Categoriearchief: Gepubliceerd

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 1: Geografie

“waar de grens van ons continent (en daarmee van de EU) ligt, is lang niet zo duidelijk als men wel denkt”

 

>>>> over grenzen en buren<<<<

 

Het eerste thema in deze serie blogs is het geografische perspectief. Het perspectief van grenzen, gebieden en buren. We gebruiken de termen Europa en EU vaak als synoniemen, maar Europa en de EU zijn niet hetzelfde. Europa is een werelddeel dat een kleine 50 landen omvat. Op dit punt moet je zelfs nog voorzichtig zijn, want het is niet altijd duidelijk welke landen en gebieden strikt genomen Europees zijn en welke niet. Moeten we Gibraltar, Groenland of Armenië tot Europa rekenen? En wat te denken van de overzeese gebiedsdelen (vaak voormalige koloniën)? Dat lijkt een vreemde vraag, maar wie de Euro-biljetten goed bestudeert, ziet op de achterzijde onder de kaart van Europa een paar kadertjes met vijf overzeese Franse departementen met een bijzondere status. In deze gebieden geldt de euro als officiële munt-eenheid.

 

Noord-Oost-Zuid-West

Wie aan geografie denkt, denkt ook aan de vier windstreken. Het opmerkelijke is dat in het geval van Europa het Westen, Noorden en Zuiden wel redelijk bepaald zijn, maar het Oosten minder scherp is afgebakend. Vaak zegt men dat de Oeral de oostelijke grens van ons continent is. De Oeral als scheidslijn tussen Europees en Aziatisch Rusland. Gemeten vanaf de Oeral moeten we ons realiseren dat ergens in Litouwen het geografische middelpunt van Europa ligt. En ook moeten we beseffen dat Europa grotendeels op het Oostelijk Halfrond ligt[1].

De vier windstreken roepen ook sociaal-culturele associaties op. Voor velen is het Noorden arbeidzaam, calvinistisch en meer individueeel ingesteld, terwijl we het Zuiden koppelen aan termen als katholicisme, savoir vivre en gemeenschapszin. Minder vriendelijk gesteld zou Noord en Zuid in Europa gescheiden worden door een ‘knoflookgrens’. Tijdens de financiële crisis kwamen dergelijke denigrerende beelden snel bovendrijven. Volgens noordelingen zouden zuidelijke landen (weinig flatterend ‘PIGS’ genoemd) worden bevolkt door luie mensen en bestuurd door corrupte politici. De Noordelijke landen kregen het zuidelijke verwijt egocentrisch en kil te zijn. Zie voor mooie visualisaties van Europese stereotypen: http://atlasofprejudice.tumblr.com/post/80937352126/20-ways-to-slice-the-european-continent-from-atlas

Het Oost-West denken in Europa is natuurlijk decennialang gedomineerd door de Koude Oorlog. Maar sinds de val van de Berlijnse muur is de scheiding tussen Oost en West minder scherp. In veel landen in Midden- en Oost-Europa is het bon-ton om zich westers te noemen en te voelen. Zo schuift de denkbeeldige nieuwe westgrens steeds verder op naar het oosten. Dubravka Ugresic omschrijft het als volgt: ‘wanneer je als Europeaan aan de westkant woont, heb je het getroffen…. en de Ander (tegen wie we ons moeten beschermen) komt altijd uit het Oosten’.[2]

 

Van Europa naar de EU: welke landen kunnen lid worden?

Volgens het Verdrag van Lissabon (en eerdere verdragen van de Europese Unie) mogen alle landen die onderdeel uitmaken van het werelddeel Europa zich in principe kandideren om lid te worden van de EU. In die zin is het dus belangrijk om vast te stellen welke landen Europees zijn. Dat zou dus potentieel om bijna 50 landen kunnen gaan met daarbovenop nog een aantal grensgevallen. Het eerste grensgeval is Cyprus. Cyprus is geografisch gesproken een Aziatisch land, maar toch sinds 2004 lid van de EU. Kennelijk zit er wat rek in de EU-regels. Met diezelfde elasticiteit zouden ook landen lid kunnen worden die aan de rand van Europa liggen of zelf binnen een ander continent: Rusland, Turkije, Georgië, het eerder genoemde Armenië. Er zijn zelfs wel eens stemmen opgegaan om Israël en Palestina lid van de EU te maken om daarmee het conflict tussen deze staten te helpen oplossen. Bovendien: doen veel van deze grens-landen niet ook mee aan het Eurovisie songfestival en aan Europese voetbal-competities?

