Moedige stap van Edith Schippers

Het is goed als een gezichtsbepalende politicus de gelegenheid krijgt en neemt om uitgebreid en afgewogen zijn denkbeelden omtrent een groot maatschappelijk vraagstuk op papier te zetten en in het openbaar te delen. Minister Edith Schippers deed dit onlangs door te spreken over ‘De Paradox van de Vrijheid’ in de door Elsevier georganiseerde H.J. Schoo-lezing.[1]  Geen schreeuwerige verkiezingsretoriek, geen ultra-korte soundbites, geen voortkabbelend praatje-plaatje verhaal à la Zomergasten, maar een doordacht en doortimmerd betoog. Politiek en persoonlijk. Dat zouden meer politici moeten doen.

De centrale vraag van haar lezing is hoe we onze (westerse) verworvenheden met als trefwoord ‘vrijheid’ beter kunnen bewaken en uitdragen zonder onze eigen vrijheid en die van anderen nodeloos in te dammen. Met andere woorden: hoe vrij laat je ander zijn die onze vrijheid op de korrel neemt? Hoe tolerant wil je zijn tegenover intoleranten? Hoe op te treden tegen mensen die onze principes bestrijden, zonder daarmee diezelfde principes ontrouw te worden?

In een uitvoerig betoog, waarin linkse en rechts heilige huisjes niet worden ontzien, probeert Schippers een onderbouwd antwoord te formuleren op haar centrale vraag

Ik heb haar lezing met veel belangstelling en ook op meerdere punten met veel instemming en waardering gelezen. Maar ook met een kritische blik. Ik ga graag in op drie termen die in het betoog van minister Schippers centraal staan: cultuur, maatschappelijk contract en vrijheid.

 

Cultuur

Schippers zegt het volgende over het begrip cultuur:

Frits Bolkestein zei het al in de jaren negentig: alle culturen zijn helemaal niet gelijkwaardig. En ik zeg het hem na: de onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken. In elk geval voor de vrouw. In elk geval voor de homo of de transseksueel. In elk geval voor mensen die niet behoren tot de groep van de machthebbers. Voor mensen die de overheersende religie niet aanhangen.

Cultuur is een complex begrip dat zich moeilijk laat definiëren en operationaliseren. Het woord is afkomstig van het Latijnse werkwoord colere, dat bebouwen of bewerken betekent. Denk aan het het Engelse woord ‘agri-culture’ (= akker bebouwen). Je zou kunnen zeggen dat cultuur in die betekenis gaat om datgene wat de mens toevoegt aan de natuur. In minder materiële zin kan cultuur ook gaan om het ‘bewerken’ van je geest of ziel. En dan kom je in de buurt van de termen verering, religie  of cultus. Het woord cultuur kan ook verwijzen naar de hogere kunsten; vaak wordt het dan met een hoofdletter C geschreven.  Cultuur kan ook opgevat worden als een algemeen begrip dat verwijst naar goede omgangsvormen en civilisatie. Deze opvatting kan meer specifiek toegepast worden op de zeden, gebruiken en instellingen van een bepaalde groep mensen.

Schippers lijkt met haar opmerking het meest op de laatste omschrijving van het begrip cultuur te doelen. Maar welke cultuur bedoelt ze hier precies? De Westerse? En dan die van Noord-Noorwegen tot South Carolina, met alle onderlinge verschillen en gradaties van dien? Of beperkt ze zich tot Nederland? Het gebruik van het woord ‘onze’ lijkt daarop te wijzen. Er staat niet letterlijk dat onze cultuur het beste is (zoals sommigen in hun reactie op haar lezing beweerden), maar het staat er wel met zoveel woorden. Het vergelijken van culturen is een hachelijke kwestie. Als ‘de onze’ beter is, zijn de andere culturen minder. Welke criteria heeft Schippers gebruikt om de rangorde te bepalen? Vergelijk het eens met de volgende vragen: is Friesland beter dan Zeeland; en Zweden beter dan Denemarken? Hoe wil je dat bepalen? Bovendien kan het vooropstellen van je eigen cultuur een soort superioriteitsdenken opleveren dat door sommigen als excuus of aanmoediging kan worden gebruikt om vertegenwoordigers van andere (mindere) culturen te onderdrukken of af te wijzen (“minder-minder-minder”). Aan de andere kant mag je culturen best vergelijken zonder te vervallen in vruchteloos cultuurrelativisme. Schippers doet dat indirect door haar opmerking over cultuur te koppelen aan specifieke groepen: vrouwen, homo’s en transgenders. Dat is vruchtbaarder. Je zou homo’s in allerlei landen kunnen vragen in hoeverre zij zich in hun land en omgeving gelukkig en veilig voelen. Dan zou het best kunnen dat homo’s uit Nederland gunstiger rapportcijfers laten zien dan homo’s in homo-vijandige landen. Is dat dankzij onze cultuur? Zit dat in ons dna? Veertig jaar geleden was het hier in Nederland niet zo fijn voor homo’s. En er zijn nog steeds scholen waar homo’s niet voor de klas mogen staan. Laten we dus niet te snel over cultuur en ‘onze genen’ te spreken. Wat je ziet is dat de afgelopen decennia het maatschappelijk discours over homoseksualiteit is veranderd. Er werd gedemonstreerd voor erkenning en gelijke rechten. Er ontstond ruimte voor debatten over gelijkwaardigheid. Langzaamaan veranderde de publiek opinie. Wetgeving werd aangepast. Daarmee kom je op het interessante punt van mensenrechten en regelgeving. Paul Scheffer zegt hierover in zijn bekende boek Het land van herkomst: “er is geen waarachtig alternatief voor de codex van mensenrechten” (p. 287). Wie die zin op zich in laat werken ziet dat we ons niet moeten verliezen in discussies die gekleurd worden etnocentrisme (“wij zijn beter”) of cultuurrelativisme (“automatische erkenning voor en waardering van andere tradities”). Beide opvattingen brengen ons niet verder. In een wereld die zo sterk globaliseert hebben we universele spelregels en rechten nodig om de menselijk waardigheid te beschermen. “Deze rechten van de mens zijn wezenlijk voor een samenleving, maar ze omvatten niet cultuur in algemene zin. Daarom moeten we  nooit over een rangorde van culturen spreken.”(Scheffer; p. 287)

scheffer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maatschappelijk contract

Laten we dus niet simpelweg over betere en mindere culturen spreken. Cultuur is vaak iets dierbaars voor mensen. Het biedt houvast en het doet pijn als de cultuur wordt aangevallen. Waar culturen elkaar raken, kan spanning en wrijving ontstaan. Schippers schetst in haar lezing hoe dat ook gebeurde tussen de zuilen en de generaties in het 20e eeuwse Nederland:

Voor wrijving heb je elkaar nodig. Je botst met elkaar, discussieert. Dat is wrijving. Wrijving geeft glans. Door wrijving hebben wij in deze samenleving iets bereikt. En dat is dat onder al onze verschillen, die uiteenlopende opvattingen en religies, toch een gemeenschappelijke basis ligt. Gemeenschappelijke normen en waarden. Het bezielende verband. Onze bakens. Een maatschappelijk contract. Dat contract is over de decennia heen bevochten, geconsolideerd en geschreven. Dat contract zit in onze genen, en natuurlijk kan het ook door nieuwkomers worden onderschreven.

