Categoriearchief: Gepubliceerd

Niets is wat het lijkt, of toch wel?

‘Al bij de tweede halte zie ik de bewuste poster hangen en dit keer heb ik gelukkig de tijd om goed te kijken, omdat de bus een stop maakt’

 

Onderweg van huis naar werk zie ik in een fractie van een seconde een opvallende poster bij een bushokje hangen. Maar mijn bus rijdt door en ik krijg niet de tijd om de poster te bestuderen. Het opvallende aan de poster is dat er iets raars met de letters aan de hand is, maar nogmaals, ik heb niet de tijd om het goed te bekijken. Bij de volgende bushalte stopt de bus wel, maar de betreffende poster hangt er niet en bij de volgende haltes ook niet.

Ik kom aan op mijn werk en vergeet het voorval. Die middag verzorg ik een college over communicatie en betekenisverlening. Ik heb de studenten een powerpoint presentatie laten zien die ik de afgelopen jaren al vaker heb gebruikt en daarin zit één slide die altijd tot enige opwinding in de klas leidt.

meaning is created

De studenten reageren altijd hetzelfde. Eerst vragende blikken en ongeloof. Daarna gaan ze aan het puzzelen en concluderen ze hoe makkelijk en snel ze toch tot de juiste woorden en zinnen kunnen komen. Zelfs met een Engelse tekst. Dat levert veel stof tot nabespreken op. Wat is de kern van een woord? Hebben we wel alle letters nodig? Zelfde woorden met verschillende betekenissen, etc. Studenten dragen allerlei voorbeelden aan van vervormde of ingekorte woorden die toch direct te herkennen zijn. Met name de smartphone (met sms en Whatsapp) maakt hen inventief. Ik krijg prachtige voorbeelden te horen:

  • hbj : hoe bedoel je
  • w8 ff: wacht even
  • hkvvj: hou kapot veel van je
  • 2gd4u: too good for you

Ik laat zelf het logo van Stadshart Amstelveen zien:

amstlvn

Ook bespreek ik een paar anagrammen die ik in de loop van de tijd heb verzameld[1]:

  • Hannover – Avenhorn
  • Axl Rose – Oral sex
  • Kakstoel – Koelkast
  • Doorn – Donor
  • Petrus – Preuts

En mijn favoriet: koster-stoker-orkest-koters-koerst

 

Terwijl ik terugloop naar mijn werkkamer, moet ik opeens weer denken aan de poster uit het bushokje. Wat was dat toch met die letters? Niet veel later pak ik de bus naar huis. Al bij de tweede halte zie ik de bewuste poster hangen en dit keer heb ik gelukkig de tijd om goed te kijken, omdat de bus een stop maakt.

 

Theater Bellevue

 

De poster blijkt een perfecte illustratie van mijn college. Thuis gekomen zoek ik de afbeelding via internet op en besluit ik het plaatje op te nemen in mijn college van volgende week. Ook google ik naar het onderzoek van de Cambridge University om dat de volgende keer te kunnen bespreken met mijn studenten.

Tot mijn schrik lees ik al surfend op meerdere sites[2] dat de Engelse tekst is gebaseerd op een hardnekkige mythe. De strekking van het betoog klopt wel, maar de oorsprong niet. Er is op de universiteit van Cambridge nooit een dergelijk onderzoek gehouden. Maar opmerkelijk genoeg heeft de betreffende tekst, die met name in de Angelsaksische wereld oneindig veel keren is rondgemaild, wel tot veel nadere studies naar woordbetekenis en randomizing letters geleid. En die onderzoeken bevestigen in grote lijnen de bewering uit de mail-tekst.

Kortom, niets is wat het lijkt, maar daarmee hoeft het nog niet onwaar te zijn.

P.S. (15 augustus 2017)

Onlangs kwam ik het gedicht Dectie van Hans Hagen tegen. Een mooie illustratie bij bovenstaand verhaal:

 

 

DECTIE

ze zggeen
dat het neit utimakat
of je de ltteers in een wrood
op de goede ptaals zet
als je de ersete ltteer maar aan het bgien
en de ltaatse aan het enid shcijfrt
spant ireedeen wat er saatt
woraam o woaram w
eet die sekkul van nreldedans dat neit
met dat sfufe ktole dectie
dan hlaade ik mesihcsin ook enes een ngeen
in ptlaas van een dire of een tewe

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Het boek Opperlans! van Battus is een rijke inspiratiebron

[2] Deze bron is het meest duidelijk: http://www.foxnews.com/story/2009/03/31/if-can-raed-tihs-msut-be-raelly-smrat/

 

Gerrit Kouwenaar

Als de radio meldt dat Gerrit Kouwenaar is overleden schieten me zijn gedichten ‘station hembrug’ en ‘Men moet’ te binnen. Ik heb geen bundel van Kouwenaar zelf in mijn boekenkast staan maar wel diverse verzamelbundels waarin gedichten van hem zijn opgenomen. Ik lees graag gedichten. Op de manier zoals Willem Wilmink zo fraai beschrijft in zijn gedicht ‘Vader’:

 

 

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken

 

Ik voeg aan die strepen en uitroeptekens nog iets toe: achterin de bundel noteer ik de nummers van de pagina’s met de gedichten die me het meest hebben aangesproken.

Dankzij mijn pagina-noteringen heb ik in korte tijd station hembrug gevonden:

 

station hembrug

Soms ziet men helder wat al donker is
en zit men haast weer heelhuids in zijn vlees, er is
geen boom gerooid, geen woord gepleegd, men zet
de klok terug, station hembrug
de trein staat stil, nu al een leven lang, men is
de stad voorbij, voorgoed een kind, het paradijs
ligt binnen handbereik, men spelt vandaag, men wijst
de noodrem met een vinger bij
wat is het jaargetij? het jaargetij is goed, zomer
en winter wonen in één tuin, voorjaar en najaar
reizen hand in hand, dit is altijd, de trein
staat in een wolk van stoom, en wacht
en wacht terwijl men onderwijl de tijd
stilt met een regel wit een boterham, het duurt
toch langer dan men had gedacht, men blijft
binnen de ramen, pelt een ei
woorden als langzaam later gaandeweg
vullen de rookcoupé, men kijkt door glas, men ziet
wikke in kolengruis, men hoort het sein, dit is
voorgoed, het sneeuwt, zo goed als tijd –

 

En ook het gedicht Men moet heb ik snel gevonden:

Men moet
 
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

 

De volgende dag tref ik dit gedicht ook in de krant aan en hoor ik Hagar Peeters het voordragen op televisie. ‘Men moet’ heeft alles in zich om een klassieker te worden.

Wat ook van blijvende schoonheid zal blijven is het gedicht dat Kouwenaar heeft gemaakt voor het Batavia-gebouw, een nieuwbouwproject bij de Panamalaan in Amsterdam. In een ontwerp van Kees Nieuwenhuijzen is door een patroon van inspringende bakstenen het ‘stenen gedicht’ van Kouwenaar weergegeven. Een prachtige combinatie van literatuur en architectuur. En ook een eerbetoon aan de rijke historie van de locatie; en vanaf nu ook aan Gerrit Kouwenaar.

 

 

Batavia

Hoogste tijd om de Zender en de Ontvanger uit te zwaaien

“maar waarom nemen we er dan toch zo moeilijk afstand en afscheid van?”

 

Een populair liedje uit mijn kindertijd ging over de Stoker en de Machinist die de trein hadden gemist.[1] Ik zong het van harte mee, al wist ik niet precies wat een stoker[2] was. Het woord machinist kende ik wel, want de vader van een schoolvriendje van me was treinmachinist.

Ik wil er op deze plaats voor pleiten om een nieuw ‘lied’ te componeren als variant op dit oude kinderlied. Het moet gaan over de Zender en de Ontvanger die de boot hebben gemist. Ze zijn niet meer van deze tijd. Maar desondanks wordt dit duo in alle handboeken over communicatie opgevoerd, ook nog in recente uitgaven.[3]

Nog steeds is het gemeengoed om aan de hand van het Zender-Ontvanger model aan te geven hoe communicatie werkt. Het probleem dat ik hiermee heb, is dat er daarmee bedoeld of onbedoeld wordt uitgegaan van een actieve partij (Zender) en een passieve partij (Ontvanger). Ook wordt communicatie hiermee gezien als eenzijdig, lineair proces met als effect het beïnvloeden van de Ontvanger.

Natuurlijk haasten professionals, docenten en specialisten zich te zeggen dat het Zender-Ontvanger model tekort schiet, te simpel en te mechanisch is en dat het gedateerd is, maar waarom nemen we er dan toch zo moeilijk afstand en afscheid van?

Misschien komt dat omdat het Z-O model een pakkend plaatje en een makkelijke metafoor oplevert. We willen de werkelijkheid graag vangen in rationele schema’s en lineaire processen. Shannon & Weaver[4] bedienden ons op maat met een overzichtelijk model dat zich vanaf de jaren ’50 als de moeder der communicatiemodellen heeft vastgezet in het collectieve geheugen van de communicatieprofessie.