Kortom, waar de grens van ons continent (en daarmee van de EU) ligt,  is lang niet zo duidelijk als men wel denkt. De Europese Unie mist daarmee wat men met een Franse term aanduidt als finalité, een eindbestemming. Wanneer is het klaar? Tot hoever kan de EU groeien? Het is niet duidelijk. Dat is voor sommigen zeer frustrerend. Zij zouden de EU graag willen afbakenen en indammen. Anderen zien de EU als een groei-model, als een samenwerkingsproces dat zich ontwikkelt. Het gebrek aan finalité voedt ook in niet-lidstaten de discussie of het wenselijk is om toe te treden tot de EU. Na de Icesave affaire werd in IJsland de roep om toch maar toe te treden steeds sterker, maar inmiddels is deze weer flink afgezwakt. Momenteel is Oekraïne het meest schrijnende voorbeeld van een (letterlijke) strijd om een toekomstbepaling. Simpel gesteld: partner van Brussel of partner van Moskou?

In concreto voert de EU nu formeel onderhandelingen met vijf landen over mogelijke toetreding: Turkije, Macedonië, IJsland, Montenegro en Servië. Turkije is verreweg de meest controversiële kandidaat (met ook veruit de langste onderhandelingsgeschiedenis). Zowel aan Turkse kant als aan EU-kant is de stemming uiterst verdeeld. Daarbij spelen niet alleen geografische argumenten een grote rol (‘Turkije ligt grotendeels in Azië’ en ‘de EU zou via Turkije direct grenzen aan uiterst instabiele landen als Syrië en Irak’), maar ook demografische (Turkije zou qua bevolkingsaantal de grootste lidstaat van de EU worden), en religieus-culturele (‘Turkije is een moslim-land, terwijl de EU gestoeld is op het joods-christelijke gedachtengoed’). Dit laatste argument komt nog terug in Deel 4 van deze serie over Cultuur. Wel hier alvast de opmerking dat dit argument ook zou betekenen dat landen als Albanië en Bosnie-Hercegovina (met overwegend een moslim-bevolking) dan ook geen lid van de EU kunnen worden. En wat te denken van de vele moslim-inwoners die de huidige EU-lidstaten nu al herbergen?

 

Buren

Een laatste element van dit geografische persepctief is het onderwerp buren. Frank Kalshoven, schreef twee jaar geleden in zijn vaste column in De Volkskrant over de EU: “We zijn buren, zonder mogelijkheid tot verhuizen; we zullen het met elkaar moeten doen” (30 juni 2012). Deze quote raakt een van de kernen van overweging bij Europese samenwerking. We zien op allerlei plekken samenwerkingsverbanden ontstaan waar mensen en organisaties iets gemeenschappelijks delen: sportverenigingen, waterschappen, branche-organisaties, etc. Men besluit dat samenwerking een meerwaarde heeft, ook al moet men daar iets voor opofferen of inleveren (tijd, geld, zeggenschap). In Europa is geografie de gemeenschappelijke factor. Tientallen landen delen een grondgebied, een werelddeel met elkaar. In die zin kun je de EU beschouwen als een vereniging van eigenaren of als een buurtcomité. Uit het oogpunt van naboarschap wordt er samen gewerkt. Omdat het nu eenmaal handiger (of soms noodzakelijk) is om de panden en buurten samen te onderhouden, dan ieder voor zich.

 

Een oerhollandse illustratie

Door de eeuwen heen is in Noord-Holland gewerkt aan de vorming van de Westfriese Omringdijk. Een enorm samenwerkingsproject van ruim 125 kilometer dijk ter bescherming tegen het water. Alle aangesloten gemeenschappen, dorpen en steden droegen verplicht hun steentje bij. Wie verzaakte werd tot verantwoording geroepen, want een mogelijke verzwakking van de dijk vormde een bedreiging voor alle betrokkenen.

 

Hoe willen we met onze buren omgaan?

