Categoriearchief: Europa

Hello Goodbye; over het Britse EU-referendum

 

 

De Britten gaan op donderdag 23 juni stemmen over het lidmaatschap van de EU. Hierbij een paar bespiegelingen.

 

1. Het anti-EU kamp heeft al één slag gewonnen, omdat iedereen in dit verband de term Brexit gebruikt: het referendum is dus al geframed in termen van een vertrek uit de EU.

2. Je ziet in Groot-Brittannië hoe het Brexit-debat door beide kampen wordt vervuild door het verspreiden van angstscenario’s, door het presenteren van ongefundeerde kostenplaatjes en door het op grove wijze verdraaien van feiten. Men schroomt zelfs niet om Hitler en Churchill van stal te halen. Tegenstanders worden verketterd. Extremen worden uitvergroot. Het splijt het publieke klimaat en sentiment.

3. Ik voorspel dat, hoe de uitslag ook uitvalt, er geen acute rampen zullen plaatsvinden of oorlogen zullen losbarsten. Groot-Brittannië zal niet instorten, maar er zullen ook geen gouden bergen zijn. De EU zal bij een Brexit een tik krijgen, maar niet uiteenvallen. En als de Britten blijven, zal het gemopper van de eurosceptici niet verstommen. Er zal minder veranderen dan menigeen denkt.

4. Ik heb al eerder op mijn blogsite aandacht besteed aan referenda in de context van de EU. Trouwe lezers weten dat ik geen fan van dit fenomeen ben. Je kunt geen afspraken meer met internationale partners maken als achteraf morrende thuisfronten die afspraken torpederen (zoals bij het recente Nederlandse referendum over Oekraïne is gebeurd; en trouwens, wat heeft dat referendum nu eigenlijk opgeleverd?). Maar mijn bezwaar is vooral dat referenda ingewikkelde zaken reduceren tot een simpele JA-NEE vraag. Dat lijkt aantrekkelijk, maar het werkt een botte tweedeling in de hand en lost in feite niets op. Welk probleem lossen de Britten met hun YES of NO? Het zal een pyrrhusoverwinning voor de meerderheid zijn en een ontgoocheling voor de minderheid. Een maand later is alles weer business as usual. We zijn als Europese buren tot elkaar veroordeeld. Daar verandert een Brexit niets aan.

5.”I want my country back”, zei een Britse vrouw op televisie. Ik weet niet welk land ze terug wil hebben. Dat van 1970, of 1860 of van 1688? Kennelijk vindt zij dat de EU haar haar land heeft afgenomen. De vraag is of dat zo is. Wel zien we overal de gevolgen van globalisering: migratie, multinationals, digitalisering, toerisme: alles gaat letterlijk over de grenzen heen. De Britten hebben zelf aan de wieg gestaan van die globalisering met hun wereldomvattende British Empire. Kennelijk mag je wel vanuit het Verenigd Koninkrijk de wereld in, maar mag de wereld niet bij de Britten binnenkomen. Er zijn vele honderdduizenden Britten met een 2e huis in Frankrijk, Spanje en Italië. Is het dan zo erg dat er ook Polen en Bulgaren andersom het Kanaal oversteken? En ja, dat maakt het land anders. Maar is dat tegen te houden? En moet je dat tegen willen houden. Of moeten we ons realiseren dat Europese landen nu ook immigratielanden zijn geworden.

6. Door de enorme invloeden die uitgaan van de globalisering zijn individuele landen steeds minder in staat zelfstandig te handelen. De 19e eeuwse natie-staat is niet opgewassen tegen de krachten van de 21e eeuw. Dus zoeken landen naar vormen van samenwerking. Organisaties als de EU en de NAVO zijn daar voorbeelden van. Aan de andere kant zie je ook bewegingen de andere kant op. Landsdelen die zich willen afsplitsen van het moederland (Catalonië, Schotland). Een soort provincialisering naast de trend van globalisering. We zijn dus op zoek naar nieuwe verbanden als aanvulling op of als correctie op de natie-staat. Onze identiteit staat dus op het spel. We zijn onzeker over wie we zijn en waar we bij horen. En we vertrouwen de gezaghebbers en de instituties niet meer. Daarom zoeken we naar iets anders: terug naar vroeger, kleiner, groter…. In die zin is de opmerking “I want my country back” goed te plaatsen.

7. Moeten we gezien alle kritische geluiden toch niet een keer de EU heel grondig onder de loep nemen. Ja, dat moet zeker. Het Europese samenwerkingsproject is hard aan revisie toe. Was de EU maar een superstaat geweest (niet dat ik dat wil!) zoals de eurosceptici al jaren roepen. Dan waren de problemen rond de euro en de bootvluchtelingen daadkrachtig en eensgezind opgelost. Maar helaas is de EU niet zo effectief en efficiënt. Dat is een bijzondere paradox. Critici van de EU roepen enerzijds dat de EU te invloedrijk is en zich overal mee bemoeit, maar als er een crisis is, klagen ze dat de EU juist niet handelend weet op te treden. Laten we erkennen dat de EU een modderige compromissenfabriek is. Helemaal niet erg als het om visquota gaat of om handelsovereenkomsten. Maar lastig en inefficiënt bij grote, urgente internationale kwesties die daadkrachtig optreden vergen. Dat lukt de EU niet en bij gebrek aan beter gaat ieder land zijn eigen koers varen. De Hongaren bouwen op eigen houtje grenshekken om vluchtelingen tegen te houden. De Fransen hebben al jarenlang een te groot begrotingstekort. De Polen perken de vrijheid van media in. Nederland biedt fiscale sluiproutes aan multinationals aan, etc., etc. Per saldo kunnen lidstaten doen wat ze willen.

8. Het gaat wat mij betreft dus niet om de vraag of men lid van de EU wil blijven, maar om de vraag of en in hoeverre men met andere landen binnen Europa wil samenwerken. Daar zou de discussie over moeten gaan. Je maakt mij niet wijs dat eurosceptische Britten elke vorm van samenwerking categorisch zouden afwijzen. En de eurofielen zouden moeten toegeven dat de EU vooral de afgelopen jaren (euro-crisis,vluchtelingencrisis) zich weinig eensgezind,vitaal en daadkrachtig heeft getoond. Het zou gezond zijn als de burgers van alle lidstaten zich mengen in een Europa-breed debat daarover. Daarbij zouden drie vragen centraal moeten staan:

a) met wie willen we samenwerken

b) op welke terreinen willen we samenwerken

c) op welke wijze gaan we samenwerken

Eenvoudige vragen, maar heel ingewikkeld om hier samen uit te komen. Het is wel broodnodig dat dat gesprek wordt gevoerd.

 

Tot slot nog iets lichtvoetigers….

9. Stel dat de Britten op 23 juni Nee zeggen tegen de EU. Zullen wij dan antwoorden dat ze voortaan nooit meer met vier vertegenwoordigende teams aan het Europese voetbal  mogen deelnemen. Groot-Brittannië is één land, maar als het om voetbal gaat sturen ze vier teams het veld in: Wales, Noord-Ierland, Schotland en Engeland. En dat staan alle overige Europese landen al decennia toe. Dat moet dan ook maar eens afgelopen zijn.

Een alternatief Nederlands elftal op het EK

Op 10 juni begint het EK en Nederland doet niet mee. “WE zijn er niet bij”, zou Mart Smeets zeggen.

 

 

Dat betekent dat je als voetballiefhebber dit toernooi op een andere manier beleeft. De extra lading ontbreekt. Als Nederland meedoet hoop je toch, vaak tegen beter weten in, dat Oranje verder komt in het toernooi en op z’n minst de eerste groepsfase overleeft. Op de twee laatste WK’s deed Nederland tot ieders verrassing tot het laatste moment mee door op een 2e (2010) en een 3e plaats (2014) te eindigen. Maar op het laatste EK in Polen en Oekraïne (2012) ging het hopeloos mis. Oranje ging vier jaar geleden roemloos ten onder in de eerste ronde. Achteraf gezien opmerkelijk om je te realiseren dat dat gebeurde in een regio waar twee jaar later een burgeroorlog woedde en de MH17 uit de lucht werd geschoten.

Maar goed, WE doen niet mee en we zullen het dus zonder Oranje-koorts en de bijbehorende hoop & vrees moeten doen. Dat levert ook voordelen op: geen eindeloze voorbeschouwingen en nabesprekingen op TV, geen wuppies en andere oranje-troep bij de supermarkt, geen straten die helemaal oranje zijn gemaakt. We kunnen nu onbevangen en onbevooroordeeld naar het spelletje zelf gaan kijken en die landen steunen die het goed doen. Ik hoor veel mensen in mijn omgeving zeggen dat ze nu voor België zijn. Dat vind ik prima, maar ik bewaar mijn sympathie nog even voor dat land dat me weet te verrassen.