Het valt mij op dat Schippers in deze passage veel zaken op een hoop gooit die ik juist zou willen scheiden. Normen en waarden zijn verschillende dingen. Ik ben op dit gebied meer geïnteresseerd in normen (regels, afspraken) dan in waarden. Meer geneigd te denken in termen van de rechtsstaat dan in termen van cultuur. Hoe iemand tot bepaalde opvattingen en waarden komt (religie, opvoeding, culturele achtergrond, politieke opvatting) is op zich interessant en de ene waarde of cultuur zal me meer aanspreken dan de andere. Maar we moeten met elkaar (met al die verschillende waarden en opvattingen) vooral komen tot gemeenschappelijke normen. Noem dat een maatschappelijk contract. En die normen liggen niet voor eeuwen vast, maar die kunnen langs democratische weg worden bijgesteld. En steeds weer zullen groepen opstaan die hun plek in de publieke ruimte en het maatschappelijke verkeer opeisen. Nieuwkomers (en oud-ingezetenen) moeten het huidige contract niet alleen onderschrijven, maar moeten ook meeschrijven aan het maatschappelijke contract van de toekomst. Pas dan doen ze volwaardig mee en hebben zij dezelfde rechten en plichten die we onszelf toedichten. Zoals Scheffer zegt: “de normen die men aan de wereld wil voorhouden, slaan onverbiddelijk terug op degene die ze uitdraagt”. (p. 288)

Vrijheid

De tekst van Edith Schippers is doorspekt met het woord vrijheid. Vrijheid is de centrale term. Vrijheid is zelfs haar “propositie”:

Maar laten we eerlijk zijn: onze propositie is beter! Onze vrijheid is nú, onze kansen kun je nú pakken, onze welvaart kun je nú hebben, jouw kinderen kunnen het beter krijgen dan jij nu. Je mag nu van het leven genieten, muziek luisteren, een feestje vieren, jezelf ontplooien, verliefd worden.

Dat klinkt natuurlijk prachtig en aanlokkelijk. Wie zou dit niet willen? Maar is dit wel het soort vrijheid waarbij Schippers een paradox ziet opdoemen? Is deze ‘lekker jezelf kunnen zijn’-vertaling van vrijheid zinvol als hoeksteen van haar betoog’? Ik denk het niet. Ik denk dat de propositie niet vrijheid, maar gelijkwaardigheid moet zijn. Het streven naar democratie, pluriformiteit en mensenrechten komt voort uit de opvatting dat mensen in principe gelijkwaardig zijn. Zij moeten zich kunnen ‘bevrijden’ van datgene wat hen onderdrukt en  ondermijnt. Vrijheid op grond van gelijkwaardigheid. Vrijheid omwille van de vrijheid mist een dergelijk fundament. Ongebreidelde vrijheid leidt al snel tot minder vrijheid voor anderen. Gelijkwaardigheid gaat ten koste van niemand. Als je (in tegenstelling tot Schippers) niet het woord vrijheid, maar het woord gelijkwaardigheid als uitgangspunt kiest, kun je ook duidelijker optreden tegen mensen die die gelijkwaardigheid ondermijnen. Niet omdat zij minderwaardig zijn, maar omdat ze het fundament van ons maatschappelijke contract bedreigen. We zouden dat expliciet kunnen vastleggen als een aanvulling op het bekende artikel 1 van de Grondwet.

monument_artikel1grondwet

Monument met weergave Artikel 1 in Den Haag

 

De huidige tekst:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”[2]

 

 

 

De Grondwet bepaalt de verhouding tussen overheid en burgers (verticale werking), maar de passage over discriminatie kan ook opgevat worden als spelregel tussen burgers onderling (horizontale werking). Misschien is het goed om dit nog explicieter te maken. Een suggestie (als niet-jurist):

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld op voorwaarde dat zij de gelijkwaardigheid van anderen onderschrijven en zich onthouden van discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook”

Schippers stelt een vrijheidscoalitie voor. Dat is op het eerste gezicht een sympathieke oproep, waarbij ze niemand uitsluit. Maar bij nader inzien kan ik me er niet iets heel concreets bij voorstellen. Ik doe het tegenvoorstel om het aangepaste eerste artikel van onze Grondwet ter ondertekening voor te leggen aan iedere inwoner van Nederland (bijv. bij het ophalen of vernieuwen van het paspoort of verblijfsvergunning) en aan elke organisatie die zich hier wil vestigen. Wie dit niet wil onderschrijven, hoort hier niet thuis. Dit is namelijk ons maatschappelijk contract.

 

 

[1] http://www.elsevier.nl/nederland/achtergrond/2016/09/hj-schoo-lezing-edith-schippers-de-paradox-van-de-vrijheid-353734/

 

[2]  Opmerkelijk genoeg deed Pim Fortuyn (“ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg”) in 2002 het voorstel om dit basis-artikel uit de Grondwet te halen.

 

Vruchtgebruik (of waarom Apple Apple heet)

 

De Europese Commissie heeft vandaag bepaald dat het bekende technologieconcern Apple 13 miljard euro  aan de Ierse fiscus moet betalen in verband met eerder gemaakte belastingafspraken die nu illegaal zijn verklaard. Dit bericht bracht mij (naast andere gedachten) op de vraag waarom Apple eigenlijk Apple heet. Waarom heeft men bij de naamgeving van een high tech bedrijf juist voor de naam van een vrucht gekozen? Heeft die naam iets met het Bijbelse scheppingsverhaal te maken? Of is er een link met de toenmalige gelijknamige platenmaatschappij van de Beatles. Of is er een andere reden?

