Categoriearchief: Europa

Het Oekraïne-referendum deugt niet

 

“Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn”

 

 

Wij mogen in Nederland op 6 april a.s. Ja of Nee zeggen tegen het associatieverdrag van de EU met Oekraïne. Dat lijkt aantrekkelijk. Een referendum maakt de tongen los en vraagt om een simpel Ja of Nee. Een tovermiddel om media, politiek en publiek op te zwepen; een soort The Voice of Holland. Een referendum is democratisch bovendien: de burger mag zich direct uitspreken en de meeste stemmen gelden. Maar is het wel zo’n ideaal middel? En past het wel in de internationale context van de EU? Laten we een paar zaken op een rij zetten.

Een referendum is een referendum zou je denken, maar bij nadere bestudering vallen toch ook verschillen op.

De recente Zwitserse referenda (over het uitzetten van allochtone criminelen en over de bouw van een tweede Gotthardtunnel) zijn besluitvormend en hebben niet direct betrekking op andere landen. Natuurlijk zullen bij het uitzetten van criminelen andere landen betrokken zijn en leidt ook de nieuwe Gotthardtunnel tot een betere verbinding met Italië, maar verder blijft het een Zwitsers onderonsje. Er worden voors en tegens gewogen en het volk mag de knoop doorhakken. En die keuze wordt uitgevoerd.

Het referendum-initiatief van de Britse premier David Cameron is van een andere orde. Hij heeft met zijn collega-regeringsleiders in Brussel onderhandeld over nieuwe voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk lid kan blijven van de EU en hij legt de uitkomst van deze afspraak binnenkort voor aan het Britse volk. Een eventuele Brexit heeft natuurlijk gevolgen voor alle overige EU-lidstaten, maar al deze landen kunnen alleen maar toekijken wat de Britse kiezer op 23 juni a.s. gaat beslissen. Dat is een minpunt.  Maar daar staat tegenover dat het natuurlijk niet vreemd of ongepast is als de inwoners van een land zich een keer duidelijk mogen uitspreken over de wenselijkheid van een lidmaatschap van een internationale organisatie.

Weer anders is het Oekraïne-referendum in Nederland. Deze volksraadpleging stelt een besluit ter discussie dat al eerder in EU-verband door alle EU-lidstaten in gezamenlijkheid is genomen. Het referendum wordt hier gehanteerd als een soort noodrem om een genomen besluit mogelijk terug te draaien.

IMG_1554

Flyerende Oekraïense student in de trein

De genoemde voorbeelden laten zien dat er referenda zijn in soorten en maten: over nationale en over internationale kwesties; en referenda voorafgaand aan besluitvorming of achteraf (correctief). Het is het karakter van het referendum dat bepaalt of de inzet van dit politieke instrument meer of minder zinvol is. Hoe meer nationaal (dus zonder afhankelijk te zijn van internationale afspraken) hoe zuiverder. En liever vooraf en bindend (dan doet je stem er echt toe), dan achteraf en raadgevend (dan weet je niet wat er met je stem gaat gebeuren).

      Tabel: vier typen referenda

Nationaal thema

Internationaal thema

Vooraf/bindend

A

B
Achteraf/raadgevend C

D

 

Zo bezien behoort het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne tot de meest ongelukkige categorie. Het is een volksraadpleging achteraf waarbij internationale partners betrokken zijn. De deal is al gesloten, alle regeringen en parlementen binnen de EU hebben al Ja gezegd. Maar toch gaat Nederland, als enige EU-lidstaat, zich hierover uitspreken via een referendum. Dat lijkt op nationaal niveau democratisch, maar het pakt op Europees niveau juist ondemocratisch uit, omdat het de reguliere besluitvorming in 28 landen onderuit kan halen. De initiatiefnemers van dit referendum willen dus eigenlijk onder een al gemaakte afspraak uit zien te komen. Dit is niet netjes ten opzichte van onze 27 EU-partners en niet netjes ten opzichte van Oekraïne.

Oekraine

En dan is er nog het associatieverdrag zelf. Een dik pakket afspraken, waarvan belangrijke onderdelen (met name de handelsbepalingen) onder de bevoegdheid vallen die lidstaten aan de EU hebben overgeheveld en dus niet ter discussie gesteld kunnen worden. Maar los daarvan is niet duidelijk waarom mensen Ja of Nee zullen zeggen. Stemmen mensen Nee omdat ze het met een enkele  passage niet eens zijn? Of wordt het Nee als men vindt dat we in principe niet met Oekraïne verdragen moeten sluiten? Of zeggen mensen Ja omdat ze Poetin niet vertrouwen? Wie het weet, mag het zeggen. Ten slotte is er de hamvraag wat er met de uitslag gaat gebeuren. Voor een geldige uitslag moet er een opkomst zijn van minstens 30%.Wat nu als de opkomst 29% is, maar de uitslag is overduidelijk NEE; en wat als de opkomst 31% is en JA en NEE houden elkaar in balans? Wederom: wie het weet, mag het zeggen. Op de website van de Rijksoverheid staat de volgende passage: “Stemt een geldige meerderheid tegen het akkoord? Dan zal het kabinet beslissen of het de uitslag gaat overnemen. De inhoud van het maatschappelijk debat over het akkoord zal daarbij een belangrijke rol spelen.”[1] Hoe wil men dat wegen? Onduidelijkheid troef!  Als je niet duidelijk en zuiver kunt bepalen waar men Ja/Nee tegen zegt, is de uitslag van het referendum bij voorbaat weinigzeggend. En als bovendien niet duidelijk is wat er met de uitslag gaat gebeuren, ben je nog verder van huis. Dat alles zien we bij uitstek bij het referendum in Nederland over het associatieverdrag met Oekraïne. Een hoogst ongelukkige en ondeugdelijke volksraadpleging waarmee niemand iets opschiet, ongeacht de uitslag. Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn.

 

Wat dan wel?

Je mag toch hopen dat er over een maand niet weer zo’n initiatief ontstaat. Een referendum over TTIP, over Schengen, over Poolse loodgieters, over CO2-uitstoot. Als we ons druk maken over deze zaken (en dat is prima!), moeten we dat niet pas na afloop doen als er al afspraken zijn gemaakt. Dan moeten we alert zijn tijdens het proces van onderhandeling en besluitvorming. Maar haast niemand neemt daar de tijd en de moeite voor. Media, publiek en veel politici laten het massaal afweten. Er wordt bezuinigd op Brusselse redacties, Tweede Kamerleden hobbelen achter de feiten aan en de gemiddelde Nederlander heeft geen idee wat er speelt.

Daar zit de kern van het probleem. We moeten wat mij betreft geen paardenmiddel of breekijzer zoals het correctief referendum gebruiken, maar initiatieven nemen voor een veelzijdig debat over Europese samenwerking. Pas door de euro-crisis en het vluchtelingenvraagstuk lijken we te hebben ontdekt dat de EU heel belangrijk is. Dat grote belang moet zich vertalen naar royale media-aandacht, hoge maatschappelijke betrokkenheid en uitgesproken politieke stellingnames. Dat klinkt hoogdravend en veelgevraagd, maar het is nodig om een volwassen openbaar debat over de agenda van de Europese Unie en over de plus- en minpunten van Europese samenwerking te kunnen voeren. We zullen in Nederland en in Europa moeten bepalen onder welke condities en in welke mate we het proces van Europese samenwerking willen vormgeven. Simpele Ja/Nee-vragen doen geen recht aan de veelzijdigheid en veelkleurigheid van die discussie. Sterker nog, het zou zonde zijn om dat broodnodige debat te smoren met een bot instrument als het correctief referendum.

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/associatieakkoord-oekraine/inhoud/oekraine-referendum

 

Geven en Nemen of Delen

 

Marjoleine de Vis schreef in de NRC van 16 januari j.l. een bijzondere reactie op de massale aanrandingen in Keulen.[1] Aan de hand van het trefwoord ‘intimiteit’ plaatst zij de gewelddadige gebeurtenissen in Keulen in een man-vrouw context zonder daarbij naar andere culturen of religies te kijken. Niet om te relativeren of te bagatelliseren. Integendeel, de Vos is duidelijk: “een vreemde man die een vrouw in haar billen knijpt, verricht een daad van agressie. Altijd.” In de beschouwing van de Vos vormen ons eigen denken en onze eigen woorden het uitgangspunt. De Vos geeft diverse voorbeelden van hoe we zijn opgevoed en grootgebracht met verhalen over vrouwen die zijn vernederd en beschadigd. Ze noemt daarbij ook de mythologische wordingsgeschiedenis van Europa zelf. Europa was een koningsdochter uit het Midden-Oosten (waarvandaan nu de vluchtelingen komen). Zij werd geschaakt door de Griekse oppergod Zeus (vermomd als een witte stier) die haar ontvoerdde naar Kreta en verkrachtte. In Engelstalige bronnen wordt deze gebeurtenis aangeduid als ‘the rape of Europe’, waarbij het woord rape (verkrachting) verwant is aan ons woord roof.[2] Opmerkelijk genoeg is de bron van onze Europese beschaving dus een verkrachtingsverhaal. Een verhaal dat door talloze kunstenaars is verbeeld.