Het geografisch perspectief geeft aan hoe groot de Europese buurtvereniging of VvE in potentie zou kunnen zijn. Daar zijn diverse grensgevallen bij (Turkije, Oekraïne). Daarnaast zijn er binnen de geografische grenzen buren die niet mee willen doen (Zwitserland, Noorwegen), maar wel via allerlei bilaterale afspraken met de EU verbonden zijn. Ook kloppen er nieuwe kandidaten aan. Een belangrijk deel van het debat over de EU zou moeten gaan over de vraag hoe we met onze buren om wensen te gaan, wie we wel of niet willen toelaten (en op welke gronden) en hoe we omgaan met buren die niet lid van de vereniging kunnen of willen worden.

 

 

[1] Beklemtoond door Joep Leerssen in zijn boek Spiegelpaleis Europa (2011).

[2] Citaat uit het prachtige boek Niemand thuis (2007).

Hallo Jumbo!

 “Als ik op de tram stap, zie ik een reusachtige poster van Jumbo op de halte hangen”

   
>>>> over de kunst van het reclame maken <<<<    

 

 

 

In het najaar van 2013 ben ik een paar dagen in New York. Een bezoek aan het MoMa is een van de ‘verplichte’ nummers.

Naast het werk van Europese kunstenaars valt er ook veel bijzondere Amerikaanse kunst uit de 20e eeuw te bewonderen. Eén van de blikvangers is Andy Warhol met bekende werken als

Campbell’s Soup Cans

 

Campbell Soup Cans

 

 

 

 

 

2111MM15

 

 

 

 

 

 

en

Gold Marilyn Monroe.

 

 

Op de bovenste verdieping is een speciale tentoonstelling gewijd aan de Belgische kunstenaar René Magritte. Overal hangen posters met bekende Magritte-afbeeldingen, zoals  Ceci n’est pas une pipe. De rij is hier echter zo lang, dat ik onze zuiderbuur aan me voorbij laat gaan. Als Nederlander kun je voor Magritte altijd nog naar het mooie Magritte museum in Brussel.

 

MagrittePipe

 

Het weekend na onze thuiskomst hoor ik het droevige nieuws dat rock-artiest en ras-New Yorker Lou Reed is overleden. Hij werkte nauw samen met Andy Warhol. Hun samenwerking resulteerde o.a. in het verschijnen van het album The Velvet Underground & Nico. Andy Warhol tekende voor de bekende album cover met de banaan.

Velvet Underground & Nico

 

 

De volgende ochtend lees ik een uitgebreide necrologie van Lou Reed in de krant. Daarna ga ik naar mijn werk. Als ik op de tram stap, zie ik een reusachtige poster van Jumbo op de halte hangen. Mijn dag kan niet meer stuk!

 

Jumbo banaan

 
 
 
(P.S. Vorige week hoorde ik op de radio iemand van FairTrade zeggen dat een aanbieding van een kilo bananen voor 99 cent altijd ten koste gaat van het inkomen van de arbeiders op bananenplantages.  Zij betalen een hoge prijs voor onze laaggeprijsde spullen. Hallo? Jumbo?)

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 2. Proloog: van winterslaap naar verkiezingskoorts

“Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie”

 

Op woensdag 22 mei vinden in Nederland de verkiezingen voor het Europees Parlement plaats. Terwijl de EP-verkiezingen tot een jaar of tien geleden een vorm van democratisch corvee vormden, waar niemand zich werkelijk druk om maakte, loopt tegenwoordig de verkiezingskoorts ook flink op als het om de EU gaat. De Europese Unie is groot nieuws geworden en daardoor sloven politieke partijen en media zich uit om ons, gewone burgers, de hete hangijzers en de te maken keuzes duidelijk voor te schotelen. En dat is winst: er valt daadwerkelijk wat te kiezen.