Enig speurwerk op internet levert verschillende verhalen op. Op oude YouTube filmpjes van Apple-oprichters Steve Jobs en Steve Wozniak[1] klinkt vooral door dat ze het een kernachtige naam vonden. Simpel, positief en herkenbaar. Toen de naam Apple werd voorgesteld, wist niemand van de betrokkenen een betere naam te bedenken, dus werd het Apple. Er wordt zelfs gesuggereerd dat Jobs deze naam had bedacht omdat hij daarvoor in een biologische appelboomgaard had gewerkt.[2] Deze suggestie wordt nog versterkt door het feit dat de bekende Mac van Apple voluit Macintosh heet, en dat is een bekend appel-ras. Steve Jobs vertelt er op een video lachend bij dat de naam Apple ook handig was, omdat men zo bij het zoeken op alfabetische volgorde voorbleef op concurrent Atari.

Nu was er een probleem omdat de platenmaatschappij van de Beatles ook Apple heette.

Apple Abby Road

Apple Records (of eigenlijk holdingmaatschappij Apple Corps) spande een rechtszaak aan tegen Apple Computers. In de media werd deze aandachttrekkende zaak ‘Apple vs Apple’[3] genoemd. Apple Computer mocht de naam Apple blijven voeren tegen betaling van een fiks bedrag aan Apple Records en de belofte om zich niet in te laten met muziek (terwijl het bedrijf van de Beatles moest beloven buiten de computer-branche te blijven).

 

 

Nu de naam ook legaal was vastgelegd, moest er natuurlijk een plaatje bij, een logo. Hoe belangrijk een logo is voor Apple, blijkt wel uit het feit dat je in de uitingen van Apple vooral het logo (beeld) ziet en zelden de naam (woord). Het eerste beeld dat werd gebruikt was een tekening met daarop de legendarische uitvinder Isaac Newton zittend onder een appelboom.

Oudste Apple logo

 

“Newton (1642-1727) is een van de grootste denkers aller tijden geweest, en heeft baanbrekende bijdragen geleverd aan de natuurkunde, de wiskunde, en de astronomie. Van hem wordt verteld dat hij geïnspireerd werd tot zijn theorie over de zwaartekracht, toen hij lag te peinzen onder een appelboom in de boomgaard van zijn moeder, en er op zeker moment een appel naar beneden viel. Op het frame van de tekening in het logo staat in kleine hoofdletters: “NEWTON — ‘A MIND FOREVER VOYAGING THROUGH STRANGE SEAS OF THOUGHT — ALONE.’ ” De frase is afkomstig uit een passage uit The Prelude, van de Engelse dichter William Wordsworth (1770-1850). Het spreekt van een reis door vreemde oceanen van gedachten, het anders denken dan de rest van de wereld, en de eenzame hoogten die Newton daarin bereikte. Het is goed voor te stellen dat de oprichters van Apple eenzelfde reis hoopten te maken. En terugkijkend heeft Apple inderdaad net als Newton spectaculaire revoluties veroorzaakt.”[4]

 

Maar het logo was te ingewikkeld en te gedetailleerd, dus men ging op zoek naar een strakker ontwerp. Een ingehuurde ontwerper ontwikkelde het tegenwoordig zeer bekende Apple-logo met aan de rechterkant de ontbrekende hap. In tegenstelling tot het huidige logo werd deze appel afgebeeld met veelkleurige horizontale banen.

Apple regenboog logo

Sommige bronnen suggereren dat de regenboog-kleuren en de hap eruit verwijzen naar Alan Turing, de beroemde Britse wiskundige die bekendheid verwierf door het ontcijferen van de militaire codes van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog  (een paar jaar geleden weer nader bekend geworden dankzij de film Enigma; zie ook mijn eerdere blog Enigma en Dilemma; http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=571). Steve Jobs was een bewonderaar van deze founding father van de informatica. Turing pleegde na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord door gif in te nemen. Het was een wanhoopsdaad omdat hij als homoseksueel aangeklaagd werd en chemisch gecastreerd dreigde te worden. Op zijn sterfbed zou een appel zijn gevonden waaruit een hap was genomen. De veelkleurigheid van het logo zou verwijzen naar de regenboogvlag van de homobeweging. Wat mij betreft is deze redenering wat vergezocht. Zeker ook omdat later het logo veranderde van veelkleurig in eenkleurig.

Een veelgehoorde andere verklaring omtrent het de naam en het logo van Apple is de verwijzing naar het bekende bijbelverhaal van Adam en Eva. Eva verleidt Adam met een door een slang aangereikte vrucht uit de ‘boom der kennis van goed en kwaad’. Door van deze verboden vrucht te eten, raken Adam en Eva hun onschuld kwijt en worden ze uit het paradijs verdreven. In bijbeltermen gaat het hier om een zonde, maar je kan het ook opvatten als een gewaagde daad, een provocatie, een revolutie, zoals Prometheus het vuur van de goden wist te stelen.

Ook deze uitleg overtuigt me niet, maar om een heel andere reden dan de Turing-versie. Dat komt door een boekje van mijn vader. Hij schreef lichtvoetige verhaaltjes over zijn ervaringen met zijn drie opgroeiende zoons. Een van die verhalen gaat over mij en mijn kinderlijke interpretatie van het scheppingsverhaal:

van geluk gesproken klein

 

Druiven nog korter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Druiven en geen appel. Het zou kunnen. Lees het maar na in Genesis. Ondanks alle latere verwijzingen in kunst en literatuur kom je in het scheppingsverhaal geen enkele appel tegen. Er wordt in de tekst wel gesproken over een vrucht, maar er staat niet om welke vrucht het gaat. Het had dus ook een peer  of een druif kunnen zijn. Ik weet niet hoe Bijbel-vast Steve Jobs was. Misschien ging hij net als zovelen ook van de spreekwoordelijke adamsappel uit.

Al met al is het moeilijk om onomstotelijk bewijs te leveren voor de oorsprong van de naam Apple. Het is verleidelijk om Steve Jobs en Apple mythische proporties te geven en hen te verbinden aan grote namen als Newton en Turing, of een link te leggen met het oeroude scheppingsverhaal. Als ik alles op een rijtje zet, denk ik dat het in werkelijk heel eenvoudig verliep.  Tijdens een studentikoze, melige brainstorm-sessie kwam de naam Apple bovendrijven en niemand wist iets anders te verzinnen. Niets meer en niets minder.