Shannon & Weaver model

Fig. 1 The Shannon-Weaver Mathematical Model, 1949

 

En zo wordt het van generatie op generatie doorgegeven. Natuurlijk, het model werd bewerkt (o.a. door Berlo en Lasswell) en bekritiseerd, maar de basis bleef in grote lijnen overeind, al werd vooral de Zender soms anders aangeduid (Source, Communicator).

Ook in het bekende massacommunicatie-model van Maletzke (gepresenteerd in de jaren ’60) zien we het bekende basispatroon terug. Zender en Ontvanger zijn hier Kommunikator en Rezipient. Maletzke benadrukt dat de communicatie indirekt und einseitig verloopt.

Maletzke model

Fig. 2 Maletzke’s model

 

In de jaren ’90 geven Windahl e.a.[5] aan dat ze worstelen met het begrip Zender. Ze geven met een voorbeeld aan hoe lastig het is om het begrip Zender eenduidig aan te bepalen:

Windahl citaat

Maar niettemin blijven ook Windahl c.s. de Z-O terminologie gebruiken.

Inmiddels leven we in al weer enige tijd in het digitale tijdperk. We hebben zelfs de fasen 1.0 en 2.0 al achter ons gelaten. We worden geconfronteerd met nieuwe termen als co-creatie, interactiviteit, social media, etc. Maar nog steeds blijven we praten over de Zender en de Ontvanger. Ik zeg: stop ermee! We kunnen er niet meer mee uit de voeten.

Wat is dan het alternatief? Ook daarvoor kunnen we putten uit de historie. Enkele jaren na Shannon & Weaver wees het Osgood-Schramm model ons al de weg (halverwege de jaren ’50!). We zien twee partijen die over en weer encoderen, decoderen en interpreteren.

 

Osgood Schramm

Fig. 3 Osgood-Schramm Model

 

Geen perfect model, maar een veel beter aanknopingspunt voor een eigentijdse benadering en invulling van communicatie.

En de Zender en de Ontvanger? Laten we niet gaan zwartepieten. Ze hoeven niet bij het grofvuil. Ze krijgen een mooie plek in het communicatie-museum. Naast de drukpers en de injectienaaldtheorie.

 

 

 

[1] Tekst: Han G. Hoekstra; Muziek G. de Marez Oyens.

[2] Op de middelbare school realiseerde ik me tijdens de lessen Frans dat het woord chauffeur van het werkwoord chauffer kwam: stoken. Een chauffeur is dus eigenlijk een stoker!

[3] Zie bijvoorbeeld pagina 24 e.v. in het nieuwe boek Het Fundament van Gerald Morssinkhof.

[4] C. Shannon & W, Weaver (1949).The Mathematical Theory of Communication. University of Illinois Press.

[5]Windahl, S., B. Signitzer en J.T. Olson (1992) Using Communication Theory. Londen, Sage Publications.

Het ‘hoe’ van communicatie

In mijn twee vorige blogs over Communicatie kondigde ik een derde blog aan over het ‘hoe’ van communicatie. Ik zal daar ook in de toekomst nog meer over schrijven, maar laat me nu eerst leiden door twee boeken die ik de afgelopen weken in handen kreeg. Het ene boek is de nieuwste pennenvrucht van Betteke van Ruler, de onvermoeibare voorvechtster van het Communicatievak in Nederland. Samen met communicatie-consultant Frank Körver schreef zij Het Strategisch Communicatie Frame. Kennelijk is van Ruler gecharmeerd van pakkende Engelstalige termen, want na de Scrum die zij in 2013 lanceerde is er nu het Frame.

Het andere boek is van de hand van Julia Sloan en heet Learning to think strategically (2014, 2nd edition). Sloan is een Amerikaanse wetenschapper en adviseur.

In beide boeken, geschreven door wijze, ervaren en inspirerende vakvrouwen hoop ik houvast te krijgen bij het beter leren hanteren van het vaak zo lastige begrip strategie. En als docent moet ik het niet alleen zelf kunnen hanteren, maar ook zien over te dragen aan en te delen met mijn studenten HBO-communicatie. Ik heb zelf 15 jaar geleden Werkboek Communicatieplanning geschreven en voortschrijdend inzicht leert me dat mijn stappenplan van destijds door de huidige tijd behoorlijk achterhaald is: te lineair, te blauwdruk-achtig. Iedereen begrijpt dat het tegenwoordig anders ligt. We leven in een tijd van interactie en conversatie, en dat vergt flexibiliteit. Ook moet de communicatiefunctie accountable zijn en business impact hebben. Maar hoe bewerkstellig je dat en hoe stel je de resultaten vast? En ten slotte zien we dat de grenzen van de verschillende disciplines binnen het communicatievak minder scherp te trekken zijn dan ons in de klassieke handboeken wordt voorgeschoteld.

Welke inzichten biedt Sloan?

In de eerste plaats is het goed om te vermelden dat Sloan niet specifiek vanuit een communicatie-oogpunt schrijft en opereert. Zij etaleert een bredere kijk op strategie. Vanuit die brede blik maakt Sloan onderscheid tussen ‘strategic thinking’ en ‘strategic planning’ en ‘implementation’. Strategic planning is gericht op het in elkaar zetten van beleid, en is meer meetbaar en beheersbaar, blauwdruk-achtig, convergerend. Implementation is de uitvoering van dat beleid. Maar voorafgaand aan planning en implementatie leert Sloan ons dat we strategisch moeten denken. Strategic thinking is het bepalen van de grote lijn, het bedenken van een breed oplossingskader. En het proces van strategic thinking is “messy”, rommelig, oncontroleerbaar, divergerend. Voor strategic thinking (kritisch, intuïtief, reflectief, creatief) zijn andere cognitieve functies nodig dan voor strategic planning (lineair, objectief, rationeel, volgordelijk). Sloan nodigt ons uit om in de fase van strategic thinking zeer creatief en speels te zijn. En ook nieuwsgierig en analytisch. De situatie moet vanuit allerlei perspectieven bekeken worden. Er is ruimte nodig om dat te bereiken: ruimte in tijd, maar ook in de zin van mensen de ruimte geven om mee te denken en bij te dragen. Sloan pleit voor een open dialoog als instrument van strategisch denken. Alleen als mensen vrij en kritisch kunnen meedenken en meepraten ontstaat er een goede voedingsbodem voor strategic thinking.

Hier slaat Sloan een brug naar communicatie. Vrij vertaald: goede, open, kritische communicatie leidt tot betere strategie-vorming. Communicatie als voorwaarde en facilitator van divergerende denkprocessen. Nogmaals, Sloan is geen communicatiewetenschapper, maar ze biedt wel stof tot nadenken aan communicatie-mensen.

Welke inzichten bieden van Ruler en Körver?

Van Ruler en Körver spitsen hun denken over strategie toe op het vakgebied communicatie en (eigenlijk nog specifieker) op de strategie van communicatie-afdelingen binnen organisaties. Ze brengen daarbij hun theoretische inzichten en praktijk-ervaringen samen in een makkelijk leesbaar en toegankelijk opgezet boek. Van Ruler en Körver omschrijven strategisch denken als “nadenken hoe je ergens kunt komen en waar je allemaal rekening mee moet houden”. In een overtuigend eerste deel van het boek wordt aangegeven dat je strategie niet in je eentje (maar “met elkaar”) moet ontwikkelen, dat communicatiestrategie moet aansluiten op de organisatie-strategie, dat het gaat om de grote lijn en het maken van heldere keuzes, en dat een strategie voortdurend onderhoud vergt.