Rubens_-_El_rapto_de_Europa

Rubens: de roof van Europa

Hilversum Sportpark

Hilversum, Sportpark

Europa and the Bull circa 1845 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851

Turner: Europa and the Bull

Door de eeuwen heen hebben dergelijke verhalen (denk ook aan de klassieke verhaal van de Sabijnse maagdenroof) ons denken voor een belangrijk deel bepaald. De Vos illustreert dit met de woorden ‘geven’ en ‘nemen’: “of we het nu leuk vinden of niet: een vrouw geeft (zich), een man neemt (haar). Daar zit een merkwaardige ongelijkheid in. Geeft een man zich niet? In de intimiteit wel, maar daarbuiten kennelijk niet, wat hij ook doet. Maar een vrouw wordt altijd genomen, met of zonder toestemming. Zij heeft niet dezelfde mogelijkheid om haar intimiteit af te schermen….. Intimiteit is een groot goed. En dan bedoel ik misschien nog wel het meest het recht, en de behoefte, om dingen voor jezelf te houden, of alleen te delen met wie je daarvoor hebt uitgekozen.”[3] De Vos schetst hoe in onze cultuuroverdracht de man als actieve partij (hij neemt) wordt gezien en de vrouw als passieve partij (zij wordt genomen).

Deze beschouwing van de Vos (en haar duiding van de woorden geven en nemen) deden mij denken aan de colleges Inleiding Communicatie die ik ieder jaar verzorg voor eerstejaars studenten. Ik leg daarbij de termen ‘zender’ en ‘ontvanger’ uit. In klassieke zin is de zender actief en de ontvanger passief. Met de komst van internet en sociale media het steeds moeilijker wordt om die twee termen te scheiden. Dankzij internet is iedereen zender en ontvanger tegelijk. Effectieve communicatie draait tegenwoordig minder om eenzijdige, zender-gedreven communicatie, maar des te meer om delen: dialoog, conversatie en co-creatie. Mijn luchtige slotbetoog daarbij is dat je goede communicatie in dat opzicht met goede seks kunt vergelijken: de liefde moet van twee kanten komen. Ik leg daarbij uit dat de woorden communicatie en gemeenschap niet voor niets eenzelfde betekenis in zich dragen. Daarbij zijn er in de communicatie ook ‘ongewenste intimiteiten’ zoals de stapels drukwerk in de brievenbus. Reclame wordt vaak gezien als verleidingskunst en sommige lobby-activiteiten lijken sterk op stalking. En het draaien of framen van woordvoerders is soms te vergelijken met ontrouw en valse beloftes in een relatie. Natuurlijk leveren deze vergelijkingen gegrinnik op in de collegebanken. En ik heb gemerkt dat de parallellen blijven hangen. Het wordt in latere jaren nog wel eens door een ouderejaars student gememoreerd.

Terug naar het serieuze relaas van Marjoleine de Vos. Nogmaals een citaat: “Een moeilijk punt is dat vrouwen nu eenmaal zwakker zijn dan mannen. Begeerde vrouwen met geweld nemen, is dus iets dat altijd is gebeurd en zal gebeuren.” Als je verder nadenkt over dit thema, met ‘Keulen’ in het achterhoofd, zou je kunnen betogen dat we des te gemotiveerder moeten zijn om te streven naar meer gelijkwaardige relaties en naar het onvoorwaardelijk bestraffen van inbreuken op onze intimiteit, zowel op privé-vlak als in de publieke ruimte (op straat, bij het station, in een café, op kantoor). Ons denken over mannen en vrouwen zou uit moeten gaan van gelijkwaardigheid, respect en delen. Anders gezegd: niet geven of nemen, maar delen.

Als we ons niet willen laten regeren door geweld en de macht van de sterkste, is open en eerlijke communicatie een lonkend alternatief. Jürgen Habermas lanceerde in dit verband in de jaren ’80 de term  herrschaftsfreie Kommunikation.[4] Van recentere datum is de term Geweldloze communicatie (Marshal Rosenberg). Goede communicatie is gebaat bij gelijkwaardigheid tussen de betrokken partijen en het beperken van communicatieve uitwassen. Anders gezegd: niet zenden of ontvangen, maar delen.

Hierbij doet zich het opmerkelijke feit voor dat communicatie, in tegenstelling tot veel andere gebieden, een maatschappelijk terrein is waarop mannen en vrouwen in principe gelijkwaardig zijn. Sterker nog, vaak zijn vrouwen beduidend beter in het beheersen van de vele facetten van communicatie dan mannen. Geen wonder dat er zoveel succesvolle vrouwen in dit vakgebied rondlopen en dat er zoveel meiden voor een communicatie-opleiding kiezen. Een bijzonder, hoopvol gegeven in een tijd waarin zoveel debat is over de bedreiging van de bewegingsvrijheid van vrouwen.

 

[1] http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/16/de-vrouw-geeft-zich-de-man-neemt-haar-1576541

[2] Ik schreef hierover in een eerder blog: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326

[3] Ik onderstreep het woord delen, omdat ik dit later opnieuw zal gebruiken.

[4] Interessant genoeg betekent Herrschaft heerschappij; een heerschap is eerder een heer dan een dame.

Suiker, een bitterzoet verhaal

 

 

 

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Mijn eerste reis naar Cuba kent een overstap in Madrid. De vluchtduur vanaf Spanje is ruim 10,5 uur. Het inflight magazine van de airline biedt me een half uurtje verstrooiing. Eén artikel is gewijd aan de tien statussymbolen van rijke Europeanen in de 17e en 18e eeuw. Tot mijn verbazing lees ik dat ‘zwarte tanden’ tot de top 10 behoren. Suiker was een luxe artikel in die tijd en men nam de schadelijke effecten van het zoete goedje op je gebit voor lief. Sterker nog, men pronkte graag met z’n aangetaste tanden om te laten zien dat men welgesteld was. De suiker in die tijd kwam hoofdzakelijk van koloniale rietsuikerplantages.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Christoffel Columbus zet in 1492 in naam van de Spaanse koning als eerste westerling voet op Cubaanse bodem. Tientallen jaren later is de complete inheemse bevolking weggevaagd: uitgemoord door de Spanjaarden of bezweken aan Europese ziektes. Onder de Spaanse veroveraars van Midden en Zuid-Amerika groeit Havana (is die naam verwant aan het Nederlandse woord ‘haven’?) uit tot een belangrijke overslaghaven. Goederen uit Europa worden daar aangevoerd om vervolgens verder verspreid te worden over de koloniale territoria. Andersom worden de opbrengsten uit de Amerikaanse koloniën naar Havana verscheept om van daaruit naar Spanje te worden gebracht.

DSC04767

Haven van Havana, 2015

 

 

 

 

 

 

Al snel komt daar een derde stroom bij: slaven uit Afrika; nodig voor het zware werk in de mijnbouw en op de plantages. Zo ontstaat de zogenaamde intercontinentale driehoekshandel Europa-Afrika-Amerika, waarbij de elkaar fel beconcurrerende koloniale mogendheden uit Europa torenhoge winsten opstrijken en Afrikaanse slaven een zware prijs betalen. Zij worden als vee verhandeld en verscheept om vervolgens onder mensonwaardige omstandigheden ver van huis afgebeuld te worden. De Nederlanders spelen in die jaren een grote rol in de slavenhandel. Een detail in die geschiedenis is de verovering door Piet Hein van een Spaanse zilvervloot in 1528 voor de Cubaanse kust. Deze roof was zeer profijtelijk voor Piet Hein en de Republiek (de opbrengst kwam deels ten goede aan de vaderlandse opstand tegen Spanje). Dankzij het bekende Zilvervloot-lied van Viotta en Heije heeft de zeerover Piet Hein in Nederland heldenstatus gekregen. Nog steeds wordt dit lied aangeheven tijdens sportwedstrijden of op Koninginnedag/Koningsdag. En wie heeft er niet als kind een Zilvervloot-rekening gehad? De Spanjaarden lagen niet lang wakker van dit eenmalige verlies en de Nederlanders hadden, buiten de slavenhandel, nauwelijks een vinger in de Latijns-Amerikaanse pap.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Bij de Zuid-Cubaanse staf Trinidad krijgen we een rondleiding op een voormalige suikerplantage in de Valle de los Ingenios. Onze gids is een Nederlander die al langere tijd in Cuba woont (“dankzij amor ”, zoals hij zelf zegt). Hij brengt ons naar deze plek omdat hij deze interessanter vindt dan de meer toeristische, gerestaureerde plantage-landhuizen in de vallei. In de 17e en 18e eeuw werd de rietsuikerbouw zo lucratief dat vele hectares bos werden gekapt om plaats te maken voor rietsuikervelden. Duizenden slaven, voornamelijk uit West-Afrika, werden naar Cuba verscheept om het zware werk te doen. Op deze locatie zijn zowel de restanten van het landhuis te zien als van de suikermolen (inclusief stookovens en irrigatiekanalen) en de slavenverblijven. Alleen de fundamenten en de omtrekken van deze krappe behuizingen zijn nog te zien. De slaven woonden opeengepakt in kleine stal-achtige hutjes. We staan er met onze neus bovenop. Je kunt je hier een begin van een voorstelling maken van het ellendige leven van slaven op een toenmalige plantage. Ondanks de andere setting doet het me denken aan de concentratiekampen die ik in Europa heb gezien, maar dan op kleinere schaal.

