Mijn houvast-huis

“En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland”

 

Mijn geboortehuis is verdwenen. Ik deed deze ontdekking een paar weken geleden toen ik de streek bezocht waar in ben opgegroeid: Velp-Dieren-Zutphen. In woon al 40 jaar in de Randstad en kom slechts af en toe in het mooie gebied tussen Veluwe en IJssel. De laatste keer zal een jaar of vier geleden zijn geweest. En nu stond ik wat beduusd te kijken naar een groot nieuw pand dat was neergezet op de plek waar ik de eerste anderhalf jaar van mijn leven heb doorgebracht.

De drang om naar mijn geboortehuis in Velp te gaan was opgekomen toen ik eerder die dag het Museum Arnhem had bezocht. Dit museum is gelegen in een parkachtig omgeving en biedt een prachtig uitzicht over de Rijn. De topstukken van de vaste collectie (“moderne en hedendaagse kunst… met als rode draad: realisme”) hangen in een paar ruimtes dicht op elkaar aan grote wandrekken. Een fraaie collage van 20e eeuwse Nederlandse schilders: Toorop, Ket, Sluijters, Koch. Ik werd het meest getroffen door Het gele huis van Carel Willink. En dat terwijl ik niet specifiek een liefhebber van zijn magisch realisme ben. Ik kende het schilderij van reproducties en foto’s, maar nu ik oog in oog met dit werk stond, merkte ik dat het iets met me deed. Maar ik wist niet precies wat. De titel deed me onmiddellijk denken aan het andere bekende schilderij met een geel huis: dat van van Gogh. Jaren geleden heb ik het originele huis in Arles gezien en gefotografeerd. Ook Willink schilderde bestaande gebouwen. In de jaren ’30 liet hij zich graag inspireren door de monumentale panden die hij in Amsterdam-Zuid tegenkwam. Het gebouw dat model stond voor Het gele huis is nog steeds te zien. Liefhebbers kunnen terecht op het volgende adres: Vossiusstraat 52-53. Er is nu een hotel in gevestigd.

img_2736

Waar Willink zich liet inspireren door de realiteit en daar een eigen magische laag aan toevoegde, lieten andere kunstenaars zich weer inspireren door Willink’s werk. In 1939 schreef Bordewijk een verhaal gebaseerd op Het gele huis. H.J. Smeding schreef daarop ook een verhaal, omdat hij juist iets anders in het schilderij zag. En zo volgden er, als bij een estafette, nog acht schrijvers (o.a. Anna Blaman, Jef Last, Gerard Walschap); ieder met een eigen verhaal over Het gele huis. Deze tien verhalen zijn gebundeld onder de titel Het gele huis te huur. Prachtig om te lezen hoe één schilderij tot tien geheel verschillende verhalen kan leiden.

Het schilderij van Willink deed me ook denken aan Edward Hopper. Joost Zwagerman wijdt in het vlak na zijn zelfmoord verschenen boek De stilte van het licht een heel hoofdstuk aan Hopper. Ook Hopper schilderde huizen, maar dan niet ‘arcadisch en magisch’, maar als ‘je reinste suspense’. Fantasiehuizen in de dubbele betekenis van het woord. Geen exacte kopie van een bestaand huis, maar mysterieus en aansprekend. Zwagerman illustreert dat door te vertellen dat Alfred Hitchcock het schilderij House by the railroad van Hopper als model gebruikte voor het huis in de film Psycho.

hopper.railroad

House by the railroad Edward Hopper

Het huis van Hopper en Hitchcock blijft tot de verbeelding spreken. Een artiest heeft onlangs een kopie van dit huis op het dak van het Metropolitan Museum van New York geplaatst: http://www.geek.com/news/the-house-from-psycho-is-on-a-new-york-city-roof-now-1652813/

Terwijl ik zo stond te mijmeren over Willink en Hopper en hun fascinerende huizen, hoorde ik dat het museum ging sluiten. Ik merkte dat ik zin had om naar mijn geboortehuis te gaan. Ik was er al jaren niet geweest en Velp was niet ver weg. Bovendien had ik nog een uurtje de tijd voordat ik naar mijn diner-afspraak toe moest.

Mijn ouders huurden in de tweede helft van de jaren ’50 een deel van de benedenverdieping in een grote stadsvilla. Het was er donker en vochtig, vertelde mijn moeder me later. Ik heb geen herinneringen aan mijn geboortehuis. We verhuisden van Velp naar het nabijgelegen Dieren toen ik nog geen twee jaar oud was. Ik heb ook geen foto van het huis. In mijn kinderalbum is slechts één foto waarop ik voor het huis in een trapauto zit.

IMG_1429

De fotograaf (waarschijnlijk mijn vader) moet mijn zijn rug naar het huis hebben gestaan, want op de achtergrond op de foto is de overkant van de straat te zien met een mooi groot huis recht tegenover het onze. Dat is mijn houvast-huis.

Ik ben dat huis zo gaan noemen toen ik halverwege de jaren ’90 voor het eerst als volwassene terugkeerde naar Velp. Ik was samen met mijn oudste zoon op stap. Hij was brugpieper en ik nam hem een dagje mee naar Gelderland om hem de plekken van mijn jeugd te laten zien en over mijn jonge jaren te vertellen. Als je zelf kinderen hebt, neemt op een bepaalde manier ook weer de belangstelling voor je eigen jeugdervaringen toe. Mijn ouders leefden niet meer en ik woonde al jaren met mijn gezin in de Randstad, om de hoek bij mijn schoonouders. De biotoop van mijn gezin was die van mijn vrouw en haar familie. Ik had me daarom voorgenomen met elk kind een keer naar mijn geboortestreek te gaan.

Tijdens die eerste ‘roots’-reis met mijn oudste zoon had ik moeite om mijn geboortehuis te vinden. Ik had mijn foto-album voor de zekerheid meegenomen. Op het vergeelde geboortekaartje stond het adres: Arnhemsestraatweg 7a. Na enig zoeken vond ik een groot gebouw met allerlei erkers en uitbouwen. Er stond een bord van een zorginstelling in de voortuin met daarop de nummers 5 en 7. Maar welk deel is nu nummer 7? Ik liep iets door en zag rechts van het pand een oprit naar het naburige huis met daarop het huisnummer 9. De rechterhelft van de zorginstelling moest dus nummer 7 zijn. Ik liep een klein stukje terug en ging nu recht voor het rechter deel staan. “Dit is mijn geboortehuis”, zei ik wat aarzelend tegen mijn zoon. “Ergens op de benedenverdieping ben ik geboren”. Ik wilde mijn zoon graag laten delen in een gevoel van triomf, maar ik voelde dat ik zelf de overtuiging miste. Ik pakte het foto-album uit mijn tas en zocht de trapauto-foto. We liepen samen het pad op naar mijn geboortehuis en draaiden ons halverwege om. Mijn zoon wees naar de overkant en zei: ”Kijk papa, dat huis aan de overkant staat er nog steeds. Dit is dus echt je geboortehuis.” Hij dirigeerde mij naar de plek waar ik als dreumes in de trapauto had gezeten en bevestigde het beeld. Pas nu voelde ik me gerustgesteld en blij. Ik had mijn geboortehuis gevonden, dankzij het huis aan de overkant. Toen ik later met mijn andere kinderen hetzelfde Gelderland-reisje maakte, liet ik hen ook steeds de trapauto-foto zien en wees ik hen op het huis aan de overkant; het houvast-huis.

En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland. Routinematig rij ik naar de parkeerplaats om de hoek van de Arnhemsestraatweg. Ik stap uit en leg trefzeker de vijftig meter naar mijn geboortehuis af. Tot mijn grote verbazing is het complete pand verdwenen. Op de plek van nummer 5 en 7 is een modern, zakelijk gebouw neergezet, zo mogelijk nog groter dan de statige dubbele stadsvilla waar ooit, in een donkere benedenkamer, mijn wieg heeft gestaan.

DSC05303

Ik ben even gedesoriënteerd, maar als ik me omdraai zie ik tot mijn opluchting dat het uitzicht van toen niet is veranderd: het huis aan de overkant staat er nog. Meer dan ooit voel ik dat mijn houvast-huis meer betekenis heeft dan mijn geboortehuis: magisch realisme.

DSC05306

Mijn houvast-huis

 

P.S. (oktober 2016)

Dankzij een attente en welwillende reactie van dhr. van der Hoeven op mijn blog kreeg ik interessante informatie over mijn geboortehuis te horen. Hij stuurde me aansluitend het juni-nummer van het blad Ambt & Heerlijkheid met een artikel gewijd aan de historie van mijn geboortehuis dat Villa Paviljoen bleek te hebben geheten

villa-paviljoen-velp

Villa Pavillon of Paviljoen te Velp

Het Oekraïne-referendum deugt niet

 

“Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn”

 

 

Wij mogen in Nederland op 6 april a.s. Ja of Nee zeggen tegen het associatieverdrag van de EU met Oekraïne. Dat lijkt aantrekkelijk. Een referendum maakt de tongen los en vraagt om een simpel Ja of Nee. Een tovermiddel om media, politiek en publiek op te zwepen; een soort The Voice of Holland. Een referendum is democratisch bovendien: de burger mag zich direct uitspreken en de meeste stemmen gelden. Maar is het wel zo’n ideaal middel? En past het wel in de internationale context van de EU? Laten we een paar zaken op een rij zetten.