Van Ruler en Körver presenteren vervolgens een door hen ontwikkeld ‘frame’ dat acht elementen (‘bouwstenen’) bevat: Visie, Interne situatie, Externe situatie, Ambitie, Accountability, Stakeholders, Resources en Aanpak. Stuk voor stuk herkenbare elementen binnen de theorie en de praktijk van professionele communicatie. Deze bouwstenen moeten volgens de auteurs niet opgevat worden als stappen in een stappenplan, maar als aandachtspunten bij de vormgeving van de strategie, waarbij de eerste vier elementen vooral bepalend zijn voor de ‘richting’ en de laatste vier elementen met name samenhangen met ‘realisatie’. Van Ruler en Körver benadrukken dat het gaat om een iteratief model, en dat er geen vaste volgorde in deze bouwstenen zit. In deel II van het boek worden de bouwstenen één voor één besproken. Bij de invulling van die bouwstenen staat veel leerzaams, maar er kunnen ook de nodige vraagtekens worden geplaatst. En dat laatste komt vooral door de dubbele focus die dit boek kent. Aan de ene kant gaat het bij de bouwstenen, de gegeven voorbeelden en de gastcolumns van praktijkmensen om concrete communicatie-vraagstukken die om een doordachte aanpak vragen, maar aan de andere kant legt dit boek sterk de nadruk op het positioneren van de communicatie-afdeling binnen organisaties. Natuurlijk liggen beide zaken in elkaars verlengde, maar het zijn wel verschillende zaken. Dat geeft de lezer een wat ambivalent gevoel. Er wordt namelijk van niveau gewisseld. Als de communicatie-strategie (van de afdeling) moet passen binnen de organisatie-strategie (een terechte opmerking op p. 18), dan is de organisatie-strategie het alomvattende niveau (zeg even: niveau 1). Daarmee behoort de communicatie-strategie tot niveau 2 en het oplossen van concrete communicatie-vraagstukken tot niveau 3. Het lijkt op de bekende trits strategisch-tactisch-operationeel. Bij het boek van van Ruler en Körver heb ik meermalen het gevoel dat ik moet schakelen tussen niveau 2 en niveau 3. Ik zou de vraag wel willen opwerpen of communicatie niet per definitie een meer tactisch instrument is ten dienste van de organisatie-strategie. In het voorwoord stellen de schrijvers dat het Frame toepasbaar is voor het ontwikkelen van “een strategie voor wat dan ook”. Maar dat werkt niet, wat mij betreft. Door de gekozen invalshoek vind ik het met name een bruikbare methode voor het ontwikkelen van een positionering van de communicatie-afdeling (dus niveau 2) en veel minder voor het ontwikkelen van een doordachte aanpak van een concreet communicatie-vraagstuk. Dat laatste is iets waar mijn studenten natuurlijk vooral mee worstelen en waar dit boek dan weer onvoldoende handvatten voor biedt. Daarvoor zou dit boek veel meer aandacht moeten besteden aan relatiegroepen (en dus niet alleen de stakeholders van de afdeling Communicatie, zoals in dit boek), aan probleemanalyses en aan de ontwikkeling van creatieve concepten.

Ten slotte kent dit boek ook nog een Deel III, een soort capita selecta. Daarbinnen is de passage ‘snappen hoe communicatie werkt’ ronduit teleurstellend. Als we ons voor de bouwsteen Visie willen laten inspireren, dan zal het niet door deze pagina’s gebeuren. En dat is jammer, omdat je juist van deze twee ervaren deskundigen op die plek een meer inspirerend verhaal zou verwachten.

 

Conclusie

Strategie blijft ook na lezing van deze twee boeken een lastig te hanteren begrip. We zijn al gauw geneigd om alles waar een idee achter zit en dat naar een doel toewerkt te betitelen als ‘strategie’.

Het boek van Sloan leert ons onderscheid te maken tussen strategisch denken, plannen en uitvoeren. Elk met een eigen dynamiek en met een eigen benadering in denken en doen.

Het boek van van Ruler en Körver leert ons dat het binnen de communicatie-professie nodig is om onderscheid te maken tussen de niveaus waarop wordt geopereerd. Zij leggen zelf de nadruk op de strategie van de communicatie-afdeling.

Beide boeken leren dat een doordachte aanpak altijd begint als een gezamenlijk proces, dat niet blauwdruk-achtig verloopt. Het is dus raadzaam te starten met divergerende vormen van strategic thinking, of we ons nu op strategisch, tactisch of operationeel voor vragen en uitdagingen gesteld zien. En als de grote lijn is bepaald en er heldere keuzes zijn gemaakt, gaan we dat via strategic planning handen en voeten geven.

Wat mij betreft is daarbij de waarde van communicatie tweeledig. In de eerste plaats is communicatie binnen het proces van strategisch denken een onmisbare factor (zoals Sloan aangeeft). Ik noem dat voor het gemak ‘communicatie als input- factor’. In de tweede plaats is communicatie ook een ‘output’-factor, waarbij communicatieve concepten de resultaten van een strategisch (of tactisch) denkproces zijn. Denk hierbij aan campagnes, programma’s of acties.

Als we beide vormen van onderscheid niet maken, dreigt het gevaar van spraak- en begripsverwarring.

Outlet

Er is een nieuwe vorm van dienstverlening voor hondenbezitters: de uitlaatservice. Baasjes en vrouwtjes die vaak vele uren van huis zijn kunnen een uitlaat-service inhuren. Dan komt er op afgesproken dagen en vastgestelde tijden een busje voorrijden. De uitlaters, meestal jonge vrouwen met een sportieve paardenstaart, hebben een sleutel van het huis en laden de enthousiast kwispelende viervoeter in het diervriendelijk ingerichte busje. Een uurtje later wordt de hond weer thuisgebracht, na een ongetwijfeld lange en verfrissende wandeling.

Bij ons in de straat komt regelmatig het busje van het bedrijf Outlet langsrijden. Eerst dacht ik dat een van mijn buren aan het einde van de straat iets met merkkleding te maken had, maar op een ochtend zag ik dat een onbekende vrouw uit het Outlet-busje stapte en de twee honden van de verre buurman het busje in dirigeerde. Outlet was dus potjes-engels voor uitlaten. Toen maakten mijn hersenen een raar sprongetje.

Stel je voor dat er eenzelfde concept bedacht zou worden voor het uitlaten van eenzame bejaarden. Dat er af en toe een busje komt voorrijden om een opa of oma mee te nemen voor een gezellig ritje, een rondje lopen in het park en een kopje koffie toe. De kinderen en kleinkinderen zijn namelijk zo druk, dat zorg en aandacht voor de grootouders er bij inschieten. Bij veel van die drukke mensen zal er diep weggestopt een onbehaaglijk gevoel knagen vanwege het verwaarlozen van opa of oma. Maar ja, er moet eenmaal gewerkt worden en gesport. En dan zijn er ook nog de vakanties en de weekendjes-weg.

Dat gevoel kan nu afgekocht worden. Je huurt een uitlaat-service voor bejaarden in. Oma blij en jij blij. Elke week komt er een fris leuk iemand langs die een uur de tijd heeft en er een leuk uitje van maakt. Een gouden formule. Je verkoopt het als cadeautje en pakt de senior in kwestie er helemaal mee in.

En de naam voor deze service is snel gevonden: Oud-let.

 

 

P.S. (11 april 2016)

Bijna twee jaar later kom ik een artikel in de Volkskrant tegen dat naadloos op mijn blog aansluit. Vooral dankzij de verwijzing naar de hondenuitlaatservice. Ik wist bij het schrijven niet dat dit soort initiatieven daadwerkelijk bestaan.

vertroetel je ouders

 

 

Zijn en Hebben

Een paar jaar geleden liep ik een gebouw van de educatieve faculteit van de Hogeschool van Amsterdam binnen. Mijn oudste zoon studeerde die middag af bij de Lerarenopleiding Nederlands. En ondanks mijn blinde vader-trots van dat moment zag ik bij de ingang een poster hangen met het gedicht over ‘hebben en zijn’ van Ed. Hoornik:

Op school stonden ze…

Op school stonden ze op het bord geschreven;
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.,
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed. Hoornik Uit: Het menselijk bestaan (1952)

Ik kende het gedicht vagelijk, maar deze hernieuwde kennismaking op die plek en op dat moment trof me: mooi en toepasselijk.

 

Etre et avoir

Een paar dagen later zocht ik het gedicht op in een verzamelbundel. En terwijl ik het gedicht herlas moest ik opeens denken aan de veelgeprezen Franse documentaire Etre et Avoir. In deze documentaire staat een oudere dorpsonderwijzer centraal. Hij nadert zijn pensioen en met hem zal een degelijke onderwijstraditie uit het dorp verdwijnen. De onderwijzer is de school en de school is de klas. Hij is een instituut van vlees en bloed. Georges Lopez is de Franse variant van Theo Thijssen door groot te zijn in zijn vakkennis en klein te zijn door op hurkhoogte met zijn leerlingen om te gaan. Het klaslokaal ademt rust en persoonlijke aandacht. De film is een pleidooi voor menselijke omgangsvormen en kleinschaligheid en daarmee indirect een protest tegen de grote onpersoonlijke leerfabrieken van tegenwoordig. De documentaire kon zo populair worden, omdat hij appelleert aan een gevoel van nostalgie. Een gevoel van ‘vroeger was het beter’. Maar laten we eerlijk zijn, een school van 13 leerlingen is niet te handhaven. En op sommige kleine dorpsscholen ging het er vroeger niet altijd zachtzinnig en pedagogisch verantwoord toe. Ik zie nog hoe mijn juf van de eerste klas (haar bijnaam was ‘knotje van Nes’, omdat zij haar grijze haar altijd in een knotje droeg) een meisje dat niet uit ons dorp kwam, maar uit het door velen beschimpte gehucht Olburgen, op het schoolplein publiekelijk een enorme pets in haar gezicht gaf. Dat was meer dan een opvoedkundige tik. Maar nostalgie of niet, nog steeds zijn er dagelijks duizenden onderwijzers die proberen te werken in de geest van Georges Lopez. Vaak onderbetaald en ondergewaardeerd, maar bevlogen en idealistisch.