Een ander voordeel van de afwezigheid van Nederland is dat je met andere ogen naar de huidige EK-deelnemers gaat kijken. Vandaag stonden alle selecties in de krant. Letterlijk de namen en rugnummers, maar ook het aantal interlands, het aantal gemaakte doelpunten en de club waar men speelt. Een korte studie van dit overzicht levert een paar interessante bevindingen op. Van sommige landenteams spelen bijna alle spelers in het buitenland. De meeste Oostenrijkers spelen bijvoorbeeld in Duitsland en van de 23 Ieren spelen er 22 in Engeland. Dit geldt in iets mindere mate ook voor de Noord-Ieren en de mannen uit Wales. Ook de Belgen en de Albanezen spelen bijna allemaal in buitenlandse competities. Alle Engelse spelers spelen daarentegen bij Engelse clubs en ook de Turken, de Russen, de Oekraïners en de Italianen zijn in hoge mate  honkvast. Grote landen met grote competities trekken dus veel spelers van kleinere, omringende landen aan.

Een andere opvallende verschijning is de multiculturalisering van de landenteams. Afgaande op de namen van de spelers zie je in een groot aantal selecties een keur aan verschillende culturen en ‘afkomsten’. Vooral landen als Duitsland, Engeland, Zwitserland, België en Frankrijk laten dit zien: rijkere, West-Europese landen, vaak ook met een koloniaal verleden. In die zin vormt het Europese voetbal een goede afspiegeling van de verandering die ons continent de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. De volkssport voetbal refelcteert het hedendaagse, stedelijke straatbeeld.

Ten slotte, om toch nog een Hollands tintje te ontwaren, valt het op dat sommige spelers een achternaam hebben die we ook in het Nederlandse woordenboek aantreffen. Als je al die namen samenvoegt kun je een elftal samenstellen dat een soort Oranje schaduw-team  vormt. Als je niet weet voor wie je moet juichen, kun je altijd nog deze spelers aanmoedigen.  Hieronder de opstelling op basis van de betekenis van de achternamen.

Doelman: Berg (Zweden); bijna niet te passeren

Vleugelverdedigers: Rat (Roemenië) en Rog (Kroatië); meedogenloze mandekkers

Centrale verdedigers: Hart (Engeland) en Allen (Wales); samen het blok achterin

Middenveld: Long (Ierland); de loper/ Klein (Oostenrijk); behendige dribbelaar/ Insigne -de aanvoerder- (Italië)

Linksvoor: Lustig (Zweden); kwistig met mooie passes

Rechtsvoor: Lila (Albanië); kleurrijke speler

Spits: Lang (Zwitserland); alle hoge ballen op hem

Op de bank: Mor (Turkije); wil spelen! en Mak (Slowakije); is al blij dat hij bij de selectie zit.

NL11 Alternatief

Het alternatieve Nederlands Elftal

 

Veel plezier bij het EK!

And may the best team win!

 

 

 

Gastdocent in Litouwen

Dankzij een Erasmus-samenwerkingsverband van mijn hogeschool met een zuster-instelling in Litouwen, mag ik een paar dagen naar Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, om daar enkele gastcolleges te verzorgen.

 

Litouwen is de zuidelijkste van de drie Baltische staten, grofweg gelegen langs de oostkust van de Oostzee; ingeklemd tussen Rusland, Wit-Rusland en Polen. Voor ons een verre uithoek van Europa, maar er zijn mensen die claimen dat het exacte geografische middelpunt van Europa zich in Litouwen bevindt.[1]  Litouwen is zowel gezien het aantal inwoners (3, 5 miljoen) als qua oppervlakte een klein land. Eén op de zes Litouwers woont in Vilnius, een levendige, relatief moderne stad met een aantrekkelijk oud centrum. Je vindt hier geen wereldberoemde monumenten, maar voor een paar dagen is er voldoende te doen en te zien. Mooie kerken, schilderachtige straatjes, interessante musea, een oude burcht, etc. De stad is moeilijk te plaatsen. Je zou een mix van Scandinavisch en Oost-Europees verwachten, maar dat is het niet echt. Het heeft een heel eigen sfeer die zich moeilijk laat beschrijven. Door de kleding, auto’s en winkels doet het eerder westers dan Oostblok-achtig aan. Er moet sinds de val van de Muur en de Litouwse onafhankelijkheid veel veranderd zijn. Hoe zou het er hier 50 of 100 jaar geleden hebben uitgezien? Opvallend zijn de vele trolley-bussen in het straatbeeld. En er is overal graffiti. Naast compleet nieuwe huizen zie je oude bouwvallen staan en het plaveisel heeft nogal wat gaten en hobbels. Veel huizenblokken hebben een binnenplaats met ruimte voor tuinen of geparkeerde auto’s.

DSC05499

DSC05506

DSC05476

 

 

 

 

 

 

 

 

De mensen zijn behulpzaam en bescheiden. Het voelt volledig veilig op straat. De mensen die ik heb gesproken zijn trots op de eigenheid van de Litouwse taal en cultuur (Litouws is geen Russisch dialect, maar een geheel zelfstandige taal met een eigen alfabet. En volslagen onbegrijpelijk). De geschiedenis van Litouwen is getekend door vele eeuwen van vreemde overheersing. Meest recentelijk de inlijving door de Sovjet-Unie vanaf de Tweede Wereldoorlog (met een onderbreking van een paar jaar door de nazi-bezetting). Het genocide-museum laat op indrukwekkende wijze zien tot welke uitwassen eerst de Duitse en later de Sovjet-overheersing heeft geleid.

DSC05565

Tekst op de muur van het “Genocide Museum’

De meeste Litouwers zijn blij dat die tijd achter de rug is en dat Litouwen sinds de val van de muur onafhankelijk is. Men kijkt dan ook met argusogen naar de huidige politiek van Poetin. “Na de Krim kunnen wij het volgende slachtoffer zijn”, wordt mij met grote zorg gezegd. Je bespeurt in dit land om die reden dan ook meer enthousiasme voor het EU- en NAVO-lidmaatschap dan in de meeste West-Europese landen.

Vilnius heeft twee grote universiteiten. De stadsuniversiteit en de Technische Universiteit (Vilnius Gediminas Technical University; onze zuster-instelling). De meeste faculteiten van beide universiteiten bevinden zich een kleine tien kilometer ten noordoosten van het stadscentrum in een bosrijke omgeving. Het doet een beetje denken aan de campus van de Universiteit Twente.

DSC05550

DSC05555

 

 

 

 

 

 

Tussen de bomen staan diverse oudere en nieuwe gebouwen. De meeste zijn zes, zeven verdiepingen hoog. In de oude panden zie je nog granieten trapportalen, geschilderde portretten van vroegere hoogwaardigheidsbekleders en krijtjesborden. De nieuwe zien er up-to-date en 21e eeuws uit. Op deze campus zijn ook de ‘dormatories’ voor de studenten en tal van voorzieningen, zoals sporthallen, cafetaria’s en bibliotheken.

De colleges zijn op verschillende dagen, in verschillende gebouwen en voor verschillende groepen. Het is dus even puzzelen om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. De onderwerpen zijn ook uiteenlopend. Ik had vooraf een aantal suggesties doorgegeven en men vond al de aangereikte thema’s interessant: van Reputatiemanagement en kanttekeningen bij Kennis-Houding-Gedrag tot een toelichting op mijn promotie-onderzoek naar EU-berichtgeving in Europese dagbladen. De studenten komen vrolijk pratend en op hun mobieltjes turend binnenlopen. Qua kleding hadden het ook Nederlandse studenten kunnen zijn. Ze zijn nieuwsgierig omdat er iemand uit een ver land voor de klas staat. Er wordt beleefd geluisterd, voorzichtig gelachen en wat terughoudend gereageerd op vragen. Je vraagt je daardoor af of en in hoeverre het college doel heeft getroffen. Maar gelukkig is er elke keer na afloop, tijdens een informeel nagesprek, wat meer persoonlijk contact en blijkt men zeer geïnteresseerd. Een groep vraagt zelfs of ik nog wat meer wil vertellen als het formele college voorbij is. Dat maak je in Nederland niet vaak mee.