DSC05157

Slaven-verblijven

DSC05176

Enkel-ketens

DSC05139

Wachttoren

 

Onze gids geeft aan dat de Cubaanse overheid weinig belangstelling (en middelen) voor dit aspect van de Cubaanse geschiedenis heeft en dat de lokale bevolking nauwelijks op de hoogte is. Geschiedenis in Cuba is verdeeld in twee tijdvakken: voor en na de revolutie van 1959. Alle vormen van kolonialisme en onderdrukking uit het verleden worden op één hoop gegooid en bestempeld als ‘imperialisme’. En alle vormen van verzet en opstand vallen onder de noemer ‘revolutie’. Allemaal vanuit het ongenuanceerde perspectief van de Castro-clan.  Door de groei van het toerisme en dankzij steun van UNESCO ontstaat er langzamerhand meer aandacht voor deze fase van de geschiedenis en meer besef voor wat er zich hier heeft afgespeeld.

 

Amsterdam-Batavia-Amsterdam

Tijdens mijn studie vormde ik met drie mede-studenten de zogenaamde Suikergroep. Wij bestudeerden het 19e eeuwse Cultuurstelsel in Nederlands-Indië en dan met name de suikerteelt op Java. Nederland was in de koloniale tijd zoals gezegd niet erg dominant in de West, maar des te meer in de Oost. Dankzij het Cultuurstelsel pikte ook Nederland een graantje van de wereldsuikerhandel mee. Het Cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd. Het was een verkapte vorm van slavernij. De lokale bevolking werd gedwongen om 20% van haar (vaak beste) landbouwgrond in te zetten voor het verbouwen van producten voor de Europese markt. Wie geen grond bezat moest 66 dagen per jaar werken voor Nederlands belang. Naast suiker ging het hierbij vooral om koffie. Het Cultuurstelsel werd de spreekwoordelijke kurk waar de Nederlandse economie op dreef in de 19e eeuw. Het volgens velen beste boek uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij van Multatuli, is één grote aanklacht tegen de uitbuiting van de inheemse bevolking door het Cultuurstelsel. Niet voor niets is in onze tijd de naam Max Havelaar gekozen als keurmerk voor Fair Trade producten.

Max Havelaar

Rond 1870 werd het Cultuurstelsel beëindigd, maar nauwelijks ten gunste van de Indische bevolking. De suikerbouw (geregeld in de Suikerwet van 1870) kwam nu in de handen van particuliere Europese bedrijven. De baten gingen naar deze particulieren en de Nederlandse staat. De suiker werd verwerkt in Nederlandse raffinaderijen.

 

Havana-Madrid-Amsterdam

Op de terugweg krijgen we bij de overstap in Madrid voor het eerst in twee weken Nederlandse kranten onder ogen. Twee berichten vallen me op.

In de eerste plaats een nieuwsbericht over de weerstand die er onder winkeliers in Halfweg bestaat tegen de komst van een Factory Outlet in SugarCity op het terrein van de voormalige CSM suikerfabriek. Halfweg en suiker gaan hand in hand. De eerste suikerfabriek in Halfweg opende in 1863 (ten tijde van het Cultuurstelsel) zijn deuren. Op een strategische locatie: dichtbij de Amsterdamse haven en naast de oudste spoorlijn in Nederland: Haarlem-Amsterdam.

Het tweede bericht gaat over bekende Nederlanders die in 2015 zijn overleden. Drs P (in Zwitserland geboren!) is één van hen. Dankzij al de suikerverhalen in mijn hoofd moet ik onwillekeurig denken aan zijn lied De meisjes van de Suikerwerkfabriek uit 1958.  Het is bekend geworden door vertolkingen van Gerard Cox (1966) en van Adèle Bloemendaal (1970).

adele_bloemendaal-de_meisjes_van_de_suikerwerkfabriek_s

 

Een dubbelzinnige tekst:

Zo wordt dikwijls ons verteld
Maar ik wil u demonstreren
Dat het anders is gesteld
Dagelijks ziet men wachten
Bij een groot fabrieksterrein
Die het snoepen niet verachten
Doch er dol op zijn
Want slaat de klok vijf uur
Dan roepen zij vol vuur

refr.:
Daar zijn de meisjes, ja de meisjes van de suikerwerkfabriek
In dat suikerwerk heeft elke heer wel zin
Dus staan wij altijd bij de uitgang van de suikerfabriek
Want de snoepjes van Jamin
Die pak je uit en pik je in

De schrijfster Tessa de Loo leende de titel van dit lied voor een van haar verhalen in de gelijknamige bundel uit 1983. Het verhaal gaat over vier vrouwen die werken in een suikerwerkfabriek en die hun teleurstellende ervaringen met mannen met elkaar delen. Een perspectief dat haaks staat op dat van Drs. P.

Kennelijk is het werk in de suikerindustrie ook in de 20e eeuw nog steeds niet bepaald plezierig, al is er geen sprake meer van slavernij. Tessa de Loo omschrijft het als volgt: “Op de fabriek waren alle dagen eender. Zo snel als de band liep, zo traag verliep de tijd….Het was alsof we in een reusachtige smidse in het binnenste van de aarde werkten, koortsachtig de raderen smerend om haar draaiende te houden, onbewust van wat zich aan haar oppervlakte afspeelde”). Dit doet denken aan het bekende toneelstuk Suiker van Hugo Claus uit 1958. Ook hier wordt de entourage gevormd door het zware, eentonig werk op een suikerfabriek. Bij Claus gaat het om de lotgevallen van buitenlandse seizoensarbeiders in een Noordfranse suikerfabriek: “Ik ben log, een suikerwerker op twee poten, en met twee poten naar voren die bieten op karren laden en bieten in spoorwagens krabben met een riek. Ik stink naar de bieten, ik krijg die bietenlucht niet uit mijn kleren,niet uit mijn haar”).

Tessa de Loo                                              Suiker Hugo Claus

 

 

 

 

 

 

Zo blijkt suiker door de eeuwen heen een omstreden goed. Een verslavend slavenproduct. Zoet en bitter. Wit en zwart. Goed en slecht. Verleidelijk en afstotend.

 

Naschrift 21 september 2016:

Onlangs zag ik op televisie een reportage over Suriname waarin ook de schrijfster Cynthia McLeod een rol speelde. Haar debuut-roman uit 1987 heet ‘Hoe duur was de suiker’ en handelt over de koloniale suikerproductie in het 18e eeuwse Suriname.

Een prachtig spoor: de bolwerken van Amsterdam

Een week geleden, op 15 november j.l., overleed Rob van Reijn. Voor veel, met name jonge, mensen een volstrekt onbekende naam. Maar menig vijftigplussers zal meteen denken: de pantomimespeler. Rob van Reijn was namelijk vanaf de jaren ’60 een bekende verschijning op televisie en in het theater. Zoals Fred Kaps dè goochelaar van Nederland was en Sjoukje Dijkstra onze nationale heldin op kunstschaatsen, zo was Rob van Reijn de Nederlandse pantomimespeler par excellence. Het grote publiek zag hem regelmatig op televisie. De liefhebber kon hem bewonderen in het theater. In 1979 richtte hij zelfs zijn eigen theater in Amsterdam op. Zijn talent bracht hem ook naar het buitenland waar hij de nodige successen boekte. In 2000 vond zijn afscheidstournee plaats.

Rob_van_Reijn_(1989)

Nu moet ik bekennen dat ik niet zoveel met pantomime heb en ook nooit een fan van Rob van Reijn ben geweest. Maar het toeval wil dat ik ongeveer een half jaar geleden in een bibliotheek een boek van Rob van Reijn in handen had. Het boek, De Ommuurde Stad getiteld, handelt over de bolwerken van Amsterdam die in de 17e eeuw zijn aangelegd. Die titel trok mijn aandacht en toen ik de naam van de auteur zag staan dacht ik: ‘heee, die schrijver heeft dezelfde naam als de pantomimespeler!’ Maar al snel zag ik dat het om een en dezelfde persoon bleek te gaan.

De Ommuurde Stad

Amsterdam kende in de 17e eeuw een vijf meter hoge en acht kilometer lange stadswal die als verdedigingslinie om de grachtengordel was aangelegd. Waar het IJ aan de noordkant van het centrum een natuurlijke barrière vormde, moest de hoefijzer-vormige stadswal mogelijke bedreigingen uit de andere windstreken zien te weren en te keren. Deze linie werd omgeven door een zestig meter brede gracht. Verder kende de stadswal acht stadspoorten en 26 bolwerken. Een bolwerk  was een vijfpuntige uitbouw van de muur voorzien van zware kanonnen die (dankzij de vijfpuntige vorm van het bolwerk) in verschillende richtingen stonden opgesteld. Op bijna ieder bolwerk stond ook nog een molen.

