Categoriearchief: Europa

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 3: Economie

“Zo weinig omstreden als de interne markt door de jaren heen is geweest, zo controversieel -vanaf het begin- is de Euro. De Euro is wat dat betreft een goede graadmeter, een betrouwbare rekeneenheid,  voor het EU-sentiment geworden”

 

>>>>>  over kosten en baten <<<<<

 

 

Een van de meest voor de hand liggende vragen omtrent de EU is: wat levert het ons op? Naast idealisme, cultuur en historie speelt natuurlijk het huishoudboekje een grote rol in onze waardering van de EU. En laten we wel wezen, vanaf de jaren ’50 is de Europese samenwerking toch vooral opgezet als economisch project met de interne markt als hoofdthema. De oude naam Europese Economische Gemeenschap spreekt wat dat betreft boekdelen. Ook in het Verdrag van Maastricht (1992), het kantelpunt van oud (EEG) naar nieuw (EU), vormt de interne markt de basis van Pijler I: de bundeling van beleidsterreinen met de meest vergaande vormen van samenwerking. Bovendien nemen de Europese leiders in Maastricht het besluit tot de vorming van een munt-unie: de geboorte van de Euro. De Euro is, twintig jaar later, uitgegroeid tot het meest tastbare en herkenbare symbool van de EU. Meer nog dan de vlag, de hymne, het motto en 9 mei (Dag van Europa) bij elkaar.[1]

 

De geboorte van de Euro

Zo weinig omstreden als de interne markt door de jaren heen is geweest, zo controversieel -vanaf het begin- is de Euro. De Euro is wat dat betreft een goede graadmeter, een betrouwbare rekeneenheid,  voor het EU-sentiment geworden. Dat begon al in de aanloop naar ‘Maastricht’. De val van de Berlijnse muur in 1989 bracht de Duitse hereniging tot stand. Duitsland was nu veruit de grootste lidstaat. En als voormalig Oost-Duitsers opgenomen konden worden, hoe zat het dan met Hongarije en Polen en al die andere voormalige Oostblok-landen. Had West-Europa niet de dure plicht om de deze buren welkom te heten? Zo zorgde het verdwijnen van het IJzeren Gordijn voor twee kernvragen. Wat doen we met versterkte machtspositie van Duitsland en hoe gaan we met de landen in het Oostblok om? In die context werd het Euro-idee geboren, als middel om de Duitse expansie via verdere Europese integratie aan banden te leggen. Vooral Frankrijk had hier behoefte aan en in die jaren was de as Bonn/Berlijn-Parijs de onbetwiste spil van de Europese samenwerking. Voor Duitsland was het slikken of stikken. Kort door de bocht: de sterke D-Mark werd opgeofferd ten gunste van de Euro in ruil voor erkenning van de Duitse hereniging. In die zin wilde Frankrijk met de Euro meer politieke munt (verdere integratie) uit de situatie slaan dan economische. Op dat moment was een echte politieke unie niet haalbaar. Nederland had als gastland een opzet voor een Europese Politiek Unie samengesteld die op maandag 30 september 1991 door de andere lidstaten radicaal van tafel werd geveegd (deze datum staat sindsdien bekend als ‘Zwarte Maandag’). Maar zelfs zonder de context van een politieke unie was het Euro-initiatief voor meerdere lidstaten een brug te ver. Groot-Brittannië, Zweden en Denemarken haakten af. En in Frankrijk werd via een referendum met de hakken over de sloot (51%-49%) ingestemd met ‘Maastricht’.[2] Kortom, de Euro was vanaf de conceptie al omstreden.

 

Omstreden berekeningen

Deze voorgeschiedenis is van belang om het verhaal over kosten en baten in het juiste perspectief te plaatsen. Zoals eerder gezegd, de interne markt is als zodanig weinig omstreden; de pijn zit ‘m meer bij de Euro. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de discussie over de vraag wat de EU ons kost en/of oplevert juist sinds de introductie van de Euro in 2001 op gang is gekomen en de afgelopen paar jaar is verhevigd door de Euro-crisis.

De meest uitgesproken Nederlandse criticus op dit gebied (en aanjager van de discussie), Geert Wilders, heeft enkele kosten-baten studies laten uitvoeren. In 2012 liet hij uitrekenen wat de herinvoering van de gulden ons zou opleveren (http://www.pvv.nl/images/stories/Netherlands_and_the_Euro_-_Full_Report_Final.pdf)  en drie maanden gelden presenteerde hij een onderzoek naar een gehele terugtrekking van Nederland uit de EU (http://www.pvv.nl/images/Rapport_NExit_full_ENG.pdf). Wilders houdt ons voor dat een ‘Nederlandse exit’ de weg uit de crisis zal betekenen. Beide rapporten brachten andere politici, onderzoeksbureaus en journalisten in beweging. Het eerste rapport (van Lombard Street Research) werd door vrijwel iedereen als volstrekt ontoereikend en onevenwichtig neergesabeld. Zo presenteerde het Centraal Planbureau in 2012 (later ook door Alexander Pechtold aangehaalde) berekeningen waarin de gemiddelde Nederlander dankzij de EU een extra maandsalaris zou verdienen en dankzij de euro een extra weeksalaris.