Buiten de colleges om is er nog voldoende tijd voor sightseeing en afspraken met Litouwse collega’s. Ik heb vooral contact met een vice-decaan van de faculteit Creative Industries (hij staat in het midden van de fotocollage bovenaan). Hij heeft het programma voor me uitgestippeld en maakt me wegwijs. Een jonge, energieke man die me een avond uitnodigt voor een traditioneel Litouws gerecht. Geen haute cuisine, maar een stevig maal met haring, bieten, aardappelen en een soort spekpannenkoekjes. Op de laatste avond word ik uitgenodigd voor een barbecue die is georganiseerd door een studentenvereniging. Gelukkig is dit bij een faculteitsgebouw in het oude centrum, zodat ik niet weer de rit naar de campus in het bos hoef te maken.

DSC05594

Tijdens de barbecue krijg ik de kans om met nog wat Litouwse collega’s te spreken. De sfeer is vriendelijk en informeel. We praten over curriculumvernieuwing, didactische werkvormen, samenwerking tussen studierichtingen, internationalisering en de rol van het internet in het onderwijs. Interessant om te ervaren dat we met vergelijkbare problemen en uitdagingen te maken hebben. Maar er komen ook luchtiger onderwerpen voorbij, zoals het songfestival en de populariteit van Facebook. Van tijd tot tijd word ik begroet door studenten die ik bij de colleges heb ontmoet.

 

Dan valt me opeens iets bijzonders op: er wordt geen alcohol geschonken en gedronken. In Nederland zou er op een studentenfeest non-stop bier getapt worden, maar hier zijn alleen flesjes water en blikjes cola verkrijgbaar. Als ik aan een van de Litouwse docenten vraag waarom er geen alcohol wordt geschonken zegt hij: ‘we can also have parties without alcohol, and this way we don’t get any problems’. Een verfrissende reactie. Rond negen uur haken de meeste docenten af en ga ik ook terug naar mijn hotel.

De volgende ochtend vertrek ik vroeg naar de luchthaven voor mijn terugreis. Veel bijzondere ervaringen rijker.

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Geografisch_middelpunt_van_Europa

 

9 mei: reden voor feest in Europa?

9 Mei is een bijzondere dag in Europa.

 

 

 

 

Voor Russen is 9 mei een belangrijke feestdag. Zij herdenken de overwinning op nazi-Duitsland. Op 8 mei 1945 om middernacht tekenden vertegenwoordigers van het nazi-regime hun overgave. Omdat het toen in Moskou al 1  uur ’s nachts was, werd 9 mei uitgeroepen tot Dag van de Overwinning. Van de televisie kennen we de beelden van de grote overwinningsparade op het Rode Plein waarbij jaarlijks met groot militair vertoon de heldendaden worden herdacht en de macht van (eerst) de Sovjet-Unie en (later) de Russische Republiek wordt getoond.

9 mei 2015 parade Moskou

 

In West-Europa willen we nog weleens vergeten welke offers de Russen in die oorlogsjaren hebben gebracht en hoe belangrijk hun bijdrage was aan het definitief verslaan van Hitler. Voor de Russen moet het bijzonder zijn geweest dat zij tot twee keer toe een grote westerse mogendheid het hoofd wisten te bieden. Eerst Napoleon en daarna Hitler. Daar mogen land en bevolking heel trots op zijn. Natuurlijk is er ook een donkere schaduwkant. De leiders van de Sovjet-Unie grepen deze overwinning aan om de grootsheid van hun communistische systeem te etaleren en hun territoriale vleugels in Oost-Europa uit te slaan. De bevrijding werd een bezetting. Oost-Europa kwam onder Sovjet gezag te staan. Overal werd elke vorm van kritiek en verzet hardhandig de kop ingedrukt. Dat veranderde pas met de val van de Muur in 1989. Zo bezien is 9 mei in Oost-Europa een feestdag met een zwarte rand.

 

Voor de Europese Unie is 9 mei de Dag van Europa. De EU kent officieel vier symbolen (en de Euro als vijfde, niet-officiële):

–          de blauwe vlag met de twaalf sterren

–          het motto ‘in verscheidenheid verenigd’

–          de hymne (uit de negende symphonie van Beethoven; ‘Alle Menschen werden Brüder’)

–          de Dag van Europa (9 mei)

EU symbols_nl

http://europa.eu/publications/slide-presentations/index_nl.htm

Er is voor deze datum gekozen omdat op 9 mei 1950 de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken een belangrijke persverklaring aflegde. Het was de vooraankondiging van de vorming van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), één van de voorloper van de Europese Unie.

In de Verklaring van 9 mei 1950 staat:

‘De wereldvrede kan alleen worden beschermd door een krachtsontplooiing die evenredig is aan de gevaren die haar bedreigen.’ ‘Door de gezamenlijke productie van de oorlogsindustrieën onder gezag te plaatsen van een nieuwe Hoge Autoriteit, wier beslissingen bindend zijn voor Frankrijk, Duitsland en de andere landen die zich aansluiten, legt dit voorstel de eerste concrete fundamenten voor een Europese federatie, die onontbeerlijk is voor het handhaven van de vrede.’ (Bron: https://www.europa-nu.nl/id/vhkfc9n88ty2/9_mei_dag_van_europa )

In dit opzicht kan 9 mei 1950 beschouwd worden als de geboortedatum van het Europese samenwerkingsproject dat uiteindelijk heeft geleid tot de EU zoals we die nu kennen. Er zullen niet veel mensen zijn die deze dag als zodanig kennen en vieren. Geen parades en festivals in Brussel en Straatsburg. Geen vlagvertoon en volksfeesten in de hoofdsteden van de lidstaten. Ondanks de invloed en betekenis van de EU op het leven van honderden miljoenen Europeanen, is 9 mei voor de gemiddelde Europeaan een onbekende feestdag.

 

De verbinding tussen beide 9 mei vieringen is de Tweede Wereldoorlog. Voor de Russen de overwinning op de nazi’s. Voor Schuman en de zijnen het einde van de strijd tussen Duitsland en Frankrijk.

Zou het niet mooi zijn als er in de toekomst een gemeenschappelijke, betekenisvolle 9 mei viering in Europa zou komen. Van Oeral tot Ierland en van Lapland tot Lampedusa. Niet met de schaduwkant van bezetting of overheersing waar Oost-Europa onder geleden heeft en vrij van de euroscepsis die er nu in West- en Midden Europa rondwaart. Maar een feestdag waarop alle Europese landen en bevolkingen vieren dat ze elkaars grenzen en eigenheid respecteren, dat onderlinge problemen niet met wapens worden uitgevochten en dat gezamenlijke uitdagingen in goed overleg en naar vermogen worden opgepakt. Dat lijkt mij een prachtige feestdag waarvoor ik graag de straat op zou gaan.

 

Het Oekraïne-referendum deugt niet

 

“Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn”

 

 

Wij mogen in Nederland op 6 april a.s. Ja of Nee zeggen tegen het associatieverdrag van de EU met Oekraïne. Dat lijkt aantrekkelijk. Een referendum maakt de tongen los en vraagt om een simpel Ja of Nee. Een tovermiddel om media, politiek en publiek op te zwepen; een soort The Voice of Holland. Een referendum is democratisch bovendien: de burger mag zich direct uitspreken en de meeste stemmen gelden. Maar is het wel zo’n ideaal middel? En past het wel in de internationale context van de EU? Laten we een paar zaken op een rij zetten.

Een referendum is een referendum zou je denken, maar bij nadere bestudering vallen toch ook verschillen op.

De recente Zwitserse referenda (over het uitzetten van allochtone criminelen en over de bouw van een tweede Gotthardtunnel) zijn besluitvormend en hebben niet direct betrekking op andere landen. Natuurlijk zullen bij het uitzetten van criminelen andere landen betrokken zijn en leidt ook de nieuwe Gotthardtunnel tot een betere verbinding met Italië, maar verder blijft het een Zwitsers onderonsje. Er worden voors en tegens gewogen en het volk mag de knoop doorhakken. En die keuze wordt uitgevoerd.

Het referendum-initiatief van de Britse premier David Cameron is van een andere orde. Hij heeft met zijn collega-regeringsleiders in Brussel onderhandeld over nieuwe voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk lid kan blijven van de EU en hij legt de uitkomst van deze afspraak binnenkort voor aan het Britse volk. Een eventuele Brexit heeft natuurlijk gevolgen voor alle overige EU-lidstaten, maar al deze landen kunnen alleen maar toekijken wat de Britse kiezer op 23 juni a.s. gaat beslissen. Dat is een minpunt.  Maar daar staat tegenover dat het natuurlijk niet vreemd of ongepast is als de inwoners van een land zich een keer duidelijk mogen uitspreken over de wenselijkheid van een lidmaatschap van een internationale organisatie.