Een referendum is een referendum zou je denken, maar bij nadere bestudering vallen toch ook verschillen op.

De recente Zwitserse referenda (over het uitzetten van allochtone criminelen en over de bouw van een tweede Gotthardtunnel) zijn besluitvormend en hebben niet direct betrekking op andere landen. Natuurlijk zullen bij het uitzetten van criminelen andere landen betrokken zijn en leidt ook de nieuwe Gotthardtunnel tot een betere verbinding met Italië, maar verder blijft het een Zwitsers onderonsje. Er worden voors en tegens gewogen en het volk mag de knoop doorhakken. En die keuze wordt uitgevoerd.

Het referendum-initiatief van de Britse premier David Cameron is van een andere orde. Hij heeft met zijn collega-regeringsleiders in Brussel onderhandeld over nieuwe voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk lid kan blijven van de EU en hij legt de uitkomst van deze afspraak binnenkort voor aan het Britse volk. Een eventuele Brexit heeft natuurlijk gevolgen voor alle overige EU-lidstaten, maar al deze landen kunnen alleen maar toekijken wat de Britse kiezer op 23 juni a.s. gaat beslissen. Dat is een minpunt.  Maar daar staat tegenover dat het natuurlijk niet vreemd of ongepast is als de inwoners van een land zich een keer duidelijk mogen uitspreken over de wenselijkheid van een lidmaatschap van een internationale organisatie.

Weer anders is het Oekraïne-referendum in Nederland. Deze volksraadpleging stelt een besluit ter discussie dat al eerder in EU-verband door alle EU-lidstaten in gezamenlijkheid is genomen. Het referendum wordt hier gehanteerd als een soort noodrem om een genomen besluit mogelijk terug te draaien.

IMG_1554

Flyerende Oekraïense student in de trein

De genoemde voorbeelden laten zien dat er referenda zijn in soorten en maten: over nationale en over internationale kwesties; en referenda voorafgaand aan besluitvorming of achteraf (correctief). Het is het karakter van het referendum dat bepaalt of de inzet van dit politieke instrument meer of minder zinvol is. Hoe meer nationaal (dus zonder afhankelijk te zijn van internationale afspraken) hoe zuiverder. En liever vooraf en bindend (dan doet je stem er echt toe), dan achteraf en raadgevend (dan weet je niet wat er met je stem gaat gebeuren).

      Tabel: vier typen referenda

Nationaal thema

Internationaal thema

Vooraf/bindend

A

B
Achteraf/raadgevend C

D

 

Zo bezien behoort het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne tot de meest ongelukkige categorie. Het is een volksraadpleging achteraf waarbij internationale partners betrokken zijn. De deal is al gesloten, alle regeringen en parlementen binnen de EU hebben al Ja gezegd. Maar toch gaat Nederland, als enige EU-lidstaat, zich hierover uitspreken via een referendum. Dat lijkt op nationaal niveau democratisch, maar het pakt op Europees niveau juist ondemocratisch uit, omdat het de reguliere besluitvorming in 28 landen onderuit kan halen. De initiatiefnemers van dit referendum willen dus eigenlijk onder een al gemaakte afspraak uit zien te komen. Dit is niet netjes ten opzichte van onze 27 EU-partners en niet netjes ten opzichte van Oekraïne.

Oekraine

En dan is er nog het associatieverdrag zelf. Een dik pakket afspraken, waarvan belangrijke onderdelen (met name de handelsbepalingen) onder de bevoegdheid vallen die lidstaten aan de EU hebben overgeheveld en dus niet ter discussie gesteld kunnen worden. Maar los daarvan is niet duidelijk waarom mensen Ja of Nee zullen zeggen. Stemmen mensen Nee omdat ze het met een enkele  passage niet eens zijn? Of wordt het Nee als men vindt dat we in principe niet met Oekraïne verdragen moeten sluiten? Of zeggen mensen Ja omdat ze Poetin niet vertrouwen? Wie het weet, mag het zeggen. Ten slotte is er de hamvraag wat er met de uitslag gaat gebeuren. Voor een geldige uitslag moet er een opkomst zijn van minstens 30%.Wat nu als de opkomst 29% is, maar de uitslag is overduidelijk NEE; en wat als de opkomst 31% is en JA en NEE houden elkaar in balans? Wederom: wie het weet, mag het zeggen. Op de website van de Rijksoverheid staat de volgende passage: “Stemt een geldige meerderheid tegen het akkoord? Dan zal het kabinet beslissen of het de uitslag gaat overnemen. De inhoud van het maatschappelijk debat over het akkoord zal daarbij een belangrijke rol spelen.”[1] Hoe wil men dat wegen? Onduidelijkheid troef!  Als je niet duidelijk en zuiver kunt bepalen waar men Ja/Nee tegen zegt, is de uitslag van het referendum bij voorbaat weinigzeggend. En als bovendien niet duidelijk is wat er met de uitslag gaat gebeuren, ben je nog verder van huis. Dat alles zien we bij uitstek bij het referendum in Nederland over het associatieverdrag met Oekraïne. Een hoogst ongelukkige en ondeugdelijke volksraadpleging waarmee niemand iets opschiet, ongeacht de uitslag. Na 6 april zullen er alleen maar verliezers zijn.

 

Wat dan wel?

Je mag toch hopen dat er over een maand niet weer zo’n initiatief ontstaat. Een referendum over TTIP, over Schengen, over Poolse loodgieters, over CO2-uitstoot. Als we ons druk maken over deze zaken (en dat is prima!), moeten we dat niet pas na afloop doen als er al afspraken zijn gemaakt. Dan moeten we alert zijn tijdens het proces van onderhandeling en besluitvorming. Maar haast niemand neemt daar de tijd en de moeite voor. Media, publiek en veel politici laten het massaal afweten. Er wordt bezuinigd op Brusselse redacties, Tweede Kamerleden hobbelen achter de feiten aan en de gemiddelde Nederlander heeft geen idee wat er speelt.

Daar zit de kern van het probleem. We moeten wat mij betreft geen paardenmiddel of breekijzer zoals het correctief referendum gebruiken, maar initiatieven nemen voor een veelzijdig debat over Europese samenwerking. Pas door de euro-crisis en het vluchtelingenvraagstuk lijken we te hebben ontdekt dat de EU heel belangrijk is. Dat grote belang moet zich vertalen naar royale media-aandacht, hoge maatschappelijke betrokkenheid en uitgesproken politieke stellingnames. Dat klinkt hoogdravend en veelgevraagd, maar het is nodig om een volwassen openbaar debat over de agenda van de Europese Unie en over de plus- en minpunten van Europese samenwerking te kunnen voeren. We zullen in Nederland en in Europa moeten bepalen onder welke condities en in welke mate we het proces van Europese samenwerking willen vormgeven. Simpele Ja/Nee-vragen doen geen recht aan de veelzijdigheid en veelkleurigheid van die discussie. Sterker nog, het zou zonde zijn om dat broodnodige debat te smoren met een bot instrument als het correctief referendum.

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/associatieakkoord-oekraine/inhoud/oekraine-referendum

 

Judas, de regisseur van Pasen

 “…zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof…”

Het is Pasen. De tijd van paaseitjes, lammetjes in de wei en voorjaar. Maar Pasen is ook het belangrijkste christelijke feest met Jezus, Judas en Pilatus als hoofdrolspelers. Jezus wordt verraden door Judas en ter dood veroordeeld door Pilatus. Na drie dagen staat Jezus op uit de dood. Die opstanding vormt de kern van het christelijke geloof en maakt Pasen het cruciale feest voor christenen. Als we dat al een beetje vergeten waren, frist The Passion van de EO ons steeds-minder-bijbelvaste geheugen weer op. En voor de meer klassiek georiënteerden is er natuurlijk de Mattheüs Passion.

In het christelijke milieu waarin ik opgroeide vertegenwoordigde Jezus het goede. Jezus als lichtend voorbeeld: hij gaf aan hoe je je leven moest inrichten. De trefwoorden die daarbij hoorden waren naastenliefde, vroomheid, trouw. Tegenover Jezus stond Judas, één van zijn twaalf volgers, die hem verraadde door hem aan te geven in ruil voor 30 zilverlingen.

14Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

47En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks. 48En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. 49En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem.50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. (Mattheus, 26)

Jezus werd opgepakt om vervolgens te worden gekruisigd; Judas kreeg berouw en pleegde zelfmoord.