Een aardige bijkomstigheid voor ons is dat de naam Apple op een dag als vandaag veel munitie oplevert voor de bedenkers van krantenkoppen of woordgrappen. Ik zie de headlines van de ochtendbladen en de grappen op social media al voor me:

 

Apple geplukt

Europese Commissie perst Apple uit

EU heeft nog een appeltje te schillen met techno-reus

Schudden aan de Apple-boom

En als jochie zou ik gedacht hebben: de druiven zijn zuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.bitrebels.com/business/steve-jobs-steve-wozniak-apple-name/

 

[2] http://apple2history.org/history/ah02/

 

[3] http://news.bbc.co.uk/2/hi/entertainment/4750533.stm

 

[4] http://verizine.nl/de-betekenis-van-het-apple-logo/

 

 

 

 

Geniet ervan! (over de gebiedende wijs)

‘Geniet ervan!’ Deze woorden krijg ik steeds vaker te horen. In het restaurant als het bord onder mijn neus wordt geschoven, op mijn werk als de vakantie aanbreekt, in een winkel als ik iets moois heb gekocht, in het hotel als ik de sleutel van mijn kamer overhandigd krijg. Het merkwaardige is dat men de gebiedende wijs (‘geniet’) gebruikt voor iets dat men positief bedoelt.

 

Hoe zit dan nu precies met die gebiedende wijs (ook wel imperatief genoemd, naar het Latijnse woord imperator = keizer/opperbevelhebber)? Het lijkt alsof die te pas en te onpas wordt gebruikt.

Het valt mij op dat veel tekstschrijvers en reclamemakers de gebiedende wijs hanteren. Reclame maken is de kunst van het verleiden. Althans, als je sommige romantisch aangelegde professionals mag geloven. Hoe kun je iemand prikkelen om jouw product aan te schaffen? Reclamemakers hebben daarbij een groot arsenaal aan middelen tot hun beschikking: foto’s van palmenstranden, sfeervolle muziek, geurtjes in de winkels, bekende Nederlanders in een TV-commercial, promotieteams op straat, sexy modellen op billboards (‘sex sells’), en -niet in de laatste plaats- : wervende teksten. Naast beelden, geluiden en geuren, zijn woorden krachtige instrumenten om potentiële kopers over de streep te trekken. Er wordt vaak voor de gebiedende wijs gekozen om de boodschap kort en stevig over te brengen. Maar kunnen we het nog wel verleidingskunst noemen als wij bevelen naar ons hoofd krijgen geslingerd?  Ik merk dat ik me minder uitgenodigd voel als ik geconfronteerd word met termen als KOOP! BESTEL! RESERVEER! GENIET! Ik krijg bij dergelijke dwingende aansporingen al snel een ‘dat maak ik zelf wel uit’-gevoel.

Je kunt je bovendien afvragen of het op deze manier gebruiken van de gebiedende wijs wel spoort met de regels van de Nederlandse taal. Dat blijkt mee te vallen. De gebiedende wijs wordt niet alleen gehanteerd bij orders en bevelen. In een doorwrochte tekst legt Sies de Haan[1] uit dat er meerdere gebruiksmogelijkheden van de imperatief bestaan. Samengevat in een tabelletje met voorbeelden van de Haan en mijzelf kent de gebiedende wijs de volgende varianten:

Bevel/order Advies/instructie Wens Verwensing Aanmoediging
Hou je mond Voeg een mespuntje zout toe Slaap lekker Krijg de klere Zet ‘em op

 

Zo opgevat hoeft een reclame-leus als ‘Bel en Win’ niet ervaren te worden als een bevel of opdracht; het kan ook bedoeld zijn als een advies of aanmoediging. Na het lezen van de tekst van de Haan realiseer ik me dat ik wat minder kritisch naar gebiedende reclame-kreten moet kijken. Ook zal ik proberen me de woorden ‘geniet ervan’ probleemloos te laten aanleunen. De bediende die mij een stuk appeltaart serveert wil niet zeggen dat ik moet genieten, maar wenst dat ik zal gaan genieten. In feite niets anders dan de bekende uitdrukking ‘eet smakelijk’, al vind ik dat laatste toch toepasselijker in zo’n situatie.

Toch is de kous hiermee niet af. Ook met een breder gebruik van de gebiedende wijs is het belangrijk om de regels van de logica te hanteren en geen misverstand over je intenties te laten bestaan. En daar wringt nog wel eens de schoen.

Een paar voorbeelden.

In sommige advertenties staat het woord KRIJG of ONTVANG: ‘BESTEL nu uw product en ONTVANG 20% korting’. Ik kan aangespoord worden om te bestellen (ik ben hier de actieve partij), maar ik kan niet aangespoord worden om iets te krijgen of te ontvangen (ik ben hier de passieve partij). Daar heb ik iemand anders voor nodig die mij iets geeft. Dus eigenlijk moet die andere partij aangespoord worden. De gebiedende wijs bij KRIJG past wel bij een verwensing (‘krijg de klere’), maar dat zal een reclame-maker mij toch niet toewensen, neem ik aan.

Een andere opmerkelijke variant is de volgende[2]: ‘KOOP hier uw winnend staatslot?’. Ook hier kan ik het (dringende) advies krijgen om iets (een staatslot) te kopen, maar niemand kan mij garanderen dat het een winnend staatslot zal zijn. Boogaart zegt hierover: ‘wie iets aanbiedt moet het aangebodene wel in de aanbieding hebben’. En dat kan hier niet. Kennelijk heeft men wel een slag om de arm  willen houden door een vraagteken achter de slogan te plaatsen. Maar het is wel heel merkwaardig om de gebiedende wijs toe te passen in een vraagzin.

Een voorbeeld van een heel andere orde is de kreet die in 2013 en 2014 overal in Amsterdam te zien was: ‘WEET je stad’.

Weet je stad

 

 

Deze bijzondere imperatief was de slogan van Amsterdamse TV-zender AT5. Het Nederlands kent een subtiel verschil tussen de werkwoorden KENNEN en WETEN (in het Engels allebei ‘to know’). Je kunt een stad, een persoon, een voorwerp kennen, en je kunt iets van een stad, een persoon, een voorwerp weten. Het had dus ‘KEN je stad’ moeten zijn. Ook bij AT5 wist men dit[3]:

 

 

“Ja, we weten dat het niet klopt. Maar daardoor vallen de affiches juist op en dat was de bedoeling,” zegt Ivonne Bos, een woordvoerster van AT5. De affiches vestigen met “weet dat”, “weet of”, “weet waarom” en andere “weet”-teksten de aandacht op kwesties die alle Amsterdammers raken, en op de programma’s van AT5 zelf. “De verleiding om na al die weetjes een taalkundige faux pas te maken en van “ken je stad” over te stappen naar “weet je stad” was gewoon te groot.”

Het voorbeeld van AT5 laat zien dat men soms erg lichtzinnig met de taal omspringt. Ik pleit niet voor strakke regels, maar het moet geen pijn aan je oren en ogen gaan doen en dat is helaas toch regelmatig het geval.