Weer anders is het Oekraïne-referendum in Nederland. Deze volksraadpleging stelt een besluit ter discussie dat al eerder in EU-verband door alle EU-lidstaten in gezamenlijkheid is genomen. Het referendum wordt hier gehanteerd als een soort noodrem om een genomen besluit mogelijk terug te draaien.

IMG_1554

Flyerende Oekraïense student in de trein

De genoemde voorbeelden laten zien dat er referenda zijn in soorten en maten: over nationale en over internationale kwesties; en referenda voorafgaand aan besluitvorming of achteraf (correctief). Het is het karakter van het referendum dat bepaalt of de inzet van dit politieke instrument meer of minder zinvol is. Hoe meer nationaal (dus zonder afhankelijk te zijn van internationale afspraken) hoe zuiverder. En liever vooraf en bindend (dan doet je stem er echt toe), dan achteraf en raadgevend (dan weet je niet wat er met je stem gaat gebeuren).

      Tabel: vier typen referenda

Nationaal thema

Internationaal thema

Vooraf/bindend

A

B
Achteraf/raadgevend C

D

 

Zo bezien behoort het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne tot de meest ongelukkige categorie. Het is een volksraadpleging achteraf waarbij internationale partners betrokken zijn. De deal is al gesloten, alle regeringen en parlementen binnen de EU hebben al Ja gezegd. Maar toch gaat Nederland, als enige EU-lidstaat, zich hierover uitspreken via een referendum. Dat lijkt op nationaal niveau democratisch, maar het pakt op Europees niveau juist ondemocratisch uit, omdat het de reguliere besluitvorming in 28 landen onderuit kan halen. De initiatiefnemers van dit referendum willen dus eigenlijk onder een al gemaakte afspraak uit zien te komen. Dit is niet netjes ten opzichte van onze 27 EU-partners en niet netjes ten opzichte van Oekraïne.

Oekraine

En dan is er nog het associatieverdrag zelf. Een dik pakket afspraken, waarvan belangrijke onderdelen (met name de handelsbepalingen) onder de bevoegdheid vallen die lidstaten aan de EU hebben overgeheveld en dus niet ter discussie gesteld kunnen worden. Maar los daarvan is niet duidelijk waarom mensen Ja of Nee zullen zeggen. Stemmen mensen Nee omdat ze het met een enkele  passage niet eens zijn? Of wordt het Nee als men vindt dat we in principe niet met Oekraïne verdragen moeten sluiten? Of zeggen mensen Ja omdat ze Poetin niet vertrouwen? Wie het weet, mag het zeggen. Ten slotte is er de hamvraag wat er met de uitslag gaat gebeuren. Voor een geldige uitslag moet er een opkomst zijn van minstens 30%.Wat nu als de opkomst 29% is, maar de uitslag is overduidelijk NEE; en wat als de opkomst 31% is en JA en NEE houden elkaar in balans? Wederom: wie het weet, mag het zeggen. Op de website van de Rijksoverheid staat de volgende passage: “Stemt een geldige meerderheid tegen het akkoord? Dan zal het kabinet beslissen of het de uitslag gaat overnemen. De inhoud van het maatschappelijk debat over het akkoord zal daarbij een belangrijke rol spelen.”[1] Hoe wil men dat wegen? Onduidelijkheid troef!  Als je niet duidelijk en zuiver kunt bepalen waar men Ja/Nee tegen zegt, is de uitslag van het referendum bij voorbaat weinigzeggend. En als bovendien niet duidelijk is wat er met de uitslag gaat gebeuren, ben je nog verder van huis. Dat alles zien we bij uitstek bij het referendum in Nederland over het associatieverdrag met Oekraïne. Een hoogst ongelukkige en ondeugdelijke volksraadpleging waarmee niemand iets opschiet, ongeacht de uitslag. Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn.

 

Wat dan wel?

Je mag toch hopen dat er over een maand niet weer zo’n initiatief ontstaat. Een referendum over TTIP, over Schengen, over Poolse loodgieters, over CO2-uitstoot. Als we ons druk maken over deze zaken (en dat is prima!), moeten we dat niet pas na afloop doen als er al afspraken zijn gemaakt. Dan moeten we alert zijn tijdens het proces van onderhandeling en besluitvorming. Maar haast niemand neemt daar de tijd en de moeite voor. Media, publiek en veel politici laten het massaal afweten. Er wordt bezuinigd op Brusselse redacties, Tweede Kamerleden hobbelen achter de feiten aan en de gemiddelde Nederlander heeft geen idee wat er speelt.

Daar zit de kern van het probleem. We moeten wat mij betreft geen paardenmiddel of breekijzer zoals het correctief referendum gebruiken, maar initiatieven nemen voor een veelzijdig debat over Europese samenwerking. Pas door de euro-crisis en het vluchtelingenvraagstuk lijken we te hebben ontdekt dat de EU heel belangrijk is. Dat grote belang moet zich vertalen naar royale media-aandacht, hoge maatschappelijke betrokkenheid en uitgesproken politieke stellingnames. Dat klinkt hoogdravend en veelgevraagd, maar het is nodig om een volwassen openbaar debat over de agenda van de Europese Unie en over de plus- en minpunten van Europese samenwerking te kunnen voeren. We zullen in Nederland en in Europa moeten bepalen onder welke condities en in welke mate we het proces van Europese samenwerking willen vormgeven. Simpele Ja/Nee-vragen doen geen recht aan de veelzijdigheid en veelkleurigheid van die discussie. Sterker nog, het zou zonde zijn om dat broodnodige debat te smoren met een bot instrument als het correctief referendum.

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/associatieakkoord-oekraine/inhoud/oekraine-referendum

 

Geven en Nemen of Delen

 

Marjoleine de Vis schreef in de NRC van 16 januari j.l. een bijzondere reactie op de massale aanrandingen in Keulen.[1] Aan de hand van het trefwoord ‘intimiteit’ plaatst zij de gewelddadige gebeurtenissen in Keulen in een man-vrouw context zonder daarbij naar andere culturen of religies te kijken. Niet om te relativeren of te bagatelliseren. Integendeel, de Vos is duidelijk: “een vreemde man die een vrouw in haar billen knijpt, verricht een daad van agressie. Altijd.” In de beschouwing van de Vos vormen ons eigen denken en onze eigen woorden het uitgangspunt. De Vos geeft diverse voorbeelden van hoe we zijn opgevoed en grootgebracht met verhalen over vrouwen die zijn vernederd en beschadigd. Ze noemt daarbij ook de mythologische wordingsgeschiedenis van Europa zelf. Europa was een koningsdochter uit het Midden-Oosten (waarvandaan nu de vluchtelingen komen). Zij werd geschaakt door de Griekse oppergod Zeus (vermomd als een witte stier) die haar ontvoerdde naar Kreta en verkrachtte. In Engelstalige bronnen wordt deze gebeurtenis aangeduid als ‘the rape of Europe’, waarbij het woord rape (verkrachting) verwant is aan ons woord roof.[2] Opmerkelijk genoeg is de bron van onze Europese beschaving dus een verkrachtingsverhaal. Een verhaal dat door talloze kunstenaars is verbeeld.

Rubens_-_El_rapto_de_Europa

Rubens: de roof van Europa

Hilversum Sportpark

Hilversum, Sportpark

Europa and the Bull circa 1845 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851

Turner: Europa and the Bull

Door de eeuwen heen hebben dergelijke verhalen (denk ook aan de klassieke verhaal van de Sabijnse maagdenroof) ons denken voor een belangrijk deel bepaald. De Vos illustreert dit met de woorden ‘geven’ en ‘nemen’: “of we het nu leuk vinden of niet: een vrouw geeft (zich), een man neemt (haar). Daar zit een merkwaardige ongelijkheid in. Geeft een man zich niet? In de intimiteit wel, maar daarbuiten kennelijk niet, wat hij ook doet. Maar een vrouw wordt altijd genomen, met of zonder toestemming. Zij heeft niet dezelfde mogelijkheid om haar intimiteit af te schermen….. Intimiteit is een groot goed. En dan bedoel ik misschien nog wel het meest het recht, en de behoefte, om dingen voor jezelf te houden, of alleen te delen met wie je daarvoor hebt uitgekozen.”[3] De Vos schetst hoe in onze cultuuroverdracht de man als actieve partij (hij neemt) wordt gezien en de vrouw als passieve partij (zij wordt genomen).

