillende termen binnen hun eigen vakgebied, maar Haan is duidelijk geen kenner”

 

Een aantrekkelijke kant van mijn vakgebied (Communicatie) is dat het heel nabij en tastbaar is. Iedereen en alles communiceert en we ervaren doorlopend allerlei uitingen van communicatie. Geen wonder dat iedereen daar een mening over heeft. Net zoals we allemaal meepraten over het weer, over voetbal of over het Koninklijk Huis. Daar is niets mis mee, maar het is wel storend als mensen daarbij blijk geven van een volstrekt gebrek aan kennis. Twee dagen geleden zag ik daar een treffend voorbeeld van.

In een groot opinie-stuk in De Volkskrant van 27 september betoogt Gustaaf Haan dat er teveel reclame-uitingen (door Haan ten onrechte ‘reclames’ genoemd) over ons heen worden gestort. Dat is op zich volkomen legitiem. Iedereen mag zijn ergernissen uitventen, of het nu over hondenpoep gaat, over Gerard Joling, over benzine-prijzen, of over reclame. Maar als iemand twee pagina’s van een dagblad vult, dan hoop ik wel op een vakkundige, consistente onderbouwing. En daar wringt de schoen bij Haan.

Haan begint namelijk te vertellen dat de Inuit 33 woorden voor sneeuw hebben en dat wij maar één term kennen voor reclame, namelijk ‘reclame’. Dat is een fundamentele eerste denkfout. Wie even via Google gaat zoeken of in een handboek Marketing bladert, ziet dat er een breed scala aan onderscheidende reclame-vormen bestaat. Van promoties en persoonlijke verkoop tot direct marketing  en product placement. Naast reclame (tegenwoordig hanteren we vooral de term marketingcommunicatie) zijn er ook nog verwante communicatie-modaliteiten zoals public relations en sponsoring. Kortom, communicatie-Inuits kennen voldoende verschillende termen binnen hun eigen vakgebied, maar Haan is duidelijk geen kenner.

Dat blijkt ook als hij voorstelt om een onderscheid te maken tussen informatieve reclame (die hij nog wel enigszins nuttig vindt) en het in zijn ogen doelloze noemen van merken en organisaties op allerlei mogelijke dragers. Hij heeft daar een verzamel-naam voor bedacht die ik niet wil herhalen, omdat ik het een onzin-term vind en ik liever geen reclame voor onzin maak. In veel voorbeelden die Haan in dit verband noemt gaat het om sponsoring. Maar Haan herkent dat niet als zodanig. Hij doet het af als ‘overbodig’ en heeft het zelfs over ‘schade aan de maatschappij’. Dat gaat wel erg ver. Bij sponsoring steekt een bedrijf geld in een sportclub, een onderwijsproject of een museum. In ruil daarvoor wordt de naam van het bedrijf op de diverse uitingen van de begunstigde getoond. Misschien is dat soms hinderlijk (dat is vooral een kwestie van smaak), maar zolang wij als belastingbetalers niet te diep in de buidel willen tasten voor kunst, sport, onderwijs en zorg, mogen we blij zijn dat bedrijven bij willen dragen. En dan is naamsvermelding een logische tegenprestatie.

Een andere denkfout gaat over logo’s. ‘Als je mensen maar vaak genoeg je logo in hun gezichtsveld drukt, gaan ze meer van je spullen kopen’, roept Haan. Los van de vraag of dit aantoonbaar zo is, is de automatische link met verkoop onjuist. Ook de politie heeft een logo en mijn huisartsenpraktijk en zelfs het Koninklijk Huis. Dat heeft dus lang niet altijd met verkoop te maken of het langs slinkse weg beïnvloeden van ons onderbewuste. Het gaat vaak simpelweg om herkenbaarheid en uitstraling.

Los van het storend gebrek aan vakkennis en het veelvuldig generaliseren blijft de vraag of er teveel reclame is en of we een scheiding moeten maken tussen meer en minder gewenste uitingen. Ik zit eerlijk gezegd ook niet te wachten op Unox-mutsen bij de nieuwjaarsduik of straatnaambordjes met de naam van een sponsor erop. Maar wie zou moeten bepalen welke reclame-uitingen wel of niet overbodig of hinderlijk zijn? Moet er naast de dieren-politie nu ook reclame-politie komen? En hoe kun je onderscheid maken tussen informatieve reclame en de rest? Haan geeft zelf al aan dat elke reclame-uiting ‘aspecten van beide’ heeft. Omdat hij dit zelf niet kan oplossen stelt hij voor dat we de door hem niet-gewenste, schadelijk vorm maar moeten gaan minachten. Maar hoe moet ik iets gaan minachten als het nauwelijks te onderscheiden is van die andere wel-geaccepteerde vorm. Zo roept Haan wel veel, maar hij heeft eigenlijk geen benul en laat ons met lege handen achter.