 

Arme meester Lopez

Wat veel mensen niet weten is dat de idyllische documentaire een rauw vervolg kreeg toen Georges Lopez geld ging eisen van de documentairemaker Nicholas Philibert. Lopez vond dat hij een groot aandeel had in het succes van de film en verlangde maar liefst 250.000 euro van de maker. Philibert weigerde om begrijpelijke redenen en het conflict mondde uit in een rechtzaak die Lopez zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verloor. Uiteindelijk moest hij ook nog opdraaien voor de proceskosten die 12.000 euro bedroegen. Arme meester Lopez. De wereld hield van hem zoals hij was (être), en nu wilde hij zijn nieuwe status omzetten in bezit (avoir). Maar zo werkt het niet. Dat had Ed. Hoornik hem kunnen vertellen.

 

P.S. 1

Op bezoek bij vrienden in hun Franse huis zag ik in een van de kamers op een witgepleisterde muur een mooie decoratieve strook behang met alle vervoegingen van de werkwoorden Etre en Avoir. Leuk om te hebben.

 

P.S. 2

Op internet kom ik een songtekst tegen van Jacques Brel met een passage over ‘Etre’ en ‘Avoir’:

Jacques Brel
CHACUN SA DULCINÉA
1968

Chacun sa Dulcinéa
Qu’il est seul à savoir,
Qu’un soir de pleurs, il s’inventa,
Pour se garder un peu d’espoir
Aux barbelés du coeur.
Par elle, par sa Dulcinéa
Ou par l’idée d’icelle,
L’homme rebelle devient un Dieu.
Voilà qu’il vole et même mieux,
Cueille des lunes du bout des doigts,
Mais cependant si tu es de ceux
Qui vivent de chimères,
Rappelle-toi qu’entre les doigts,
Lune fond en poussière.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.
Malheur à qui peut préférer
Le verbe être au verbe avoir,
Je sais son désespoir.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.

Relaties en relevantie

Communicatie is nodig om tot relevantie te komen”

In het vervolg op vorige blog (waarin ik het wat van de communicatie presenteerde door middel van de COMpositie), wil ik nu graag ingaan op het waarom van Communicatie. Waar doen we het allemaal voor? Wat is de relevantie van communicatie? Hoe kan communicatie ’business impact’[1] hebben?

De betekenis van communicatie

Communicatie is in de kern iets dat mensen helpt om grip te krijgen op hun leven. Uitwisseling met anderen draagt bij aan het geven van betekenis, richting en invulling aan het leven. Mensen zijn er niet op gebouwd om langere tijd compleet geïsoleerd te zijn. Prestaties, keuze-bepaling en identiteitsontwikkeling krijgen vorm in samenspraak (of tegenspraak!) met anderen. Anderen die je een spiegel voorhouden, die je de weg wijzen, die je laten lachen of huilen, die je aanmoedigen of bekritiseren. Dat gebeurt bij de opvoeding van kinderen, bij het vieren van een verjaardag, bij het Facebooken, bij het roddelen over een buurvrouw en bij het lezen van recensies op  sites als Zoover of Iens.

In de professionele context

Deze betekenis van communicatie geldt niet alleen voor ‘alledaagse’ communicatie, maar ook voor communicatie in een professionele context. Ook een bedrijf, een waterschap, een ziekenhuis, een stichting of een multinational ontwikkelt zich in wisselwerking met anderen. Een organisatie kan alleen maar bestaan als er andere partijen of individuen zijn die op de één of andere wijze belang hebben bij en bijdragen aan het bestaan van die organisatie.[2]  Dit kunnen medewerkers zijn, klanten, leveranciers, buren, concurrenten, journalisten, etc. Die anderen worden in de vakliteratuur doorgaans aangeduid als stakeholders: mensen en groeperingen die belang hebben bij jouw organisaties en zonder wie jij als organisatie geen bestaanrecht (license to operate[3]) hebt. Die anderen zijn enerzijds van belang voor jou (als organisatie) en zij geven anderzijds aan in hoeverre jij van belang bent voor hen. En juist door die wisselwerking kun je als organisatie je relevantie[4] en je profiel nader bepalen en ontwikkelen. Communicatie is nodig om tot relevantie te komen. Dankzij communicatie komt een organisatie tot verdere ontwikkeling van betekenis en richting, van visie en missie. In veel handboeken wordt teveel de nadruk gelegd op communicatie als output-instrument. De organisatie bepaalt eerst zijn positie en gaat die daarna wereldkundig maken. Een tamelijk eenzijdige benadering die soms zelfs wat autistisch aandoet. Ik zie dat anders. Een organisatie kan pas tot een relevante positionering komen door voortdurend te communiceren en in verbinding te staan met diverse stakeholders.

De kerntaak van de communicatie-professional

In mijn ogen is het de kerntaak van de communicatieprofessional (intern als medewerker, of extern als adviseur) om die betekenisverlenende wisselwerking tussen organisatie en de stakeholders permanent te agenderen, te monitoren en te faciliteren. Communicatie is in dit verband onmisbaar om het contact en de interactie met relatiegroepen te (helpen) onderhouden. Voor de goede orde: dat hoeft niet een harmonieuze relatie te zijn. Ook relaties die gebaseerd zijn op tegengestelde belangen, conflict of kritiek zijn van belang voor organisaties om hun positie en koers nader scherp te stellen.[5] Voor een organisatie geldt daarbij hetzelfde als wat voor een individu geldt. Ook een organisatie kan niet niet communiceren.[6] Dat stemt tot de nodige bescheidenheid en relativering. Alles wat tot de organisatie behoort en iedereen die in en voor de organisatie werkt, communiceert voortdurend. Dat is nauwelijks te controleren, laat staan te beheersen. Het is hooguit enigszins te stroomlijnen. Maar dat wil niet zeggen dat communicatieprofessionals daarbij niet een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Integendeel, hoe beter communicatieprofessional in staat is om die informatie-uitwisseling te faciliteren en de opbrengst ervan te delen, hoe beter de mogelijkheid voor de betrokken organisatie om zich op relevante wijze te profileren.     In mijn volgende blog ga ik in op de vraag hoe communicatieprofessionals deze taak goed zouden kunnen invullen.     [1]  Ik leen deze term van collega Michaël Renssen die een gloedvol betoog over deze term hield tijdens een studiedag in april. [2] Zie bijv. J. Lubberding: De bestaansvoorwaarden, 2006. [3] Term gebruikt door o.a. Paul Stamsnijder in zijn boek De vent is de tent, 2010. [4] Het woord relevantie is afgeleid van het Latijnse woord relevare dat oprichten (of opheffen, verheffen) betekent. Denk aan het verwante woord reliëf. Relevantie gaat dus om het je willen manifesteren, je kop boven het maaiveld uitsteken, standing out in the crowd. De betekenis van relevantie ligt in die zin dicht bij positioneren en je onderscheiden. [5] In politieke commentaren wordt in dit verband wel gewezen op het profijt dat Pechtold heeft van het zich stevig positioneren ten opzichte van Wilders. [6] Zie mijn verwijzing naar Paul Watzlawick in mijn blog over COMpositie.

COMpositie: een nieuwe bepaling van het begrip Communicatie

In mijn werk[1] moet ik duidelijk kunnen aangeven wat het vakgebied Communicatie inhoudt. Door de jaren heen heb ik gemerkt dat dat lastiger is, dan je aanvankelijk zou denken. Daarbij spelen vier zaken een rol. In de eerste plaats is het hanteren van definities als zodanig niet altijd zinvol of bevredigend. Daar komt bij dat het begrip communicatie zich moeilijk laat vatten. In de derde plaats heeft communicatie een paradoxale kern van scheiden en delen: we willen enerzijds vanuit een onderscheidende identiteit opereren, terwijl we anderzijds willen delen met anderen. Ten slotte laat communicatie zich onder invloed van de opkomst van social media zich steeds meer kenmerken als een interactief fenomeen dat niet (meer) geheel vanuit het perspectief en initiatief van ‘de zender’ kan worden opgevat.  Deze vier redenen bij elkaar maken het duidelijk afbakenen van het begrip Communicatie tot een complexe, paradoxale klus.

 

 1. Definities zijn statisch

Amos Oz schrijft in zijn boeiende boek ‘Een verhaal van liefde en duisternis’ dat het woord definitie is afgeleid van het Latijnse woord ‘finis’, dat hek betekent.[2] Met andere woorden: een definitie is een afbakening.[3] Een definitie maakt iets definitief. Het zorgt voor een status quo; iets wordt als het ware bevroren. Dat roept de vraag op hoe een definitie zich verhoudt tot de dynamiek van het leven zelf. Een van mijn persoonlijke motto’s  (ontleend aan Ovidius’ Metamorphosen) is: alles stroomt en niets blijft.[4] Alles is onderworpen aan voortdurende verandering. Een begrip als communicatie kent juist de dynamiek van uitwisseling en interactie. Kun je zo’n begrip dan nog wel afbakenen? Een definitie is een foto, terwijl het leven een permanent draaiende film is. Zijn definities daarmee niet per definitie achterhaald?