Deze beschouwing van de Vos (en haar duiding van de woorden geven en nemen) deden mij denken aan de colleges Inleiding Communicatie die ik ieder jaar verzorg voor eerstejaars studenten. Ik leg daarbij de termen ‘zender’ en ‘ontvanger’ uit. In klassieke zin is de zender actief en de ontvanger passief. Met de komst van internet en sociale media het steeds moeilijker wordt om die twee termen te scheiden. Dankzij internet is iedereen zender en ontvanger tegelijk. Effectieve communicatie draait tegenwoordig minder om eenzijdige, zender-gedreven communicatie, maar des te meer om delen: dialoog, conversatie en co-creatie. Mijn luchtige slotbetoog daarbij is dat je goede communicatie in dat opzicht met goede seks kunt vergelijken: de liefde moet van twee kanten komen. Ik leg daarbij uit dat de woorden communicatie en gemeenschap niet voor niets eenzelfde betekenis in zich dragen. Daarbij zijn er in de communicatie ook ‘ongewenste intimiteiten’ zoals de stapels drukwerk in de brievenbus. Reclame wordt vaak gezien als verleidingskunst en sommige lobby-activiteiten lijken sterk op stalking. En het draaien of framen van woordvoerders is soms te vergelijken met ontrouw en valse beloftes in een relatie. Natuurlijk leveren deze vergelijkingen gegrinnik op in de collegebanken. En ik heb gemerkt dat de parallellen blijven hangen. Het wordt in latere jaren nog wel eens door een ouderejaars student gememoreerd.

Terug naar het serieuze relaas van Marjoleine de Vos. Nogmaals een citaat: “Een moeilijk punt is dat vrouwen nu eenmaal zwakker zijn dan mannen. Begeerde vrouwen met geweld nemen, is dus iets dat altijd is gebeurd en zal gebeuren.” Als je verder nadenkt over dit thema, met ‘Keulen’ in het achterhoofd, zou je kunnen betogen dat we des te gemotiveerder moeten zijn om te streven naar meer gelijkwaardige relaties en naar het onvoorwaardelijk bestraffen van inbreuken op onze intimiteit, zowel op privé-vlak als in de publieke ruimte (op straat, bij het station, in een café, op kantoor). Ons denken over mannen en vrouwen zou uit moeten gaan van gelijkwaardigheid, respect en delen. Anders gezegd: niet geven of nemen, maar delen.

Als we ons niet willen laten regeren door geweld en de macht van de sterkste, is open en eerlijke communicatie een lonkend alternatief. Jürgen Habermas lanceerde in dit verband in de jaren ’80 de term  herrschaftsfreie Kommunikation.[4] Van recentere datum is de term Geweldloze communicatie (Marshal Rosenberg). Goede communicatie is gebaat bij gelijkwaardigheid tussen de betrokken partijen en het beperken van communicatieve uitwassen. Anders gezegd: niet zenden of ontvangen, maar delen.

Hierbij doet zich het opmerkelijke feit voor dat communicatie, in tegenstelling tot veel andere gebieden, een maatschappelijk terrein is waarop mannen en vrouwen in principe gelijkwaardig zijn. Sterker nog, vaak zijn vrouwen beduidend beter in het beheersen van de vele facetten van communicatie dan mannen. Geen wonder dat er zoveel succesvolle vrouwen in dit vakgebied rondlopen en dat er zoveel meiden voor een communicatie-opleiding kiezen. Een bijzonder, hoopvol gegeven in een tijd waarin zoveel debat is over de bedreiging van de bewegingsvrijheid van vrouwen.

 

[1] http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/16/de-vrouw-geeft-zich-de-man-neemt-haar-1576541

[2] Ik schreef hierover in een eerder blog: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326

[3] Ik onderstreep het woord delen, omdat ik dit later opnieuw zal gebruiken.

[4] Interessant genoeg betekent Herrschaft heerschappij; een heerschap is eerder een heer dan een dame.

Suiker, een bitterzoet verhaal

 

 

 

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Mijn eerste reis naar Cuba kent een overstap in Madrid. De vluchtduur vanaf Spanje is ruim 10,5 uur. Het inflight magazine van de airline biedt me een half uurtje verstrooiing. Eén artikel is gewijd aan de tien statussymbolen van rijke Europeanen in de 17e en 18e eeuw. Tot mijn verbazing lees ik dat ‘zwarte tanden’ tot de top 10 behoren. Suiker was een luxe artikel in die tijd en men nam de schadelijke effecten van het zoete goedje op je gebit voor lief. Sterker nog, men pronkte graag met z’n aangetaste tanden om te laten zien dat men welgesteld was. De suiker in die tijd kwam hoofdzakelijk van koloniale rietsuikerplantages.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Christoffel Columbus zet in 1492 in naam van de Spaanse koning als eerste westerling voet op Cubaanse bodem. Tientallen jaren later is de complete inheemse bevolking weggevaagd: uitgemoord door de Spanjaarden of bezweken aan Europese ziektes. Onder de Spaanse veroveraars van Midden en Zuid-Amerika groeit Havana (is die naam verwant aan het Nederlandse woord ‘haven’?) uit tot een belangrijke overslaghaven. Goederen uit Europa worden daar aangevoerd om vervolgens verder verspreid te worden over de koloniale territoria. Andersom worden de opbrengsten uit de Amerikaanse koloniën naar Havana verscheept om van daaruit naar Spanje te worden gebracht.

DSC04767

Haven van Havana, 2015

 

 

 

 

 

 

Al snel komt daar een derde stroom bij: slaven uit Afrika; nodig voor het zware werk in de mijnbouw en op de plantages. Zo ontstaat de zogenaamde intercontinentale driehoekshandel Europa-Afrika-Amerika, waarbij de elkaar fel beconcurrerende koloniale mogendheden uit Europa torenhoge winsten opstrijken en Afrikaanse slaven een zware prijs betalen. Zij worden als vee verhandeld en verscheept om vervolgens onder mensonwaardige omstandigheden ver van huis afgebeuld te worden. De Nederlanders spelen in die jaren een grote rol in de slavenhandel. Een detail in die geschiedenis is de verovering door Piet Hein van een Spaanse zilvervloot in 1528 voor de Cubaanse kust. Deze roof was zeer profijtelijk voor Piet Hein en de Republiek (de opbrengst kwam deels ten goede aan de vaderlandse opstand tegen Spanje). Dankzij het bekende Zilvervloot-lied van Viotta en Heije heeft de zeerover Piet Hein in Nederland heldenstatus gekregen. Nog steeds wordt dit lied aangeheven tijdens sportwedstrijden of op Koninginnedag/Koningsdag. En wie heeft er niet als kind een Zilvervloot-rekening gehad? De Spanjaarden lagen niet lang wakker van dit eenmalige verlies en de Nederlanders hadden, buiten de slavenhandel, nauwelijks een vinger in de Latijns-Amerikaanse pap.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Bij de Zuid-Cubaanse staf Trinidad krijgen we een rondleiding op een voormalige suikerplantage in de Valle de los Ingenios. Onze gids is een Nederlander die al langere tijd in Cuba woont (“dankzij amor ”, zoals hij zelf zegt). Hij brengt ons naar deze plek omdat hij deze interessanter vindt dan de meer toeristische, gerestaureerde plantage-landhuizen in de vallei. In de 17e en 18e eeuw werd de rietsuikerbouw zo lucratief dat vele hectares bos werden gekapt om plaats te maken voor rietsuikervelden. Duizenden slaven, voornamelijk uit West-Afrika, werden naar Cuba verscheept om het zware werk te doen. Op deze locatie zijn zowel de restanten van het landhuis te zien als van de suikermolen (inclusief stookovens en irrigatiekanalen) en de slavenverblijven. Alleen de fundamenten en de omtrekken van deze krappe behuizingen zijn nog te zien. De slaven woonden opeengepakt in kleine stal-achtige hutjes. We staan er met onze neus bovenop. Je kunt je hier een begin van een voorstelling maken van het ellendige leven van slaven op een toenmalige plantage. Ondanks de andere setting doet het me denken aan de concentratiekampen die ik in Europa heb gezien, maar dan op kleinere schaal.

DSC05157

Slaven-verblijven

DSC05176

Enkel-ketens

DSC05139

Wachttoren

 

Onze gids geeft aan dat de Cubaanse overheid weinig belangstelling (en middelen) voor dit aspect van de Cubaanse geschiedenis heeft en dat de lokale bevolking nauwelijks op de hoogte is. Geschiedenis in Cuba is verdeeld in twee tijdvakken: voor en na de revolutie van 1959. Alle vormen van kolonialisme en onderdrukking uit het verleden worden op één hoop gegooid en bestempeld als ‘imperialisme’. En alle vormen van verzet en opstand vallen onder de noemer ‘revolutie’. Allemaal vanuit het ongenuanceerde perspectief van de Castro-clan.  Door de groei van het toerisme en dankzij steun van UNESCO ontstaat er langzamerhand meer aandacht voor deze fase van de geschiedenis en meer besef voor wat er zich hier heeft afgespeeld.