En dan nog tot slot: onderaan het artikel lezen we dat Gustaaf Haan oprichter is van de Zonnefabriek, een bedrijf dat zonnepanelen levert. Een volstrekt irrelevante vermelding. Maar wel even lekker reclame maken voor je eigen toko!

De nieuwe landkaart van Europa

Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk liggen ver van elkaar verwijderd, maar hun huidige situatie vertoont opmerkelijke parallellen en een duidelijk verschil.

In geen enkel werelddeel wordt de landkaart zo vaak veranderd als in Europa.[1] Juist in het ‘oude’ continent blijken de grenzen van de landen niet stevig verankerd. Je zou juist verwachten dat bijvoorbeeld in Afrika, met al z’n willekeurige, langs koloniale linialen getrokken grenzen, het wijzigen van grenzen schering en inslag zou zijn. Maar met uitzondering van Eritrea en Zuid-Sudan heeft dat continent in grote lijnen zijn indeling behouden. Zo niet dus Europa. De afgelopen decennia zorgde de desintegratie van de Sovjet-Unie voor de komst van diverse nieuwe, onafhankelijke staten langs de grenzen van de Russische federatie. Ook werd Tsjecho-Slowakije gesplitst, terwijl Duitsland juist werd herenigd. En in de jaren ’90 viel Joegoslavië uiteen. Zo groeit het ledental van de NAVO en de EU en wordt het drukker op het Eurosongfestival en in de voorronden van het EK Voetbal. Het meest recente gerommel aan landsgrenzen vindt momenteel plaats aan de uiterste oost- en westkant van ons continent. In Oekraïne is de Krim nu Russisch grondgebied en probeert president Porosjenko de opstandelingen in het oosten te paaien met meer zelfbestuur. Je mag verwachten dat Oost-Oekraïne in de toekomst een zelfstandige status krijgt en een stevige band met Moskou, terwijl West-Oekraïne zich richt op de vrienden in Brussel. Hoe zit dat met de UK? Cameron worstelt zichtbaar met het referendum dat vandaag in Schotland wordt gehouden. Het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk dreigt. Net als Porosjenko probeert Cameron de Schotten te paaien met beloftes over meer zelfbestuur. Een typisch geval van too little, too late. Morgenochtend (19 september) weten we meer! Opmerkelijk (en ironisch) is verder dat Cameron zelf twee jaar geleden de Britten een referendum in het vooruitzicht heeft gesteld over het Britse lidmaatschap van de EU. In tegenstelling tot de achterban van Porosjenko is Cameron’s Conservative Party niet gecharmeerd van Brussel. Het aardige is dat Cameron hetzelfde wapen wil hanteren tegenover de EU waarmee hij nu wordt bedreigd door de Schotten. En je kunt voorspellen dat de argumenten die de Britse NO-stemmers straks tegen de EU zullen uiten van hetzelfde kaliber zijn als de  argumenten die  de YES-stemmers in Schotland vandaag gebruiken. “We nemen ons lot in eigen hand”, etc.etc. Als de Schotten vandaag in meerderheid Ja zeggen, zal dit andere gebieden in Europa inspireren om ook meer autonomie of zelfs volledige onafhankelijkheid op te eisen. Kennelijk is de strijd in Europa in deze tijd niet meer een expansief gevecht dat gericht is op gebiedsuitbreiding en imperium-vorming (al moet je Poetin wel in de gaten houden), maar een streven naar terugtrekking op en afbakening van eigen grond. Het botte referendum-instrument (waar veel op af is te dingen) is daarbij natuurlijk te verkiezen boven gewapende strijd. De vraag is wel of de vraag ‘wie we zijn’ en ‘waar we bijhoren’ met het afbakenen van landsgrenzen te beantwoorden is. Heineken kaart van Europa

 

 

 

 

[1] Lees vandaag ook de interessante column van Bert Wagendorp in De Volkskrant over Freddy Heineken en zijn idee om een nieuwe Europese landkaart te maken met 75 gelijkwaardige gebieden (Eurotopia).

Niets is wat het lijkt, of toch wel?

‘Al bij de tweede halte zie ik de bewuste poster hangen en dit keer heb ik gelukkig de tijd om goed te kijken, omdat de bus een stop maakt’

 

Onderweg van huis naar werk zie ik in een fractie van een seconde een opvallende poster bij een bushokje hangen. Maar mijn bus rijdt door en ik krijg niet de tijd om de poster te bestuderen. Het opvallende aan de poster is dat er iets raars met de letters aan de hand is, maar nogmaals, ik heb niet de tijd om het goed te bekijken. Bij de volgende bushalte stopt de bus wel, maar de betreffende poster hangt er niet en bij de volgende haltes ook niet.