 

Winterslaap

Tot de eeuwwisseling was het project van Europese samenwerking iets waarmee media en publieke opinie zich nauwelijks bezighielden. Af en toe zorgde een Brusselse kwestie voor een rimpeling in de vijver, maar over het algemeen deden de (nationale) politiek, media en burgers er het zwijgen toe. Europese samenwerking was een non-issue: ver weg, ingewikkeld, oninteressant. Niemand had er noemenswaardig last van, dus waar zou je je druk om maken.  En als iemand zich al druk maakte was het die Nederlandse Europarlementariër of die Nederlandse correspondent in Brussel die graag wilde laten zien hoe belangrijk zijn werk was en wat er allemaal bewerkstelligd werd. Zij bleven roependen in de woestijn. Een soort omgekeerd Calimero-effect: ‘ons Europese werk is groot en belangrijk, maar niemand kijkt naar ons om’. Natuurlijk was er wel wat aandacht voor het Europese project , maar dan vooral incidenteel: als er in Brussel werd gefraudeerd door een Commissaris of als er een Europese Top in ons land plaatsvond. Diverse onderzoeken[1] naar media-berichtgeving en publieke opinie over ‘Europa’ in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw wijzen uit dat Brussel zelden de voorpagina wist te halen en dat de Nederlandse burger weliswaar weinig kennis over Europese samenwerking bezat, maar wel heel tevreden over Europese samenwerking was.

 

Kritischer

Die situatie is inmiddels behoorlijk gekanteld. Hoewel het  gemiddelde kennisniveau van de doorsnee Nederlander ten aanzien van de EU niet noemenswaardig is gestegen, is zijn mening wel fiks veranderd: hij is veel kritischer geworden. Dat bleek in 2005 uit de uitslag van het roemruchtige referendum over de Europese grondwet (62% van de kiezers zei Nee). En dat blijkt uit de slinkende steun voor de EU in diverse opinie-peilingen. Nederlanders behoorden in Europa decennia-lang tot de grootste EU-fans (met steun-scores van boven de 75-80%), maar die liefde is inmiddels bekoeld. Al is het zeker niet tot het vriespunt. Nog steeds staat een royale meerderheid (60-65%) van de Nederlanders achter het lidmaatschap van de EU[2].  Je kunt constateren dat we wat bewuster en zakelijker naar de EU zijn gaan kijken. En we weten ook meer minpunten van Europese samenwerking te benoemen. Dat is ook niet zo gek, want de EU is de afgelopen 15 jaar steeds nadrukkelijker  in beeld gekomen: door de introductie van de euro, door de toetreding van dertien nieuwe lidstaten, door de uitbreiding van de bevoegdheden van Europese instituties en door de financiële crisis. Geen wonder dat de media nadrukkelijk meer aandacht aan ‘Brussel’ zijn gaan besteden. Mijn promotie-onderzoek[3] laat zien dat niet alleen de hoeveelheid berichtgeving toenam, maar ook de toon en onderwerpkeuze steeds kritischer werd. Tegen die achtergrond is het goed te begrjpen dat het opinie-klimaat veranderde.

 

Moeilijk te vatten

Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie.  Ook doorgewinterde journalisten en parlementariërs geven toe dat het moeilijk is greep te krijgen op alle processen en dossiers van Brussel. Laat staan dat de gemiddelde Nederlander vat heeft op Europese zaken. Dat draagt er aan bij dat je vaak aperte onjuistheden hoort verkondigen, of dat men bepaalde zaken volkomen uit z’n verband haalt of opblaast tot irreële proporties. Ik denk niet dat we de EU volledig hoeven te doorgronden. We hoeven geen EU-experts te worden. Maar een beetje basis-kennis is zeker nodig. En ook gezond verstand.

Waar gaat het proces van Europese samenwerking in de kern nu eigenlijk over? Wat mij kunnen we daar naar kijken vanuit de vijf perspectieven die ik in de volgende  blogs van deze serie behandel.



[1] Zie o.a. Claes DeVreese, Jochen Peter, Peter ’t Lam

[2] Zie onderzoek Eurobarometer(voorjaar 2013), onderzoek van Maurice de Hond (januari 2014), onderzoek SCP (maart 2014)

[3] Impressions of European Integration (Vrije Universiteit, 2012)

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 1. Introductie

“Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optelsom en de weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden”

>>>> Een serie beschouwingen over Europese samenwerking in de aanloop naar de Europese verkiezingen van mei 2014 <<<<