Dit enorme geheel van muren, bolwerken en molens heeft tot in de 19e eeuw zijn functie behouden. De opeenvolgende uitbreidingen van de stad leidden ertoe dat de stadswal met zijn bolwerken en molens werd afgebroken. Bijzonder genoeg is het woord bolwerk in het Frans verbasterd tot boulevard: een bredere weg die werd aangelegd op de plek van voormalige vestingwallen (zoals in Parijs gebeurde in de 19e eeuw onder leiding van stadsarchitect Haussmann).

Rob van Reijn, naast pantomimespeler ook amateur-historicus, raakte geïnteresseerd in deze verdwenen verdedigingslinie en kwam op het idee om plaquettes te laten aanbrengen op de locaties van de voormalige bolwerken. Met medewerking van de gemeente Amsterdam en een groot aantal sponsors kon dit project worden gerealiseerd.  Bovendien schreef Rob van Reijn samen met Maarten Hell het genoemde boek over de geschiedenis van deze stadswal. Aan de hand van historische feiten, leuke weetjes en anekdotes komt het verdwenen monument weer tot leven.

18 Westerblokhuis

Het boek kan je ook gebruiken als een prachtige wandelgids die voert over de grens tussen het oude stadscentrum en de nieuwe wijken daarbuiten. Langs tal van bezienswaardigheden. Ook leuk om per fiets te doen.

Ik vind zoiets heel interessant. Ik hou er van om in steden dergelijke verwijzingen tegen te komen: sporen van het verleden. In een eerder blog schreef ik al over de Arago-route in Parijs.

Arago plaatje

Berlijnse MuurCamino schelp in Brussel

 

 

 

 

 

In andere steden kom je ook wel op straat markeringen tegen die te maken hebben met pelgrimsroutes of andere culturele dan wel historische verwijzingen. Denk aan Berlijn met de markering van waar de Muur stond. Het geeft je een besef van het bijzondere verleden van bepaalde locaties. Amsterdam heeft nu ook een bijzondere route: de route van de 26 bolwerken. Met dank aan Rob van Reijn. Hij heeft een prachtig spoor nagelaten.

P.S.

De Ommuurde Stad is inmiddels uitverkocht en niet meer verkrijgbaar. Het zou goed zijn als de uitgever met een nieuwe druk op de markt komt. De Bolwerken en Rob van Reijn verdienen dat.

 

 

Gebruikte bronnen:

https://www.amsterdam.nl/kunstencultuur/monumenten/monumenten-0/gebouwen-gebieden/bolwerken-amsterdam/

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_bolwerken_van_Amsterdam

 

http://www.lubberhuizen.nl/de-ommuurde-stad

 

Afrikaanse vluchtelingen: tussen wal en schip

Nieuwbericht 25 oktober 2015 (bron: NU.nl)

Aan de kust van Libië zijn de lichamen van 45 vluchtelingen aangespoeld. Dat heeft hulporganisatie Rode Halve Maan zondag bevestigd. Tot en met 15 oktober van dit jaar hebben volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) 137.000 mensen Italië bereikt, het grootste deel vanuit Libië in gammele boten. Meer dan 2.800 vluchtelingen kwamen bij de oversteek om het leven.

Ruim dertig jaar geleden rondde ik mijn studie Politicologie (afstudeerrichting Internationale Betrekkingen) af met een scriptie over het Afrikaanse vluchtelingenvraagstuk en de rol van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). Ruim drie jaar geleden  promoveerde ik op een onderzoek naar de berichtgeving in Europese dagbladen over de Europese Unie en de invloed daarvan op de publieke opinie. Op een bijzondere wijze lijken beide studies (scriptie en proefschrift) elkaar de afgelopen tijd te gaan raken. Niet alleen omdat ze allebei handelen over internationale, regionale samenwerkingverbanden, maar vooral omdat de huidige vluchtelingenproblematiek gekenmerkt wordt door grote stromen vluchtelingen die van het ene naar het andere continent trekken. En hoewel de aandacht in Europa momenteel vooral uitgaat naar Syrische vluchtelingen, moet het aantal vluchtelingen en migranten uit Afrika dat op de deur van Europa klopt niet worden onderschat. UNHCR gaat uit van vele tienduizenden in 2015. De huidige vluchtelingenproblematiek in Europa zet grote druk op de EU en trekt veel aandacht van politiek, media en publieke opinie. En zo begint de thematiek van mijn oude scriptie te corresponderen met het thema van mijn recente proefschrift. Proefschrift  Impressions of European Integration Ik probeer hieruit voorzichtig en bescheiden enkele lessen te trekken. Voorzichtig, omdat het hier gaat om grote, complexe, internationale vraagstukken. Bescheiden, omdat ik mezelf niet zou durven bestempelen als een deskundige. Ik kom in kranten en tijdschriften tal van analyses en opinies tegen, maar veelal niet vanuit de invalshoek die ik hier wil hanteren. Die invalshoek is ‘de staat van de staat’. Het komt er kort gezegd op neer dat de indeling van onze wereld gebaseerd is op natie-staten en dat niet iedere staat zijn inwoners een veilig of passend thuisland weet te bieden. Door problemen als oorlog, onderdrukking, discriminatie of armoede zoeken inwoners dan hun heil over de grens. Je zou dan kunnen spreken over een falende staat.

Daarnaast zijn er ook legio vraagstukken die niet passen bij de staat (of de maat) van de staat. Binnen een staat kunnen zich problemen voordoen waarvoor de staat te groot is of te dominant. Sommige zaken kun je veel beter op lokaal of regionaal niveau regelen. Dat kan soms uitmonden in een wens van een regio om geheel zelfstandig te worden (denk aan Catalonië of Schotland, maar ook aan vele voorbeelden van vroeger en nu in Afrika: Biafra, Eritrea, Zuid-Soedan). In sommige gevallen leidt dat tot bloedige strijd, ook in ons beschaafde continent Europa, zoals in Noord-Ierland, het uiteengevallen Joegoslavië of het huidige conflict in Oost-Oekraïne). Soms worden dergelijke knelpunten op vreedzame wijze opgelost: bijv. de deling van Tsjecho-Slowakije of pogingen om via een referendum zich af te splitsen (Schotland, Catalonië).

In andere gevallen menen staten dat ze eigenlijk recht hebben op een stuk land van de buren. Ook dat kan leiden tot spanningen en conflicten (en vluchtelingenstromen). De annexatie van de Krim door Rusland is hiervan is een bekend, recent voorbeeld.

Soms zijn problemen te groot om op nationale schaal opgelost te worden. Dat staat is daartoe zelf niet in staat. Soms proberen staten in zulke omstandigheden in internationale samenwerkingsverbanden tot oplossingen te komen. Dat gebeurt in uiteenlopende vormen en met wisselend succes. Samenwerken op internationaal niveau vergt spelregels die vaak niet aansluiten op nationale spelregels. Een meerderheid van de Tweede Kamer kan tegen extra steun voor Griekenland zijn, maar als de euro-groep toch tot een extra hulppakket besluit, kunnen onze volksvertegenwoordigers op het Binnenhof dat niet tegenhouden. Het probleem is dus dat je soms als land niet je zin krijgt. Dat kun je repareren met veto-procedures, maar die werken weer verlammend voor het samenwerkingsverband. Zo kon het gebeuren dat de Europese ministers onlangs bij meerderheid van stemmen een voorstel aannamen om vluchtelingen via een verdeelsleutel over de EU te verspreiden, terwijl vier lidstaten het daar niet mee eens waren. Democratisch op EU-niveau, ondemocratisch op nationaal niveau.

Vluchtelingenvraagstukken zijn per definitie grensoverschijdend. Ze vergen dus ook per definitie een internationale (in de letterlijke zin van het woord) benadering. Decennia geleden ging het in Afrika om miljoenen mensen die op drift waren geraakt. Tal van (vaak samenhangende) redenen speelden hierbij een rol: droogte, bevrijdingsstrijd, armoede, vervolging, etc. Die Afrikaanse vluchtelingen verplaatsten zich grofweg in drie richtingen.

  1. Inheems (mensen die binnen het land blijven, maar vluchten naar andere regio’s binnen de staatsgrens [1])
  2. Naar een buurland (de zogenaamde opvang in de regio; in Afrika gebeurde dit op zeer grote schaal, mede omdat er vaak ethnisch verwante groeperingen in een naburig land wonen; in de koloniale tijd werden grenzen vaak relatief willekeurig getrokken (citaat p.18)
  3. Naar een ander continent (in veel gevallen de vroegere koloniale mogendheden).

De OAE was in die jaren een relatief vrijblijvend platform waarop regeringsleiders belangrijke Afrikaanse zaken met elkaar bespraken, maar met één belangrijk uitgangspunt: non-interference. Je bemoeide je niet met andermans zaken. Met als gevolg dat er soms wel vriendelijk of dringend over probleemsituaties werd gesproken, maar zonder sanctiemogelijkheded. Men moest het hebben van overtuigingskracht, goodwill of senioriteit. Zo sprak de gerespecteerde Tanzaniaanse leider Julius Nyerere dat Afrikaanse leiders niet de schuld voor alle problemen bij de vroegere kolonisatie moeten leggen: “the refugees of Africa are primarily an African problem and an African responsibility” (uitspraak gedaan tijdens een vluchtelingenconferentie in 1979). Je zou wensen dat die uitspraak van Nyerere in 2015 door Afrikaanse staatshoofden en regeringsleiders zou worden omarmd.