 

Amsterdam-Batavia-Amsterdam

Tijdens mijn studie vormde ik met drie mede-studenten de zogenaamde Suikergroep. Wij bestudeerden het 19e eeuwse Cultuurstelsel in Nederlands-Indië en dan met name de suikerteelt op Java. Nederland was in de koloniale tijd zoals gezegd niet erg dominant in de West, maar des te meer in de Oost. Dankzij het Cultuurstelsel pikte ook Nederland een graantje van de wereldsuikerhandel mee. Het Cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd. Het was een verkapte vorm van slavernij. De lokale bevolking werd gedwongen om 20% van haar (vaak beste) landbouwgrond in te zetten voor het verbouwen van producten voor de Europese markt. Wie geen grond bezat moest 66 dagen per jaar werken voor Nederlands belang. Naast suiker ging het hierbij vooral om koffie. Het Cultuurstelsel werd de spreekwoordelijke kurk waar de Nederlandse economie op dreef in de 19e eeuw. Het volgens velen beste boek uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij van Multatuli, is één grote aanklacht tegen de uitbuiting van de inheemse bevolking door het Cultuurstelsel. Niet voor niets is in onze tijd de naam Max Havelaar gekozen als keurmerk voor Fair Trade producten.

Max Havelaar

Rond 1870 werd het Cultuurstelsel beëindigd, maar nauwelijks ten gunste van de Indische bevolking. De suikerbouw (geregeld in de Suikerwet van 1870) kwam nu in de handen van particuliere Europese bedrijven. De baten gingen naar deze particulieren en de Nederlandse staat. De suiker werd verwerkt in Nederlandse raffinaderijen.

 

Havana-Madrid-Amsterdam

Op de terugweg krijgen we bij de overstap in Madrid voor het eerst in twee weken Nederlandse kranten onder ogen. Twee berichten vallen me op.

In de eerste plaats een nieuwsbericht over de weerstand die er onder winkeliers in Halfweg bestaat tegen de komst van een Factory Outlet in SugarCity op het terrein van de voormalige CSM suikerfabriek. Halfweg en suiker gaan hand in hand. De eerste suikerfabriek in Halfweg opende in 1863 (ten tijde van het Cultuurstelsel) zijn deuren. Op een strategische locatie: dichtbij de Amsterdamse haven en naast de oudste spoorlijn in Nederland: Haarlem-Amsterdam.

Het tweede bericht gaat over bekende Nederlanders die in 2015 zijn overleden. Drs P (in Zwitserland geboren!) is één van hen. Dankzij al de suikerverhalen in mijn hoofd moet ik onwillekeurig denken aan zijn lied De meisjes van de Suikerwerkfabriek uit 1958.  Het is bekend geworden door vertolkingen van Gerard Cox (1966) en van Adèle Bloemendaal (1970).

adele_bloemendaal-de_meisjes_van_de_suikerwerkfabriek_s

 

Een dubbelzinnige tekst:

Zo wordt dikwijls ons verteld
Maar ik wil u demonstreren
Dat het anders is gesteld
Dagelijks ziet men wachten
Bij een groot fabrieksterrein
Die het snoepen niet verachten
Doch er dol op zijn
Want slaat de klok vijf uur
Dan roepen zij vol vuur

refr.:
Daar zijn de meisjes, ja de meisjes van de suikerwerkfabriek
In dat suikerwerk heeft elke heer wel zin
Dus staan wij altijd bij de uitgang van de suikerfabriek
Want de snoepjes van Jamin
Die pak je uit en pik je in

De schrijfster Tessa de Loo leende de titel van dit lied voor een van haar verhalen in de gelijknamige bundel uit 1983. Het verhaal gaat over vier vrouwen die werken in een suikerwerkfabriek en die hun teleurstellende ervaringen met mannen met elkaar delen. Een perspectief dat haaks staat op dat van Drs. P.

Kennelijk is het werk in de suikerindustrie ook in de 20e eeuw nog steeds niet bepaald plezierig, al is er geen sprake meer van slavernij. Tessa de Loo omschrijft het als volgt: “Op de fabriek waren alle dagen eender. Zo snel als de band liep, zo traag verliep de tijd….Het was alsof we in een reusachtige smidse in het binnenste van de aarde werkten, koortsachtig de raderen smerend om haar draaiende te houden, onbewust van wat zich aan haar oppervlakte afspeelde”). Dit doet denken aan het bekende toneelstuk Suiker van Hugo Claus uit 1958. Ook hier wordt de entourage gevormd door het zware, eentonig werk op een suikerfabriek. Bij Claus gaat het om de lotgevallen van buitenlandse seizoensarbeiders in een Noordfranse suikerfabriek: “Ik ben log, een suikerwerker op twee poten, en met twee poten naar voren die bieten op karren laden en bieten in spoorwagens krabben met een riek. Ik stink naar de bieten, ik krijg die bietenlucht niet uit mijn kleren,niet uit mijn haar”).

Tessa de Loo                                              Suiker Hugo Claus

 

 

 

 

 

 

Zo blijkt suiker door de eeuwen heen een omstreden goed. Een verslavend slavenproduct. Zoet en bitter. Wit en zwart. Goed en slecht. Verleidelijk en afstotend.

 

Naschrift 21 september 2016:

Onlangs zag ik op televisie een reportage over Suriname waarin ook de schrijfster Cynthia McLeod een rol speelde. Haar debuut-roman uit 1987 heet ‘Hoe duur was de suiker’ en handelt over de koloniale suikerproductie in het 18e eeuwse Suriname.

Een prachtig spoor: de bolwerken van Amsterdam

Een week geleden, op 15 november j.l., overleed Rob van Reijn. Voor veel, met name jonge, mensen een volstrekt onbekende naam. Maar menig vijftigplussers zal meteen denken: de pantomimespeler. Rob van Reijn was namelijk vanaf de jaren ’60 een bekende verschijning op televisie en in het theater. Zoals Fred Kaps dè goochelaar van Nederland was en Sjoukje Dijkstra onze nationale heldin op kunstschaatsen, zo was Rob van Reijn de Nederlandse pantomimespeler par excellence. Het grote publiek zag hem regelmatig op televisie. De liefhebber kon hem bewonderen in het theater. In 1979 richtte hij zelfs zijn eigen theater in Amsterdam op. Zijn talent bracht hem ook naar het buitenland waar hij de nodige successen boekte. In 2000 vond zijn afscheidstournee plaats.

Rob_van_Reijn_(1989)

Nu moet ik bekennen dat ik niet zoveel met pantomime heb en ook nooit een fan van Rob van Reijn ben geweest. Maar het toeval wil dat ik ongeveer een half jaar geleden in een bibliotheek een boek van Rob van Reijn in handen had. Het boek, De Ommuurde Stad getiteld, handelt over de bolwerken van Amsterdam die in de 17e eeuw zijn aangelegd. Die titel trok mijn aandacht en toen ik de naam van de auteur zag staan dacht ik: ‘heee, die schrijver heeft dezelfde naam als de pantomimespeler!’ Maar al snel zag ik dat het om een en dezelfde persoon bleek te gaan.

De Ommuurde Stad

Amsterdam kende in de 17e eeuw een vijf meter hoge en acht kilometer lange stadswal die als verdedigingslinie om de grachtengordel was aangelegd. Waar het IJ aan de noordkant van het centrum een natuurlijke barrière vormde, moest de hoefijzer-vormige stadswal mogelijke bedreigingen uit de andere windstreken zien te weren en te keren. Deze linie werd omgeven door een zestig meter brede gracht. Verder kende de stadswal acht stadspoorten en 26 bolwerken. Een bolwerk  was een vijfpuntige uitbouw van de muur voorzien van zware kanonnen die (dankzij de vijfpuntige vorm van het bolwerk) in verschillende richtingen stonden opgesteld. Op bijna ieder bolwerk stond ook nog een molen.

Dit enorme geheel van muren, bolwerken en molens heeft tot in de 19e eeuw zijn functie behouden. De opeenvolgende uitbreidingen van de stad leidden ertoe dat de stadswal met zijn bolwerken en molens werd afgebroken. Bijzonder genoeg is het woord bolwerk in het Frans verbasterd tot boulevard: een bredere weg die werd aangelegd op de plek van voormalige vestingwallen (zoals in Parijs gebeurde in de 19e eeuw onder leiding van stadsarchitect Haussmann).