Ik kom aan op mijn werk en vergeet het voorval. Die middag verzorg ik een college over communicatie en betekenisverlening. Ik heb de studenten een powerpoint presentatie laten zien die ik de afgelopen jaren al vaker heb gebruikt en daarin zit één slide die altijd tot enige opwinding in de klas leidt.

meaning is created

De studenten reageren altijd hetzelfde. Eerst vragende blikken en ongeloof. Daarna gaan ze aan het puzzelen en concluderen ze hoe makkelijk en snel ze toch tot de juiste woorden en zinnen kunnen komen. Zelfs met een Engelse tekst. Dat levert veel stof tot nabespreken op. Wat is de kern van een woord? Hebben we wel alle letters nodig? Zelfde woorden met verschillende betekenissen, etc. Studenten dragen allerlei voorbeelden aan van vervormde of ingekorte woorden die toch direct te herkennen zijn. Met name de smartphone (met sms en Whatsapp) maakt hen inventief. Ik krijg prachtige voorbeelden te horen:

  • hbj : hoe bedoel je
  • w8 ff: wacht even
  • hkvvj: hou kapot veel van je
  • 2gd4u: too good for you

Ik laat zelf het logo van Stadshart Amstelveen zien:

amstlvn

Ook bespreek ik een paar anagrammen die ik in de loop van de tijd heb verzameld[1]:

  • Hannover – Avenhorn
  • Axl Rose – Oral sex
  • Kakstoel – Koelkast
  • Doorn – Donor
  • Petrus – Preuts

En mijn favoriet: koster-stoker-orkest-koters-koerst

 

Terwijl ik terugloop naar mijn werkkamer, moet ik opeens weer denken aan de poster uit het bushokje. Wat was dat toch met die letters? Niet veel later pak ik de bus naar huis. Al bij de tweede halte zie ik de bewuste poster hangen en dit keer heb ik gelukkig de tijd om goed te kijken, omdat de bus een stop maakt.

 

Theater Bellevue

 

De poster blijkt een perfecte illustratie van mijn college. Thuis gekomen zoek ik de afbeelding via internet op en besluit ik het plaatje op te nemen in mijn college van volgende week. Ook google ik naar het onderzoek van de Cambridge University om dat de volgende keer te kunnen bespreken met mijn studenten.

Tot mijn schrik lees ik al surfend op meerdere sites[2] dat de Engelse tekst is gebaseerd op een hardnekkige mythe. De strekking van het betoog klopt wel, maar de oorsprong niet. Er is op de universiteit van Cambridge nooit een dergelijk onderzoek gehouden. Maar opmerkelijk genoeg heeft de betreffende tekst, die met name in de Angelsaksische wereld oneindig veel keren is rondgemaild, wel tot veel nadere studies naar woordbetekenis en randomizing letters geleid. En die onderzoeken bevestigen in grote lijnen de bewering uit de mail-tekst.

Kortom, niets is wat het lijkt, maar daarmee hoeft het nog niet onwaar te zijn.

P.S. (15 augustus 2017)

Onlangs kwam ik het gedicht Dectie van Hans Hagen tegen. Een mooie illustratie bij bovenstaand verhaal:

 

 

DECTIE

ze zggeen
dat het neit utimakat
of je de ltteers in een wrood
op de goede ptaals zet
als je de ersete ltteer maar aan het bgien
en de ltaatse aan het enid shcijfrt
spant ireedeen wat er saatt
woraam o woaram w
eet die sekkul van nreldedans dat neit
met dat sfufe ktole dectie
dan hlaade ik mesihcsin ook enes een ngeen
in ptlaas van een dire of een tewe

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Het boek Opperlans! van Battus is een rijke inspiratiebron

[2] Deze bron is het meest duidelijk: http://www.foxnews.com/story/2009/03/31/if-can-raed-tihs-msut-be-raelly-smrat/

 

Gerrit Kouwenaar

Als de radio meldt dat Gerrit Kouwenaar is overleden schieten me zijn gedichten ‘station hembrug’ en ‘Men moet’ te binnen. Ik heb geen bundel van Kouwenaar zelf in mijn boekenkast staan maar wel diverse verzamelbundels waarin gedichten van hem zijn opgenomen. Ik lees graag gedichten. Op de manier zoals Willem Wilmink zo fraai beschrijft in zijn gedicht ‘Vader’:

 

 

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken

 

Ik voeg aan die strepen en uitroeptekens nog iets toe: achterin de bundel noteer ik de nummers van de pagina’s met de gedichten die me het meest hebben aangesproken.