Dit bekende verhaal uit het Nieuwe Testament is diep verankerd in het collectieve geheugen van de christelijke wereld: Jezus, de verlosser en Judas, de verrader. Een eendimensionaal beeld van goed en fout. De literatuur en de beeldende kunst hebben deze beeldvorming versterkt. Dante geeft in zijn Divina Commedia Judas een plaats in de hel. Op het beroemde Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci is de Judas-figuur een grimmige man met een donker gelaat die krampachtig zijn buidel met bloedgeld vasthoudt.

Laatste Avondmaal Da Vinci

Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci

Ook grootheden als Giotto, Caravaggio, Rembrandt en van Dijck hebben het verraad van Judas geschilderd en vereeuwigd. De figuur Judas heeft bijgedragen aan eeuwenlang antisemitisme, doordat men de Joden als moordenaars van Jezus aanwees. Het woord ‘jood’ is afgeleid van het woord Juda. En Judas was een man uit de streek Judea; uit de stam van Juda. Dit antisemitische geluid werd  breed gedragen in het christelijke Europa, ook al klonken er tegengeluiden, zoals in het bekende gedicht ‘Hij droeg onze smerten’ van Jacob Revius uit de 17e eeuw:

’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten, 
noch die verradelijk u togen voor ’t gericht,
noch die versmadelijk u spogen in ’t gezicht,
noch die u knevelden, en stieten u vol puisten,

’t en zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten
den rietstok hebben of den hamer opgelicht,
of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
of over uwen rok t’saam dobbelden en tuisten :

ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan,
ik ben de zware boom die u had overlaân,
ik ben de taaie streng daarmee gij gingt gebonden,
de nagel en de speer, de gesel die u sloeg,
de bloedbedropen kroon die uwe schedel droeg :
want dit is al geschied, eilaas ! om mijne zonden.

Ook in de huidige tijd komen we de Judas-figuur tegen. Bob Dylan, zelf ooit voor ’Judas’ uitgemaakt toen hij zijn folk-gitaar inruilde voor een elekrische, wijdde in zijn bekende lied With God on our Side een couplet aan Judas:

In a many dark hour
I’ve been thinkin’ about this
That Jesus Christ
Was betrayed by a kiss
But I can’t think for you
You’ll have to decide
Whether Judas Iscariot
Had God on his side.

Judas Amos OzEn sinds vorig jaar is er het boek Judas van Amos Oz. Deze Israëlische schrijver, van wie ik eerder met heel veel plezier en belangstelling het boek Een verhaal van liefde en duisternis las, beschrijft de bijzondere ervaringen van een uitgerangeerde student in het Jeruzalem van 1959. Deze Sjmoeël, worstelend met een scriptie over de rol van Judas, raakt in korte tijd zijn vriendin en de financiële steun van zijn ouders kwijt. Hij wordt gedwongen zijn studie te staken en accepteert een baantje bij een hulpbehoevende oude man en diens schoondochter in ruil voor kost en inwoning. Vanuit dit uitgangspunt vlecht Oz op fraaie wijze een paar verhaallijnen door elkaar met als hoofdingrediënten: de verhoudingen tussen de hoofdpersonages in het boek, het conflict tussen de Joden en de Arabieren en de verschillende visies op de figuur van Judas. In al die verhaallijnen gaat hem om de keuzes die mensen maken en de wijze waarop die keuzes worden gewaardeerd: als verraad of als heldendaad.

De hoofdpersonen uit het boek hebben allemaal een dierbare verloren in de strijd rondom de vorming van de staat Israël. De opa van Sjmoeël werkte voor het Britse gezag en werd door de Joodse ondergrondse vermoord omdat ze hem een verrader vonden. De hulpbehoevende oudere man Gersjom Wald verloor zijn zoon Micha in de strijd tegen de Arabieren. Zijn schoondochter en medebewoonster Atalja is de weduwe van Micha en de dochter van Sjealtiël Abarbanel. Deze man was bevriend met de Arabieren en verzette zich tegen de vorming van een Joodse staat. Hij was door die goede contacten onder de indruk geraakt van de Arabische vrees voor de vestiging van een Joodse staat die zou uitgroeien tot een expansionistisch, westers georiënteerd bolwerk. Daarom pleitte Abarbanel voor een open en welwillende houding tegenover de Arabieren en voor samenwerking. Door die stellingname werd Abarbanel in zionistische kringen uitgemaakt voor verrader en uit het bestuur van de Zionistische Wereldorganisatie en de Jewish Agency gegooid. Verbitterd trok Abarbanel zich terug in zijn huis waar ook Micha en Atalja na hun huwelijk kwamen wonen. Diezelfde Abarbanel nodigde Gersjom Wald ook uit om in dat huis zijn intrek te nemen (p. 261). Gesjom aanvaardde de uitnodiging, ook al deelde hij niet diens visie over het samengaan van Joden en Arabieren. De twee mannen slaagden er tot de dood van Abarbanel niet in om tot een goed gesprek te komen: de afstand was te groot (p. 261).

Oz verbindt de lotgevallen van deze hoofdpersonen direct met de strijd rondom de stichting van de staat Israël. Het huis staat in die zin symbool voor de staat Israël. De inwoners vertegenwoordigen de uiteenlopende visies ten aanzien van de vorming en de inrichting van de staat. De strijd om de staat Israël is niet alleen een gevecht van woorden en visies, maar ook een fysieke strijd op leven en dood. Iedere hoofdpersoon heeft een naaste verloren. Een harde strijd met slachtoffers, helden en verraders. Het lukt niet om tot een gezond, gezamenlijk huishouden te komen. De meningen lopen te ver uiteen, de persoonlijke trauma’s zijn te groot. Dit laatste blijkt ook uit de enkele romantische contacten tussen Sjmoeël en de oudere Atalja[1]. Zij is al te veel beschadigd om zich te kunnen binden.

Amos Oz geeft het thema verraad een extra dimensie door naast de hoofdpersonen en de historische context van Israël halverwege de twintigste eeuw nog een derde laag aan te brengen: de studie van Sjmoeël naar de rol van Judas. Meerdere verwijzingen naar onderzoeksteksten van Sjmoeël en zijn gesprekken hierover met Gersjom Wald geven nog meer diepgang aan dit boek. De meningsverschillen en de wederzijdse beschuldigingen van verraad tussen Joden onderling rond 1959 worden gerelateerd aan interpretaties van de verhouding tussen twee Joodse mannen die tweeduizend jaar eerder leefden, Judas en Jezus. Daarbij wordt ook besproken hoe de beeldvorming van die verhouding zich heeft vastgezet in de hoofden van niet-Joden zoals christenen en Arabieren: Judas als moordenaar van God (“om een godheid te doden moet de doder nog sterker zijn dan de god en hij moet ook oneindig kwaadaardig en slecht zijn”) (p. 55).

De dominante visie op Judas die Sjmoeël stap voor stap prijsgeeft in het boek is die van een vurige gelovige. Judas werd aanvankelijk door de priesters uit Jeruzalem ingehuurd om Jezus te bespioneren. De religieuze kaste wantrouwde Jezus en men zocht iemand om hem van dichtbij in de gaten te houden. Judas was de enige apostel die niet uit Galilea kwam. De enige ook die goed opgeleid en geletterd was. Judas de penningmeester. Van relatieve buitenstaander groeide hij uit tot vertrouwensman van Jezus en één van zijn vurigste apostelen. (p. 188, 189). Hij komt tot de overtuiging dat Jezus waarlijk goddelijk is en wil dit aan de hele wereld openbaren.

Judas legt Jezus het plan voor om naar Jeruzalem te gaan om daar in het centrum van Israël tijdens het joodse Pesach-feest een ongekend wonder te verrichten waardoor iedereen overtuigd zal worden van zijn goddelijkheid. Judas begint op Jezus in te praten om hem van deze strategie te overtuigen, maar Jezus twijfelt hevig. Uiteindelijk weet Judas hem te overtuigen en gaat Jezus met zijn discipelen op weg naar Jeruzalem waar hem een dramatische confrontatie met het Romeinse en Joods-religieuze gezag wacht. Judas, die Jezus eerst aanspoort en hem daarna aangeeft, speelt een sleutelrol. Zo wordt Judas “de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging” (p. 193).
Als Judas ontdekt dat Jezus als gewone sterveling bezwijkt aan het kruis raakt hij buiten zinnen. Zijn plan en zijn geloof vallen in duigen. In hoofdstuk 47 beschrijft Oz op indringende wijze de wanhoop en desillusie van Judas. Zijn vurige wens en verwachting gingen niet in vervulling. Integendeel, zijn grote leermeester stierf een gruwelijke dood. Pasen zonder wederopstanding. Judas ziet geen uitweg meer. Hij vlucht en verhangt zich.

Deze visie op Judas laat een heel ander beeld zien dan wij gewend zijn. Als Judas nog twee dagen geduld had gehad, had hij mee kunnen maken hoe Jezus uit de dood was opgestaan en was hij misschien wel gevierd als de wegbereider van de Messias. Jezus zou hem ongetwijfeld vergeven hebben.