 

Ten slotte nog een paar opmerkelijke imperatieven (lees en huiver, of grijns en glimlach):

–          Geek de bibliotheek (Openbare bibliotheken)

 

–          Ga het NA (Nationaal Archief –NA- in Den Haag)

 

–          Neuk het systeem (Theo Maassen)

 

–          Ervaar meer (EO)

 

En als allerlaatste:

–          Hou op, schei uit!

 

P.S. 3 november 2017

Interieurbedrijf FonQ voert momenteel ook campagne met een gebiedende wijs variant:

Het valt wel op (net zoals ‘Weet je Stad’, maar het is ook in dit geval helaas ook geen fraai taalgebruik. Mooi is anders!

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.dbnl.org/tekst/_tab001198601_01/_tab001198601_01_0033.php

[2] Met dank aan tekst van Ronny Boogaart in Vaktaal, tijdschrift van de landelijke vereniging van neerlandici, 21-2 (2009), p.10-11.

[3] Zie: http://hansmoerbeek.eu/category/view/frontpage

 

Mooie kerk

Vaste rituelen tijdens de zomervakantie: naar een dorpsmarkt gaan, op een terras zitten en rondkijken, boodschappen doen in een mega-supermarkt, stokbrood eten bij het ontbijt, boeken lezen in een luie stoel, een kerk bezichtigen. Dat laatste deden we eergisteren. Het was wisselvallig weer en we hadden zin om een uitstapje te maken. We hadden gelezen dat deze kerk gerestaureerd werd en dat een bezoek ook tijdens de restauratie de moeite waard zou zijn.

Bijna elke plaats of regio heeft een bijzondere kerk, een oud klooster, een mooie tempel of een kleurrijke moskee die het bezoeken waard is. Er valt vaak veel te zien: beelden, muurschilderingen, bijzondere gebruiksvoorwerpen. Vanwege het religieuze karakter van het gebouw en de behoefte om het geloof uit te dragen werden vaak de beste bouwmeesters en vaardigste kunstenaars aangetrokken. Daarom behoren kerken ook nu nog tot de meest aanzienlijke en interessante gebouwen van steden en dorpen. Ook voor een niet-gelovige valt er veel te genieten van de architectuur en de kunstschatten van kerken. Oude kerken vertellen het verhaal van de geschiedenis van de streek, de geloofsbelevenis, de gebruiken, de stand van kunst en wetenschap in vroeger eeuwen. In nieuwere kerken zie je vaak hoe men de traditionele elementen die je in een kerk aantreft op een eigentijdse wijze vorm heeft gegeven: een stalen preekstoel, abstracte schilderijen, een blankhouten altaar.

De kerk die we eergisteren hebben bezocht is circa honderd jaar oud. Niet oud en niet nieuw. Het is een katholieke kerk, dus vol met kapellen en afbeeldingen van heiligen. Elke kapel heeft zijn eigen stijl en sfeer. Kunstenaars van naam en faam hebben hieraan bijgedragen. Een overwegend neo-gotische kerk vol verticale lijnen met middenin een hoge koepel met verwijzingen naar de Apocalyps. Vanuit het midden van de kerk heb je goed zicht op het prachtige, blauwe Maria-venster aan de noordkant en het indrukwekkende Christus-venster aan de zuidkant. De kerk heeft ook verrassende Moorse invloeden die terug te vinden zijn in de vele geometrische figuren en arcaden. Ook tref je Byzantijnse accenten en Jugendstil-elementen aan.

DSC05711

Het interieur is verrassend ruim en warm. Een grote kerk heeft soms iets unheimisch, maar dat is hier niet het geval. Als de zon door de ramen valt wordt het interieur in een kleurrijke gloed gehuld. Vooral aan de zuidkant van het schip waar tijdens de restauratie een groot groen gebrandschilderd raam is aangebracht. In dat deel van de kerk kleuren de pilaren zachtgroen.

DSC05705

We hebben er met plezier een uurtje rondgekeken.

Het was maar 25 minuten rijden en daarna konden we nog heerlijk uitwaaien op het nabijgelegen strand. Een echte aanrader en dichterbij dan je denkt…..Het is namelijk de kathedrale basiliek van Sint Bavo in Haarlem. Dit prachtige monument kan zeker wedijveren met de mooie kerken die je op vakantie in het buitenland aantreft.

De St. Bavo kathedraal (gelegen aan de Leidsevaart en niet te verwarren met de Grote of St. Bavo kerk in het centrum van Haarlem) is gebouwd door Jos Cuypers (de zoon van Pierre Cuypers, de bekende 19e eeuws kerkenbouwer, maar ook de architect van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam). Bezienswaardig zijn de prachtige tegelplateaus van Jan Toorop, de mooie beelden van Mari Andriessen, de rijkversierde sacramentskapel, het op een na grootste orgel van Nederland, de ingenieuze wenteltrap van Tack en de moderne gebrandschilderde ramen (waaronder het genoemde groene raam) van Jan Dibbets. De ramen van Dibbets zijn heel bijzonder.

DSC05692

DSC05704

 

 

DSC05706

groene glazen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al met al een bezoek meer dan waard en heerlijk dichtbij huis.

Je moet er wat voor over hebben

“Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen”

 

Ik houd mijn studenten regelmatig voor dat persoonlijke communicatie effectiever is dan gemedieerde vormen van uitwisseling. Als voorbeeld gebruik ik vaak het verschijnsel huis-aan-huis collecte. Als ik van een goed doel een bankrekeningnummer in de krant zie staan, heb ik niet gelijk de neiging om geld over te maken. Maar als iemand met een collectebus voor mijn neus staat, geef ik (bijna) altijd. Ik heb thuis zelfs een ‘goede doelen-pot’ waar ik mijn overtollige kleingeld in gooi en daar pak ik steeds een handjevol munten uit als er een collectant voor de deur staat. Dat ik niet de enige ben, blijkt uit het feit dat er jaarlijks voor tientallen miljoenen wordt opgehaald via dit soort collectes.[1]

Goede doelen pot

De handboeken leren ons dat de boodschapper minstens zo belangrijk als de boodschap. We vinden het moeilijk om een persoon te weigeren die voor onze neus staat. Hoe relatief onbelangrijk de boodschap kan zijn, blijkt wel uit het feit dat ik vaak kort na de donatie niet eens meer weet voor welk goed doel men was langs geweest. Was het de Nierstichting of Jantje Beton? (wie hierover uitsluitsel zoekt, kan altijd even kijken in het nationale collecterooster. Ja, dat bestaat echt: http://www.cbf.nl/collecterooster/roosters/; en er is ook een collecteprotocol: http://www.collecteren.nl/collecterooster/collecteprotocol/). Dat ik ook voor andere vormen van directe verkoop vatbaar ben, heb ik in het verleden door schade en schande gemerkt. Ik heb me door aardige mensen een abonnement op een tijdschrift, een donateurschap van Artsen zonder Grenzen en een dakgootreiniging laten aansmeren. Totdat ik dacht: ‘nooit meer wat aan de deur kopen’. Het zijn pure impulsaankopen. Als ik iets echt nodig heb of nuttig vind, moet ik daar zelf opkomen, en me niet laten verrassen door een deurverkoper of een vlotte student op het marktplein. Deze afspraak met mezelf houdt nu al een paar jaar stand. Collectes voor het goede doel vallen hier niet onder; die krijgen steevast geld van mij.