Nederland is tegenwoordig klaarwakker als het om de Europese Unie gaat. De EU is voorpagina-nieuws geworden. Politieke partijen meten zich een duidelijker (pro of anti) EU-profiel aan en de burger heeft zijn mening klaar. Dat is pas sinds een jaar of acht het geval.  Voor die tijd hield Nederland een soort winterslaap als het om ‘Europa’ ging. Tegenwoordig zijn we wakker en valt er wat te kiezen. Maar welke overwegingen laten we daarbij een rol spelen. Op grond van jarenlang onderzoek stel ik vast dat het gesprek over Europa, de EU of Brussel verschillende dimensies en invalshoeken kent. In veel discussies komt maar één zienswijze aan bod. Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optel-som en weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden. De blogs in deze serie hopen daar een bijdrage aan te kunnen leveren. Dit zijn de thema’s:

Proloog. Van winterslaap naar verkiezingskoorts (gepubliceerd)

Deel 1. Geografie: over grenzen en buren (perspectief 1; in voorbereiding)

Deel 2. Geschiedenis: over oorlog en vrede (perspectief 2; in voorbereiding)

Deel 3. Economie: over kosten en baten (perspectief 3; in voorbereiding)

Deel 4. Cultuur: over eenheid en verscheidenheid (perspectief 4; in voorbereiding)

Deel 5. Democratie en besluitvorming: over burgers en Brussel (perspectief 5; in voorbereiding)

Slotbeschouwing. Over nu en later (in voorbereiding)

 

(illustratie: Peace Talks van Hugo Kaagman)

Het schoolslagprincipe, oftewel: wat is je USP?

“Onlangs schoot me te binnen dat ik het USP-principe al in mijn kinderjaren leerde te hanteren”

  >>>> over het bepalen van je USP <<<<          

USP is een belangrijke term in de marketing en communicatie. Bij USP gaat het om onderscheidende kenmerken van organisaties en/of hun producten en diensten. Wie deze unieke kwaliteiten goed weet aan te duiden en uit te dragen, onderscheidt zich van de concurrentie en maakt kans op een groter marktaandeel. De afkorting USP wordt doorgaans gekoppeld aan de woorden Unique Selling Point. Ik vind het treffender om te spreken over USP als Unique Selling Proposition. Een Point is maar een punt, terwijl een Proposition een voorstel, een belofte inhoudt. Dat klinkt toch veel aantrekkelijker.

 

Lagere school

Onlangs schoot me te binnen dat ik dit principe al in mijn kinderjaren leerde te hanteren.

Ik zat in de 6e klas van de lagere school (tegenwoordig groep 8 van de basisschool). Op een mooie lentedag kondigde Meester Dikkers aan dat er over een paar weken in ons dorp voor het eerst schoolzwemkampioenschappen gehouden zouden gaan worden. Per school mochten tien meisjes en tien jongens meedoen. Meester Dikkers had besloten dat alleen 6e klassers van onze school mee zouden doen. Dat was een praktisch besluit, want onze klas telde precies tien jongens, maar ook 14 meisjes. De grote vraag was dus vooral: welke vier meisjes doen niet mee. De meisjes wisten niet hoe snel ze hun hand op moesten steken, toen Meester Dikkers hun deze vraag voorlegde. Meester Dikkers wees eigenmachtig 4 afvallers aan; nog nooit heb ik verliezers zo opgelucht en uitverkorenen zo sip zien kijken. Wij jongens vonden het juist leuk om mee te doen. Waarschijnlijk vonden we het ‘gaaf’. Meester Dikkers gaf ons de opdracht mee om na te denken over het onderdeel waaraan we deel wilden nemen. Er waren drie opties, voor jongens en meisjes apart: 100 meter schoolslag, 100 meter rugslag en 100 meter borstcrawl. We moesten het de volgende week aan hem doorgeven.

Voor mij was borstcrawl mijn favoriete en beste onderdeel. Maar ik bedacht dat alleen al in mijn klas Benno en Dickie sneller konden crawlen. En er zaten vast ook snelle Benno’s en Dickies op de andere lagere scholen in ons dorp. Rugslag was geen optie, want ik ging altijd scheef en kreeg vaak hele happen zwembadwater binnen. Als ik de schoolslag kies, maak ik misschien de meeste kans, begon ik te beseffen. Jongens deden nooit de schoolslag. Dat was meer voor tuttige meisjes of voor oudere mensen die rustig hun baantjes in het zwembad trokken en verstoord opkeken als je te dicht bij hen in de buurt kwam.