Tegenwoordig is er op veel plekken in Afrika nog steeds sprake van gewapende strijd of armoede en doen vluchtelingenstromen zich nog steeds voor. Maar de Afrikaanse staten zijn wat minder jong en fragiel dan 30-40 jaar geleden. Sommige staten doen het ronduit goed. Ook doet de invloed van de koloniale periode zich inmiddels wat minder voelen, terwijl de agressieve aanwezigheid van militante islamistische groeperingen toeneemt. Tegen deze gemeleerde achtergrond dient een nieuw type vluchteling of migrant zich aan die niet in een andere regio of buurland zijn heil zoekt, maar naar Europa afreist en dan niet per sé naar het land van de voormalige kolonisator. Je zou hen migranten of gelukzoekers kunnen noemen.

In twee recente Nederlandse romans wordt hun lot besproken. Tommy Wieringa beschrijft de vluchteling Afrika in Dit zijn de namen, terwijl Ilja Leonard Pfeiffer veel ruimte biedt aan het relaas van Djiby in La Superba. Iedereen die wil weten wat er in hoofden van Afrikaanse migranten in Europa omgaat zou die passages moeten lezen.

We moeten helaas constateren dat aan beide zijden van de Middellandse Zee geen effectief migratie-beleid wordt gevoerd. Individuele staten zijn niet in staat om de grote migratievraagstukken van deze tijd op juiste wijze aan te pakken, noch in preventieve, noch in curatieve zin. Wat dat betreft hebben we interstatelijke samenwerkingsverbanden als de AU (zo heet de OAE inmiddels) en de EU hard nodig. Maar dan moeten ze wel goed functioneren en effectief optreden. En dat is ten aanzien van migratie jammer genoeg niet het geval. Het is de hoogste tijd dat de AU en de EU hun verantwoordelijkheid nemen. Want nu vallen de vluchtelingen uit Afrika in het gat dat staten en Unies laten vallen. Met als triest gevolg dat er maandelijks honderden Afrikanen bij hun oversteek verdrinken. Dat is gemiddeld elke maand een MH17.

tientallen-vluchtelingen-verdronken-bij-libie               [1] Naar schatting zijn er momenteel in Syrië zeven miljoen displaced persons

Minder, minder, minder

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden.

 

In maart 2014 veroorzaakte Geert Wilders de nodige opschudding (daar is hij goed in) door op de uitslagavond van de Gemeenteraadsverkiezingen tijdens een bijeenkomst van PVV-aanhangers in Den Haag aan de zaal te vragen of men meer of minder Marokkanen in de stad en in het land wilde hebben.  In antwoord op die vraag scandeerde de PVV-aanhang: “minder, minder, minder”, waarop Wilders riep: ”nou, dan gaan we dat regelen”.

Wat mij destijds bij alle commotie opviel was de betekenis van het woord ‘minder’. Op het eerste gehoor of gezicht denk je daarbij aan een kwantitatieve aanduiding, aan hoeveelheden. Als er van iets te veel is, wil je dat het minder wordt. Te veel regen, te veel belasting, te veel huiswerk: dat mag wel wat minder.

Maar er zit ook een kwalitatief aspect aan het woord ‘minder’. Die betekenis ligt dichtbij de aanduiding ‘minderwaardig’. Ik heb het idee dat het bij Wilders en zijn aanhang vooral over die kwalitatieve kant ging en gaat. Marokkanen en moslims als een mindere soort. En daar wil je er dan natuurlijk ook kwantitatief minder van in je omgeving hebben. Als dat aspect niet zou meespelen, zou je er ook niet minder van willen hebben. Anders gezegd, de ‘minder, minder, minder’-mantra lijkt een kwantitatieve oproep, maar er zit een diskwalificerende kwalitatieve laag onder. Die diskwalificatie gaat in de kern niet om wat bepaalde mensen doen, stemmen, produceren of voortbrengen, maar om wie die mensen zijn en waar ze vandaan komen.

Langs precies diezelfde lijn riep Wilders in 2012 het meldpunt Polen, Roemenen en Bulgaren in het leven. Iedereen die last had van mensen van deze komaf kon bij het PVV-meldpunt aangifte doen. Het meldpunt werd dus niet ingericht op basis van gedragingen van mensen of van specifieke maatschappelijk problemen (bijv. autodiefstal, illegale hennepteelt, kindermisbruik), maar op basis van de afkomst van mensen. In sporttermen gezegd: Wilders speelt op de man en niet op de bal. Dat geldt in de sport als een overtreding en verdient een gele kaart. Net als bij de ‘minder, minder, minder’-uitspraak ging het bij dit meldpunt primair om wie mensen zijn en waar ze vandaan komen. Zo worden groepen mensen op basis van hun afkomst bij voorbaat verdacht gemaakt. Stel je voor dat we een meldpunt-Brabanders zouden instellen en elke misstap en overtreding zouden registreren die door Brabanders worden veroorzaakt. Dan zouden we binnen een week ook een hele waslijst kunnen opstellen. Of wat te denken van een meldpunt-roodharigen, een meldpunt-katholieken of een meldpunt-lesbiënnes?

Nu zou je verwachten dat door het gebrek aan succes van het Polen-meldpunt de PVV op andere manieren actie zou gaan voeren. Maar nee hoor, er is nu ook door de PVV een Meldpunt Asielzoekers ingesteld. Opnieuw wordt hiermee een groep door de PVV bijvoorbaat als verdacht aangemerkt. De azc’s zouden vol zitten met criminelen, verkrachters en terrorristen. Kortom, asielzoekers zijn minderwaardige mensen en daar willen we er minder, minder, minder van in ons land hebben.

Als we de moeilijke, complexe discussie over asielzoekers op deze manier gaan voeren en Wilders de boventoon laten voeren, gaat het de verkeerde kant op. Laten we beginnen in kwalitatieve zin vast te stellen dat asielzoekers mensen zijn, niet slechter of beter dan wijzelf. Laten we aan de andere kant ook signaleren dan we in korte tijd in Europa met enorm grote aantallen asielzoekers en migranten te maken hebben. Een groot kwantitatief vraagstuk. Als we allerlei emotionele kwalificaties weten te parkeren, komen we toe aan de meer praktische kant van deze omvangrijke problematiek. Laten we daarbij nuchter en eerlijk een aantal vragen aan de orde stellen. Wat is in kwantitatieve zin een redelijke verdeling van asielzoekers over plaatsen en wijken? Hoeveel migranten kunnen we de komende jaren nog verwachten? Wat vergt dit op het gebied van huisvesting, onderwijs en werk? Hoeveel geld gaat dit allemaal kosten? Wat kan Europa doen? En wat moet er in de regio’s gebeuren? Hoe maken we onderscheid tussen echte noodgevallen en minder urgente asielaanvragen? En hoe weren we criminelen en terrorristen?[1]

Deze vragen zijn niet gebaseerd op vooringenomen diskwalificaties van mensen, maar op reële knelpunten en uitdagingen die de huidige stroom asielzoekers en migranten met zich mee brengen. In mijn visie (en op het gevaar af in cliché’s te praten) kunnen we mensen niet hulpeloos laten verdrinken in de Middellandse Zee (in de afgelopen maand september ging het om ruim 300 dodelijke slachtoffers; tien per dag), maar aan de andere kant kunnen we ook niet alle mensen die om wat voor reden ook op drift zijn geraakt een goed onderdak in ons land of binnen ons continent bieden.

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden. We hebben realistische, standvastige maatschappelijke en politieke leiders nodig om het voortouw te nemen in dit debat. Mensen die zich niet laten leiden door onderbuikgevoelens en diskwalificaties, maar die ook niet allerlei ongemakkelijke vragen en problemen uit de weg gaan.

Helaas staan dergelijke leiders binnen het maatschappelijke en politieke krachtenveld van Nederland niet op en laten we Wilders het vuur verder opstoken.

 

[1] Ik heb me met deze opsomming mede laten leiden door de column van René Cuperus in De Volkskrant van 5 oktober j.l.

Zuivere ketters: over Katharen, Carcassonne en (een beetje) leeuw Cecil

“Elke ochtend keek ik bij het wakker worden naar de grimas van de dodelijk getroffen Simon.”  

 

Grote borden langs de kant van de weg duiden aan dat we in Le Pays Cathare zijn: het land van de Katharen. ‘Oh ja, de Katharen’, denk ik, ‘hoe zat dat ook al weer met hen?’ Ooit, een kleine 25 jaar geleden, was ik voor het laatst in deze streek onder Toulouse. Ik had het destijds zeer populaire boek Montaillou[1] van Emmanuel de Roy Ladurie meegenomen als lekkere lees-pil voor op vakantie. Een mooie historische gids om de streek en zijn verleden beter te leren kennen. Ik kwam destijds niet verder dan een bladzijde of 80. Ik weet niet meer of dat lag aan de inhoud van het boek of aan het feit dat ik vooral veel tijd en aandacht besteedde aan vier kleine, blonde handenbindertjes. In ieder geval dringen de Katharen zich nu opnieuw aan mij op: via informatieboekjes, ruïnes van oude kastelen, speciale menu’s, namen van winkels, en zelfs door middel van oude prenten op mijn hotelkamer. Alles verwijst naar de roemruchte hoogtijperiode van de Katharen, zo’n 800-900 jaar geleden. Ik heb dit keer Montaillou niet bij me, maar wel een Ipad die me verder op weg helpt, terug in de tijd.