Dankzij mijn pagina-noteringen heb ik in korte tijd station hembrug gevonden:

 

station hembrug

Soms ziet men helder wat al donker is
en zit men haast weer heelhuids in zijn vlees, er is
geen boom gerooid, geen woord gepleegd, men zet
de klok terug, station hembrug
de trein staat stil, nu al een leven lang, men is
de stad voorbij, voorgoed een kind, het paradijs
ligt binnen handbereik, men spelt vandaag, men wijst
de noodrem met een vinger bij
wat is het jaargetij? het jaargetij is goed, zomer
en winter wonen in één tuin, voorjaar en najaar
reizen hand in hand, dit is altijd, de trein
staat in een wolk van stoom, en wacht
en wacht terwijl men onderwijl de tijd
stilt met een regel wit een boterham, het duurt
toch langer dan men had gedacht, men blijft
binnen de ramen, pelt een ei
woorden als langzaam later gaandeweg
vullen de rookcoupé, men kijkt door glas, men ziet
wikke in kolengruis, men hoort het sein, dit is
voorgoed, het sneeuwt, zo goed als tijd –

 

En ook het gedicht Men moet heb ik snel gevonden:

Men moet
 
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

 

De volgende dag tref ik dit gedicht ook in de krant aan en hoor ik Hagar Peeters het voordragen op televisie. ‘Men moet’ heeft alles in zich om een klassieker te worden.

Wat ook van blijvende schoonheid zal blijven is het gedicht dat Kouwenaar heeft gemaakt voor het Batavia-gebouw, een nieuwbouwproject bij de Panamalaan in Amsterdam. In een ontwerp van Kees Nieuwenhuijzen is door een patroon van inspringende bakstenen het ‘stenen gedicht’ van Kouwenaar weergegeven. Een prachtige combinatie van literatuur en architectuur. En ook een eerbetoon aan de rijke historie van de locatie; en vanaf nu ook aan Gerrit Kouwenaar.

 

 

Batavia

Hoogste tijd om de Zender en de Ontvanger uit te zwaaien

“maar waarom nemen we er dan toch zo moeilijk afstand en afscheid van?”

 

Een populair liedje uit mijn kindertijd ging over de Stoker en de Machinist die de trein hadden gemist.[1] Ik zong het van harte mee, al wist ik niet precies wat een stoker[2] was. Het woord machinist kende ik wel, want de vader van een schoolvriendje van me was treinmachinist.

Ik wil er op deze plaats voor pleiten om een nieuw ‘lied’ te componeren als variant op dit oude kinderlied. Het moet gaan over de Zender en de Ontvanger die de boot hebben gemist. Ze zijn niet meer van deze tijd. Maar desondanks wordt dit duo in alle handboeken over communicatie opgevoerd, ook nog in recente uitgaven.[3]

Nog steeds is het gemeengoed om aan de hand van het Zender-Ontvanger model aan te geven hoe communicatie werkt. Het probleem dat ik hiermee heb, is dat er daarmee bedoeld of onbedoeld wordt uitgegaan van een actieve partij (Zender) en een passieve partij (Ontvanger). Ook wordt communicatie hiermee gezien als eenzijdig, lineair proces met als effect het beïnvloeden van de Ontvanger.

Natuurlijk haasten professionals, docenten en specialisten zich te zeggen dat het Zender-Ontvanger model tekort schiet, te simpel en te mechanisch is en dat het gedateerd is, maar waarom nemen we er dan toch zo moeilijk afstand en afscheid van?

Misschien komt dat omdat het Z-O model een pakkend plaatje en een makkelijke metafoor oplevert. We willen de werkelijkheid graag vangen in rationele schema’s en lineaire processen. Shannon & Weaver[4] bedienden ons op maat met een overzichtelijk model dat zich vanaf de jaren ’50 als de moeder der communicatiemodellen heeft vastgezet in het collectieve geheugen van de communicatieprofessie.

Shannon & Weaver model

Fig. 1 The Shannon-Weaver Mathematical Model, 1949

 

En zo wordt het van generatie op generatie doorgegeven. Natuurlijk, het model werd bewerkt (o.a. door Berlo en Lasswell) en bekritiseerd, maar de basis bleef in grote lijnen overeind, al werd vooral de Zender soms anders aangeduid (Source, Communicator).

Ook in het bekende massacommunicatie-model van Maletzke (gepresenteerd in de jaren ’60) zien we het bekende basispatroon terug. Zender en Ontvanger zijn hier Kommunikator en Rezipient. Maletzke benadrukt dat de communicatie indirekt und einseitig verloopt.

Maletzke model

Fig. 2 Maletzke’s model

 

In de jaren ’90 geven Windahl e.a.[5] aan dat ze worstelen met het begrip Zender. Ze geven met een voorbeeld aan hoe lastig het is om het begrip Zender eenduidig aan te bepalen:

Windahl citaat

Maar niettemin blijven ook Windahl c.s. de Z-O terminologie gebruiken.