Toch heb ik me laatst weer laten overhalen om iets te doen wat ik vooraf niet van plan was. Er stond een aardige meneer van Het Rode Kruis voor de deur. Werktuiglijk wilde ik al naar de goede doelen-pot grijpen, maar hij kwam niet voor geld. Hij zocht donateurs. Met een trefzeker gevoel voor drama in woord en gebaar legde hij uit dat er in onze wijk te weinig collectanten waren voor de collecteweek in juni. Hij somde enkele voorbeelden van de vele goede werk van Het Rode Kruis op en legde uit dat daar natuurlijk veel geld voor nodig was. Hij vervolgde dat het collecteren me hooguit een paar uurtjes gedurende een paar avonden zou kosten. Voordat hij uitgesproken was, hoorde ik mezelf al ‘dat is goed; ik wil het wel doen’ zeggen. ‘Echt waar?!’zei hij, met zoveel verbazing in zijn stem, dat ik even dacht iets volkomen belachelijks te hebben toegezegd. Maar hij herpakte zich snel en liet mij een voorgedrukt formulier invullen en ondertekenen. Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen. Ik was blij dat mijn eigen straat daar niet bij zat, want stel je voor dat enkele buren geen geld zouden willen geven. Dat zou de verhoudingen in de buurt onnodig belasten.

Hoe dan ook, ondanks het EK Voetbal ben ik twee avonden vanaf etenstijd (‘dan zijn de meeste mensen thuis’, aldus de instructiebrief) een paar uur op pad geweest. Ik ben veel welwillendheid tegenkomen. De meeste mensen gaven een klein bedrag zoals ik dat ook altijd doe. Een enkeling viste een briefje van vijf euro uit zijn portemonnee. Er waren natuurlijk ook mensen die niets gaven (‘geen interesse’; of met meer principiële redenen, zoals een twintiger die zei: ‘ik geef alleen aan de Ouderenbond’). Een lastig probleem was dat veel mensen simpelweg niet thuis waren. En ik merkte ook dat nogal wat mensen geen contant geld meer in huis hebben. We leven nu eenmaal in een tijd van pinnen en digitaal bankieren. Ik heb begrepen dat er zelfs al proefcollectes geweest waarbij mensen aan de deur ook kunnen pinnen, maar die leverden geen succes op.

Op de tweede avond stuitte ik op een ander probleem. Aan de opgegeven straat stonden portiek- en galerijflats en meerdere bewoners lieten weten dat ze het niet fijn vonden dat ik via de centrale ingang binnen was gekomen. Ik was in hun ogen voorbij de voordeur gekomen en dat stelde men niet op prijs. Om geen verdere problemen te veroorzaken ging ik daarom maar bij de ingang van de dichtbijgelegen Dirk van den Broek staan. Ik wist niet of dat toegestaan was, maar toen het meisje van de bakkersafdeling me na 10 minuten een briefje van vijf kwam brengen, wist ik dat het wel goed zat. Het mooie was dat mensen me bij het ingaan van Dirk van den Broek al even zagen staan en konden bedenken of ze mij bij het naar buiten lopen wat wilden geven. Ik maakte er voor mezelf een spelletje van: ‘die gaat straks vast iets geven en die zeker niet’. Ik had het vaak mis. Mijn mensenkennis bleek een onbetrouwbare radar. Een sjofel geklede vrouw kan guller zijn dan een nette dame. Al met al bleek mijn ingeving om voor een supermarkt te gaan staan een goede zet. Ik stond er prima in een aangenaam avondzonnetje, mensen maakten soms even een praatje en ik hoefde niet af te wachten of iemand open wilde doen. En bij thuiskomst bleek ter geruststelling dat de voetbalwedstrijd die ik had gemist een draak van een vertoning was geweest.

Tevreden leverde ik een paar dagen later de collectebus, waar ik zelf ook nog de nodige euro’s in had gestopt, in. Ik kreeg een plantje (‘voor de vrouw’) en twee door vrijwilligsters gehaakte poppetjes (‘voor de kleinkinderen’) mee naar huis. ‘En, kunnen we volgende jaar weer op u rekenen?’, vroeg de vriendelijke Rode Kruis mevrouw.  ‘Jazeker’, zei ik. Ik wilde haar natuurlijk niet teleurstellen. Bovendien heb ik volgend jaar in juni vast wel weer twee keer twee uur de tijd.

Drie weken na de collecteweek kreeg ik een bedankkaartje van Het Rode Kruis met daarop het bedrag dat ik had opgehaald: 169 euro en 18 cent op een totaalbedrag van ruim 5700,- euro in Amstelveen.

Bedankt 3

Ik had zelf gedacht rond de 200 euro te hebben opgehaald, maar ik had me kennelijk wat rijk gerekend. Toen ik de dag daarna hierover met een collega sprak, vroeg hij me of ik wel de juiste kleding had gedragen. Toen ik verbaasd ‘wat maakt dat nou uit’ antwoordde, wees hij me op een onderzoek waaruit blijkt dat een collectant die merkkleding draagt meer ophaalt dan een gewoon gekleed iemand: http://www.marketingonline.nl/bericht/bij-kleding-telt-alleen-het-merk

De collectanten die de kleding met het merklogo droegen, haalden bijna twee keer zoveel geld op dan (mooie hyper-correctie, PtL) de collectanten met kleding zonder het merklogo. Het gemiddelde per deur, waar iemand open deed, was 34 eurocent voor de eerste groep en 19 cent voor de tweede.

Ook in andere testsituaties (sollicitaties, enquêtes) scoorden de proefpersonen met merkkleding beter. De onderzoekers verklaren dit door te stellen dat merkkleding kwaliteit uitstraalt en dat het publiek daar positief op reageert. Ik had bij Dirk van den Broek gemerkt dat het uiterlijk van de gever geen goede indicator was, maar volgens dit onderzoek is de kleding van de collectant juist wel een succesfactor. Dat had ik nog nooit in onze studieboeken zien staan. Maar de les is duidelijk: wil ik volgend jaar 200 euro ophalen, dan zal ik eerst moeten investeren in een prijzig shirt van Lacoste of Tommy Hilfiger. Je moet er wat voor over hebben.