De CPB berekening in grote lijnen:

De kosten:

De jaarlijkse bijdrage van Nederland aan de Euro bedraagt tussen de 5,5 en de 6 miljard euro. Nederland ontvangt jaarlijks ruim 2 miljard euro. Netto kost de EU ons dus circa 3,5 miljard euro, oftewel ongeveer 220 euro per Nederlander per jaar.

De baten:

Deze kant van de balans is moeilijker te bepalen. Ik baseer me op een Fact-check document van Nieuwsuur (http://nieuwsuur.nl/onderwerp/413587-factcheck-pechtold-over-opbrengst-eu.html):

De export draagt 29 procent bij  aan het Bruto Binnenlands Product, ofwel wat we met zijn allen verdienen in Nederland. Dit is echter de totale export. Het aandeel van Europa is lager. In 2011 ging bijna driekwart van onze totale export naar EU-landen. Dit betekent dat 21 procent van de toegevoegde waarde van de export via Europa gaat (74 procent van 29 procent). Uitgaande van een Nederlands Bruto Binnenlands Product van ongeveer 600 miljard euro en dat 20 procent van de toegevoegde waarde van export via Europa gaat, kom je op een bedrag van 120 miljard euro. Vaststaat dat de export naar andere EU-landen de afgelopen vijftig jaar sterk is toegenomen en sinds 1996 zelfs meer dan verdubbelde Die groei kan volgens het CPB voor 18 procent worden toegeschreven aan het effect van de interne markt – dus aan de open grenzen en de muntunie. Het berekende extra inkomen: jaarlijks 1500 tot 2200 euro per Nederlander.

Het tweede rapport van Wilders (opgesteld door Capital Economics) werd beter ontvangen, maar kreeg ook de nodige kritiek, met name  op de bewijsvoering en het oningevuld laten van bepaalde scenario’s. zie o.a. http://www.z24.nl/ondernemen/mathijs-bouman-vreemde-veronderstellingen-in-wilders-eu-rapport-432536) .

Een groot kritiekpunt op dit rapport is dat Nederland zal willen blijven handelen met Europese landen en dat die handel toch via Brusselse regels dient te verlopen. Zoals ook Noorwegen en Zwitserland diezelfde regels moeten volgen, ook al zijn ze geen lid van de EU. Een ander belangrijk kritiekpunt is dat niemand kan overzien (laat staan berekenen) wat een stand alone positie van Nederland voor effecten zal hebben op handelspartners. Nederland zit niet meer aan tafel, praat niet meer mee, en kan zo makkelijker overgeslagen worden. Al met al lijkt de interne markt niet de meest logische reden om uit de EU te stappen en onvoorziene risico’s te lopen.

Met de Euro ligt dit wat anders. Iedere kosten-baten berekening moet ook de kosten van de bestrijding van de Euro-crisis verdisconteren. En dan komt het plaatje er minder rooskleurig uit te zien. Nederland heeft door de crisis ruim 135 miljard aan garanties uitstaan. Als gevolg hiervan neemt de staatschuld toe en daarmee ook de nationale rentelasten. Die lasten per hoofd van de bevolking zou je dan weer moeten aftrekken van het extra maandsalaris dat het CPB ons heeft voorgeschoteld. Aan de andere kant kon Nederland dankzij de crisis weer tegen lagere rente buitenlands kapitaal aantrekken, wat weer voor miljarden aan meevallers opleverde. Zo blijft het plussen en minnen.

 

Het is niet de markt, het is de munt

Het economische perspectief, het verhaal van kosten en baten, laat zien dat de interne markt ons geen windeieren heeft gelegd. Vriend en vijand zijn het er over eens dat de EU (en z’n voorgangers) op dit terrein enorm heeft bijgedragen aan onze welvaart. Het is niet de markt, maar juist de munt die vanaf het begin tot de dag van vandaag voor beroering zorgt. Alleen als de EU de eurocrisis effectief weet te beteugelen, zullen de baten van Europese samenwerking groter blijven dan de kosten. En alleen dan zal het EU-sentiment zich stabiliseren, met kans op groeiend vertrouwen. Zo niet, dan kalft de steun voor het EU-project verder af. Iedereen voelt namelijk die euro in zijn portemonnee.

 

[1] Johan Förnas publiceerde enkele aardige artikelen over de symbolen van de EU.