 

Schoolslag

Die week ging ik een paar keer oefenen op de schoolslag.

Aan het einde van de week noemde Meester Dikkers één voor één onze namen op en moesten we aangeven welk zwem-onderdeel we hadden gekozen. Na vijf meisjes (twee keer schoolslag en drie keer rugslag) en zes jongens (allemaal borstcrawl) was ik aan de beurt. “Schoolslag”, riep ik, iets te luid. Ik voelde iedereen naar me kijken. Schoolslag voor Peter, echoode Meester Dikkers. Gelukkig ging hij snel door met de andere namen. “Waarom schoolslag?“, fluisterde Dickie die naast me zat. “Met crawl kan ik nooit winnen”, piepte ik terug.

De dag van de schoolzwemkampioenschappen was kil en regenachtig. Iedereen stond te bibberen langs de rand van het openluchtbad. Tijdens het onderdeel borstcrawl voor jongens zag ik al mijn schoolvriendjes sneuvelen. Benno deed het nog het best: hij werd, onder luide aanmoedigingen van ons, zesde. Als laatsten mochten de jongens schoolslag het water in. Er waren maar zes deelnemers, dus we zwommen meteen de finale. Ik werd derde en haalde als enige vertegenwoordiger van mijn school het podium. Mijn vrienden sloegen me sportief op mijn schouders en bewonderden mijn medaille. Benno riep: “volgend jaar kies ik ook schoolslag”. “Lekker slim, Benno”, antwoordde Dickie, “volgend jaar kunnen we niet meer meedoen, want dan zitten we allemaal op de middelbare school!”

Een maand later bleek dat Benno was blijven zitten. Ik weet niet of hij nog een keer aan de schoolzwemkampioenschappen heeft deelgenomen. En ik… ik kies nog geregeld voor de schoolslag.

Een genuanceerde zwart-wit denker

“Een paar maanden geleden vond ik het de hoogste tijd om Il Principe daadwerkelijk te gaan lezen. Dat werd een plezierige lees-ervaring”

    >>>> Over Niccolò Machiavelli’s  Il Principe * <<<<          

 

Machiavelli is een bekende naam in de wereld van politiek en communicatie. Als student politicologie maakte ik tijdens het blok Politieke Theorieën kennis met het denken van Niccolò Machiavelli (1469-1527). In de collegestof kwamen diverse passages uit zijn beroemde boek Il Principe voorbij. Ik nam me toen voor het boek zelf eens te gaan lezen, maar daar kwam het nooit van. Door de jaren heen bleef Machiavelli, meer dan andere klassieke politieke denkers, mijn pad kruisen. Zo bespreek ik al jarenlang als docent bij mijn colleges over ‘Lobbyen en de EU’ het boek Machiavelli in Brussels van Rinus van Schendelen. Ook ontvang ik jaarlijks berichten over de winnaar van de Machiavelli-prijs (voor doeltreffende politieke communicatie: http://www.stichtingmachiavelli.nl/ ). En in Florence stond ik bij zijn graf in de Basilica di Santa Croce en zag ik zijn standbeeld in een rij van Renaissance-grootheden bij het Uffizi museum.

Een paar maanden geleden vond ik het de hoogste tijd om Il Principe daadwerkelijk te gaan lezen. Dat werd een plezierige lees-ervaring. Machiavelli’s teksten laten ons niet de botte, rechtlijnige of gehaaide denker zien waarvoor veel mensen hem door de eeuwen heen hebben gehouden. Hij is weliswaar een zwart-wit denker, maar dan wel van de genuanceerde soort.

Strakke tweedelingen

In dit beroemde boek beschrijft Niccolò Machiavelli (NM) welke keuzes een leider moet maken om zijn machtspositie te behouden dan wel te versterken. NM put daarbij uit zijn ervaringen als secretarius van de Florentijnse republiek rond het jaar 1500. Daarnaast grijpt hij terug op gebeurtenissen in de klassieke oudheid. Zijn gedachten  en redeneringen lopen volgens strakke dichotome schema’s: het is A of B, zwart of wit, barmhartig of meedogenloos. En vanuit die strakke tweedelingen trekt NM scherpe conclusies, waarbij hij vaak paradoxen blootlegt van het type ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’. NM geeft op meerdere plaatsen aan dat de leider bij voorkeur zijn goede eigenschappen moet etaleren. Maar omdat geen enkele leider louter goede eigenschappen bezit en omdat omstandigheden soms vragen om een stevige ingrepen, moet een leider niet nalaten ook impopulaire, ondeugdelijke maatregelen te nemen. Een goede leider doet niet altijd goed.