Er zijn dus meerdere visies op Judas mogelijk. Judas de Jood, Judas de spion, Judas de leerling, Judas de strateeg, Judas de gelovige, Judas de geldwolf, Judas de vertrouwenspersoon.  Bij al deze uiteenlopende visies op Judas blijft toch vooral dit paradoxale beeld hangen: zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof.

Aan het einde van het boek van Oz verlaat Judas-onderzoeker Sjmoeël het huis om een eigen bestaan op te gaan bouwen. Een onzeker bestaan in een jonge staat vol haviken en duiven, vol geweld en idealen, vol mensen die in de ogen van sommigen helden zijn en in de ogen van anderen verraders. Hopelijk heeft Sjmoeël de wijze les van Gersjom Wald in zijn oren geknoopt dat hij moet oppassen voor fanatieke wereldverbeteraars die beloven dat ze ons komen verlossen, maar “binnen de kortste tijd ons bloed vergieten”.

 

[1] Dit thema van de jongeman en de oudere vrouw is ook terug te vinden in Oz’ autobiografische boek Een verhaal van liefde en duisternis.

 

P.S. Een dag na het plaatsen van dit blog staat er in de NRC een boekbespreking van het boek Judas van Peter Stanford. Een studie naar de verschillende visies op de persoon van Judas. Alsof het boek van Sjmoeël  50 jaar na dato alsnog is uitgekomen.

Schoolcampus

 

 “die goeie ouwe Schoolcampus is totaal niet future proof”

 

Bij het faillissement van V&D werd op social media en op televisie ook het verdwijnen van de Schoolcampus gememoreerd en betreurd. Veel gedeeld jeugdsentiment over die halve verdieping die V&D iedere zomer inruimde voor een enorm assortiment agenda’s, kaftpapier, geodriehoeken en schooltassen. Dat was V&D op zijn best: groot uitpakken rondom een bepaald thema (de kampeer-uitstalling met tenten op het dak was ook zo’n fenomeen). De schoolcampus werkte als een magneet op de schoolgaande jeugd, die en passant ook meteen badkleding, make up en spijkerbroeken bij V&D kocht. De droom van elke marketeer. Die droom is nu definitief ten einde. En, als je goed nadenkt, kon het ook niet anders. Mijn eigen ervaringen met de Schoolcampus illustreren dat.

Het was 1971. Ik was dertien jaar en had net de brugklas afgerond. Een bewogen jaar, omdat mijn vader in het najaar van 1970 met zijn auto was verongelukt. Een breuklijn in mijn brugklasjaar. Met mijn moeder en broer logeerde ik die zomer in Amstelveen bij goede vrienden van mijn ouders, die ik – zoals toen gebruikelijk was- oom en tante noemde. Opmerkelijk genoeg had mijn tante een paar maanden na mijn vader ook een auto-ongeluk gehad. Zij had dit gelukkig overleefd, maar was wel zwaargewond geraakt en moest lang revalideren. In feite hielpen beide gezinnen elkaar op deze manier. Mijn moeder had geen zin in een vakantie in het buitenland, maar was er toch even uit. Het gezin van mijn oom en tante werd zo opgevangen en wij konden als kinderen onderling spelletjes doen en leuke uitstapjes maken.

Een van die uitstapjes was de Schoolcampus van V&D. Ik kwam uit een klein dorp in Gelderland en was geen grote winkels gewend. Mijn schoolspullen had ik het jaar daarvoor bij een kleine kantoorboekhandel gekocht. En nu ging ik op een geleende fiets naar het walhalla van elke scholier: de Schoolcampus. Ik keek mijn ogen uit. Na een uurtje shoppen ging ik met een rijke buit naar de kassa. Wat zou ik mijn klasgenoten imponeren met mijn stadse spullen. Op de benedenverdieping liep ik ook nog eens wielrenner en Tourwinnaar (1968) Jan Janssen tegen het lijf die foto’s met handtekeningen uitdeelde. Mijn dag kon niet meer stuk.

Vijfentwintig jaar later liep ik weer rond op de Schoolcampus van V&D in Amstelveen. Dit keer met mijn oudste zoon die naar de middelbare school ging. Door een speling van het lot was ik medio jaren ’80 met mijn gezin in Amstelveen beland. Het werd mijn tweede Schoolcampus-ervaring. Mijn zoon was veel minder onder de indruk van het geheel dan ik destijds. Als Amstelvener was hij al zo vaak in V&D geweest. Hij genoot vooral van het feit dat de basisscholen al weer begonnen waren en hij als oudste nog een weekje vrij had. Samen gingen we op zoek naar dezelfde spullen die ik destijds nodig had: een mooie agenda, kaftpapier en schriften. Ik genoot van het uurtje quality time met mijn zoon. Maar ik ervoer het ook als een kantelpunt tussen vroeger en nu, tussen gemis en genieten, tussen bekend en onbekend. Door dit uitstapje realiseerde ik me eens te meer ik dat ik me vanaf dat moment als vader niet meer kon spiegelen aan mijn eigen ervaringen met mijn vader. Ik betrad onwennig een soort onontgonnen gebied. Help, mijn zoon wordt puber.

schoolspullenvd

Nu, weer twintig jaar en vier pubers later, is er dus geen V&D en geen Schoolcampus meer. Eigenlijk geen wonder, als je erover nadenkt, want die goeie ouwe Schoolcampus is totaal niet future proof. Als over een jaar of tien mijn oudste kleinkind naar de middelbare school gaat, zal ze geen kaftpapier nodig hebben: al het lesmateriaal is digitaal beschikbaar. Geen boeken en schriften meer, maar een tablet. Ook een agenda hoeft niet meer: al haar lessen en afspraken houdt ze bij via haar digitale organizer. Linialen, geodriehoeken en passers zullen tot het stenen tijdperk behoren. Huiswerk maakt ze met behulp van tientallen apps. Dit alles zeg ik zonder een greintje sentimentaliteit. Ik wil graag dat mijn kleinkinderen met hun tijd meegaan. En daar past geen Schoolcampus meer bij. Ik hoop alleen wel dat zij net als wij destijds een plekje vinden om in die lange zomervakantie een beetje rond te dwalen en school-voorpret te beleven. En dan liefst niet gemedieerd en digitaal, maar lekker hangen, duwen, plukken en lachen met elkaar. Misschien dat Roland Kahn van Coolcat daarvoor iets kan bedenken.

Koop geen krant van je geboortedag (maar van de dag erna)

 

 

 

 

Als ik in de klas vraag wie er dagelijks een krant leest, gaan er maar een enkele hand de lucht in. De meeste studenten lezen geen kranten. Thuiswonende studenten bladeren hooguit af en toe in de krant van hun ouders en verder kijkt men in het OV wel eens een rondslingerende Metro in. Meer niet.

Ik bespreek met de klas dat het beeld dat oprijst uit deze onwetenschappelijk peiling in de klas ook te zien is in serieuzere onderzoeken en publicaties. Bakker & Scholten geven in hun Communicatiekaart van Nederland (2014) aan de meeste dagbladen kampen met relatief lage bereikcijfers onder jongeren. Grofweg één op de drie jongeren leest geregeld een krant. Geen dramatisch beeld, maar ook geen geruststellende aantallen voor de krantenbranche. Het onderzoek van het Sociaal-Cultureel Planbureau naar tijdsbesteding (2015) laat zelfs een fiks lager cijfer zien. Volgens het SCP leest maar 11% van de jongeren tussen de 20 en 34 jaar regelmatig een papieren dagblad.

In het gesprek dat hierop met de klas volgt, klinkt van alle kanten door dat er een generatie-kloof bestaat. De ouders van studenten volgen vooral het nieuws via de televisie en de krant, terwijl de studenten zelf met name op de hoogte blijven via internet en social media. Als er iets belangrijks gebeurt krijgen ze een nieuws-update of sturen vrienden berichten door via Facebook, Twitter of Instagram. Snel en makkelijk. Voor de meeste studenten is een krant te duur, te saai of te achterhaald (of alle drie tegelijk). Een krant is voor veel studenten in meerdere opzichten ‘oud nieuws’.

Ik licht toe dat het mediagedrag van ouderen volgens de literatuur gebaseerd is op het poortwachtersprincipe: journalisten verzorgen het nieuwsaanbod voor hun vaste afnemers door nieuwsberichten te selecteren en van context en commentaar te voorzien. Jongeren laten zich niet op deze wijze bedienen, maar zijn actief binnen online netwerken en platforms waar zij  hun nieuws en nieuwtjes oppikken. Dit kan leiden tot een soort collectieve kokervisie omdat je doorgaans in een netwerk van gelijkgezinden actief bent. Daarbinnen worden vooral berichten verspreid en geliked die goed vallen binnen de groep. Dit verschijnsel wordt ook wel ‘echo chamber’ genoemd: binnen het eigen sociale netwerk elkaar voeden en napraten met als gevolg dat de collectieve meningsvorming wordt versterkt. Andere geluiden dringen niet door.