[2] Wie in de tijd door Frankrijk reisde zag overal affiches met Maastricht OUI of Maastricht NON hangen. Destad Maastricht kreeg zo een enorme naamsbekendheid.

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 2: Geschiedenis

 

“Twee jaar geleden liepen duizenden Oranjefans nog door de straten van Charkov tijdens het EK voetbal. Nu wordt daar op leven en dood gevochten”

 

>>>> over oorlog en vrede >>>>

 

Twee jaar geleden bezocht ik met een groep studenten het Europees Parlement. Bij ons vertrek hoorde ik een Vlaamse medewerkster van de afdeling Voorlichting aan haar collega vragen wat ze van de toekenning van de Nobelprijs vond. De collega antwoordde tamelijk ondoorgrondelijk met de woorden: ‘heel interessant’. Op dat moment schoot me te binnen dat die dag de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede bekend gemaakt zou worden. Ik had geen idee wie dit jaar zou winnen en besteedde verder geen aandacht aan dit voorval. Uren later passeerde mijn trein de grens bij Roosendaal en had ik weer toegang tot mijn mail en nieuwssites. Mijn smartphone vertelde met dat de EU met de Nobel-eer was gaan strijken. Wat me vooral verbaasde was dat ik die namiddag in Brussel (buiten de voorlichtster) geen enkele referentie aan dit heugelijk feit had waargenomen. Ik had net het huis van de prijswinnaar bezocht, maar geen slingers en taart gezien.

 

Slagveld Europa

Europa is door de eeuwen heen het slagveld geweest van talloze oorlogen en conflicten tussen volken en landen. Het is in dit opzicht een bijzonder gegeven dat de EU-verkiezingen in mei 100 jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog plaatsvinden, en 75 jaar na de start van WOII, en 25 jaar na de val van de muur in Berlijn. Symbolische data en gebeurtenissen die een bepaalde kleur geven aan de manier waarop we naar de EU kunnen kijken.

Het is geen toeval dat de voorlopers van de EU vlak na de Tweede Wereldoorlog werden opgericht en dat het er juist om ging om aartsrivalen Frankrijk en Duitsland om de tafel te krijgen. Niet met grootse vergezichten, maar met bindende, praktische afspreken over de productie van kolen en staal: de ingrediënten van de oorlogsindustrie in die tijd. Het is ook geen toeval dat Straatsburg werd gekozen als de zetel van de daarbij horende instituties: de zo vaak door Duitsers en Fransen betwistte grensplaats aan de Rijn. Daar hebben we nu dus 50 jaar later de vergaderplek van het Europees Parlement aan te danken.

 

Bijdrage EU

Het is niet mogelijk om exact te bepalen wat het Europese samenwerkingsproject heeft bijgedragen aan de vrede in Europa. Je kunt wel constateren dat EU-lidstaten de afgelopen vijftig jaar geen enkele keer de wapens tegen elkaar hebben opgenomen. Tegen de historische achtergrond van eeuwen onderlinge strijd is dat op zijn minst opmerkelijk. Op de website van het  Comité Nobelprijs voor de Vrede (2012) wordt dit als volgt verwoord: “The stabilizing part played by the EU has helped to transform most of Europe from a continent of war to a continent of peace.” http://www.nobelprize.org/nobel_prizes/peace/laureates/2012/press.html

Nu kun je je afvragen of de Koude Oorlog en de tegenstelling NAVO-Warschau Pact niet even zeer hebben bijgedragen aan het begraven van de strijdbijl in het toenmalige West-Europa. De VS vreesden in 1945 dat het Sovjet-communisme naar het compleet verzwakte Westen zou oprukken en hadden strategisch belang bij een stevig Westers blok in Europa.

Hoe dan ook, 50 jaar vrede is een grote verworvenheid en de EU heeft daarbij onmiskenbaar een rol gespeeld.

Een veel gehoorde vraag is of we tegenwoordig die vrede nog wel weten te waarderen. Het is vandaag 5 mei dus we zitten momenteel in de week van herdenken en vieren. Maar we zien ook dat de ooggetuigen van de oorlog hoogbejaard zijn en dat er generaties opgroeien zonder ouders of grootouders die de oorlog nog zelf hebben meegemaakt. Die oorlog vertegenwoordigt steeds meer een ver verleden en vormt steeds minder de brandstof om het vuur van de Europese samenwerking brandend te houden.