Inmiddels leven we in al weer enige tijd in het digitale tijdperk. We hebben zelfs de fasen 1.0 en 2.0 al achter ons gelaten. We worden geconfronteerd met nieuwe termen als co-creatie, interactiviteit, social media, etc. Maar nog steeds blijven we praten over de Zender en de Ontvanger. Ik zeg: stop ermee! We kunnen er niet meer mee uit de voeten.

Wat is dan het alternatief? Ook daarvoor kunnen we putten uit de historie. Enkele jaren na Shannon & Weaver wees het Osgood-Schramm model ons al de weg (halverwege de jaren ’50!). We zien twee partijen die over en weer encoderen, decoderen en interpreteren.

 

Osgood Schramm

Fig. 3 Osgood-Schramm Model

 

Geen perfect model, maar een veel beter aanknopingspunt voor een eigentijdse benadering en invulling van communicatie.

En de Zender en de Ontvanger? Laten we niet gaan zwartepieten. Ze hoeven niet bij het grofvuil. Ze krijgen een mooie plek in het communicatie-museum. Naast de drukpers en de injectienaaldtheorie.

 

 

 

[1] Tekst: Han G. Hoekstra; Muziek G. de Marez Oyens.

[2] Op de middelbare school realiseerde ik me tijdens de lessen Frans dat het woord chauffeur van het werkwoord chauffer kwam: stoken. Een chauffeur is dus eigenlijk een stoker!

[3] Zie bijvoorbeeld pagina 24 e.v. in het nieuwe boek Het Fundament van Gerald Morssinkhof.

[4] C. Shannon & W, Weaver (1949).The Mathematical Theory of Communication. University of Illinois Press.

[5]Windahl, S., B. Signitzer en J.T. Olson (1992) Using Communication Theory. Londen, Sage Publications.

Het ‘hoe’ van communicatie

In mijn twee vorige blogs over Communicatie kondigde ik een derde blog aan over het ‘hoe’ van communicatie. Ik zal daar ook in de toekomst nog meer over schrijven, maar laat me nu eerst leiden door twee boeken die ik de afgelopen weken in handen kreeg. Het ene boek is de nieuwste pennenvrucht van Betteke van Ruler, de onvermoeibare voorvechtster van het Communicatievak in Nederland. Samen met communicatie-consultant Frank Körver schreef zij Het Strategisch Communicatie Frame. Kennelijk is van Ruler gecharmeerd van pakkende Engelstalige termen, want na de Scrum die zij in 2013 lanceerde is er nu het Frame.

Het andere boek is van de hand van Julia Sloan en heet Learning to think strategically (2014, 2nd edition). Sloan is een Amerikaanse wetenschapper en adviseur.

In beide boeken, geschreven door wijze, ervaren en inspirerende vakvrouwen hoop ik houvast te krijgen bij het beter leren hanteren van het vaak zo lastige begrip strategie. En als docent moet ik het niet alleen zelf kunnen hanteren, maar ook zien over te dragen aan en te delen met mijn studenten HBO-communicatie. Ik heb zelf 15 jaar geleden Werkboek Communicatieplanning geschreven en voortschrijdend inzicht leert me dat mijn stappenplan van destijds door de huidige tijd behoorlijk achterhaald is: te lineair, te blauwdruk-achtig. Iedereen begrijpt dat het tegenwoordig anders ligt. We leven in een tijd van interactie en conversatie, en dat vergt flexibiliteit. Ook moet de communicatiefunctie accountable zijn en business impact hebben. Maar hoe bewerkstellig je dat en hoe stel je de resultaten vast? En ten slotte zien we dat de grenzen van de verschillende disciplines binnen het communicatievak minder scherp te trekken zijn dan ons in de klassieke handboeken wordt voorgeschoteld.

Welke inzichten biedt Sloan?

In de eerste plaats is het goed om te vermelden dat Sloan niet specifiek vanuit een communicatie-oogpunt schrijft en opereert. Zij etaleert een bredere kijk op strategie. Vanuit die brede blik maakt Sloan onderscheid tussen ‘strategic thinking’ en ‘strategic planning’ en ‘implementation’. Strategic planning is gericht op het in elkaar zetten van beleid, en is meer meetbaar en beheersbaar, blauwdruk-achtig, convergerend. Implementation is de uitvoering van dat beleid. Maar voorafgaand aan planning en implementatie leert Sloan ons dat we strategisch moeten denken. Strategic thinking is het bepalen van de grote lijn, het bedenken van een breed oplossingskader. En het proces van strategic thinking is “messy”, rommelig, oncontroleerbaar, divergerend. Voor strategic thinking (kritisch, intuïtief, reflectief, creatief) zijn andere cognitieve functies nodig dan voor strategic planning (lineair, objectief, rationeel, volgordelijk). Sloan nodigt ons uit om in de fase van strategic thinking zeer creatief en speels te zijn. En ook nieuwsgierig en analytisch. De situatie moet vanuit allerlei perspectieven bekeken worden. Er is ruimte nodig om dat te bereiken: ruimte in tijd, maar ook in de zin van mensen de ruimte geven om mee te denken en bij te dragen. Sloan pleit voor een open dialoog als instrument van strategisch denken. Alleen als mensen vrij en kritisch kunnen meedenken en meepraten ontstaat er een goede voedingsbodem voor strategic thinking.