De Katharen vormden een christelijke geloofsgemeenschap met een strikte scheiding tussen het zondige, aardse, lichamelijke leven en het zuivere, geestelijke leven. Een dualistisch geloof met een permanente strijd tussen Satan/Lucifer en God. De zondige aarde was geschapen door Satan om daar de gevallen engelen gevangen te houden in de lichamen van mensen en dieren. Zij wilden wel terugkeren naar de hemel, maar “daar stak Lucifer een stokje voor”, aldus de humoristische formulering van Wikipedia. Alleen wie zuiver leefde kon aan Satan ontsnappen en terugkeren naar de hemel.

De naam Katharen stamt uit het Grieks en betekent ‘de zuiveren’. Wij kennen ook het verwante woord katharsis, loutering. Wat ‘zuiver’ is, is een kwestie van interpretatie als je bedenkt dat ons woord ‘ketter’ direct van het woord Katharen is afgeleid. Veel Katharen stamden af van de Visigoten, een van oorsprong Germaanse stam uit het Oostzee-gebied, van wie vele afstammelingen door de eeuwen heen eerst in oostelijke richting en laten meer naar het zuiden en westen van Europa zijn getrokken. Het waren de Visigoten die in 410 Rome plunderden en een einde maakten aan het West-Romeinse Rijk. Later trokken veel Visigoten naar Zuid-Frankrijk en het Iberisch schiereiland.

In Zuid-Frankrijk breidden de Katharen gestaag hun invloed uit met de stad Albi als epicentrum (ze werden daarom ook wel Albigenzen genoemd). In die tijd keken het kerkelijke gezag (de katholieke kerk) en het centrale gezag (het koninklijke hof in Parijs) met argusogen naar deze groeiende macht en het toenemende aantal volgelingen. De officiële katholieke leer bestempelde het dualisme als ketterij, terwijl de Katharen de kerk zagen als een corrupt, machtsbelust instituut. Na vele debatten en concilies besloot de katholieke kerk tot heuse kruistochten tegen de Katharen en de instelling van een Inquisitie. De fanatiekste leidsman van de kruistochten was Simon de Montfort IV (1160-1218) die zich eerder al had bewezen tijdens de Vierde Kruistocht naar het Heilige Land.  Deze Simon belichaamde de giftige mix van geloofsijver en gewapende strijd waarvan wij ook in onze tijd helaas nog schokkende voorbeelden zien. Hij maakte zich met zijn troepen schuldig aan massale en systematische martelingen, onthoofdingen, plunderingen en verkrachtingen. Een soort IS avant la lettre. Stuk voor stuk veroverden de kruisvaarders steden en dorpen. De meeste plaatsen waren –en zijn- Occitaans (niet voor niets heet dit deel van Frankrijk nog steeds Languedoc); misschien speelde er dus ook een taal/cultuur-conflict. De veroveringen vormden niet alleen een overwinning voor het officiële katholieke geloof, de overwonnen steden kwamen nu ook onder de Franse kroon. Als dank voor zijn verpletterende strijd tegen de Katharen werd Simon, die o.a. al graaf van Leicester was, benoemd tot graaf van Toulouse. Hij kwam aan zijn einde doordat een vrouw vanaf de kantelen van een stad die hij belegerde een grote kei op zijn hoofd gooide. Precies die gebeurtenis stond afgebeeld op een prent die op mijn hotelkamer naast mijn hoofdeinde hing. Elke ochtend keek ik bij het wakker worden naar de grimas van de dodelijk getroffen Simon.

IMG_0344

 

De Inquisitie maakte het werk van Simon de Montfort aan het begin van de veertiende eeuw af. De verantwoordelijke bisschop onderwierp alle overgebleven Katharen (leiders en volgelingen) aan een uitvoerig onderzoek. De verslagen van dit onderzoek vormden de basis voor het boek Montaillou. Uiteindelijk zouden de laatste leiders van het Kathaarse geloof op de brandstapel van Montaillou hun einde vinden. Als dank voor de bewezen diensten werd deze bisschop uiteindelijk tot paus gekozen.

IMG_0351

Het kan verkeren. Leiders van slachtpartijen en bloedbanken zegevieren en worden beloond met wereldlijke en kerkelijke titels. Degenen die zuiver wilden leven worden verketterd. Als ik hier en daar bij een serveerster of in een winkel informeer of men trots is op het Kathaarse verleden of zich juist daartegen afzet, haalt men nonchalant de schouders op. Men heeft er geen specifieke mening over en toont geen aandrang om partij te kiezen. Kennelijk is het nu vooral folklore en lang genoeg geleden om met een gerust hart het woord cathare op van alles en nog wat te plakken: restaurants, streekproducten, vlaggetjes, etiketten. Niemand associeert de term meer met de bloedige uitroeiing 800-900 jaar geleden. Voor de toerist blijft vooral een vorm van ‘ridders en kastelen’-romantiek over die zijn hoogtepunt vindt in Carcassone. Een prachtige middeleeuwse vestingsstad, maar nu vooral een soort pretpark en één van Frankrijk’s grootste toeristische attracties. Er rollen geen koppen meer in Carcassone, maar je kunt wel over de hoofden lopen. En menig jongetje loopt trots met een pas gekocht houten zwaard of pijl en boog (de nakomelingen van leeuw Cecil zijn gewaarschuwd!) de stadpoort uit.

DSC04408

Zou men over acht eeuwen ook zo omgaan met de geschiedenis van de concentratiekampen of de strijd tussen katholieken en protestanten in Noord-Ierland of de oorlog tussen soennieten en sji-ieten in Syrië? Met alle toeristische attracties en souvenirs van dien? Auschwitz als attractiepark of kinderen die zich in het jaar 2815 bij Aleppo willen verkleden als IS-strijders? Geen fijn vooruitzicht. Maar, aan de andere kant, als het woord cathare niet overal zo prominent zichtbaar was geweest, was het verhaal van de Katharen ongetwijfeld in de vergetelheid geraakt en hadden mensen zoals ik zich acht eeuwen later niet meer in hun geschiedenis verdiept.

 

 

 

[1] Het boek is genoemd naar het gelijknamige plaatsje in Zuid-Frankrijk, niet ver van Foix en Ax-les-Thermes.

Heimwee naar Max van der Stoel

 

 

Toen ik Jeroen Dijsselbloem op de radio over de Grieken hoorde spreken overviel me een gevoel van heimwee. Heimwee naar Max van der Stoel. Van der Stoel was in de jaren ’70 minister van Buitenlandse zaken in het roemruchte kabinet-Den Uyl, de meest linkse regeringsploeg die ons land ooit heeft gekend. In dat kabinet verdeelden drie PvdA-ministers de internationale posten Defensie, Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken. In voetbaltermen zou je kunnen zeggen dat Henk Vredeling op Defensie de hoekige verdediger was, Jan Pronk de felle en uitgesproken linksbuiten op OS en Max van der Stoel de bedachtzame stylist op de rechterflank. Voor veel PvdA-stemmers zat Vredeling per definitie fout op Defensie, had Pronk het hart op de juiste plaats en was van der Stoel een kleurloze middenfiguur die eigenlijk niet goed bij de PvdA paste. Van der Stoel was een uitgesproken atlanticus (pro-NAVO en pro-VS) en daar maakte je in die tijd in linkse kringen niet veel vrienden mee.

De jaren ’70 waren mijn vormingsjaren. Eerst als scholier en later als student Politicologie met als specialisatie Internationale Betrekkingen volgde ik de internationale politiek met grote belangstelling. Ik had weinig met Vredeling, bewonderde de gedrevenheid van Pronk, maar voelde me (nu denk ik met name uit karakterologisch oogpunt) vooral aangetrokken tot van der Stoel.

Twee wapenfeiten van Max van der Stoel staan me het meest bij.[1] In de eerste plaats zijn openlijke betrokkenheid bij en steun voor Tsjecho-Slowaakse mensenrechtenbeweging Charta 77. Charta 77 zette zich af tegen de communistische regering in Praag die aan de leiband liep van de Sovjet-Unie. Een van de grondleggers van die beweging, Vaclav Havel, zou jaren later de eerste president van dat land worden na de val van de Berlijnse muur. Als minister ging van der Stoel niet alleen langs bij zijn ambtgenoot in Praag, maar hij ontving ook de ’dissidenten’ van Charta 77 in zijn hotel. Dat werd door de regering in Praag niet op prijs gesteld, terwijl de leden van Charta 77 deze ontvangst als een enorm blijk van erkenning en steun ervaarden.