Lacoste shirts

 

 

[1] Zie o.a. http://www.nu.nl/economie/3935289/collecteren-populair-ondanks-dalende-opbrengst.html

 

Festival

 

 

Tot een week geleden was ik nog nooit naar een festival geweest. Nooit naar Pinkpop, Lowlands of Oerol. Niet als scholier of student en ook niet op latere leeftijd. Maar sinds afgelopen weekend ben ik ervaringsdeskundige; ik heb drie dagen North Sea Jazz beleefd. En het is goed bevallen.

Dit festival stond al lang op het verlanglijstje van mijn vrouw en mij. We genieten elke keer van de sfeerimpressies die we van tijd tot tijd op televisie zien en we vinden de muzikale variëteit van dit festival heel interessant: “daar moeten we ook een keer naartoe!”. Maar jarenlang lukte het niet om te gaan door drukke werkzaamheden, sociale verplichtingen of zomervakanties in het buitenland. Dit jaar hakten we de knoop door. We kochten al in februari kaartjes (treffend ‘early birds’ genoemd) en blokkeerden het betreffende weekend stevig in onze agenda’s.

De eerste indrukken op vrijdagmiddag worden beheerst door de grote toeloop en massaliteit. De metro vanaf ons hotel naar Ahoy’ zit stampvol. We moeten ons naar binnen persen. Dezelfde drukte komen we tegen bij het binnenlopen van Ahoy’: grote rijen mensen die zich naar binnen wurmen om vervolgens voor de muntenmachines samen te drommen. Wij volgen slaafs en kopen een dagrantsoen aan plastic tokens. Daarna lopen we een soort sluizensysteem in waar onze tickets worden gescand. Pas dan zijn we echt binnen en begint de massa zich in allerlei richtingen te verspreiden. Tot zo ver geen onbekende ervaringen, want bij eerder bezochte voetbalwedstrijden of grote concerten is de massale toestroom en het bijbehorende gedrang hetzelfde. Maar het grote verschil is dat je bij een voetbalwedstrijd of concert allemaal naar hetzelfde veld of dezelfde zaal gaat, terwijl we hier een keuze hebben uit een dozijn zalen. We hadden thuis het blokkenschema al bestudeerd en voor deze eerste dag al een voorkeurslijstje gemaakt van de artiesten die we wilden zien. Maar in de praktijk gaat het toch anders. Het is deze eerste avond flink wennen. Waar zijn de zalen? Kunnen we overal naar binnen? Wordt het staan of zitten? Waar kun je eten en drinken halen?

Blokkenschema

Dankzij de festival-app op mijn smartphone en de bewegwijzering in Ahoy’ hebben we wat houvast, maar het voelt de eerste uren toch als het dwalen door een doolhof. We volgen onze wensenlijstje, maar merken dat niet alleen de kwaliteit van de musici van belang is, maar ook de kwaliteit van de zaal en de opeenstapeling van ervaringen. Na een uur staan in een grote zaal wil je bij het volgende concert zitten. En na twee concerten is het de hoogste tijd om wat te eten en te drinken. Na een verstild optreden wil je weer wat stevigers horen. Zo proberen we wat afwisseling in onze muzikale speurtocht aan te brengen. Je moet steeds keuzes maken (per avond zijn er 48 optredens; grote en kleine namen, grote en kleine zalen) en het verrassingselement speelt daarbij een grote rol. Een concert valt tegen, dus stap je een aangrenzende zaal binnen waar een volslagen onbekende artiest optreedt. Zo brengen we de eerste avond door en stappen we met een moe lijf en een hoofd vol muziek rond 1 uur ’s nachts de metro in die even vol is als op de heenweg.

Op zaterdag voelt alles al veel vertrouwder aan en op zondag zijn we kind aan huis. Als we zondagavond laat Ahoy’ verlaten en naar de metro lopen zijn we muzikaal geheel voldaan, maar is het toch vreemd om je te realiseren dat het nu echt voorbij is.

 

IMG_2122

We hebben intens genoten van de muziek. Ook dagen na het festival klinkt die nog door in je oren en je lijf. North Sea Jazz laat dankzij de grote variëteit aan artiesten en stijlen zien hoe muziek je op verschillende manieren kan raken (of juist niet). Ibrahim Maalouf was groots en meeslepend, Snarky Puppy was strak en opwindend, Maartje Meijer was ontroerend en verrassend, Brandford Marsalis was virtuoos (maar ook routineus), Candy Dulfer was swingend en opzwepend, Gregory Porter was warm (maar ook wat afstandelijk), Yuri Honing was verstild en intiem, Christian Scott was uitdagend (en erg luid), Melanie de Biasio was mysterieus.

Dankzij die vele muziekstijlen kom je op North Sea Jazz ook de meest uiteenlopende mensen tegen. Nogmaals, ik ben geen ervaren festivalganger, maar ik betwijfel of je op andere festivals zo’n grote diversiteit (leeftijden, culturen, stijlen) aan bezoekers tegenkomt. En dat is erg leuk om te ervaren.

En North Sea Jazz is ook:

–          het opvallend vriendelijke en service-gerichte personeel;

–          de namen van de zalen; ze zijn naar rivieren genoemd. De Yenisie is de meest onbekende naam, maar stomtoevallig kom ik die naam dat weekend ook tegen in het boek As in Tas van Jelle Brandt Corstius; het blijkt een rivier in Rusland te zijn);

–          de (over het algemeen) gemoedelijke stemming onder de bezoekers;

–          de verrassing om een collega, neef en buurtgenoot tegen het lijf te lopen (“hé jij ook hier!?”);

–          de ontdekking dat er overal muntenmachines staan, zodat je niet op de eerste dag bij de ingang in een lange rij had hoeven te staan,

–          de meevaller dat je in elke zaal kunt zitten (ik dacht vooraf, dat we vooral zouden moeten staan, maar dat was alleen op de middenterreinen van Maas en Nile het geval)

–          het gevoel (als je door de gangen van Ahoy’ loopt) dat je door Amsterdam Centrum loopt tijdens Koningsdag.

–          het gevoel dat je met een leeg bord bij een enorm buffet staat en vijf uur lang je bord mag blijven vol scheppen (nu heb ik het niet over het eten);

–          de geruststelling dat je niet elke avond in een krap tentje hoeft te slapen, maar in een comfortabel hotel-bed.