Rob van Reijn, naast pantomimespeler ook amateur-historicus, raakte geïnteresseerd in deze verdwenen verdedigingslinie en kwam op het idee om plaquettes te laten aanbrengen op de locaties van de voormalige bolwerken. Met medewerking van de gemeente Amsterdam en een groot aantal sponsors kon dit project worden gerealiseerd.  Bovendien schreef Rob van Reijn samen met Maarten Hell het genoemde boek over de geschiedenis van deze stadswal. Aan de hand van historische feiten, leuke weetjes en anekdotes komt het verdwenen monument weer tot leven.

18 Westerblokhuis

Het boek kan je ook gebruiken als een prachtige wandelgids die voert over de grens tussen het oude stadscentrum en de nieuwe wijken daarbuiten. Langs tal van bezienswaardigheden. Ook leuk om per fiets te doen.

Ik vind zoiets heel interessant. Ik hou er van om in steden dergelijke verwijzingen tegen te komen: sporen van het verleden. In een eerder blog schreef ik al over de Arago-route in Parijs.

Arago plaatje

Berlijnse MuurCamino schelp in Brussel

 

 

 

 

 

In andere steden kom je ook wel op straat markeringen tegen die te maken hebben met pelgrimsroutes of andere culturele dan wel historische verwijzingen. Denk aan Berlijn met de markering van waar de Muur stond. Het geeft je een besef van het bijzondere verleden van bepaalde locaties. Amsterdam heeft nu ook een bijzondere route: de route van de 26 bolwerken. Met dank aan Rob van Reijn. Hij heeft een prachtig spoor nagelaten.

P.S.

De Ommuurde Stad is inmiddels uitverkocht en niet meer verkrijgbaar. Het zou goed zijn als de uitgever met een nieuwe druk op de markt komt. De Bolwerken en Rob van Reijn verdienen dat.

 

 

Gebruikte bronnen:

https://www.amsterdam.nl/kunstencultuur/monumenten/monumenten-0/gebouwen-gebieden/bolwerken-amsterdam/

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_bolwerken_van_Amsterdam

 

http://www.lubberhuizen.nl/de-ommuurde-stad

 

Afrikaanse vluchtelingen: tussen wal en schip

Nieuwbericht 25 oktober 2015 (bron: NU.nl)

Aan de kust van Libië zijn de lichamen van 45 vluchtelingen aangespoeld. Dat heeft hulporganisatie Rode Halve Maan zondag bevestigd. Tot en met 15 oktober van dit jaar hebben volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) 137.000 mensen Italië bereikt, het grootste deel vanuit Libië in gammele boten. Meer dan 2.800 vluchtelingen kwamen bij de oversteek om het leven.

Ruim dertig jaar geleden rondde ik mijn studie Politicologie (afstudeerrichting Internationale Betrekkingen) af met een scriptie over het Afrikaanse vluchtelingenvraagstuk en de rol van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). Ruim drie jaar geleden  promoveerde ik op een onderzoek naar de berichtgeving in Europese dagbladen over de Europese Unie en de invloed daarvan op de publieke opinie. Op een bijzondere wijze lijken beide studies (scriptie en proefschrift) elkaar de afgelopen tijd te gaan raken. Niet alleen omdat ze allebei handelen over internationale, regionale samenwerkingverbanden, maar vooral omdat de huidige vluchtelingenproblematiek gekenmerkt wordt door grote stromen vluchtelingen die van het ene naar het andere continent trekken. En hoewel de aandacht in Europa momenteel vooral uitgaat naar Syrische vluchtelingen, moet het aantal vluchtelingen en migranten uit Afrika dat op de deur van Europa klopt niet worden onderschat. UNHCR gaat uit van vele tienduizenden in 2015. De huidige vluchtelingenproblematiek in Europa zet grote druk op de EU en trekt veel aandacht van politiek, media en publieke opinie. En zo begint de thematiek van mijn oude scriptie te corresponderen met het thema van mijn recente proefschrift. Proefschrift  Impressions of European Integration Ik probeer hieruit voorzichtig en bescheiden enkele lessen te trekken. Voorzichtig, omdat het hier gaat om grote, complexe, internationale vraagstukken. Bescheiden, omdat ik mezelf niet zou durven bestempelen als een deskundige. Ik kom in kranten en tijdschriften tal van analyses en opinies tegen, maar veelal niet vanuit de invalshoek die ik hier wil hanteren. Die invalshoek is ‘de staat van de staat’. Het komt er kort gezegd op neer dat de indeling van onze wereld gebaseerd is op natie-staten en dat niet iedere staat zijn inwoners een veilig of passend thuisland weet te bieden. Door problemen als oorlog, onderdrukking, discriminatie of armoede zoeken inwoners dan hun heil over de grens. Je zou dan kunnen spreken over een falende staat.

Daarnaast zijn er ook legio vraagstukken die niet passen bij de staat (of de maat) van de staat. Binnen een staat kunnen zich problemen voordoen waarvoor de staat te groot is of te dominant. Sommige zaken kun je veel beter op lokaal of regionaal niveau regelen. Dat kan soms uitmonden in een wens van een regio om geheel zelfstandig te worden (denk aan Catalonië of Schotland, maar ook aan vele voorbeelden van vroeger en nu in Afrika: Biafra, Eritrea, Zuid-Soedan). In sommige gevallen leidt dat tot bloedige strijd, ook in ons beschaafde continent Europa, zoals in Noord-Ierland, het uiteengevallen Joegoslavië of het huidige conflict in Oost-Oekraïne). Soms worden dergelijke knelpunten op vreedzame wijze opgelost: bijv. de deling van Tsjecho-Slowakije of pogingen om via een referendum zich af te splitsen (Schotland, Catalonië).

In andere gevallen menen staten dat ze eigenlijk recht hebben op een stuk land van de buren. Ook dat kan leiden tot spanningen en conflicten (en vluchtelingenstromen). De annexatie van de Krim door Rusland is hiervan is een bekend, recent voorbeeld.

Soms zijn problemen te groot om op nationale schaal opgelost te worden. Dat staat is daartoe zelf niet in staat. Soms proberen staten in zulke omstandigheden in internationale samenwerkingsverbanden tot oplossingen te komen. Dat gebeurt in uiteenlopende vormen en met wisselend succes. Samenwerken op internationaal niveau vergt spelregels die vaak niet aansluiten op nationale spelregels. Een meerderheid van de Tweede Kamer kan tegen extra steun voor Griekenland zijn, maar als de euro-groep toch tot een extra hulppakket besluit, kunnen onze volksvertegenwoordigers op het Binnenhof dat niet tegenhouden. Het probleem is dus dat je soms als land niet je zin krijgt. Dat kun je repareren met veto-procedures, maar die werken weer verlammend voor het samenwerkingsverband. Zo kon het gebeuren dat de Europese ministers onlangs bij meerderheid van stemmen een voorstel aannamen om vluchtelingen via een verdeelsleutel over de EU te verspreiden, terwijl vier lidstaten het daar niet mee eens waren. Democratisch op EU-niveau, ondemocratisch op nationaal niveau.

Vluchtelingenvraagstukken zijn per definitie grensoverschijdend. Ze vergen dus ook per definitie een internationale (in de letterlijke zin van het woord) benadering. Decennia geleden ging het in Afrika om miljoenen mensen die op drift waren geraakt. Tal van (vaak samenhangende) redenen speelden hierbij een rol: droogte, bevrijdingsstrijd, armoede, vervolging, etc. Die Afrikaanse vluchtelingen verplaatsten zich grofweg in drie richtingen.

  1. Inheems (mensen die binnen het land blijven, maar vluchten naar andere regio’s binnen de staatsgrens [1])
  2. Naar een buurland (de zogenaamde opvang in de regio; in Afrika gebeurde dit op zeer grote schaal, mede omdat er vaak ethnisch verwante groeperingen in een naburig land wonen; in de koloniale tijd werden grenzen vaak relatief willekeurig getrokken (citaat p.18)
  3. Naar een ander continent (in veel gevallen de vroegere koloniale mogendheden).