An empirical examination of echo chambers in US climate policy n

echo chamber bron: http://phys.org/news/2015-05-climate-debate-fueled-echo-chambers.html

 

Ik sluit het college kwinkslagend af met de opmerking dat je oudere mensen tegenwoordig blij kunt maken met de krant van hun geboortedag, terwijl jongere generaties later vast gaan vragen om een lijst met ‘trending topics’ van hun geboortedag. De klas grinnikt.

Na afloop van het college komt een student naar me toe. Hij is getroffen door mijn slotopmerking. Hij vertelt dat zijn vader een verstokte krantenlezer is die precies binnen het ouderen-profiel uit het college past. En ja, ook zijn vader wil graag, voor zijn 60e verjaardag, een krant van zijn geboortedag krijgen. De student vertelt dat hij onlangs nog een paar sites met een dergelijk aanbod had bekeken.

“Ik vind het echt een leuk idee”, lacht de student, zonder een reactie van mijn kant te verwachten.

“Ik weet het niet”, verras ik hem, “jullie vinden een krant niet voor niets ‘oud nieuws’; een krant bevat altijd het nieuws van de vorige dag, dus je zou eigenlijk de krant van de dag na zijn geboortedag moeten bestellen”.

“Zo had ik het nog niet bekeken”, reageert de student, “daar moet ik nog eens goed over nadenken”. “Wat zou U doen?”

“Ik zou persoonlijk zeker de dag na mijn geboortedag kiezen”, zeg ik, “maar ik ben dan ook een zondagskind”.

 

 

P.S.

Nieuwsgierig geworden bekijk ik diezelfde avond de website ‘krantvanuwgeboortedag’. Op deze website wordt mijn stelling bevestigd dat je beter een krant kunt bestellen van de dag na je geboortedag. Ik ben inderdaad op een zondag geboren. Als ik mijn geboortedatum invoer krijg ik deze mededeling te lezen:

Er zijn voor zondag 08-12-1957 helaas geen kranten gevonden.

Het nieuws van deze dag staat in de krant van maandag!

(http://www.krantvanuwgeboortedag.nl/datum/08-12-1957/)

Deze mededeling geldt natuurlijk niet exclusief voor de zondag. Ook voor de andere dagen in de week vind je het nieuws van je geboortedag in de krant van de dag erna. De pechvogels zijn de mensen die op een zaterdag zijn geboren: zij moeten twee dagen doortellen.

 

 

 

 

Het Vegetarische Vrienden Dilemma

 

tolerantie

 

 

 

 

 

 

 “Paradoxaal genoeg  zie je dan vaak dat andere mensen, die minder last hebben van tolerante remmingen, juist vol op het orgel gaan. Intoleranten hebben minder moeite om intolerantie te bestrijden dan toleranten.”

 

 

“We moeten intolerant zijn tegenover intolerantie”, hoorde ik laatst iemand op de radio zeggen. De spreker bedoelde met ‘we’: wij, tolerante Nederlanders. En met intolerantie doelde hij op de houding en het gedrag van veel nieuwkomers in ons land. Nu kun je je afvragen of wij Nederlanders inderdaad zo tolerant zijn[1]. We hebben in het buitenland de naam nogal bot en recht voor z’n raap te zijn, dus zo ruimhartig en verdraagzaam vinden velen ons niet. Maar los van de vraag hoe tolerant we in Nederland zijn, refereert de radio-uitspraak aan een paradox die je in meer situaties tegenkomt. Hoe ga je om met mensen die totaal anders zijn? Denk aan de worsteling van iemand met een bescheiden karakter die om zich heen ziet hoe brutale types de kaas van zijn brood eten en haantje de voorste spelen. Hij weet dat hij zich assertiever zou moeten opstellen, maar dat ligt niet in zijn aard. Daarmee zou hij zich forceren en zich op een terrein begeven waarop hij zich minder vertrouwd en bedreven voelt. Je zou kunnen zeggen dat brutalen minder moeite hebben dan bescheiden mensen om andere brutalen tegengas te geven. Zo geldt dat ook voor tolerante, ruimhartige mensen die geconfronteerd worden met onverdraagzame en kleingeestige tegenvoeters. Die intolerantie is voor verdraagzame mensen een gruwel, maar hun tolerante inborst maakt het moeilijk om dat stevig aan de kaak te stellen en een scherpe lijn te trekken. Paradoxaal genoeg  zie je dan vaak dat andere mensen, die minder last hebben van tolerante remmingen, juist vol op het orgel gaan. Intoleranten hebben minder moeite om intolerantie te bestrijden dan toleranten.

De term die ik voor dergelijke paradoxale situaties gebruik is het ‘vegetarische vrienden dilemma’. Stel, je hebt een eetafspraak bij vegetarische vrienden en je krijgt een vleesvrije maaltijd voorgeschoteld. Hoewel je zelf niet vegetarisch bent, pas jij je aan de situatie aan en prik je zonder bezwaren een vorkje mee. Maar als jij bij wijze van tegenprestatie je vegetarische vrienden bij jou thuis uitnodigt, weet je van te voren dat zij zich niet aan jouw culinaire voorkeur zullen aanpassen. Zij zullen weigeren vlees te eten en je wordt eigenlijk gedwongen hun een maaltijdvariant zonder vlees voor te schotelen. Zo wordt er niet gelijk overgestoken. Jij past je zowel uit als thuis aan hen aan, terwijl zij in beide gevallen vasthouden aan hun eigen uitgangspunten en jou niet tegemoet komen.

Hier botsen twee soorten principes of houdingen. Vegetariërs hebben een uitsluitend principe: zij sluiten de consumptie van vlees uit, waar ze ook zijn. De niet-vegetariërs zullen over het algemeen geen exclusief vlees-principe hebben van het type ‘ik moet hoe dan ook bij elke maaltijd vlees hebben’. Zij hebben geen exclusieve positie en willen best een keer geen vlees eten, zelfs in hun eigen huis met vegetarische gasten. Uitsluiten tegenover inschikken. Met een keer geen vlees eten lukt dat nog wel, maar wat als het om zaken gaat als discriminatie (schikken we in of spreken we ons uit als vrienden kwetsende opmerkingen maken over mensen met een andere huidskleur of seksuele geaardheid?), het gebruik van geweld (grijpen we in als we zien dat iemand in elkaar wordt geslagen), of het tonen van naakt (hoeveel naakt kunnen we verdragen in de media en de openbare ruimte?). Een interessante variant op dat laatste punt was het bezoek van de Iraanse leider Rohani aan Rome. Uit angst hem voor het hoofd te stoten werden op de ontvangst-locatie in Rome (de Capitolijnse musea) klassieke naakte beelden afgeschermd en aan het zicht onttrokken.[2]

Rohani in Rome

De hamvraag bij al deze kwesties is waar je de grens trekt. Hoe sterker iemands uitsluitende principes (bijv. anti-vlees, anti-homo, anti-moslim), des te minder ruimte hij laat voor compromis en inschikken. De andere partij, met een minder uitgesproken en minder uitsluitende opstelling, lijkt terrein prijs te geven door inschikkelijk te zijn. Je kunt dat opvatten als een teken van onmacht of verlies, maar je zou het ook kunnen zien als een teken van kracht en fatsoen. Die kracht zit in de ‘open mind’ en het vermogen om over benauwde hokjes heen te kijken. En het fatsoen blijkt uit het feit dat je rekening houdt met andere mensen. Net zoals je niet hardop gaat zitten boeren in een restaurant, of zoals je je huis even opruimt als er visite komt. Voorbeelden te over: zoals de zoon op kamers die zijn porno-dvd’s uit het zicht legt als zijn ouders op bezoek komen, of de gastheer die geen pianoconcert opzet als hij weet dat zijn gasten niet van klassieke muziek houden, of de vrouw die geen sigaret opsteekt als een vriendin met haar baby een kop koffie komt drinken. Het gaat niet alleen om principes, maar ook om goede smaak en rekening houden met de ander.

Maar dan toch, waar trek je de lijn? Hoe tolerant en flexibel wil je zijn? Wat als de ander geen rekening met jou houdt? Wat is voor tolerante en verdraagzame mensen de ondergrens?