Een verstandig heerser kan noch mag zijn woord houden wanneer dit hem schade berokkent’. (p. 146)

Een leidend principe in de teksten van NM is dat iedere leider moet voorkomen dat hij gehaat wordt (door bezit of eer af te pakken van het volk of van de aanzienljken/adelijken: ‘vooral moet hij zijn handen afhouden van andermans bezit’; p. 142) of veracht wordt (door slap of wispelturig te zijn).  Aanzienlijken moeten niet tot wanhoop gebracht worden en het volk moet tevreden worden gesteld.  Maar als dit niet lukt of mogelijk is, moet een leider durven doorpakken.

 

Het doel heiligt de middelen

In weerwil van wat vaak beweerd wordt (ook door de Stichting Machiavelli) , zegt NM  nergens expliciet: het doel heiligt de middelen. Maar hij zegt wel dat een leider niet moet schromen om weloverwogen bepaalde ingrijpende middelen te gebruiken om zijn doel te bereiken. Daarbij is eerst een goede analyse van de situatie (tijd, context) nodig. En op basis van die analyse bepaal je als leider je keuze. Door de zwart-wit schema’s van zijn redeneringen en het onverbloemde pleidooi voor stevig ingrijpen als dat nodig is, komt NM rechtlijnig en ongenuanceerd over. Maar aan het einde van zijn boek geeft NM aan (p. 184) dat een vaste receptuur niet altijd werkt. In vergelijkbare omstandigheden kan een vaste aanpak tot verschillende uitkomsten leiden, terwijl uiteenlopende benaderingen vergelijkbare resultaten kunnen opleveren. Dat is een enorme relativering. Een vergelijkbare nuancering kwam ik eerder tegen in het boek ‘De glimlach van Niccolò’ van Maurizio Viroli. Viroly citeert (p. 114, 115) uit een brief van NM aan Giovan Soderini waarin NM uitlegt hoe compleet verschillende benaderingen toch tot vergelijkbare resultaten kunnen leiden: ‘De verklaring hiervoor is dat het welslagen of falen van mensen afhankelijk is van de mate waarin zij hun verstand en hun voorstellingsvermogen, en daarmee hun handelswijze, kunnen aanpassen aan de aard der tijden en der dingen’.

Het is volgens NM zaak een goed gevoel te hebben voor de tijdsomstandigheden, de tijd en de context waarin je leeft.

Het lijkt er op dat NM ons niet zozeer dwingend bepaalde wetmatige handelingen wil voorschrijven, maar ons patronen en waarschijnlijkheden voorhoudt die hij heeft afgeleid uit voorbeelden uit de klassieke oudheid en uit zijn eigen ervaringen. Als zich situatie X voordoet, dan dient een heerser actie Y te ondernemen. Maar dankzij de nuanceringen aan het einde van zijn boek, moeten we ons wel realiseren dat NM de heerser geen garanties voor succes geeft. Bovendien, er is altijd nog het lot, ‘dat de helft van onze zaken in handen heeft’ (p. 182). Om te vervolgen: fortuin is een vrouw (vrouwe Fortuna); en dus kun je met haar beter doortastend zijn dan voorzichtig (p.185).

Kortom, Machiavelli laat zich in Il Principe inderdaad kennen als een doelgerichte strateeg, maar ook als een doorgewinterde ervaringsdeskundige die ruimte laat voor nuancering en noodlot.

P.S.

Wat ik niet wist (maar leer op p. 62) is dat dit boek uitsluitend over alleenheerschappijen gaat. Er zijn volksregeringen (maar die laat NM buiten beschouwing) en alleenheerschappijen. Deze laatste vorm kent twee varianten: die met een erfelijke leider (die dankzij de traditie makkelijker wordt geaccepteerd) en de nieuwe leider (die zich meer moet bewijzen).

 

(vertaling; Frans van Dooren; uitgeverij Athenaeum, 1976)