Hier slaat Sloan een brug naar communicatie. Vrij vertaald: goede, open, kritische communicatie leidt tot betere strategie-vorming. Communicatie als voorwaarde en facilitator van divergerende denkprocessen. Nogmaals, Sloan is geen communicatiewetenschapper, maar ze biedt wel stof tot nadenken aan communicatie-mensen.

Welke inzichten bieden van Ruler en Körver?

Van Ruler en Körver spitsen hun denken over strategie toe op het vakgebied communicatie en (eigenlijk nog specifieker) op de strategie van communicatie-afdelingen binnen organisaties. Ze brengen daarbij hun theoretische inzichten en praktijk-ervaringen samen in een makkelijk leesbaar en toegankelijk opgezet boek. Van Ruler en Körver omschrijven strategisch denken als “nadenken hoe je ergens kunt komen en waar je allemaal rekening mee moet houden”. In een overtuigend eerste deel van het boek wordt aangegeven dat je strategie niet in je eentje (maar “met elkaar”) moet ontwikkelen, dat communicatiestrategie moet aansluiten op de organisatie-strategie, dat het gaat om de grote lijn en het maken van heldere keuzes, en dat een strategie voortdurend onderhoud vergt.

Van Ruler en Körver presenteren vervolgens een door hen ontwikkeld ‘frame’ dat acht elementen (‘bouwstenen’) bevat: Visie, Interne situatie, Externe situatie, Ambitie, Accountability, Stakeholders, Resources en Aanpak. Stuk voor stuk herkenbare elementen binnen de theorie en de praktijk van professionele communicatie. Deze bouwstenen moeten volgens de auteurs niet opgevat worden als stappen in een stappenplan, maar als aandachtspunten bij de vormgeving van de strategie, waarbij de eerste vier elementen vooral bepalend zijn voor de ‘richting’ en de laatste vier elementen met name samenhangen met ‘realisatie’. Van Ruler en Körver benadrukken dat het gaat om een iteratief model, en dat er geen vaste volgorde in deze bouwstenen zit. In deel II van het boek worden de bouwstenen één voor één besproken. Bij de invulling van die bouwstenen staat veel leerzaams, maar er kunnen ook de nodige vraagtekens worden geplaatst. En dat laatste komt vooral door de dubbele focus die dit boek kent. Aan de ene kant gaat het bij de bouwstenen, de gegeven voorbeelden en de gastcolumns van praktijkmensen om concrete communicatie-vraagstukken die om een doordachte aanpak vragen, maar aan de andere kant legt dit boek sterk de nadruk op het positioneren van de communicatie-afdeling binnen organisaties. Natuurlijk liggen beide zaken in elkaars verlengde, maar het zijn wel verschillende zaken. Dat geeft de lezer een wat ambivalent gevoel. Er wordt namelijk van niveau gewisseld. Als de communicatie-strategie (van de afdeling) moet passen binnen de organisatie-strategie (een terechte opmerking op p. 18), dan is de organisatie-strategie het alomvattende niveau (zeg even: niveau 1). Daarmee behoort de communicatie-strategie tot niveau 2 en het oplossen van concrete communicatie-vraagstukken tot niveau 3. Het lijkt op de bekende trits strategisch-tactisch-operationeel. Bij het boek van van Ruler en Körver heb ik meermalen het gevoel dat ik moet schakelen tussen niveau 2 en niveau 3. Ik zou de vraag wel willen opwerpen of communicatie niet per definitie een meer tactisch instrument is ten dienste van de organisatie-strategie. In het voorwoord stellen de schrijvers dat het Frame toepasbaar is voor het ontwikkelen van “een strategie voor wat dan ook”. Maar dat werkt niet, wat mij betreft. Door de gekozen invalshoek vind ik het met name een bruikbare methode voor het ontwikkelen van een positionering van de communicatie-afdeling (dus niveau 2) en veel minder voor het ontwikkelen van een doordachte aanpak van een concreet communicatie-vraagstuk. Dat laatste is iets waar mijn studenten natuurlijk vooral mee worstelen en waar dit boek dan weer onvoldoende handvatten voor biedt. Daarvoor zou dit boek veel meer aandacht moeten besteden aan relatiegroepen (en dus niet alleen de stakeholders van de afdeling Communicatie, zoals in dit boek), aan probleemanalyses en aan de ontwikkeling van creatieve concepten.