Nog steeds gewapende strijd in Europa

En toch, de oorlog in voormalig Joegoslavië (jaren ’90) en de huidige strijd in Oekraïne laten zien dat er ook nog in onze tijd gewapende conflicten op Europees grondgebied worden uitgevochten. Twee jaar geleden liepen duizenden Oranjefans nog door de straten van Charkov tijdens het EK voetbal. Nu wordt daar op leven en dood gevochten. Het laat ons zien dat vrede in Europa geen vanzelfsprekendheid is. Vrede blijft een actueel thema. Deze eigentijdse conflicten laten ook zien dat de EU geen effectief instrumentarium heeft om bemiddelend of interveniërend op te treden: niet langs diplomatieke weg en niet langs militaire weg.  De EU spreekt niet met één mond (alle inzet van EU buitenlandcoördinator Ashton ten spijt) en de EU heeft ook niet een gemeenschappelijk leger om strijdende partijen tot de orde te roepen. Al in de jaren ’50 werden eerste ideeën op dat gebied snel getorpedeerd en ook nu zijn lidstaten niet erg enthousiast om tot een gezamenlijke strijdmacht te komen.

Lieve vrede

Al met al blijkt de EU geen vredestichter buiten het eigen grondgebied,  maar wel een effectieve bewaker van de lieve vrede in eigen huis.

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 1: Geografie

“waar de grens van ons continent (en daarmee van de EU) ligt, is lang niet zo duidelijk als men wel denkt”

 

>>>> over grenzen en buren<<<<

 

Het eerste thema in deze serie blogs is het geografische perspectief. Het perspectief van grenzen, gebieden en buren. We gebruiken de termen Europa en EU vaak als synoniemen, maar Europa en de EU zijn niet hetzelfde. Europa is een werelddeel dat een kleine 50 landen omvat. Op dit punt moet je zelfs nog voorzichtig zijn, want het is niet altijd duidelijk welke landen en gebieden strikt genomen Europees zijn en welke niet. Moeten we Gibraltar, Groenland of Armenië tot Europa rekenen? En wat te denken van de overzeese gebiedsdelen (vaak voormalige koloniën)? Dat lijkt een vreemde vraag, maar wie de Euro-biljetten goed bestudeert, ziet op de achterzijde onder de kaart van Europa een paar kadertjes met vijf overzeese Franse departementen met een bijzondere status. In deze gebieden geldt de euro als officiële munt-eenheid.

 

Noord-Oost-Zuid-West

Wie aan geografie denkt, denkt ook aan de vier windstreken. Het opmerkelijke is dat in het geval van Europa het Westen, Noorden en Zuiden wel redelijk bepaald zijn, maar het Oosten minder scherp is afgebakend. Vaak zegt men dat de Oeral de oostelijke grens van ons continent is. De Oeral als scheidslijn tussen Europees en Aziatisch Rusland. Gemeten vanaf de Oeral moeten we ons realiseren dat ergens in Litouwen het geografische middelpunt van Europa ligt. En ook moeten we beseffen dat Europa grotendeels op het Oostelijk Halfrond ligt[1].

De vier windstreken roepen ook sociaal-culturele associaties op. Voor velen is het Noorden arbeidzaam, calvinistisch en meer individueeel ingesteld, terwijl we het Zuiden koppelen aan termen als katholicisme, savoir vivre en gemeenschapszin. Minder vriendelijk gesteld zou Noord en Zuid in Europa gescheiden worden door een ‘knoflookgrens’. Tijdens de financiële crisis kwamen dergelijke denigrerende beelden snel bovendrijven. Volgens noordelingen zouden zuidelijke landen (weinig flatterend ‘PIGS’ genoemd) worden bevolkt door luie mensen en bestuurd door corrupte politici. De Noordelijke landen kregen het zuidelijke verwijt egocentrisch en kil te zijn. Zie voor mooie visualisaties van Europese stereotypen: http://atlasofprejudice.tumblr.com/post/80937352126/20-ways-to-slice-the-european-continent-from-atlas

Het Oost-West denken in Europa is natuurlijk decennialang gedomineerd door de Koude Oorlog. Maar sinds de val van de Berlijnse muur is de scheiding tussen Oost en West minder scherp. In veel landen in Midden- en Oost-Europa is het bon-ton om zich westers te noemen en te voelen. Zo schuift de denkbeeldige nieuwe westgrens steeds verder op naar het oosten. Dubravka Ugresic omschrijft het als volgt: ‘wanneer je als Europeaan aan de westkant woont, heb je het getroffen…. en de Ander (tegen wie we ons moeten beschermen) komt altijd uit het Oosten’.[2]

 

Van Europa naar de EU: welke landen kunnen lid worden?