Voor mij is dat de rechtsstaat, het geheel van democratisch vastgelegde afspraken en spelregels. Een gezonde rechtsstaat in een open samenleving met pluriforme politieke partijen en vrije media is een kostbaar goed. Het is ook een weerbaar stelsel dat tegen een stootje kan. Die rechtstaat wordt niet ondermijnd als Zwarte Piet verdwijnt, maar wel als stagebedrijven studenten met een donkere huidskleur weigeren. Die rechtsstaat wordt niet bedreigd als er in kantines ook halal-voedsel wordt aangeboden, maar wel als er mensen worden geronseld voor een heilige oorlog tegen het Westen. Die rechtsstaat staat niet onder druk als mensen moeite hebben met openbaar naakt, maar wel als vrouwen in korte rokjes worden aangerand. Die rechtsstaat is niet in gevaar als politici lopen te hakketakken tegen elkaar, maar wel als politici worden bedreigd, of als vergaderingen van gekozen vertegenwoordigers (gemeenteraad, Tweede Kamer) worden verstoord. In al die gevallen moet het antwoord ondubbelzinnig afwijzend zijn. Handen af van de rechtsstaat. Niet vanwege smaakverschillen of tradities, maar omdat het gaat om de spelregels die we met elkaar in alle openheid hebben afgesproken en vastgelegd. En als we het niet eens zijn met bepaalde regels, dan geeft de rechtsstaat aan welke weg we moeten volgen om deze te veranderen. Zo, en niet anders.

 

Ten slotte

Het vegetarische vrienden dilemma is oplosbaar.

Als je als vleesliefhebber vegetarische vrienden te eten krijgt, maak dan een lekker vleesvrij gerecht voor je gasten en bepaal zelf of je daarbij op je eigen bord een stukje vlees of vis legt. Niemand dwingt de ander iets tegen zijn/haar smaak of principes in te eten. Als het vrienden zijn zal dat geen probleem zijn. Als zij het niet kunnen verdragen dat jij vlees eet, leggen zij jou in jouw huis hun wil op. Dat is tegen de spelregels. Dus niet acceptabel.

 

[1] De term tolerantie heeft in de dagelijks gebruik een royalere betekenis dan het woord als zodanig aangeeft. Tolerantie betekent dat je iets verdraagt, niet dat je iets omarmt. ‘Ik verdraag je aanwezigheid’ is wat anders dan ‘wat fijn dat je er bent’.

[2] http://www.telegraaf.nl/buitenland/25081355/__Rome_bedekt_naakte_beelden__.html

 

 

“Help, mijn dochter heeft een gymnasium-advies”

 

 

 

 

Kennismaking met de nieuwe medewerkster Kwaliteitszorg. Als ik haar kamer binnenloop zie ik een gezicht dat me bekend voorkomt, maar ik weet niet precies waarvan. Ze ziet dat kennelijk aan mijn blik en zegt, terwijl we elkaar de hand schudden: “ik ben Karlijn Schoof, maar u kent me misschien nog wel onder mijn meisjesnaam: Wagenaar. Ik heb ooit bij u in de collegebanken gezeten.”

Dan weet ik het weer. Karlijn Wagenaar maakte deel uit van een levendige groep studenten die ik een kleine 20 jaar geleden gedurende een jaar als mentor onder mijn hoede had. Al snel wisselen we met veel plezier verhalen van vroeger uit. Ze vertelt me ook over haar gezin en haar carrière. Ze legt uit hoe ze via allerlei omzwervingen tegen deze mooie functie is aangelopen op de plek waar ze ooit haar opleiding volgde. De tijd vliegt om en het lukt haar zelfs om, op mijn aandringen, mij met ‘jij’ aan te spreken in plaats van met ‘u’. We zijn nu immers collega’s. Als haar nieuwe afspraak al voor de deur staat, vraagt ze me nog snel om advies over een persoonlijke kwestie. Haar dochter van 11 heeft een gymnasium-advies gekregen en een paar kinderen uit haar klas willen graag naar een categoriaal[1] gymnasium in de stad. Ze weet dat ik vier volwassen kinderen heb en vraagt of ikzelf ook voor deze keuze heb gestaan. Ik vertel haar dat een paar van mijn kinderen ook een gymnasium-advies hadden en dat we met ieder kind een rondje langs verschillende scholen, inclusief categoriale gymnasia, hebben gemaakt. Uiteindelijk kozen onze kinderen voor lokale scholengemeenschappen. Dat had als voordeel dat zij niet van school hoefden te veranderen als zij het niet op het gymnasium konden bolwerken, of als zij hun belangstelling in Grieks en Latijn zouden verliezen. Ik geef ook aan dat we toen al zagen dat gymnasia steeds populairder werden. Inmiddels barsten de gymnasia uit hun voegen, worden nieuwe gymnasia uit de grond gestampt en creëren scholengemeenschappen aparte gymnasium brugklassen. Steeds meer kinderen krijgen een gymnasium-advies en veel ouders zien in het gymnasium een veilige (witte?,  elite?) onderwijsomgeving.

Dit alles blijkt niet het zorgpunt van mijn oud-student/nieuwe collega te zijn. “Ik zie eerlijk gezegd het nut van een gymnasium-opleiding niet in”, zegt ze. “Wat heb je tegenwoordig nog aan Grieks en Latijn?” Als ik mij schrap zet om daar een gedegen antwoord op te geven, gaat de deur open en komt een collega binnen die duidelijk maakt dat onze tijd op is. “Ik kom hier graag nog op terug, Karlijn”, beloof ik, terwijl ik haar kamer uitloop.

Terug op mijn werkkamer denk ik, als oud-gymnasiast, aan wat mijn gymnasium-opleiding me heeft opgeleverd. Ik pak een blaadje een krabbel een lijstje vol:

–          Kennismaking met culturen die mede de basis vormen van de onze

–          Kennismaking met filosofie

–          Het beter begrijpen van de spelregels en grammatica van talen

–          Het leren van woorden die op hun beurt weer helpen bij het leren begrijpen van talen als Frans, Engels (bijv. alle Engelse woorden die op-ion eindigen) en Italiaans

–          De omzwervingen van Odysseus en Aeneas

–          Het relativering van mijn christelijke opvoeding door de kennismaking van klassieke religies en hun overeenkomsten en verschillen met het christendom

–          De geografie van het Middellandse Zee gebied

–          De klassieke mythologie met universele thema’s als liefde, hoop, strijd, ouderschap en dood

–          Het herkennen van klassieke thema’s in allerlei kunstuitingen (muziek, schilderkunst, literatuur, etc.)

Maar ik bedenk me ook dat gymnasia niet alleenzaligmakend zijn. Ik heb ook kinderen die HAVO of VWO zonder klassieke talen hebben gedaan en ook prima hun draai hebben gevonden. Vakken als Engels, Nederlands, Muziek, Techniek of Filosofie dragen ook bij aan algemene ontwikkeling en bieden een goede basis voor vervolgopleidingen.

Het duurt een paar weken voordat ik Karlijn weer te spreken krijg. Na afloop van een studiemiddag vraagt ze me mijn mening over haar eerste nieuwsbrief. “Vertel me eerst eens hoe het met je dochter is”, reageer ik. “De kogel is door de kerk”, zegt ze met de nodige opluchting. “Ze gaat gewoon atheneum doen en geen Grieks en Latijn. Mijn dochter is het met me eens dat je daar heel weinig aan hebt.” Ik besluit mijn pluspunten-lijstje niet in de strijd te gooien. In huize Schoof is die strijd overduidelijk al beslecht in het voordeel van het niet-klassieke kamp.

“En”, vraagt Karlijn, “wat vond je van mijn nieuwsbrief?”

“Ik vond hem prima”, antwoord ik, “alleen zou ik voortaan niet meer de aanhef ‘Collegae’ gebruiken.”

 

[1] Soms zegt men categoraal, soms categoriaal: https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/categoraal-categoriaal-gymnasium

Toevoeging op 21 mei 2017:

Dit weekend (20 mei 2017) staat er een interessante column van Aleid Truijens in De Volkskrant over de ‘run op categorale gymnasia’. Zij bestrijdt dat de kwaliteit van die scholen beter is dan van gymnasium-afdelingen op scholengemeenschappen:

http://www.volkskrant.nl/opinie/dat-categorale-gymnasia-beter-zijn-is-een-mythe~a4495984/

 

 

 

 

Geven en Nemen of Delen

 

Marjoleine de Vis schreef in de NRC van 16 januari j.l. een bijzondere reactie op de massale aanrandingen in Keulen.[1] Aan de hand van het trefwoord ‘intimiteit’ plaatst zij de gewelddadige gebeurtenissen in Keulen in een man-vrouw context zonder daarbij naar andere culturen of religies te kijken. Niet om te relativeren of te bagatelliseren. Integendeel, de Vos is duidelijk: “een vreemde man die een vrouw in haar billen knijpt, verricht een daad van agressie. Altijd.” In de beschouwing van de Vos vormen ons eigen denken en onze eigen woorden het uitgangspunt. De Vos geeft diverse voorbeelden van hoe we zijn opgevoed en grootgebracht met verhalen over vrouwen die zijn vernederd en beschadigd. Ze noemt daarbij ook de mythologische wordingsgeschiedenis van Europa zelf. Europa was een koningsdochter uit het Midden-Oosten (waarvandaan nu de vluchtelingen komen). Zij werd geschaakt door de Griekse oppergod Zeus (vermomd als een witte stier) die haar ontvoerdde naar Kreta en verkrachtte. In Engelstalige bronnen wordt deze gebeurtenis aangeduid als ‘the rape of Europe’, waarbij het woord rape (verkrachting) verwant is aan ons woord roof.[2] Opmerkelijk genoeg is de bron van onze Europese beschaving dus een verkrachtingsverhaal. Een verhaal dat door talloze kunstenaars is verbeeld.