Ten slotte kent dit boek ook nog een Deel III, een soort capita selecta. Daarbinnen is de passage ‘snappen hoe communicatie werkt’ ronduit teleurstellend. Als we ons voor de bouwsteen Visie willen laten inspireren, dan zal het niet door deze pagina’s gebeuren. En dat is jammer, omdat je juist van deze twee ervaren deskundigen op die plek een meer inspirerend verhaal zou verwachten.

 

Conclusie

Strategie blijft ook na lezing van deze twee boeken een lastig te hanteren begrip. We zijn al gauw geneigd om alles waar een idee achter zit en dat naar een doel toewerkt te betitelen als ‘strategie’.

Het boek van Sloan leert ons onderscheid te maken tussen strategisch denken, plannen en uitvoeren. Elk met een eigen dynamiek en met een eigen benadering in denken en doen.

Het boek van van Ruler en Körver leert ons dat het binnen de communicatie-professie nodig is om onderscheid te maken tussen de niveaus waarop wordt geopereerd. Zij leggen zelf de nadruk op de strategie van de communicatie-afdeling.

Beide boeken leren dat een doordachte aanpak altijd begint als een gezamenlijk proces, dat niet blauwdruk-achtig verloopt. Het is dus raadzaam te starten met divergerende vormen van strategic thinking, of we ons nu op strategisch, tactisch of operationeel voor vragen en uitdagingen gesteld zien. En als de grote lijn is bepaald en er heldere keuzes zijn gemaakt, gaan we dat via strategic planning handen en voeten geven.

Wat mij betreft is daarbij de waarde van communicatie tweeledig. In de eerste plaats is communicatie binnen het proces van strategisch denken een onmisbare factor (zoals Sloan aangeeft). Ik noem dat voor het gemak ‘communicatie als input- factor’. In de tweede plaats is communicatie ook een ‘output’-factor, waarbij communicatieve concepten de resultaten van een strategisch (of tactisch) denkproces zijn. Denk hierbij aan campagnes, programma’s of acties.

Als we beide vormen van onderscheid niet maken, dreigt het gevaar van spraak- en begripsverwarring.

Outlet

Er is een nieuwe vorm van dienstverlening voor hondenbezitters: de uitlaatservice. Baasjes en vrouwtjes die vaak vele uren van huis zijn kunnen een uitlaat-service inhuren. Dan komt er op afgesproken dagen en vastgestelde tijden een busje voorrijden. De uitlaters, meestal jonge vrouwen met een sportieve paardenstaart, hebben een sleutel van het huis en laden de enthousiast kwispelende viervoeter in het diervriendelijk ingerichte busje. Een uurtje later wordt de hond weer thuisgebracht, na een ongetwijfeld lange en verfrissende wandeling.

Bij ons in de straat komt regelmatig het busje van het bedrijf Outlet langsrijden. Eerst dacht ik dat een van mijn buren aan het einde van de straat iets met merkkleding te maken had, maar op een ochtend zag ik dat een onbekende vrouw uit het Outlet-busje stapte en de twee honden van de verre buurman het busje in dirigeerde. Outlet was dus potjes-engels voor uitlaten. Toen maakten mijn hersenen een raar sprongetje.

Stel je voor dat er eenzelfde concept bedacht zou worden voor het uitlaten van eenzame bejaarden. Dat er af en toe een busje komt voorrijden om een opa of oma mee te nemen voor een gezellig ritje, een rondje lopen in het park en een kopje koffie toe. De kinderen en kleinkinderen zijn namelijk zo druk, dat zorg en aandacht voor de grootouders er bij inschieten. Bij veel van die drukke mensen zal er diep weggestopt een onbehaaglijk gevoel knagen vanwege het verwaarlozen van opa of oma. Maar ja, er moet eenmaal gewerkt worden en gesport. En dan zijn er ook nog de vakanties en de weekendjes-weg.

Dat gevoel kan nu afgekocht worden. Je huurt een uitlaat-service voor bejaarden in. Oma blij en jij blij. Elke week komt er een fris leuk iemand langs die een uur de tijd heeft en er een leuk uitje van maakt. Een gouden formule. Je verkoopt het als cadeautje en pakt de senior in kwestie er helemaal mee in.

En de naam voor deze service is snel gevonden: Oud-let.