Volgens het Verdrag van Lissabon (en eerdere verdragen van de Europese Unie) mogen alle landen die onderdeel uitmaken van het werelddeel Europa zich in principe kandideren om lid te worden van de EU. In die zin is het dus belangrijk om vast te stellen welke landen Europees zijn. Dat zou dus potentieel om bijna 50 landen kunnen gaan met daarbovenop nog een aantal grensgevallen. Het eerste grensgeval is Cyprus. Cyprus is geografisch gesproken een Aziatisch land, maar toch sinds 2004 lid van de EU. Kennelijk zit er wat rek in de EU-regels. Met diezelfde elasticiteit zouden ook landen lid kunnen worden die aan de rand van Europa liggen of zelf binnen een ander continent: Rusland, Turkije, Georgië, het eerder genoemde Armenië. Er zijn zelfs wel eens stemmen opgegaan om Israël en Palestina lid van de EU te maken om daarmee het conflict tussen deze staten te helpen oplossen. Bovendien: doen veel van deze grens-landen niet ook mee aan het Eurovisie songfestival en aan Europese voetbal-competities?

Kortom, waar de grens van ons continent (en daarmee van de EU) ligt,  is lang niet zo duidelijk als men wel denkt. De Europese Unie mist daarmee wat men met een Franse term aanduidt als finalité, een eindbestemming. Wanneer is het klaar? Tot hoever kan de EU groeien? Het is niet duidelijk. Dat is voor sommigen zeer frustrerend. Zij zouden de EU graag willen afbakenen en indammen. Anderen zien de EU als een groei-model, als een samenwerkingsproces dat zich ontwikkelt. Het gebrek aan finalité voedt ook in niet-lidstaten de discussie of het wenselijk is om toe te treden tot de EU. Na de Icesave affaire werd in IJsland de roep om toch maar toe te treden steeds sterker, maar inmiddels is deze weer flink afgezwakt. Momenteel is Oekraïne het meest schrijnende voorbeeld van een (letterlijke) strijd om een toekomstbepaling. Simpel gesteld: partner van Brussel of partner van Moskou?

In concreto voert de EU nu formeel onderhandelingen met vijf landen over mogelijke toetreding: Turkije, Macedonië, IJsland, Montenegro en Servië. Turkije is verreweg de meest controversiële kandidaat (met ook veruit de langste onderhandelingsgeschiedenis). Zowel aan Turkse kant als aan EU-kant is de stemming uiterst verdeeld. Daarbij spelen niet alleen geografische argumenten een grote rol (‘Turkije ligt grotendeels in Azië’ en ‘de EU zou via Turkije direct grenzen aan uiterst instabiele landen als Syrië en Irak’), maar ook demografische (Turkije zou qua bevolkingsaantal de grootste lidstaat van de EU worden), en religieus-culturele (‘Turkije is een moslim-land, terwijl de EU gestoeld is op het joods-christelijke gedachtengoed’). Dit laatste argument komt nog terug in Deel 4 van deze serie over Cultuur. Wel hier alvast de opmerking dat dit argument ook zou betekenen dat landen als Albanië en Bosnie-Hercegovina (met overwegend een moslim-bevolking) dan ook geen lid van de EU kunnen worden. En wat te denken van de vele moslim-inwoners die de huidige EU-lidstaten nu al herbergen?

 

Buren

Een laatste element van dit geografische persepctief is het onderwerp buren. Frank Kalshoven, schreef twee jaar geleden in zijn vaste column in De Volkskrant over de EU: “We zijn buren, zonder mogelijkheid tot verhuizen; we zullen het met elkaar moeten doen” (30 juni 2012). Deze quote raakt een van de kernen van overweging bij Europese samenwerking. We zien op allerlei plekken samenwerkingsverbanden ontstaan waar mensen en organisaties iets gemeenschappelijks delen: sportverenigingen, waterschappen, branche-organisaties, etc. Men besluit dat samenwerking een meerwaarde heeft, ook al moet men daar iets voor opofferen of inleveren (tijd, geld, zeggenschap). In Europa is geografie de gemeenschappelijke factor. Tientallen landen delen een grondgebied, een werelddeel met elkaar. In die zin kun je de EU beschouwen als een vereniging van eigenaren of als een buurtcomité. Uit het oogpunt van naboarschap wordt er samen gewerkt. Omdat het nu eenmaal handiger (of soms noodzakelijk) is om de panden en buurten samen te onderhouden, dan ieder voor zich.

 

Een oerhollandse illustratie

Door de eeuwen heen is in Noord-Holland gewerkt aan de vorming van de Westfriese Omringdijk. Een enorm samenwerkingsproject van ruim 125 kilometer dijk ter bescherming tegen het water. Alle aangesloten gemeenschappen, dorpen en steden droegen verplicht hun steentje bij. Wie verzaakte werd tot verantwoording geroepen, want een mogelijke verzwakking van de dijk vormde een bedreiging voor alle betrokkenen.

 

Hoe willen we met onze buren omgaan?