Een tweede bijzondere inspanning van Max van der Stoel betrof zijn openlijke afkeuring van het kolonelsregime in Athene. In die jaren had Griekenland een militaire regering (net als Portugal en Spanje, trouwens). De kolonels waren in 1967 door een staatsgreep aan de macht gekomen. Dat was vanuit westerse blik ongemakkelijk, omdat Griekenland ook lid was van de NAVO. Aan de andere kant beweerden boze tongen dat de Verenigde Staten de staatsgreep hadden gesteund. Van dat laatste was achteraf geen bewijs te vinden.[2] Van der Stoel werd eind jaren ’60 rapporteur mensenrechten van de Raad van Europa en in die hoedanigheid schreef hij een uitgebreid en kritisch rapport over de situatie in Griekenland. Dat droeg bij aan het isolement van het kolonelsregime in Europa. Later als minister volhardde van der Stoel in zijn kritiek op de kolonels. In 1974 kwam het  regime ten val en de kolonels werden voor het gerecht gebracht. Bij zijn bezoek aan het ‘bevrijde’ Griekenland werd Max van der Stoel als een held onthaald en in Athene werd zelfs een plein naar hem genoemd.

En nu speelt Griekenland weer een hoofdrol in het Europese nieuws. Nog een voetbal-parallel. Toen de EU een stevige team eurolanden het veld in wilde sturen, zegden sterkere spelers als Groot-Brittannië en Denemarken af. Om toch een compleet team te kunnen hebben werd de deur opengezet naar zwakkere broeders waaronder Griekenland. Vandaag de dag stelt Dijsselbloem strenge eisen aan de Grieken, maar die eisen had men beter 20 jaar geleden kunnen stellen. Griekenland heeft jarenlang mogen meespelen en al die jaren hebben vooral westerse financiële instellingen geprofiteerd van de Griekse economische zwakte, de hoge Griekse rente en de coulante houding van opeenvolgende Griekse regeringen. Zo konden de Grieken op te grote voet gaan leven. Het organiseren van de Olympische Spelen in 2004 werd daar het symbool van (en het begin van de neergang!).[3] En toen de crisis uitbrak werden de miljarden van het IMF en de ECB vooral gebruikt om de schulden van de banken over te nemen, niet om de Grieken zelf te helpen.

Zo lijkt het er op dat alle spelers de regels hebben overtreden. Dan kun je de Grieken de rode kaart geven, maar of dat verstandig en rechtvaardig is?

Ik heb behoefte aan wijs beleid en aan lange termijn-visie. Niet aan rekenmeesters. Daarom mijn heimwee naar Max van der Stoel. Ik zou dolgraag zijn oordeel willen horen. Zijn partijgenoot Dijsselbloem, één van de huidige hoofdrolspelers, weet me niet te overtuigen. Ik weet wel dat er heel wat moet gebeuren voordat er een Dijsselbloem-plein in Athene zal komen.

 

 

P.S. Ik zie op internet dat Anet Bleich een biografie over Max van der Stoel gaat schrijven. Ik kijk daar naar uit.

 

 

[1] Ik sla zijn belangrijke diplomatieke rol rondom het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima en het weren van vader Zorreguita over.

 

[2] http://internationaal.pvda.nl/2013/11/05/max-van-der-stoel-held-in-griekenland/

 

[3] http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2010/september/de-crisis-in-griekenland.html

 

Valt er wat te kiezen?

 

Dat brengt de volgende vraag met zich mee: wat hebben Queen Elisabeth, een Syrische bootvluchteling en D66 met elkaar te maken? Meer dan je op het eerste gezicht zou vermoeden!

 

Aan de overkant van het Kanaal mag het referendum zich tegenwoordig in een grote populariteit verheugen. Zo gingen ruim een half jaar geleden de Schotten naar de stembus om te kiezen voor of tegen onafhankelijkheid en mochten de Ieren afgelopen weekend in een volksstemming zich uitspreken over de vraag of homo’s mogen trouwen. Londen wil natuurlijk niet achterblijven. Geheel conform zijn verkiezingsbelofte schotelt Cameron de Britse kiezer op afzienbare termijn een EU-referendum voor.

Dat brengt de volgende vraag met zich mee: wat hebben Queen Elisabeth, een Syrische bootvluchteling en D66 met elkaar te maken? Meer dan je op het eerste gezicht zou vermoeden!

Queen Elisabeth kondigde gisteren (27 mei) aan dat de Britse regering voor het einde van 2017 een referendum zal uitschrijven over het toekomstig EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk. D66 heeft vanaf haar oprichting hartstochtelijk gepleit voor democratische vernieuwingen, waaronder de mogelijkheid om referenda uit te schrijven. De Syrische bootvluchteling (arm, moslim en migrant) symboliseert de druk waaraan Europa momenteel blootstaat met alle gevoelens van ongemak, verdeeldheid en angst van dien. Die onzekerheid en verdeeldheid binnen Europa vormen de context waarbinnen Cameron een referendum uitschrijft met het oog op het beperken van de Europese samenwerking en het inperken van de Brusselse macht. D66 is in ons land bij uitstek de partij die pleit voor meer Europese integratie met de EU als vehikel om gezamenlijke ambities te realiseren en gemeenschappelijke zorgpunten te kunnen aanpakken.

Wie de samenhang van deze zaken beter wil begrijpen, kan ik het recente artikel van Rutger Bregman over D66 en de teloorgang van de  democatie aanbevelen (De Correspondent: https://decorrespondent.nl/2849/Hoe-D66-symbool-ging-staan-voor-het-einde-van-de-democratie/216985845692-4bab75ac).

Bregman constateert dat de idealen van de oprichters van D66 zijn veranderd in hun tegendeel. Een paar citaten:

Toen Hans van Mierlo in de collegebanken zat, stonden de Nederlandse zuilen – de katholieken, de protestanten, de socialisten en de liberalen – nog recht overeind. Kiezen voor een partij was net zoiets als kiezen voor een kerk; het was een keuze die je niet zo snel veranderde. De opkomst tijdens de verkiezingen was torenhoog, veel mensen waren lid van een partij en de electorale verschuivingen waren beperkt. De partijen vormden de ruggengraat van de democratie: ze waren het platform waarop burger en politicus elkaar ontmoetten. Hier werd het volk gerepresenteerd.

Er is bijna geen keuze meer. Van Groot-Brittannië tot Duitsland, van Nederland tot Frankrijk: in vrijwel alle westerse democratieën sterft de oppositie langzaam uit. Kiezers zijn gaan zweven, maar niet omdat er zoveel te kiezen valt. Ze zweven omdat partijen steeds meer op elkaar lijken. In Nederland zitten de tegenpolen van weleer, PvdA en VVD, inmiddels samen in één regering. 

Zowel burger als politicus hebben zich teruggetrokken in hun eigen wereld. Partijen zijn losgekomen van de samenleving. Ze concurreren nog wel met elkaar, maar op een betekenisloze manier. De nieuwsmedia vullen de overgebleven leegte; meer dan ooit bepalen zij de politieke agenda. 

In een wereld waarin partijen steeds meer op elkaar lijken, gaat de politieke strijd steeds meer over de vorm in plaats van over de inhoud. Zo kan het gebeuren dat terwijl de wezenlijke beslissingen ingewikkelder worden – van ‘quantitative easing’ in Europa tot ‘marktwerking’ in de gezondheidszorg – het politieke debat juist simplistischer wordt. De regel lijkt: hoe groter de belangen, hoe ingewikkelder de besluiten, hoe minder discussie. Wat overblijft zijn de heftige tegenstellingen over de islam, racisme, integratie, seksisme, enzovoorts (in het Engels wordt ook wel van ‘identity politics‘ gesproken).

Ik herken en onderschrijf meerdere elementen in de analyse van Bregman, maar toch wringt er iets in zijn redenering. Je kunt een kanttekening plaatsen bij zijn uitgangspunt dat er in de tijd van de verzuiling ware democratie heerste. Veel mensen volgden braaf en slaafs de voorschriften (en stemadviezen) van hun zuil. Je kunt je afvragen of dat het ideale democratische plaatje was. Viel er toen echt iets te kiezen, of was het vooral gedwongen winkelnering? Abram de Swaan heeft fraai beschreven hoe de samenleving zich ten tijde van de ontzuiling ontwikkelde van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding.[1] Traditionele gezagsdragers konden niet langer op basis van hun afkomst of status de lakens uitdelen. Er moest gepalaverd worden en de keuze voor de burger werd vrijer. Niet de verzuiling, maar de ontzuiling zou je zo kunnen zien als vorm van democratisering.

Een tweede kanttekening wil ik plaatsen bij de koppeling die Bregman maakt tussen democratie en  volk cq natiestaat: dat de democratie een heel volk in staat stelt om zichzelf te regeren. Wat is een volk en wat is een staat? Het wekt geen verbazing dat Bregman spreekt over identity politics en de heftige tegenstellingen daaromtrent. We lijken niet meer zeker van onszelf. Trekken we ons terug achter onze nationale en regionale grenzen (Schotland, Catalonië, Vlaanderen) of zoeken we ons heil in grotere verbanden? We leven in een tijd dat de maat van de staat bij sommige vraagstukken ontoereikend is en dat we moeten inkrimpen naar het lokale marktplein of moeten opschalen naar de Grote Markt in Brussel. Kan onze behoefte aan democratische bestuursvormen op al die niveaus worden ingevuld? We zien dat democratie verschillende gedaantes kan aannemen. Democratie is er in soorten en maten. Op het dorpsplein kunnen we zelfs à la de oude Grieken of volgens Zwitserse gebruik met elkaar knopen doorhakken. Maar bij een grotere schaal wordt het ingewikkelder. Hoe groter de afstand tussen burger en bestuurder, des te ingewikkelder het vraagstuk van representativiteit en effectiviteit.