 

 2. Communicatie is moeilijk te vatten

Mensen communiceren voortdurend: bewust en onbewust, in woord en gebaar, langs analoge en digitale weg. Ik sluit me in dat opzicht aan bij Paul Watzlawick, die verklaarde dat alles wat mensen doen en maken communicatie is en dat daardoor mensen (maar ook dieren, dingen, gebouwen) niet niet kunnen communiceren.[5] Daarmee is alles communicatie. Birkigt en Stadler hebben een veelgebruikt model samengesteld dat de relatie tussen Identiteit en Imago weergeeft.[6] Binnen dit model zijn de begrippen symboliek, gedrag en communicatie de werkzame bestanddelen. Maar volgens het denken van Watzlawick moeten we symboliek en gedrag ook opvatten als communicatie en dus hadden Birkigt en Stadler kunnen volstaan met één begrip: communicatie. Het grote nadeel van de opvatting Watzlawick is daarmee ook blootgelegd: communicatie is zo bezien een allesomvattend containerbegrip. Is dat nog af te bakenen?

 

 3. (Onder-)scheiden en delen

Carry van Bruggen leert ons in haar doorwrochte studie Prometheus (1919) dat juist distinctie, afbakening, contrast-werking een wezenskenmerk van mensen is:

… we merken de dingen slechts op door hun contrast met andere dingen…..Alles is onderscheid. Zien is onderscheiden (ook hooren, proeven en alle natuurlijke waarneming, denk aan het geluid dat men hoort als het ophoudt) maar daarmee is het niet uit. Leeren is onderscheiden, kennen is onderscheiden, begrijpen is onderscheiden. Elk vermogen is onderscheidingsvermogen. Elke ontwikkeling is de ontwikkeling van dat vermogen.

Volgens Carry van Bruggen is ons hele wezen gericht op het zoeken en bepalen van onderscheid. In de communicatiewereld is dit heel herkenbaar. Je kunt alleen maar communiceren vanuit een onderscheidende eigenheid; anders val je niet op, ben je niet herkenbaar. Een herkenbare boodschap vergt een herkenbare boodschapper. De communicatiewetenschap hamert op het begrip identiteit. Die identiteit is een zelf-definitie, een onderscheidende afbakening, de verwoording en verbeelding van het eigene van de betreffende organisatie/persoon. Wie zichzelf niet profileert, wie onherkenbaar is, is daarmee niet in staat tot het onderhouden van betekenisvolle relaties. Daarbij rijst de vraagt of het bepalen en uitdragen van je identiteit niet te zeer een exclusieve, buitensluitende, contrasterende bezigheid is (door je te onderscheiden benadruk je de onderlinge verschillen, je zet een hek om jezelf heen), terwijl je aan de andere kant  juist het hek zou willen neerhalen om de relatie met anderen te vergemakkelijken en dingen met elkaar te delen. Anders gezegd en in paradoxale termen gevat: hoe kun je exclusief zijn, maar ook inclusief.

 

4. Van actie naar interactie

De huidige tijd wordt getypeerd door een toenemend gebruik van social media. Deze nieuwe media zijn een soort tussenvorm tussen direct persoonlijk contact (mensen bij elkaar; zelfde tijd, zelfde plaats) en communicatie via klassieke massamedia (krant, radio, TV). Veel definities, modellen en theorieën gaan zijn gebaseerd op ofwel interpersoonlijke ofwel massamediale communicatie. De theorievorming over de nieuwe tussenvorm van social media staat nog in de kinderschoenen. Wel is duidelijk dat het communicatie- en medialandschap door de komst van internet, digitale media, en interactieve communicatievormen aanzienlijk is veranderd. Een bevredigende plaatsbepaling van het begrip communicatie zal daarom ook ruimte moeten bieden aan deze nieuwe ontwikkelingen.

 

Geen definitie, maar een COMpositie

Nu de uitdagingen, knelpunten en paradoxen zijn geschetst, kunnen we een poging wagen om het begrip communicatie nader te duiden. In mijn visie moet de begripsafbakening ruimte bieden aan het open, dynamische en interactieve karakter van communicatie. Ook moet duidelijk zijn dat communicatie niet te beheersen of te sturen is. Er is sprake van continue uitwisseling, waarbij je hooguit wat kunt laveren. Daarbij moet het spanningsveld tussen exclusie en inclusie ook een plaats krijgen. Wat mij betreft moeten we niet streven naar een definitie van communicatie, maar naar een compositie van communicatie. Ik duid dit aan met de term COMpositie. Die compositie kent drie ringen. Die ringen geven de continuïteit van communicatie weer. Geen einde, geen begin.

De binnenste ring, de kern van communicatie, bevat de partijen die met elkaar communiceren (met als kleinste eenheden: organisatie X en relatiegroep Y, of persoon A en persoon B) en de begrippen Connect en Content. Communicatie is bij uitstek een relationeel begrip dat draait om het uitwisselen van informatie. Daar heb je meerdere partijen voor nodig, die voortdurend signalen uitzenden en opvangen. Die partijen hebben ook middelen nodig om informatie over te dragen en uit te wisselen. Het kernbegrip Connect (verbinding) verwijst daarnaar. Daarbij gaat het om de middelen, media en kanalen die mensen en organisaties gebruiken om met elkaar in contact te komen. En ten slotte heb je de informatie zelf.  Het begrip Content duidt op de inhoudelijke kant van communicatie. Het gaat bij content om  boodschappen en betekenissen. Om inhoud en interpretatie. Dat maakt Content tot een kernbegrip binnen de communicatie. De essentie van communicatie is namelijk het uitwisselen van betekenisvolle boodschappen.

De tweede, middelste ring van de COMpositie bevat al die kennis-elementen en vaardigheden die nodig zijn om de elementen uit de binnenste ring goed aan elkaar te smeden. In de praktijk worden dit vaak competenties genoemd. Logeion, de beroepsvereniging van communicatieprofessionals in Nederland, spreekt in dit verband over Beroepsniveauprofielen.[7] Deze competenties worden vaak weergegeven als elementen uit een beleidscyclus: van analyseren en strategie bepalen, tot creëren en implementeren. Het bijzondere van deze competenties is dat ze meer generieke vaardigheden zijn die vaak in hun formulering de kern van communicatie (de binnenste ring) niet raken. Ze worden pas relevant voor het vakgebied Communicatie als ze gekoppeld worden aan en vertaald worden naar de elementen van de binnenste ring.

De derde, buitenste ring van de COMpositie wordt gevormd door de Context waarbinnen de communicatie zich afspeelt. Daarbij spelen uiteenlopende zaken een rol. Mens- en maatschappijvisies van de betrokken partijen, hun ervaringen en verwachtingen, en maatschappelijke trends en ontwikkelingen, Dit kunnen trends zijn als globalisering, digitalisering of vergrijzing. Maar ook verschuivingen in het publieke klimaat, de economische conjunctuur en manifestaties in de culturele sector kunnen van belang zijn. Dit vergt van de communicatie-professional dat hij een goed ontwikkeld vermogen heeft om dergelijke ontwikkelingen te signaleren en te relateren aan het belang van organisaties en  relatiegroepen. Dat betekent ook dat het vakgebied Communicatie inbreng nodig heeft van flankerende kennisdomeinen en vakgebieden zoals organisatiekunde, marketing, cultuurstudies en HRM. Een ander aspect van het begrip Context zijn de diverse domeinen binnen het vakgebied Communicatie. De ene vorm van communicatie speelt zich af tussen overheid en burgers, de andere vorm is B2B of valt onder de noemer marketingcommunicatie. Het vakgebied communicatie kent vele domeinen die stuk voor stuk een eigen context met zich meebrengen.

 

COMpositie

Visueel weergegeven ziet de COMpositie er als volgt uit:

COMpositie def

 

Ik nodig jou, lezer, graag uit om te reageren op deze nieuwe positiebepaling van Communicatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Ik werk als HBO-docent bij de opleiding Communicatie van hogeschool Inholland.

 

[2] Amos Oz, blz. 94, 95:

En trouwens, het woord voor ‘definitie’, hagdara, is afgeleid van gader-“hek”. Immers, een definitie kun je beschouwen als het zetten van een hek tussen wat binnen deze definitie valt en wat er buiten blijft. En het is precies zo in het Latijn, waarin het woord finis “hek”betekent, en het woord definire “begrenzen”, “beschermen”, “omheinen” of “definiëren”, en daarvan is naar alle waarschijnlijkheid ook het woord defense – “verdediging”- in enkele westerse talen afgeleid.

 

[3](Onwillekeurig moest ik onmiddellijk denken aan het hek dat de staat Israël heeft opgericht om eenzijdig de grens met de Palestijnse gebiedsdelen te markeren).