Het geografisch perspectief geeft aan hoe groot de Europese buurtvereniging of VvE in potentie zou kunnen zijn. Daar zijn diverse grensgevallen bij (Turkije, Oekraïne). Daarnaast zijn er binnen de geografische grenzen buren die niet mee willen doen (Zwitserland, Noorwegen), maar wel via allerlei bilaterale afspraken met de EU verbonden zijn. Ook kloppen er nieuwe kandidaten aan. Een belangrijk deel van het debat over de EU zou moeten gaan over de vraag hoe we met onze buren om wensen te gaan, wie we wel of niet willen toelaten (en op welke gronden) en hoe we omgaan met buren die niet lid van de vereniging kunnen of willen worden.

 

 

[1] Beklemtoond door Joep Leerssen in zijn boek Spiegelpaleis Europa (2011).

[2] Citaat uit het prachtige boek Niemand thuis (2007).

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 2. Proloog: van winterslaap naar verkiezingskoorts

“Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie”

 

Op woensdag 22 mei vinden in Nederland de verkiezingen voor het Europees Parlement plaats. Terwijl de EP-verkiezingen tot een jaar of tien geleden een vorm van democratisch corvee vormden, waar niemand zich werkelijk druk om maakte, loopt tegenwoordig de verkiezingskoorts ook flink op als het om de EU gaat. De Europese Unie is groot nieuws geworden en daardoor sloven politieke partijen en media zich uit om ons, gewone burgers, de hete hangijzers en de te maken keuzes duidelijk voor te schotelen. En dat is winst: er valt daadwerkelijk wat te kiezen.

 

Winterslaap

Tot de eeuwwisseling was het project van Europese samenwerking iets waarmee media en publieke opinie zich nauwelijks bezighielden. Af en toe zorgde een Brusselse kwestie voor een rimpeling in de vijver, maar over het algemeen deden de (nationale) politiek, media en burgers er het zwijgen toe. Europese samenwerking was een non-issue: ver weg, ingewikkeld, oninteressant. Niemand had er noemenswaardig last van, dus waar zou je je druk om maken.  En als iemand zich al druk maakte was het die Nederlandse Europarlementariër of die Nederlandse correspondent in Brussel die graag wilde laten zien hoe belangrijk zijn werk was en wat er allemaal bewerkstelligd werd. Zij bleven roependen in de woestijn. Een soort omgekeerd Calimero-effect: ‘ons Europese werk is groot en belangrijk, maar niemand kijkt naar ons om’. Natuurlijk was er wel wat aandacht voor het Europese project , maar dan vooral incidenteel: als er in Brussel werd gefraudeerd door een Commissaris of als er een Europese Top in ons land plaatsvond. Diverse onderzoeken[1] naar media-berichtgeving en publieke opinie over ‘Europa’ in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw wijzen uit dat Brussel zelden de voorpagina wist te halen en dat de Nederlandse burger weliswaar weinig kennis over Europese samenwerking bezat, maar wel heel tevreden over Europese samenwerking was.

 

Kritischer

Die situatie is inmiddels behoorlijk gekanteld. Hoewel het  gemiddelde kennisniveau van de doorsnee Nederlander ten aanzien van de EU niet noemenswaardig is gestegen, is zijn mening wel fiks veranderd: hij is veel kritischer geworden. Dat bleek in 2005 uit de uitslag van het roemruchtige referendum over de Europese grondwet (62% van de kiezers zei Nee). En dat blijkt uit de slinkende steun voor de EU in diverse opinie-peilingen. Nederlanders behoorden in Europa decennia-lang tot de grootste EU-fans (met steun-scores van boven de 75-80%), maar die liefde is inmiddels bekoeld. Al is het zeker niet tot het vriespunt. Nog steeds staat een royale meerderheid (60-65%) van de Nederlanders achter het lidmaatschap van de EU[2].  Je kunt constateren dat we wat bewuster en zakelijker naar de EU zijn gaan kijken. En we weten ook meer minpunten van Europese samenwerking te benoemen. Dat is ook niet zo gek, want de EU is de afgelopen 15 jaar steeds nadrukkelijker  in beeld gekomen: door de introductie van de euro, door de toetreding van dertien nieuwe lidstaten, door de uitbreiding van de bevoegdheden van Europese instituties en door de financiële crisis. Geen wonder dat de media nadrukkelijk meer aandacht aan ‘Brussel’ zijn gaan besteden. Mijn promotie-onderzoek[3] laat zien dat niet alleen de hoeveelheid berichtgeving toenam, maar ook de toon en onderwerpkeuze steeds kritischer werd. Tegen die achtergrond is het goed te begrjpen dat het opinie-klimaat veranderde.

 

Moeilijk te vatten

Wat blijft opvallen is dat we gemiddeld gesproken zo weinig weten en begrijpen van de Europese Unie.  Ook doorgewinterde journalisten en parlementariërs geven toe dat het moeilijk is greep te krijgen op alle processen en dossiers van Brussel. Laat staan dat de gemiddelde Nederlander vat heeft op Europese zaken. Dat draagt er aan bij dat je vaak aperte onjuistheden hoort verkondigen, of dat men bepaalde zaken volkomen uit z’n verband haalt of opblaast tot irreële proporties. Ik denk niet dat we de EU volledig hoeven te doorgronden. We hoeven geen EU-experts te worden. Maar een beetje basis-kennis is zeker nodig. En ook gezond verstand.