 

 

P.S. (11 april 2016)

Bijna twee jaar later kom ik een artikel in de Volkskrant tegen dat naadloos op mijn blog aansluit. Vooral dankzij de verwijzing naar de hondenuitlaatservice. Ik wist bij het schrijven niet dat dit soort initiatieven daadwerkelijk bestaan.

vertroetel je ouders

 

 

Zijn en Hebben

Een paar jaar geleden liep ik een gebouw van de educatieve faculteit van de Hogeschool van Amsterdam binnen. Mijn oudste zoon studeerde die middag af bij de Lerarenopleiding Nederlands. En ondanks mijn blinde vader-trots van dat moment zag ik bij de ingang een poster hangen met het gedicht over ‘hebben en zijn’ van Ed. Hoornik:

Op school stonden ze…

Op school stonden ze op het bord geschreven;
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.,
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed. Hoornik Uit: Het menselijk bestaan (1952)

Ik kende het gedicht vagelijk, maar deze hernieuwde kennismaking op die plek en op dat moment trof me: mooi en toepasselijk.

 

Etre et avoir

Een paar dagen later zocht ik het gedicht op in een verzamelbundel. En terwijl ik het gedicht herlas moest ik opeens denken aan de veelgeprezen Franse documentaire Etre et Avoir. In deze documentaire staat een oudere dorpsonderwijzer centraal. Hij nadert zijn pensioen en met hem zal een degelijke onderwijstraditie uit het dorp verdwijnen. De onderwijzer is de school en de school is de klas. Hij is een instituut van vlees en bloed. Georges Lopez is de Franse variant van Theo Thijssen door groot te zijn in zijn vakkennis en klein te zijn door op hurkhoogte met zijn leerlingen om te gaan. Het klaslokaal ademt rust en persoonlijke aandacht. De film is een pleidooi voor menselijke omgangsvormen en kleinschaligheid en daarmee indirect een protest tegen de grote onpersoonlijke leerfabrieken van tegenwoordig. De documentaire kon zo populair worden, omdat hij appelleert aan een gevoel van nostalgie. Een gevoel van ‘vroeger was het beter’. Maar laten we eerlijk zijn, een school van 13 leerlingen is niet te handhaven. En op sommige kleine dorpsscholen ging het er vroeger niet altijd zachtzinnig en pedagogisch verantwoord toe. Ik zie nog hoe mijn juf van de eerste klas (haar bijnaam was ‘knotje van Nes’, omdat zij haar grijze haar altijd in een knotje droeg) een meisje dat niet uit ons dorp kwam, maar uit het door velen beschimpte gehucht Olburgen, op het schoolplein publiekelijk een enorme pets in haar gezicht gaf. Dat was meer dan een opvoedkundige tik. Maar nostalgie of niet, nog steeds zijn er dagelijks duizenden onderwijzers die proberen te werken in de geest van Georges Lopez. Vaak onderbetaald en ondergewaardeerd, maar bevlogen en idealistisch.

 

Arme meester Lopez

Wat veel mensen niet weten is dat de idyllische documentaire een rauw vervolg kreeg toen Georges Lopez geld ging eisen van de documentairemaker Nicholas Philibert. Lopez vond dat hij een groot aandeel had in het succes van de film en verlangde maar liefst 250.000 euro van de maker. Philibert weigerde om begrijpelijke redenen en het conflict mondde uit in een rechtzaak die Lopez zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verloor. Uiteindelijk moest hij ook nog opdraaien voor de proceskosten die 12.000 euro bedroegen. Arme meester Lopez. De wereld hield van hem zoals hij was (être), en nu wilde hij zijn nieuwe status omzetten in bezit (avoir). Maar zo werkt het niet. Dat had Ed. Hoornik hem kunnen vertellen.

 

P.S. 1

Op bezoek bij vrienden in hun Franse huis zag ik in een van de kamers op een witgepleisterde muur een mooie decoratieve strook behang met alle vervoegingen van de werkwoorden Etre en Avoir. Leuk om te hebben.

 

P.S. 2

Op internet kom ik een songtekst tegen van Jacques Brel met een passage over ‘Etre’ en ‘Avoir’:

Jacques Brel
CHACUN SA DULCINÉA
1968

Chacun sa Dulcinéa
Qu’il est seul à savoir,
Qu’un soir de pleurs, il s’inventa,
Pour se garder un peu d’espoir
Aux barbelés du coeur.
Par elle, par sa Dulcinéa
Ou par l’idée d’icelle,
L’homme rebelle devient un Dieu.
Voilà qu’il vole et même mieux,
Cueille des lunes du bout des doigts,
Mais cependant si tu es de ceux
Qui vivent de chimères,
Rappelle-toi qu’entre les doigts,
Lune fond en poussière.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.
Malheur à qui peut préférer
Le verbe être au verbe avoir,
Je sais son désespoir.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.