 

[4] Dit motto sprak mijn in mijn middelbare schooltijd erg aan. Een jaar of tien geleden kom ik dit citaat van Ovidius ook tegen als motto in het boek Het Godencomplex van Elle Eggels)

 

[5] Vgl. Paul Watzlawick: ‘Alles wat je doet, ook ‘niets’ doen, heeft invloed. Ieder gedrag is een vorm van communicatie. Omdat er niet zoiets bestaat als anti-gedrag, is het onmogelijk om niet te communiceren.’ (Pragmatische aspecten van de menselijke communicatie)

 

[6] Birkigt, K., & Stadler, M. M. (1986). Corporate Identity, Grundlagen, Funktionen, Fallspielen. Landsberg am Lech: Verlag Moderne Industrie.

[7] http://www.logeion.nl/beroepsniveauprofielen

 

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Epiloog

 “Wat mij betreft is het hoofdantwoord: de EU moet verstandig verder”

 

In deze serie zijn vijf manieren van kijken naar de EU gepresenteerd: geografisch (over grenzen en buren), historisch (over oorlog en vrede), economisch (over markt en munt), cultureel (over eenheid en verscheidenheid) en politiek (over burgers en Brussel). Nu, aan de vooravond van de verkiezingen voor het Europees Parlement, is het tijd voor een slotakkoord, een nabeschouwing en een blik vooruit. En sorry, lezer, je krijgt geen stem-advies: het invullen van het vakje op je stembiljet is aan jou (al geeft deze serie blogs wel een bepaalde richting aan). In deze epiloog een aantal punten die rond deze EP-verkiezingen opvallen en/of het overwegen waard zijn

 

  1. We zijn wakker

Nederland heeft de Europese Unie ontdekt. Na 60 jaar lidmaatschap van de EU en haar voorgangers is het debat over Europese samenwerking eindelijk volop losgebarsten. Uit mijn promotie-onderzoek[1] blijkt dat Nederland op dat gebied lang achter heeft gelopen bij de ons omringende landen. Bij onze buren kan de EU al jarenlang rekenen op meer politiek debat en meer media-aandacht. Decennialang was Europese samenwerking een non-issue voor politici, pers en publieke opinie in Nederland. Maar gelukkig zijn we hard bezig die achterstand in te lopen. Politici en burgers worden gedwongen tot een duidelijke positiebepaling. En de EU krijgt volop media-aandacht. Dat is grote winst, want het project van Europese integratie is te bepalend en invloedrijk om te negeren.

 

  1. We weten er niet zo veel van

De meeste mensen geven toe eigenlijk niet zoveel van de EU te weten. En dat is niet verwonderlijk. Wat decennia in de politiek, de media en het onderwijs onderbelicht is gebleven, kan niet in korte tijd volledig doorgrond worden. En daarbij is de EU ook een gecompliceerd en lastig onderwerp. Jan Tromp heeft namens De Volkskrant maandenlang in Brussel rondgelopen in een poging het Europese bedrijf te te leren kennen. En regelmatig moest hij verzuchten dat hij het ook niet allemaal begreep. Ook ingewijden (ministers, lobbyisten, leden van het EP, ambtenaren van de Europese Commissie) hoor je van tijd tot tijd toegeven dat zij ook niet precies weten hoe alles werkt. Daarom is het belangrijk om in het EU-debat (en in en om het stemhokje) vooral de hoofdlijnen en de uitgangspunten in de gaten te houden en niet te focussen op technische details en juridische fijnslijperij.

 

  1. Geen Ja, geen Nee

Wie weinig zicht en greep heeft op wat er in Brussel gebeurt, kan zich laten verleiden door eenvoudige zwart-wit denkschema’s. En helaas krijgen we die volop aangereikt. Je kunt zelfs zeggen dat het Nederlandse EU-debat momenteel is geframed in termen van Ja of Nee. Dat is een  schaduwkant van de op zich verheugende toegenomen aandacht voor de EU. De kiem voor dit Ja-Nee denken in Nederland  is gelegd ten tijde van het referendum over het grondwettelijke verdrag van de EU in 2005. Dat referendum was een paardenmiddel waarbij een gecompliceerde verdragstekst tot een zwart-wit zaak werd gereduceerd.[2] De afgelopen jaren is het vooral de PVV van Geert Wilders die het Ja-Nee denken op scherp heeft gezet. Ere wie ere toekomt. Ook andere politieke partijen en de media nemen dit ogenschijnlijk heldere VOOR-TEGEN format over. Maar het is nogal onzinnig om het complexe, rijkgeschakeerde proces van Europese samenwerking te vatten in een simpel zwart-wit denkschema. Als we Ja tegen Europa zeggen, waar zeggen we dan Ja tegen? Hetzelfde geldt voor de kreet Minder Europa. Wat moet er dan minder? Ja-Nee of Meer-Minder is niet genoeg. Het mist nuance. Het mist invulling. De vijf perspectieven uit deze serie blogs geven aan dat het niet zo eenvoudig is en dat onze positie-bepaling meer afgewogen moet zijn.

 

  1. Paradoxen

Wie probeert om tot een genuanceerde afweging te komen, stuit soms op bizarre paradoxen, vreemde bed-partners en onlogische logica.  Een paar voorbeelden:

–          In Nederland zijn GroenLinks en VNO-NCW niet bepaald natuurlijke partners. Maar hun houding ten opzichte van de EU is even positief

–          Ook de SP en de SGP zijn geen natuurlijke bondgenoten, maar op hun verliezingsposters staat (zij het in verschillende volgorde) dezelfde kreet: Samenwerking JA, Superstaat NEE

–          Het komt regelmatig voor dat het stemgedrag van Tweede Kamer-leden haaks staat op het stemgedrag van hun partijgenoten in het Europees Parlement

–          Regeringspartij VVD en oppositiepartij D66 zitten in het Europees Parlement in dezelfde liberale fractie

–          De PVV wil niets van Europese samenwerking weten, maar gaat juist een verbond aan met andere rechts-populistische partijen in Europa om samen een vuist te kunnen maken

–          Bij de Europese verkiezingen stemmen de Nederlanders en de Britten op donderdag. De Ieren op vrijdag. In Malta, Litouwen en Slowakije gaat men zaterdag stemmen en in de rest van de EU op zondag. Om elkaar niet te beïnvloeden worden de nationale uitslagen pas vanaf zondagavond bekend gemaakt

–          Om de euro-crisis te lijf te gaan, worden meer bindende Europese afspraken gemaakt. Dat klinkt als iemand die zijn lening niet kan betalen en daarom nog meer geld gaat lenen; of als iemand die in een vlek wrijft en hem daarmee nog groter maakt

 

 

  1. Wat valt er te kiezen: de hoofdlijnen

Het zou goed zijn als het in de verkiezingsstrijd om fundamentele keuzes gaat. In de kern gaat het Europese project namelijk niet om de vraag of begrotingstekorten een procentje meer of minder mogen bedragen. En ook niet om krappere of royalere visquota. Zelfs het berekenen van eventuele kosten van de euro of baten van Europese samenwerking gaan voorbij aan de essentie. Het wezen van Europese samenwerking is de vraag hoe Europese staten en burgers zich tot elkaar willen verhouden. Die vraag heeft een geografische, historische, economische, culturele en politieke laag. Die vraag is niet met Ja of Nee te beantwoorden. Als we die vraag ontleden, komen we op drie sub-vragen uit:

–          Met wie willen we samenwerken (kwantitatief)

–          Op welke terreinen willen we samenwerken (kwalitatief)

–          Tot op welke hoogte willen we samenwerken (institutioneel)

Wie terugkijkt naar de afgelopen 10-15 jaar ziet dat de EU zich op deze drie thema’s fors heeft ontwikkeld: van 15 naar 28 lidstaten; een groeiend aantal beleidsterreinen met de Euro als centraal symbool; een toenemende overdracht van bevoegdheden van de lidstaten naar Brussel. De EU heeft in het nieuwe millennium dus niet op één thema ingezet (alleen uitbreiding, of alleen intensievere samenwerking), maar op alledrie. Dat heeft veel van alle betrokken partijen gevergd.  En zolang het goed ging, ging het goed. Maar juist door de euro-crisis is ook de schaduwzijde blootgelegd.  Die groeistuipen zijn niet aan de Europese burger voorbij gegaan. Hij ziet Poolse en Bulgaarse nummerborden in de straat, heeft euro’s in zijn portemonnee en ziet dat werkgelegenheid en pensioenen onder druk zijn komen te staan. Hij heeft kritische vragen en wil duidelijke antwoorden.