Waar gaat het proces van Europese samenwerking in de kern nu eigenlijk over? Wat mij kunnen we daar naar kijken vanuit de vijf perspectieven die ik in de volgende  blogs van deze serie behandel.



[1] Zie o.a. Claes DeVreese, Jochen Peter, Peter ’t Lam

[2] Zie onderzoek Eurobarometer(voorjaar 2013), onderzoek van Maurice de Hond (januari 2014), onderzoek SCP (maart 2014)

[3] Impressions of European Integration (Vrije Universiteit, 2012)

Serie ‘Kiezen voor Europa’ 1. Introductie

“Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optelsom en de weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden”

>>>> Een serie beschouwingen over Europese samenwerking in de aanloop naar de Europese verkiezingen van mei 2014 <<<<

Nederland is tegenwoordig klaarwakker als het om de Europese Unie gaat. De EU is voorpagina-nieuws geworden. Politieke partijen meten zich een duidelijker (pro of anti) EU-profiel aan en de burger heeft zijn mening klaar. Dat is pas sinds een jaar of acht het geval.  Voor die tijd hield Nederland een soort winterslaap als het om ‘Europa’ ging. Tegenwoordig zijn we wakker en valt er wat te kiezen. Maar welke overwegingen laten we daarbij een rol spelen. Op grond van jarenlang onderzoek stel ik vast dat het gesprek over Europa, de EU of Brussel verschillende dimensies en invalshoeken kent. In veel discussies komt maar één zienswijze aan bod. Ik denk dat het belangrijk is om het gesprek over Europese samenwerking vanuit meerdere perspectieven te voeren. De optel-som en weging van die perspectieven zouden tot een gebalanceerde keuze op 22 mei kunnen leiden. De blogs in deze serie hopen daar een bijdrage aan te kunnen leveren. Dit zijn de thema’s:

Proloog. Van winterslaap naar verkiezingskoorts (gepubliceerd)

Deel 1. Geografie: over grenzen en buren (perspectief 1; in voorbereiding)

Deel 2. Geschiedenis: over oorlog en vrede (perspectief 2; in voorbereiding)

Deel 3. Economie: over kosten en baten (perspectief 3; in voorbereiding)

Deel 4. Cultuur: over eenheid en verscheidenheid (perspectief 4; in voorbereiding)

Deel 5. Democratie en besluitvorming: over burgers en Brussel (perspectief 5; in voorbereiding)

Slotbeschouwing. Over nu en later (in voorbereiding)

 

(illustratie: Peace Talks van Hugo Kaagman)

Een genuanceerde zwart-wit denker

“Een paar maanden geleden vond ik het de hoogste tijd om Il Principe daadwerkelijk te gaan lezen. Dat werd een plezierige lees-ervaring”

    >>>> Over Niccolò Machiavelli’s  Il Principe * <<<<          

 

Machiavelli is een bekende naam in de wereld van politiek en communicatie. Als student politicologie maakte ik tijdens het blok Politieke Theorieën kennis met het denken van Niccolò Machiavelli (1469-1527). In de collegestof kwamen diverse passages uit zijn beroemde boek Il Principe voorbij. Ik nam me toen voor het boek zelf eens te gaan lezen, maar daar kwam het nooit van. Door de jaren heen bleef Machiavelli, meer dan andere klassieke politieke denkers, mijn pad kruisen. Zo bespreek ik al jarenlang als docent bij mijn colleges over ‘Lobbyen en de EU’ het boek Machiavelli in Brussels van Rinus van Schendelen. Ook ontvang ik jaarlijks berichten over de winnaar van de Machiavelli-prijs (voor doeltreffende politieke communicatie: http://www.stichtingmachiavelli.nl/ ). En in Florence stond ik bij zijn graf in de Basilica di Santa Croce en zag ik zijn standbeeld in een rij van Renaissance-grootheden bij het Uffizi museum.

Een paar maanden geleden vond ik het de hoogste tijd om Il Principe daadwerkelijk te gaan lezen. Dat werd een plezierige lees-ervaring. Machiavelli’s teksten laten ons niet de botte, rechtlijnige of gehaaide denker zien waarvoor veel mensen hem door de eeuwen heen hebben gehouden. Hij is weliswaar een zwart-wit denker, maar dan wel van de genuanceerde soort.