Rubens_-_El_rapto_de_Europa

Rubens: de roof van Europa

Hilversum Sportpark

Hilversum, Sportpark

Europa and the Bull circa 1845 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851

Turner: Europa and the Bull

Door de eeuwen heen hebben dergelijke verhalen (denk ook aan de klassieke verhaal van de Sabijnse maagdenroof) ons denken voor een belangrijk deel bepaald. De Vos illustreert dit met de woorden ‘geven’ en ‘nemen’: “of we het nu leuk vinden of niet: een vrouw geeft (zich), een man neemt (haar). Daar zit een merkwaardige ongelijkheid in. Geeft een man zich niet? In de intimiteit wel, maar daarbuiten kennelijk niet, wat hij ook doet. Maar een vrouw wordt altijd genomen, met of zonder toestemming. Zij heeft niet dezelfde mogelijkheid om haar intimiteit af te schermen….. Intimiteit is een groot goed. En dan bedoel ik misschien nog wel het meest het recht, en de behoefte, om dingen voor jezelf te houden, of alleen te delen met wie je daarvoor hebt uitgekozen.”[3] De Vos schetst hoe in onze cultuuroverdracht de man als actieve partij (hij neemt) wordt gezien en de vrouw als passieve partij (zij wordt genomen).

Deze beschouwing van de Vos (en haar duiding van de woorden geven en nemen) deden mij denken aan de colleges Inleiding Communicatie die ik ieder jaar verzorg voor eerstejaars studenten. Ik leg daarbij de termen ‘zender’ en ‘ontvanger’ uit. In klassieke zin is de zender actief en de ontvanger passief. Met de komst van internet en sociale media het steeds moeilijker wordt om die twee termen te scheiden. Dankzij internet is iedereen zender en ontvanger tegelijk. Effectieve communicatie draait tegenwoordig minder om eenzijdige, zender-gedreven communicatie, maar des te meer om delen: dialoog, conversatie en co-creatie. Mijn luchtige slotbetoog daarbij is dat je goede communicatie in dat opzicht met goede seks kunt vergelijken: de liefde moet van twee kanten komen. Ik leg daarbij uit dat de woorden communicatie en gemeenschap niet voor niets eenzelfde betekenis in zich dragen. Daarbij zijn er in de communicatie ook ‘ongewenste intimiteiten’ zoals de stapels drukwerk in de brievenbus. Reclame wordt vaak gezien als verleidingskunst en sommige lobby-activiteiten lijken sterk op stalking. En het draaien of framen van woordvoerders is soms te vergelijken met ontrouw en valse beloftes in een relatie. Natuurlijk leveren deze vergelijkingen gegrinnik op in de collegebanken. En ik heb gemerkt dat de parallellen blijven hangen. Het wordt in latere jaren nog wel eens door een ouderejaars student gememoreerd.

Terug naar het serieuze relaas van Marjoleine de Vos. Nogmaals een citaat: “Een moeilijk punt is dat vrouwen nu eenmaal zwakker zijn dan mannen. Begeerde vrouwen met geweld nemen, is dus iets dat altijd is gebeurd en zal gebeuren.” Als je verder nadenkt over dit thema, met ‘Keulen’ in het achterhoofd, zou je kunnen betogen dat we des te gemotiveerder moeten zijn om te streven naar meer gelijkwaardige relaties en naar het onvoorwaardelijk bestraffen van inbreuken op onze intimiteit, zowel op privé-vlak als in de publieke ruimte (op straat, bij het station, in een café, op kantoor). Ons denken over mannen en vrouwen zou uit moeten gaan van gelijkwaardigheid, respect en delen. Anders gezegd: niet geven of nemen, maar delen.

Als we ons niet willen laten regeren door geweld en de macht van de sterkste, is open en eerlijke communicatie een lonkend alternatief. Jürgen Habermas lanceerde in dit verband in de jaren ’80 de term  herrschaftsfreie Kommunikation.[4] Van recentere datum is de term Geweldloze communicatie (Marshal Rosenberg). Goede communicatie is gebaat bij gelijkwaardigheid tussen de betrokken partijen en het beperken van communicatieve uitwassen. Anders gezegd: niet zenden of ontvangen, maar delen.

Hierbij doet zich het opmerkelijke feit voor dat communicatie, in tegenstelling tot veel andere gebieden, een maatschappelijk terrein is waarop mannen en vrouwen in principe gelijkwaardig zijn. Sterker nog, vaak zijn vrouwen beduidend beter in het beheersen van de vele facetten van communicatie dan mannen. Geen wonder dat er zoveel succesvolle vrouwen in dit vakgebied rondlopen en dat er zoveel meiden voor een communicatie-opleiding kiezen. Een bijzonder, hoopvol gegeven in een tijd waarin zoveel debat is over de bedreiging van de bewegingsvrijheid van vrouwen.

 

[1] http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/16/de-vrouw-geeft-zich-de-man-neemt-haar-1576541

[2] Ik schreef hierover in een eerder blog: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326

[3] Ik onderstreep het woord delen, omdat ik dit later opnieuw zal gebruiken.

[4] Interessant genoeg betekent Herrschaft heerschappij; een heerschap is eerder een heer dan een dame.

Waarom het toch even slikken is vandaag….

 

 

 

 

Misschien wel omdat tijdens de eindexamenfeesten overal Ziggy Stardust werd gedraaid

Misschien wel vanwege zijn twee verschillende ogen en dat ooglapje

Misschien wel vanwege zijn herkenbare Britse dictie

Misschien wel vanwege zijn interesse voor Bertold Brecht

Misschien vanwege het grijsgedraaide live dubbel-album

Misschien wel omdat hij Iggy Pop een helpende hand bood

Misschien wel omdat elk album weer verrassend was

Misschien wel omdat hij Berlijn ontdekte lang voordat het een hippe stad werd

Misschien wel omdat hij ook in films speelde

Misschien wel omdat hij met zijn metamorfosen een soort een eigentijdse Ovidius was

Misschien wel vanwege de parmantige liedjes op zijn eerste album

Misschien wel vanwege zijn samenwerking met Brian Eno

Misschien wel vanwege Ch-Ch-Ch-Ch-Changes

Misschien wel vanwege zijn geweldige optreden in Ahoy’ in 1978

Mischien wel omdat het thema van Life on Mars op de piano mee te spelen was

Misschien wel vanwege zijn scheve tanden

Misschien wel omdat hij net nog een nieuw album heeft uitgebracht

Misschien wel vanwege de bewerking van Heroes en Low door Philip Glass

Misschien wel omdat hij saxofoon speelde

………………………

Misschien wel omdat ik een sentimentele man begin te worden:

Time may change me

But I can’t change time

Suiker, een bitterzoet verhaal

 

 

 

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Mijn eerste reis naar Cuba kent een overstap in Madrid. De vluchtduur vanaf Spanje is ruim 10,5 uur. Het inflight magazine van de airline biedt me een half uurtje verstrooiing. Eén artikel is gewijd aan de tien statussymbolen van rijke Europeanen in de 17e en 18e eeuw. Tot mijn verbazing lees ik dat ‘zwarte tanden’ tot de top 10 behoren. Suiker was een luxe artikel in die tijd en men nam de schadelijke effecten van het zoete goedje op je gebit voor lief. Sterker nog, men pronkte graag met z’n aangetaste tanden om te laten zien dat men welgesteld was. De suiker in die tijd kwam hoofdzakelijk van koloniale rietsuikerplantages.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Christoffel Columbus zet in 1492 in naam van de Spaanse koning als eerste westerling voet op Cubaanse bodem. Tientallen jaren later is de complete inheemse bevolking weggevaagd: uitgemoord door de Spanjaarden of bezweken aan Europese ziektes. Onder de Spaanse veroveraars van Midden en Zuid-Amerika groeit Havana (is die naam verwant aan het Nederlandse woord ‘haven’?) uit tot een belangrijke overslaghaven. Goederen uit Europa worden daar aangevoerd om vervolgens verder verspreid te worden over de koloniale territoria. Andersom worden de opbrengsten uit de Amerikaanse koloniën naar Havana verscheept om van daaruit naar Spanje te worden gebracht.