Wat mij betreft is het hoofdantwoord: de EU moet verstandig verder. Na de groeistuipen past een periode van consolidatie en versterking. Geen grote nieuwe stappen, geen controversiële avonturen. De EU en de Europese burger moeten op adem komen, orde op zaken stellen. Niet door stil te zitten, of achteruit te lopen, maar (nogmaals) door prudent verder te gaan. Die lijn geeft ook richting aan de beantwoording van de drie sub-vragen:

Met wie

De eerste sub-vraag gaat over verdere uitbreiding van het aantal lidstaten. De EU zal geen moeite hebben om in de toekomst relatief kleine lidstaten (Servië, IJsland) toe te laten, hoewel elke uitbreiding leidt tot nieuwe deelnemers aan de onderhandelingstafels, andere machtverhoudingen en bijgestelde spelregels. De echte dilemma’s worden gevormd door grensgevallen als Turkije en Oekraïne. Los van de vraag of deze landen zelf zouden willen toetreden, is het momenteel niet verstandig om als EU toetreding van deze landen na te streven. Met de vijf perspectieven van deze serie blogs als criteria is het duidelijk dat er op meerdere vlakken grote verschillen en spanningen zijn. Niet doen dus.

 Welke terreinen

De EU heeft zich bewezen op het gebied van de interne markt en het onderlinge vrije verkeer. Er zijn weinigen die de vergaande samenwerking op dit gebied zouden willen beëindigen. Dit geldt ook voor samenwerking op uiteenlopende gebieden als milieu, energie, consumentenzaken, telecom. Allemaal zaken die grensoverschrijdend zijn en effectiever door samenwerking met buurlanden aangepakt kunnen worden. De EU zou zelfs punten kunnen scoren door successen op dit terrein beter uit te venten (geen gedoe bij de grens, lagere telefoontarieven). Aan de andere kant zou Brussel moeten inzien dat zoiets praktisch als het invoeren van tol op snelwegen door individuele lidstaten juist tegen de geest van de EU en de logica van de Europese automobilist indruist. Ook is de hoge werkloosheid in de EU een groot punt van zorg. De interne markt zou ook een bijdrage moeten leveren aan de werkgelegenheid. Waar dat niet lukt, neemt de verworvenheid van economische samenwerking af.

Tot op welke hoogte

De EU is geen land en de lidstaten moeten niet streven naar de vorming van een Verenigde Staten van Europa. Daar leent Europa zich niet voor en dat is ook niet nodig. Sterker nog, dat levert veel weerstand op.  De EU heeft bewezen dat lidstaten effectief kunnen samenwerken, waarbij het soms handig is om een deel van de nationale bevoegdheden over te hevelen naar Brussel. De stelregel is simpel: daar waar de samenwerking daadwerkelijk een meerwaarde heeft, kunnen nationale regeringen en parlementen besluiten ook meer macht over te dragen. Daar waar Europese samenwerking niet voor de hand ligt of niet noodzakelijk geïntegreerd hoeft te geschieden, houden de lidstaten de bevoegdheden meer in eigen hand.

 

Kortom

Waar de EU zich bewijst en waar de EU relevant is, kan het een stapje steviger of verder. Waar de EU zich niet bewijst of geen toegevoegde waarde heeft, moet Europese samenwerking worden heroverwogen of teruggedraaid. Politieke partijen zouden zich vooral daarover moeten uitspreken. Daarbij moeten ze de feiten laten spreken en de stereotypen en de zwart-wit schema’s achter zich laten. We zijn ons in Nederland gaan realiseren dat de EU van invloed is, maar we moeten ook beseffen dat wij (als land, als provincie, als burgers) daarin een rol spelen. We zijn daar zelf bij, en we kunnen daar ook zelf (een beetje) over meepraten en meebeslissen. Op 22 mei, maar ook als er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn, of zelfs voor de Provinciale Staten.

 

[1] Impressions of European Integration (Vrije Universiteit, 2012)

[2] Later zal ik nog een apart blog schrijven over het fenomeen referendum in de Europese context, met als titel: ‘De EU leent zich niet voor referenda’.

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 5: Politiek

“Het EP is een klein duimpje dat langzaam aan kracht wint, maar geen stevige vuist kan vormen om op tafel te slaan. Maar eigenlijk kan dat ook niet, omdat er in Straatsburg geen tafel staat om op te slaan”

 

   >>>> over burgers en Brussel >>>>

 

Op bushokjes hangen posters die me oproepen om te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Verschillende posters laten me uiteenlopende Europeanen zien: een student, een designer, een landbouwer. De leus: “Op 22 mei kiest Ricardo (of Trish, of Jens) wie Europa leidt, en u?” Om meerdere redenen deugt deze poster niet. De eerste –flauwe- reden is dat de meeste Europeanen niet op donderdag 22 mei, maar pas op zondag 25 mei gaan stemmen. Nederland houdt niet van verkiezingen op zondag, dus wijken wij af. Dat betekent dat we ook pas op zondagavond 25 mei de uitslag van ons land kunnen verwachten. De tweede reden is dat wij niet stemmen voor Europa, maar voor het Europees Parlement als onderdeel van de EU. Europa is meer dan de EU. Zie mijn eerdere blog in deze serie over Geografie (buren en grenzen). Mijn belangrijkste klacht is dat wij, de Henken en Ingrids van Europa, niet kiezen wie Europa (of de EU) leidt, maar dat wij de volkvertegenwoordigers kiezen die vanuit Brussel en Straatsburg een beetje mogen meepraten en bijbuigen. De leiders, dat zijn toch vooral de ministers en de regeringsleiders, kunnen we veel effectiever aanspreken en ter verantwoording roepen via de nationale parlementen, dan via het Europees Parlement. En daarmee hebben we meteen de kern van dit vijfde perspectief te pakken: hoe zit het met het democratische gehalte van de EU en wat is nu precies de verhouding tussen burgers en Brussel?

IMG_0693

We weten het niet zo goed…

Laten we bij het begin beginnen. Als er verkiezingen zijn, sta je voor twee keuzes: ga ik stemmen en zo ja, op wie/op welke partij ga ik dan stemmen? Dat geldt ook voor de verkiezing voor het Europees Parlement op 22/25 mei a.s. Voor veel mensen zijn deze twee keuzes als het om Europa gaat des te moeilijker te maken: de EU is een soort ver-van-mijn-bed-show en weinigen hebben een goed beeld van wat er in Brussel en Straatsburg (hier vergadert en stemt het EP een week per maand) gebeurt. En bovendien: we kennen de kandidaat Europarlementariërs nauwelijks van naam, laat staan dat we weten wat ze in Europa willen bereiken. Niet erg aantrekkelijk en uitdagend om daarvoor naar de stembus te gaan! Uit opiniepeilingen blijkt dat vooral partijen met een uitgesproken EU-profiel (sterk ’voor’ of ‘tegen’) het goed doen bij de respondenten.

 

Getallen en stemmen

In het nieuwe Europese Parlement (EP) is plaats voor 26 Nederlandse leden op een totaal van 750. Deze getallen laten zien dat de Nederlandse inbreng in het EP beperkt is. Het betekent ook dat alleen de grotere Nederlandse  partijen kans maken op meer dan 1 zetel. Ter vergelijking: in de Tweede Kamer zitten 150 volksvertegenwoordigers, dus in Den Haag is de kans dat ook kleine partijen een plekje krijgen veel groter.

Om toch invloed uit te kunnen oefenen zitten de Nederlandse europarlementariërs in politieke groepen of fracties. Zo maken de PvdA-ers deel uit van de PES (sociaal-democraten) en de CDA-ers van de Europese Volkspartij (christen-democraten en conservatieven). Daarnaast is er ook nog een groene fractie, een liberale etc. Deze ordening brengt op zich al bijzondere combinaties met zich mee. Zo zitten de CDA-ers samen met de Italiaanse opvolgers van Berlusconi in één groep, hokken D66 en de VVD in dezelfde liberale fractie en opereert de SP in een groep waarin ook communisten zijn vertegenwoordigd. Deze Europese blokvorming is de voornaamste reden waarom Geert Wilders nu aan het flirten is met Marine le Pen en Flip de Winter. Als losse nationale partij tel je niet mee in het EP. Alleen als Europese fractie heb je een vinger in de pap. Uit onderzoek (www.votewatch.eu) blijkt dat Europarlementariërs tijdens stemmingen vooral de fractie-lijn volgen. Nederlandse EP-leden vormen dus niet een gezamenlijk Nederlands blok, maar stemmen in Europa verdeeld, net als in Den Haag: ze volgen hun  politieke kleur.