Strakke tweedelingen

In dit beroemde boek beschrijft Niccolò Machiavelli (NM) welke keuzes een leider moet maken om zijn machtspositie te behouden dan wel te versterken. NM put daarbij uit zijn ervaringen als secretarius van de Florentijnse republiek rond het jaar 1500. Daarnaast grijpt hij terug op gebeurtenissen in de klassieke oudheid. Zijn gedachten  en redeneringen lopen volgens strakke dichotome schema’s: het is A of B, zwart of wit, barmhartig of meedogenloos. En vanuit die strakke tweedelingen trekt NM scherpe conclusies, waarbij hij vaak paradoxen blootlegt van het type ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’. NM geeft op meerdere plaatsen aan dat de leider bij voorkeur zijn goede eigenschappen moet etaleren. Maar omdat geen enkele leider louter goede eigenschappen bezit en omdat omstandigheden soms vragen om een stevige ingrepen, moet een leider niet nalaten ook impopulaire, ondeugdelijke maatregelen te nemen. Een goede leider doet niet altijd goed.

Een verstandig heerser kan noch mag zijn woord houden wanneer dit hem schade berokkent’. (p. 146)

Een leidend principe in de teksten van NM is dat iedere leider moet voorkomen dat hij gehaat wordt (door bezit of eer af te pakken van het volk of van de aanzienljken/adelijken: ‘vooral moet hij zijn handen afhouden van andermans bezit’; p. 142) of veracht wordt (door slap of wispelturig te zijn).  Aanzienlijken moeten niet tot wanhoop gebracht worden en het volk moet tevreden worden gesteld.  Maar als dit niet lukt of mogelijk is, moet een leider durven doorpakken.

 

Het doel heiligt de middelen

In weerwil van wat vaak beweerd wordt (ook door de Stichting Machiavelli) , zegt NM  nergens expliciet: het doel heiligt de middelen. Maar hij zegt wel dat een leider niet moet schromen om weloverwogen bepaalde ingrijpende middelen te gebruiken om zijn doel te bereiken. Daarbij is eerst een goede analyse van de situatie (tijd, context) nodig. En op basis van die analyse bepaal je als leider je keuze. Door de zwart-wit schema’s van zijn redeneringen en het onverbloemde pleidooi voor stevig ingrijpen als dat nodig is, komt NM rechtlijnig en ongenuanceerd over. Maar aan het einde van zijn boek geeft NM aan (p. 184) dat een vaste receptuur niet altijd werkt. In vergelijkbare omstandigheden kan een vaste aanpak tot verschillende uitkomsten leiden, terwijl uiteenlopende benaderingen vergelijkbare resultaten kunnen opleveren. Dat is een enorme relativering. Een vergelijkbare nuancering kwam ik eerder tegen in het boek ‘De glimlach van Niccolò’ van Maurizio Viroli. Viroly citeert (p. 114, 115) uit een brief van NM aan Giovan Soderini waarin NM uitlegt hoe compleet verschillende benaderingen toch tot vergelijkbare resultaten kunnen leiden: ‘De verklaring hiervoor is dat het welslagen of falen van mensen afhankelijk is van de mate waarin zij hun verstand en hun voorstellingsvermogen, en daarmee hun handelswijze, kunnen aanpassen aan de aard der tijden en der dingen’.

Het is volgens NM zaak een goed gevoel te hebben voor de tijdsomstandigheden, de tijd en de context waarin je leeft.

Het lijkt er op dat NM ons niet zozeer dwingend bepaalde wetmatige handelingen wil voorschrijven, maar ons patronen en waarschijnlijkheden voorhoudt die hij heeft afgeleid uit voorbeelden uit de klassieke oudheid en uit zijn eigen ervaringen. Als zich situatie X voordoet, dan dient een heerser actie Y te ondernemen. Maar dankzij de nuanceringen aan het einde van zijn boek, moeten we ons wel realiseren dat NM de heerser geen garanties voor succes geeft. Bovendien, er is altijd nog het lot, ‘dat de helft van onze zaken in handen heeft’ (p. 182). Om te vervolgen: fortuin is een vrouw (vrouwe Fortuna); en dus kun je met haar beter doortastend zijn dan voorzichtig (p.185).

Kortom, Machiavelli laat zich in Il Principe inderdaad kennen als een doelgerichte strateeg, maar ook als een doorgewinterde ervaringsdeskundige die ruimte laat voor nuancering en noodlot.

P.S.

Wat ik niet wist (maar leer op p. 62) is dat dit boek uitsluitend over alleenheerschappijen gaat. Er zijn volksregeringen (maar die laat NM buiten beschouwing) en alleenheerschappijen. Deze laatste vorm kent twee varianten: die met een erfelijke leider (die dankzij de traditie makkelijker wordt geaccepteerd) en de nieuwe leider (die zich meer moet bewijzen).

 

(vertaling; Frans van Dooren; uitgeverij Athenaeum, 1976)