De OAE was in die jaren een relatief vrijblijvend platform waarop regeringsleiders belangrijke Afrikaanse zaken met elkaar bespraken, maar met één belangrijk uitgangspunt: non-interference. Je bemoeide je niet met andermans zaken. Met als gevolg dat er soms wel vriendelijk of dringend over probleemsituaties werd gesproken, maar zonder sanctiemogelijkheded. Men moest het hebben van overtuigingskracht, goodwill of senioriteit. Zo sprak de gerespecteerde Tanzaniaanse leider Julius Nyerere dat Afrikaanse leiders niet de schuld voor alle problemen bij de vroegere kolonisatie moeten leggen: “the refugees of Africa are primarily an African problem and an African responsibility” (uitspraak gedaan tijdens een vluchtelingenconferentie in 1979). Je zou wensen dat die uitspraak van Nyerere in 2015 door Afrikaanse staatshoofden en regeringsleiders zou worden omarmd.

Tegenwoordig is er op veel plekken in Afrika nog steeds sprake van gewapende strijd of armoede en doen vluchtelingenstromen zich nog steeds voor. Maar de Afrikaanse staten zijn wat minder jong en fragiel dan 30-40 jaar geleden. Sommige staten doen het ronduit goed. Ook doet de invloed van de koloniale periode zich inmiddels wat minder voelen, terwijl de agressieve aanwezigheid van militante islamistische groeperingen toeneemt. Tegen deze gemeleerde achtergrond dient een nieuw type vluchteling of migrant zich aan die niet in een andere regio of buurland zijn heil zoekt, maar naar Europa afreist en dan niet per sé naar het land van de voormalige kolonisator. Je zou hen migranten of gelukzoekers kunnen noemen.

In twee recente Nederlandse romans wordt hun lot besproken. Tommy Wieringa beschrijft de vluchteling Afrika in Dit zijn de namen, terwijl Ilja Leonard Pfeiffer veel ruimte biedt aan het relaas van Djiby in La Superba. Iedereen die wil weten wat er in hoofden van Afrikaanse migranten in Europa omgaat zou die passages moeten lezen.

We moeten helaas constateren dat aan beide zijden van de Middellandse Zee geen effectief migratie-beleid wordt gevoerd. Individuele staten zijn niet in staat om de grote migratievraagstukken van deze tijd op juiste wijze aan te pakken, noch in preventieve, noch in curatieve zin. Wat dat betreft hebben we interstatelijke samenwerkingsverbanden als de AU (zo heet de OAE inmiddels) en de EU hard nodig. Maar dan moeten ze wel goed functioneren en effectief optreden. En dat is ten aanzien van migratie jammer genoeg niet het geval. Het is de hoogste tijd dat de AU en de EU hun verantwoordelijkheid nemen. Want nu vallen de vluchtelingen uit Afrika in het gat dat staten en Unies laten vallen. Met als triest gevolg dat er maandelijks honderden Afrikanen bij hun oversteek verdrinken. Dat is gemiddeld elke maand een MH17.

tientallen-vluchtelingen-verdronken-bij-libie               [1] Naar schatting zijn er momenteel in Syrië zeven miljoen displaced persons

Minder, minder, minder

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden.

 

In maart 2014 veroorzaakte Geert Wilders de nodige opschudding (daar is hij goed in) door op de uitslagavond van de Gemeenteraadsverkiezingen tijdens een bijeenkomst van PVV-aanhangers in Den Haag aan de zaal te vragen of men meer of minder Marokkanen in de stad en in het land wilde hebben.  In antwoord op die vraag scandeerde de PVV-aanhang: “minder, minder, minder”, waarop Wilders riep: ”nou, dan gaan we dat regelen”.

Wat mij destijds bij alle commotie opviel was de betekenis van het woord ‘minder’. Op het eerste gehoor of gezicht denk je daarbij aan een kwantitatieve aanduiding, aan hoeveelheden. Als er van iets te veel is, wil je dat het minder wordt. Te veel regen, te veel belasting, te veel huiswerk: dat mag wel wat minder.

Maar er zit ook een kwalitatief aspect aan het woord ‘minder’. Die betekenis ligt dichtbij de aanduiding ‘minderwaardig’. Ik heb het idee dat het bij Wilders en zijn aanhang vooral over die kwalitatieve kant ging en gaat. Marokkanen en moslims als een mindere soort. En daar wil je er dan natuurlijk ook kwantitatief minder van in je omgeving hebben. Als dat aspect niet zou meespelen, zou je er ook niet minder van willen hebben. Anders gezegd, de ‘minder, minder, minder’-mantra lijkt een kwantitatieve oproep, maar er zit een diskwalificerende kwalitatieve laag onder. Die diskwalificatie gaat in de kern niet om wat bepaalde mensen doen, stemmen, produceren of voortbrengen, maar om wie die mensen zijn en waar ze vandaan komen.

Langs precies diezelfde lijn riep Wilders in 2012 het meldpunt Polen, Roemenen en Bulgaren in het leven. Iedereen die last had van mensen van deze komaf kon bij het PVV-meldpunt aangifte doen. Het meldpunt werd dus niet ingericht op basis van gedragingen van mensen of van specifieke maatschappelijk problemen (bijv. autodiefstal, illegale hennepteelt, kindermisbruik), maar op basis van de afkomst van mensen. In sporttermen gezegd: Wilders speelt op de man en niet op de bal. Dat geldt in de sport als een overtreding en verdient een gele kaart. Net als bij de ‘minder, minder, minder’-uitspraak ging het bij dit meldpunt primair om wie mensen zijn en waar ze vandaan komen. Zo worden groepen mensen op basis van hun afkomst bij voorbaat verdacht gemaakt. Stel je voor dat we een meldpunt-Brabanders zouden instellen en elke misstap en overtreding zouden registreren die door Brabanders worden veroorzaakt. Dan zouden we binnen een week ook een hele waslijst kunnen opstellen. Of wat te denken van een meldpunt-roodharigen, een meldpunt-katholieken of een meldpunt-lesbiënnes?

Nu zou je verwachten dat door het gebrek aan succes van het Polen-meldpunt de PVV op andere manieren actie zou gaan voeren. Maar nee hoor, er is nu ook door de PVV een Meldpunt Asielzoekers ingesteld. Opnieuw wordt hiermee een groep door de PVV bijvoorbaat als verdacht aangemerkt. De azc’s zouden vol zitten met criminelen, verkrachters en terrorristen. Kortom, asielzoekers zijn minderwaardige mensen en daar willen we er minder, minder, minder van in ons land hebben.

Als we de moeilijke, complexe discussie over asielzoekers op deze manier gaan voeren en Wilders de boventoon laten voeren, gaat het de verkeerde kant op. Laten we beginnen in kwalitatieve zin vast te stellen dat asielzoekers mensen zijn, niet slechter of beter dan wijzelf. Laten we aan de andere kant ook signaleren dan we in korte tijd in Europa met enorm grote aantallen asielzoekers en migranten te maken hebben. Een groot kwantitatief vraagstuk. Als we allerlei emotionele kwalificaties weten te parkeren, komen we toe aan de meer praktische kant van deze omvangrijke problematiek. Laten we daarbij nuchter en eerlijk een aantal vragen aan de orde stellen. Wat is in kwantitatieve zin een redelijke verdeling van asielzoekers over plaatsen en wijken? Hoeveel migranten kunnen we de komende jaren nog verwachten? Wat vergt dit op het gebied van huisvesting, onderwijs en werk? Hoeveel geld gaat dit allemaal kosten? Wat kan Europa doen? En wat moet er in de regio’s gebeuren? Hoe maken we onderscheid tussen echte noodgevallen en minder urgente asielaanvragen? En hoe weren we criminelen en terrorristen?[1]

Deze vragen zijn niet gebaseerd op vooringenomen diskwalificaties van mensen, maar op reële knelpunten en uitdagingen die de huidige stroom asielzoekers en migranten met zich mee brengen. In mijn visie (en op het gevaar af in cliché’s te praten) kunnen we mensen niet hulpeloos laten verdrinken in de Middellandse Zee (in de afgelopen maand september ging het om ruim 300 dodelijke slachtoffers; tien per dag), maar aan de andere kant kunnen we ook niet alle mensen die om wat voor reden ook op drift zijn geraakt een goed onderdak in ons land of binnen ons continent bieden.

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden. We hebben realistische, standvastige maatschappelijke en politieke leiders nodig om het voortouw te nemen in dit debat. Mensen die zich niet laten leiden door onderbuikgevoelens en diskwalificaties, maar die ook niet allerlei ongemakkelijke vragen en problemen uit de weg gaan.

Helaas staan dergelijke leiders binnen het maatschappelijke en politieke krachtenveld van Nederland niet op en laten we Wilders het vuur verder opstoken.

 

[1] Ik heb me met deze opsomming mede laten leiden door de column van René Cuperus in De Volkskrant van 5 oktober j.l.