DSC04767

Haven van Havana, 2015

 

 

 

 

 

 

Al snel komt daar een derde stroom bij: slaven uit Afrika; nodig voor het zware werk in de mijnbouw en op de plantages. Zo ontstaat de zogenaamde intercontinentale driehoekshandel Europa-Afrika-Amerika, waarbij de elkaar fel beconcurrerende koloniale mogendheden uit Europa torenhoge winsten opstrijken en Afrikaanse slaven een zware prijs betalen. Zij worden als vee verhandeld en verscheept om vervolgens onder mensonwaardige omstandigheden ver van huis afgebeuld te worden. De Nederlanders spelen in die jaren een grote rol in de slavenhandel. Een detail in die geschiedenis is de verovering door Piet Hein van een Spaanse zilvervloot in 1528 voor de Cubaanse kust. Deze roof was zeer profijtelijk voor Piet Hein en de Republiek (de opbrengst kwam deels ten goede aan de vaderlandse opstand tegen Spanje). Dankzij het bekende Zilvervloot-lied van Viotta en Heije heeft de zeerover Piet Hein in Nederland heldenstatus gekregen. Nog steeds wordt dit lied aangeheven tijdens sportwedstrijden of op Koninginnedag/Koningsdag. En wie heeft er niet als kind een Zilvervloot-rekening gehad? De Spanjaarden lagen niet lang wakker van dit eenmalige verlies en de Nederlanders hadden, buiten de slavenhandel, nauwelijks een vinger in de Latijns-Amerikaanse pap.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Bij de Zuid-Cubaanse staf Trinidad krijgen we een rondleiding op een voormalige suikerplantage in de Valle de los Ingenios. Onze gids is een Nederlander die al langere tijd in Cuba woont (“dankzij amor ”, zoals hij zelf zegt). Hij brengt ons naar deze plek omdat hij deze interessanter vindt dan de meer toeristische, gerestaureerde plantage-landhuizen in de vallei. In de 17e en 18e eeuw werd de rietsuikerbouw zo lucratief dat vele hectares bos werden gekapt om plaats te maken voor rietsuikervelden. Duizenden slaven, voornamelijk uit West-Afrika, werden naar Cuba verscheept om het zware werk te doen. Op deze locatie zijn zowel de restanten van het landhuis te zien als van de suikermolen (inclusief stookovens en irrigatiekanalen) en de slavenverblijven. Alleen de fundamenten en de omtrekken van deze krappe behuizingen zijn nog te zien. De slaven woonden opeengepakt in kleine stal-achtige hutjes. We staan er met onze neus bovenop. Je kunt je hier een begin van een voorstelling maken van het ellendige leven van slaven op een toenmalige plantage. Ondanks de andere setting doet het me denken aan de concentratiekampen die ik in Europa heb gezien, maar dan op kleinere schaal.

DSC05157

Slaven-verblijven

DSC05176

Enkel-ketens

DSC05139

Wachttoren

 

Onze gids geeft aan dat de Cubaanse overheid weinig belangstelling (en middelen) voor dit aspect van de Cubaanse geschiedenis heeft en dat de lokale bevolking nauwelijks op de hoogte is. Geschiedenis in Cuba is verdeeld in twee tijdvakken: voor en na de revolutie van 1959. Alle vormen van kolonialisme en onderdrukking uit het verleden worden op één hoop gegooid en bestempeld als ‘imperialisme’. En alle vormen van verzet en opstand vallen onder de noemer ‘revolutie’. Allemaal vanuit het ongenuanceerde perspectief van de Castro-clan.  Door de groei van het toerisme en dankzij steun van UNESCO ontstaat er langzamerhand meer aandacht voor deze fase van de geschiedenis en meer besef voor wat er zich hier heeft afgespeeld.

 

Amsterdam-Batavia-Amsterdam

Tijdens mijn studie vormde ik met drie mede-studenten de zogenaamde Suikergroep. Wij bestudeerden het 19e eeuwse Cultuurstelsel in Nederlands-Indië en dan met name de suikerteelt op Java. Nederland was in de koloniale tijd zoals gezegd niet erg dominant in de West, maar des te meer in de Oost. Dankzij het Cultuurstelsel pikte ook Nederland een graantje van de wereldsuikerhandel mee. Het Cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd. Het was een verkapte vorm van slavernij. De lokale bevolking werd gedwongen om 20% van haar (vaak beste) landbouwgrond in te zetten voor het verbouwen van producten voor de Europese markt. Wie geen grond bezat moest 66 dagen per jaar werken voor Nederlands belang. Naast suiker ging het hierbij vooral om koffie. Het Cultuurstelsel werd de spreekwoordelijke kurk waar de Nederlandse economie op dreef in de 19e eeuw. Het volgens velen beste boek uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij van Multatuli, is één grote aanklacht tegen de uitbuiting van de inheemse bevolking door het Cultuurstelsel. Niet voor niets is in onze tijd de naam Max Havelaar gekozen als keurmerk voor Fair Trade producten.

Max Havelaar

Rond 1870 werd het Cultuurstelsel beëindigd, maar nauwelijks ten gunste van de Indische bevolking. De suikerbouw (geregeld in de Suikerwet van 1870) kwam nu in de handen van particuliere Europese bedrijven. De baten gingen naar deze particulieren en de Nederlandse staat. De suiker werd verwerkt in Nederlandse raffinaderijen.

 

Havana-Madrid-Amsterdam

Op de terugweg krijgen we bij de overstap in Madrid voor het eerst in twee weken Nederlandse kranten onder ogen. Twee berichten vallen me op.

In de eerste plaats een nieuwsbericht over de weerstand die er onder winkeliers in Halfweg bestaat tegen de komst van een Factory Outlet in SugarCity op het terrein van de voormalige CSM suikerfabriek. Halfweg en suiker gaan hand in hand. De eerste suikerfabriek in Halfweg opende in 1863 (ten tijde van het Cultuurstelsel) zijn deuren. Op een strategische locatie: dichtbij de Amsterdamse haven en naast de oudste spoorlijn in Nederland: Haarlem-Amsterdam.

Het tweede bericht gaat over bekende Nederlanders die in 2015 zijn overleden. Drs P (in Zwitserland geboren!) is één van hen. Dankzij al de suikerverhalen in mijn hoofd moet ik onwillekeurig denken aan zijn lied De meisjes van de Suikerwerkfabriek uit 1958.  Het is bekend geworden door vertolkingen van Gerard Cox (1966) en van Adèle Bloemendaal (1970).

adele_bloemendaal-de_meisjes_van_de_suikerwerkfabriek_s

 

Een dubbelzinnige tekst:

Zo wordt dikwijls ons verteld
Maar ik wil u demonstreren
Dat het anders is gesteld
Dagelijks ziet men wachten
Bij een groot fabrieksterrein
Die het snoepen niet verachten
Doch er dol op zijn
Want slaat de klok vijf uur
Dan roepen zij vol vuur

refr.:
Daar zijn de meisjes, ja de meisjes van de suikerwerkfabriek
In dat suikerwerk heeft elke heer wel zin
Dus staan wij altijd bij de uitgang van de suikerfabriek
Want de snoepjes van Jamin
Die pak je uit en pik je in

De schrijfster Tessa de Loo leende de titel van dit lied voor een van haar verhalen in de gelijknamige bundel uit 1983. Het verhaal gaat over vier vrouwen die werken in een suikerwerkfabriek en die hun teleurstellende ervaringen met mannen met elkaar delen. Een perspectief dat haaks staat op dat van Drs. P.

Kennelijk is het werk in de suikerindustrie ook in de 20e eeuw nog steeds niet bepaald plezierig, al is er geen sprake meer van slavernij. Tessa de Loo omschrijft het als volgt: “Op de fabriek waren alle dagen eender. Zo snel als de band liep, zo traag verliep de tijd….Het was alsof we in een reusachtige smidse in het binnenste van de aarde werkten, koortsachtig de raderen smerend om haar draaiende te houden, onbewust van wat zich aan haar oppervlakte afspeelde”). Dit doet denken aan het bekende toneelstuk Suiker van Hugo Claus uit 1958. Ook hier wordt de entourage gevormd door het zware, eentonig werk op een suikerfabriek. Bij Claus gaat het om de lotgevallen van buitenlandse seizoensarbeiders in een Noordfranse suikerfabriek: “Ik ben log, een suikerwerker op twee poten, en met twee poten naar voren die bieten op karren laden en bieten in spoorwagens krabben met een riek. Ik stink naar de bieten, ik krijg die bietenlucht niet uit mijn kleren,niet uit mijn haar”).

Tessa de Loo                                              Suiker Hugo Claus

 

 

 

 

 

 

Zo blijkt suiker door de eeuwen heen een omstreden goed. Een verslavend slavenproduct. Zoet en bitter. Wit en zwart. Goed en slecht. Verleidelijk en afstotend.

 

Naschrift 21 september 2016:

Onlangs zag ik op televisie een reportage over Suriname waarin ook de schrijfster Cynthia McLeod een rol speelde. Haar debuut-roman uit 1987 heet ‘Hoe duur was de suiker’ en handelt over de koloniale suikerproductie in het 18e eeuwse Suriname.

Blogsite van Peter 't Lam