 

Verkiezingen leiden niet to een nieuw bestuur

Een groot verschil tussen deze verkiezingen en die voor bijvoorbeeld de gemeenteraad, de provincie of de Tweede Kamer is dat in het geval van EU de verkiezing niet leidt tot een daaruit volgende samenstelling van een nieuw bestuur. Bij Nederlandse verkiezingen, op elk niveau,  kiezen we vertegenwoordigers die op lijsten van politieke partijen staan. Daarna gaan die partijen kijken welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen op basis waarvan een college van Burgemeester en Wethouders (gemeente), Gedeputeerde Staten (provincie) of Regering (nationaal) samengesteld kan worden. Hoe meer mensen bij Tweede Kamer verkiezingen op VVD stemmen, des te groter de kans dat deze partij ook in de regering komt. In Europa werkt dat niet zo. De EU heeft namelijk geen regering! Er zijn dus ook geen regeringspartijen of oppositie-partijen in het Europees Parlement. Hoe meer Nederlanders op 22 mei op het CDA stemmen, des te meer CDA-ers in het Europees Parlement komen en dat is weer een zetje in de rug van de Europese Volkspartij, maar daarmee houdt het op. De Europese instelling die een beetje in de buurt komt van een regering/bestuur is de Europese Commissie. Iedere lidstaat levert één commissaris die zich met één beleidsterrein bezig houdt. Voor Nederland zit Neelie Kroes (nog even) in de Commissie op de post Digitale Agenda. De keuze voor mevrouw Kroes stond destijds geheel los van de uitslag van de EP-verkiezing, maar had meer te maken met het verdelen van interessante banen tussen de grote politieke partijen in Nederland. Nieuw in 2014 is de afspraak dat de grootste fractie binnen het EP na de verkiezingen de kandidaat-voorzitter voor de Eurpese Commissie mag voordragen. We hebben de afgelopen weken daarom (vooral in buitenalndse media) een nieuw fenomeen gezien: een debat tussen de Spitzenkandidaten van de grootste fracties.[1]

 

Invloed en macht; samenspel Commissie-Parlement-Raad

Hoe groot is de invloed van het Europees Parlement? Deze vraag is niet simpel te beantwoorden. Vast staat dat het EP door de jaren heen steeds meer invloed heeft gekregen. De leden van het EP mogen over steeds meer Europese onderwerpen meepraten en meebeslissen. Die rechten zijn vastgelegd in diverse verdragen die door lidstaten van de EU zijn gesloten (zoals het Verdrag van Amsterdam). In het in 2009 opgestelde EU-Hervormingsverdrag (Lissabon) zijn deze rechten weer verder vergroot. Het EP mag over een groot aantal zaken advies uitbrengen en over steeds meer zaken ook meebeslissen. Ook die meebeslis-onderwerpen zijn vastgelegd. Globaal genomen zijn dit alle onderwerpen waarvan de lidstaten hebben bepaald dat een gezamenlijk beleid wenselijk is en de invloed van de lidstaten beperkt kan worden: milieu, markt, consumentenzaken, landbouw, voedselveiligheid, transport, etc. Meer nationaal-gevoelige zaken als belasting, onderwijs, buitenlands beleid, cultuur, politie/justitie blijven vooral buiten de invloedssfeer van het Europees Parlement. In dit opzicht heeft het EP duidelijk minder macht dan de nationale parlementen in de lidstaten.

In tegenstelling tot de Tweede Kamer (en andere parlementen) mag het Europees Parlement niet zelf met wetsvoorstellen komen. De wetsvoorstellen zijn afkomstig van de Europese Commissie. Vervolgens mag het EP (afhankelijk van het onderwerp) een advies uitbrengen of een besluit nemen en uiteindelijk wordt het voorstel besproken in de Raad van Ministers die een uiteindelijk besluit neemt. Die Raad van Ministers wisselt steeds van samenstelling, afhankelijk van het onderwerp. Als het om een milieu-voorstel gaat zijn het de 28 ministers van Milieuzaken van alle lidstaten. Gaat het om transport, dan komen alle 28 ministers van Verkeer bijeen (dus per lidstaat één minister). Zo moet Melanie Schultz van Haegen, de Nederlandse minster van Infrastructuur, een paar keer per jaar met haar Europese collega’s stemmen over Europese verkeersvoorstellen. Over die voorstellen heeft dus het Europees Parlement mee mogen praten en beslissen. Maar natuurlijk kan ook de Tweede Kamer Schultz van Haegen  nog eens flink aan de tand voelen over wat zij allemaal bekokstooft met haar  collega’s in Brussel. De praktijk laat zien dat leden van de Tweede Kamer die kans vaak hebben laten lopen, of pas wakker worden, als de handtekeningen in Brussel zijn gezet. Tegenwoordig is de Tweede Kamer wat meer alert. Mede dankzij de gele kaart procedure uit het Verdrag van Lissabon. Als nationale parlementen vinden dat Europese voorstellen beter op nationaal niveau opgepakt en ingevuld kunnen worden kunnen zij de Europese Commissie een halt toeroepen.[2]

Dan is er tenslotte nog nog een speciale club die behoorlijk wat invloed heeft in de EU: dat is de vergadering van regeringsleiders en staatshoofden (de ‘Europese Top’). Gemiddeld vier keer per jaar komen Rutte, Hollande, Merkel en alle andere politieke leiders van de lidstaten bijeen om over grote zaken te spreken: hoe gaan we de euro-crisis te lijf, hoe staan we tegenover het conflict Oekraïne-Rusland, mag Turkije lid van de EU worden, etc. Tijdens dergelijke Top-bijeenkomsten worden vaak vergaande besluiten genomen. En het Europees Parlement heeft daar geen greep op. Dat gebeurt gewoon naast de standaard-procedures van Brussel en Straatsburg. Ook op dit punt heeft de Tweede Kamer eigenlijk meer invloed, omdat Rutte wel in Den Haag ter verantwoording geroepen kan worden, maar niet in Brussel of Straatsburg.

 

Waar gaan de verkiezingen van 22 mei over?

Strikt genomen (en zuinig gezegd) gaat het bij de EP-verkiezingen dus om de verdeling van 26 Nederlandse zetels waardoor het Europese Parlement een tikje socialer, christelijker, liberaler of nationaal-georiënteerder kan worden. Daardoor worden de wetsvoorstellen van de nieuwe Europese Commissie met een iets meer sociale, christelijke, liberale of nationaal-georiënteerde blik bekeken en beoordeeld. Dat is dus niet heel wereldschokkend, maar aan de andere kant kun je zeggen dat het goed is dat de toenemende invloed van de EU ook in toenemende mate door een democratisch orgaan als het EP wordt gecontroleerd en ingekleurd. Anders zouden de Europese Commissie en de Raden van Ministers zonder Europese, democratische toets hun werk doen. Nergens ter wereld opereert een soortgelijk parlement dat over  landsgrenzen heen bepaalde rechten en machtsmiddelen heeft.

In bredere zin gaat het op 22 mei om wat wij eigenlijk met de Europese Unie willen. De kiezers kunnen een signaal afgeven over hoe zij de EU het liefst ingericht willen zien. Er bestaan daarbij grofweg twee opties:

Visie één: de EU is hard nodig om gezamenlijk internationale problemen aan te pakken. Milieu, de opkomst van China en India, migratie, energie: het vinden van juiste antwoorden daarop werkt alleen als lidstaten goed samenwerken en een deel van hun speelruimte opgeven aan de EU en daarmee ook het EP meer bevoegdheden geven. Kortom: nauwe samenwerking op een groot aantal terreinen.

De andere visie is: de EU is in de kern een goed idee, maar het schiet te ver door: er is teveel samenwerking, teveel overdracht van nationale invloed. De EU moet een pas op de plaats maken. Laat lidstaten zoveel mogelijk zelf regelen; alleen waar het echt nodig is, werken Europese staten samen.

 

Klein duimpje met groeistuipen

De Europese Unie had geen Europees Parlement hoeven hebben. Men had de controle van de wetgeving geheel kunnen overlaten aan de nationale parlementen. Het zijn immers de nationale ministers en regeringsleiders die uiteindelijk de beslissingen nemen. Je zou het Europees Parlement kunnen zien als een aanvullend orgaan. Dichter bij het vuur en op een centrale locatie. Een ideale constructie? Zeker niet. Het EP kent vele onvolmaaktheden: beperkte invloed, geen bevoegdheid om de commissarissen naar huis te sturen, geen zeggenschap over alle beleidsterreinen. Om nog maar te zwijgen over de 24 talen en het verhuiscircus tussen Brussel en Straatsburg. Het EP is een klein duimpje dat langzaam aan kracht wint, maar geen stevige vuist kan vormen om op tafel te slaan. Maar eigenlijk kan dat ook niet, omdat er in Straatsburg geen tafel staat om op te slaan. Die tafels staan in de nationale regeringscentra. Klein duimpje heeft dus de vingers van nationale parlementen nodig om samen een vuist te maken. Als er al een democratisch tekort is in de EU, dan is dat voor een belangrijk deel te wijten aan het gebrek aan samenspel tussen nationale parlementen en het Europees Parlement. De tendens van de afgelopen jaren is dat dit samenspel beter op gang komt en serieuzer wordt ingevuld. Daar heeft de burger baat bij. Zo heeft zijn stem voor het Europees Parlement ook een nationaal aspect en kent zijn stem voor het nationale parlement ook een Europese dimensie.

 

[1]Zie o.a. http://www.tagesschau.de/europawahl/koepfe/ebu-tv-debatte100.html

 

[2]Hangt samen met het zgn.subsidiariteitsbeginsel.