Bregman constateert terecht dat de wereld complexer [is] dan ooit. Globalisering, financialisering, robotisering. Bregman spreekt van Investeerders en technocraten die aan de touwtjes trekken. Hoe kunnen we daar op democratische wijze tegen optreden?

In onze tijd en in ons werelddeel hebben we vanaf de jaren ’50 op vrijwillige basis vormen van internationale samenwerking in het leven geroepen om in te kunnen spelen op allerlei complexe, supranationale uitdagingen. Gepalaver op internationaal niveau. In mijn proefschrift[2] geef ik aan dat tot circa 1990 de gemiddelde EU-burger geen greintje belangstelling voor en kennis van de EU bezat. Dat is de afgelopen 25 jaar en met name na de eeuwwisseling flink veranderd. De burger haalt zijn schouders niet meer op bij het thema ‘Europa’ en steeds meer politieke partijen nemen tegenwoordig duidelijk stelling als het om de EU gaat. PVV, GroenLinks, SP of D66: de Europese paragrafen in de partijprogramma’s laten grote verschillen zien.

Er valt dus voor de burger echt wat te kiezen. En binnenkort aan de overkant van het Kanaal al helemaal. Die keuze hebben ze aan de overkant van de Middellandse Zee niet.

 

[1] De mens is de mens een zorg, 1997

[2] Impressions of European Integration, 2012

Grandes Lignes (over Parijs)

 

 

Een schoolvriendin van mij werd tijdens de zomervakantie die voorafging aan ons examenjaar verliefd op een jongen uit Parijs. Omdat hij regelmatig een weekendje naar Nederland kwam, kreeg ik de kans om mijn school-Frans op hem uit te proberen. De kunst was hem tot langzaam praten te bewegen om hem nog enigszins te kunnen volgen. Vervolgens probeerde ik dan iets terug te zeggen met woorden en zinnen die ik had opgeduikeld uit mijn schoolboek met de weinig bescheiden titel La plus belle langue. Dat lukte meestal best aardig, maar af en toe sloeg ik de plank mis. Zo moest hij erg lachen toen ik ‘in grote lijnen’ vertaalde met de woorden ‘en grandes lignes’. “Grandes lignes zijn de hoofdlijnen van het spoor”, corrigeerde hij mij welwillend. En hij kon het weten; zijn vader werkte bij de SNCF.

Dit verhaal schoot me onlangs weer te binnen toen ik op Gare du Nord aankwam voor een lang weekend Parijs. Daar hangen grote informatie-borden met de aanduiding ‘Grandes Lignes’.

Grandes Lignes op Gare du Nord

 

Het was voor het eerst sinds mijn studietijd dat ik met de trein naar Parijs reisde. Destijds reisde ik met een onhandige rugzak in een schokkerige internationale trein die vele tussenstops maakte. Nu bracht de comfortabele Thalys me in drie uur van hoofdstad naar hoofdstad. De woorden grandes lignes bleven dat weekend door mijn hoofd zingen.

Parijs ademt een ontspannen, plezierige sfeer, ondanks de zwaarbewapende agenten die je bij bepaalde gebouwen op wacht ziet staan; waarschijnlijk als gevolg van de aanslag op Charlie Hebdo. Op straat, in de metro en op de terrassen lijkt er meer ruimte en minder stress te zijn dan in Amsterdam. Voor de goede orde, ik heb me beperkt tot het centrum van de stad en ben niet in de banlieues geweest. Het valt ook op hoe vaak je in het Engels wordt aangesproken, waardoor ik minder kans krijg om mijn school-Frans af te stoffen. Dat was vroeger wel anders. Als je geen Frans sprak verliep de communicatie met obers en winkelmeisjes meestal stroef.

Maar wat me dit keer vooral treft is het grote gebaar. Dat heeft Parijs natuurlijk altijd al gehad, maar het viel me dit keer in het bijzonder op. De visie en de durf om een grote lijn uit te zetten, een stempel op de stad te drukken, ‘landmarks’ neer te zetten, gewaagde projecten te starten, toekomstbepalende keuzes te maken: dat was en is typerend voor Parijs. Of het nu gaat om de in de 19e eeuw door Haussmann ontworpen brede boulevards of de in diezelfde eeuw begonnen ondergrondse pendant daarvan: het metronetwerk[1]; in Parijs zijn grote, baanbrekende lijnen uitgezet. Het grote gebaar is natuurlijk ook zichtbaar in de destijds zeer omstreden Eiffeltoren; nu het onbetwiste symbool van Parijs. En wat te denken van de Axe Historique, de lijn die vanaf het Louvre via de Tuilerieën en de Champs Elysées naar de Arc de Triomphe voert en die in de jaren ’80 van de vorige eeuw is doorgetrokken naar La Défense om te eindigen bij de Grande Arche.

axe historique

Natuurlijk helpt het bij het realiseren van grote gebaren als je een centralistisch staatssysteem hebt waarbij grote leiders hun gezag op allerlei terreinen willen en kunnen laten gelden. Van de Franse koningen en Napoleon tot de huidige presidenten. Recente voorbeelden van presidentiële erfenissen zijn het Centre Pompidou en de Pyramide bij het Louvre (nalatenschap van Francois Mitterand en onderdeel van zijn ‘grands travaux’).

Ook in de natuur van Parijs is de dwingende mensenhand zichtbaar. Le Nôtre zette daarmee de toon bij zijn ontwerp van de tuinen bij het paleis van Versailles. Zijn gedachtengoed wordt ook in Parijs aangehangen. Kijk naar de symmetrie van de Tuilerieën en de harmonie van de Jardin du Luxembourg: het grote gebaar is overal aanwezig. Het ontwerpen en daarmee onderwerpen van de natuur aan de hand van een vastomlijnd plan. De bomen langs de Champs Elyseés worden in vierkante vormen gesnoeid!

Wie Parijs een keer op een alternatieve wijze wil doorkruisen kan zich laten leiden door een  bijzondere grande ligne: de meridiaan van Arago (niet te verwarren met de meridiaan die in de Da Vinci Code door Dan Brown wordt beschreven en die o.a. dwars door de St. Sulpice loopt). De meridiaan van Arago is de oude nul-meridiaan van Frankrijk (te vergelijken met de meridiaan van Greenwich die uiteindelijk de internationaal geaccepteerde nul-meridiaan werd). Francois Arago (1786-1853)  was een veelzijdig wetenschapper die de exacte loop van de meridiaan narekende en herbepaalde. Omdat in de Tweede Wereldoorlog het bronzen standbeeld van Arago door de Duitsers was omgesmolten, wilde men in Parijs de herinnering aan Arago en zijn meridiaan op een nieuwe manier leven inblazen. Er werd een prijsvraag uitgeschreven die door de Nederlandse kunstenaar Jan Dibbets werd gewonnen. Zijn kunstproject bestaat uit een serie van 135 bronzen plaatjes (medaillons) die met uiterste precisie op de voormalige nul-meridiaan als een Noord-Zuid stippellijn zijn aangebracht. De bekende Nederlandse Parijzenaar Philip Freriks heeft een fraai boekje over deze meridiaan geschreven (Het spoor van de monumentale meridiaan)  waarin hij de vindplaats van elke medaillon nauwkeurig beschrijft en daar mooie verhalen over de directe omgeving aan toevoegt. Het boek vormt een prachtige wandelgids door Parijs van Zuid naar Noord.

Arago plaatje weg

 

 

 

 

 

Arago plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

Helaas zijn in de loop van de tijd veel van deze plaatjes verdwenen, vooral na het grote succes van de Da Vinci Code. Stom, want de meridiaan van Arago is een andere dan de Rose Line van Dan Brown. Bovendien gaat het hier om een kunstwerk. Als ik met het boek van Philip Freriks in de hand rond de Jardin Du Luxembourg op zoek gaat naar bronzen plaatjes vind ik inderdaad meerdere lege plekken in het plaveisel, en slechts een enkele Arago-medaillon. Blijkbaar weet niet iedereen de grote lijnen van Parijs te waarderen.

 

 

P.S. 1

Nadat ik dit verhaal heb opgeschreven hoor ik van een vriend dat zijn dochter op de middelbare school voor het vak Frans een lesmethode heeft die (ook) Grandes Lignes heet.

 

P.S.2

Op zoek naar een andere bron van inspiratie voor Parijs: kijk naar de videoclip ‘Parijs’ van Kenny B. : https://www.youtube.com/watch?v=jlHZ_Z8sUMs

 

 

[1] Een mooie gids bij een bezoek aan Parijs is het boek Metronome van Lorànt Deutsch. Deutsch bespreekt aan de hand van een aantal bekende metrohaltes die geschiedenis van Parijs.