Maar North Sea Jazz is vooral aan het einde van een mooie muziekavond nog even naar een van de hoofdacts (in dit geval Earth, Wind & Fire) gaan om wat nostalgische klanken mee te pikken, maar onderweg op een buitenpodium een jonge, frisse band (in dit geval Con Brio[1]) tegen te komen die zo energiek en aanstekelijk staat te spelen dat je daar blijft hangen en swingend meegaat in de dynamiek die daar ter plekke tussen muzikanten en toehoorders ontstaat. Toen we na afloop nog een staartje Earth, Wind & Fire probeerden mee te pikken, viel dat tegen in die enorme Nile-zaal. We liepen maar snel weg om de smaak van Con Brio vast te houden.

Kortom, dit eerste festival is ons prima bevallen; we gaan beslist nog een keer.

 

[1] Con Brio treedt eind november op in Paradiso. Mooie up tempo mix van funk en soul. Frontman Ziek McCarter is een geweldige zanger (doet denken aan de jonge Michaël Jackson, Prince, Pharrell Williams) en een ras-entertainer.

Hello Goodbye; over het Britse EU-referendum

 

 

De Britten gaan op donderdag 23 juni stemmen over het lidmaatschap van de EU. Hierbij een paar bespiegelingen.

 

1. Het anti-EU kamp heeft al één slag gewonnen, omdat iedereen in dit verband de term Brexit gebruikt: het referendum is dus al geframed in termen van een vertrek uit de EU.

2. Je ziet in Groot-Brittannië hoe het Brexit-debat door beide kampen wordt vervuild door het verspreiden van angstscenario’s, door het presenteren van ongefundeerde kostenplaatjes en door het op grove wijze verdraaien van feiten. Men schroomt zelfs niet om Hitler en Churchill van stal te halen. Tegenstanders worden verketterd. Extremen worden uitvergroot. Het splijt het publieke klimaat en sentiment.

3. Ik voorspel dat, hoe de uitslag ook uitvalt, er geen acute rampen zullen plaatsvinden of oorlogen zullen losbarsten. Groot-Brittannië zal niet instorten, maar er zullen ook geen gouden bergen zijn. De EU zal bij een Brexit een tik krijgen, maar niet uiteenvallen. En als de Britten blijven, zal het gemopper van de eurosceptici niet verstommen. Er zal minder veranderen dan menigeen denkt.

4. Ik heb al eerder op mijn blogsite aandacht besteed aan referenda in de context van de EU. Trouwe lezers weten dat ik geen fan van dit fenomeen ben. Je kunt geen afspraken meer met internationale partners maken als achteraf morrende thuisfronten die afspraken torpederen (zoals bij het recente Nederlandse referendum over Oekraïne is gebeurd; en trouwens, wat heeft dat referendum nu eigenlijk opgeleverd?). Maar mijn bezwaar is vooral dat referenda ingewikkelde zaken reduceren tot een simpele JA-NEE vraag. Dat lijkt aantrekkelijk, maar het werkt een botte tweedeling in de hand en lost in feite niets op. Welk probleem lossen de Britten met hun YES of NO? Het zal een pyrrhusoverwinning voor de meerderheid zijn en een ontgoocheling voor de minderheid. Een maand later is alles weer business as usual. We zijn als Europese buren tot elkaar veroordeeld. Daar verandert een Brexit niets aan.

5.”I want my country back”, zei een Britse vrouw op televisie. Ik weet niet welk land ze terug wil hebben. Dat van 1970, of 1860 of van 1688? Kennelijk vindt zij dat de EU haar haar land heeft afgenomen. De vraag is of dat zo is. Wel zien we overal de gevolgen van globalisering: migratie, multinationals, digitalisering, toerisme: alles gaat letterlijk over de grenzen heen. De Britten hebben zelf aan de wieg gestaan van die globalisering met hun wereldomvattende British Empire. Kennelijk mag je wel vanuit het Verenigd Koninkrijk de wereld in, maar mag de wereld niet bij de Britten binnenkomen. Er zijn vele honderdduizenden Britten met een 2e huis in Frankrijk, Spanje en Italië. Is het dan zo erg dat er ook Polen en Bulgaren andersom het Kanaal oversteken? En ja, dat maakt het land anders. Maar is dat tegen te houden? En moet je dat tegen willen houden. Of moeten we ons realiseren dat Europese landen nu ook immigratielanden zijn geworden.

6. Door de enorme invloeden die uitgaan van de globalisering zijn individuele landen steeds minder in staat zelfstandig te handelen. De 19e eeuwse natie-staat is niet opgewassen tegen de krachten van de 21e eeuw. Dus zoeken landen naar vormen van samenwerking. Organisaties als de EU en de NAVO zijn daar voorbeelden van. Aan de andere kant zie je ook bewegingen de andere kant op. Landsdelen die zich willen afsplitsen van het moederland (Catalonië, Schotland). Een soort provincialisering naast de trend van globalisering. We zijn dus op zoek naar nieuwe verbanden als aanvulling op of als correctie op de natie-staat. Onze identiteit staat dus op het spel. We zijn onzeker over wie we zijn en waar we bij horen. En we vertrouwen de gezaghebbers en de instituties niet meer. Daarom zoeken we naar iets anders: terug naar vroeger, kleiner, groter…. In die zin is de opmerking “I want my country back” goed te plaatsen.

7. Moeten we gezien alle kritische geluiden toch niet een keer de EU heel grondig onder de loep nemen. Ja, dat moet zeker. Het Europese samenwerkingsproject is hard aan revisie toe. Was de EU maar een superstaat geweest (niet dat ik dat wil!) zoals de eurosceptici al jaren roepen. Dan waren de problemen rond de euro en de bootvluchtelingen daadkrachtig en eensgezind opgelost. Maar helaas is de EU niet zo effectief en efficiënt. Dat is een bijzondere paradox. Critici van de EU roepen enerzijds dat de EU te invloedrijk is en zich overal mee bemoeit, maar als er een crisis is, klagen ze dat de EU juist niet handelend weet op te treden. Laten we erkennen dat de EU een modderige compromissenfabriek is. Helemaal niet erg als het om visquota gaat of om handelsovereenkomsten. Maar lastig en inefficiënt bij grote, urgente internationale kwesties die daadkrachtig optreden vergen. Dat lukt de EU niet en bij gebrek aan beter gaat ieder land zijn eigen koers varen. De Hongaren bouwen op eigen houtje grenshekken om vluchtelingen tegen te houden. De Fransen hebben al jarenlang een te groot begrotingstekort. De Polen perken de vrijheid van media in. Nederland biedt fiscale sluiproutes aan multinationals aan, etc., etc. Per saldo kunnen lidstaten doen wat ze willen.

8. Het gaat wat mij betreft dus niet om de vraag of men lid van de EU wil blijven, maar om de vraag of en in hoeverre men met andere landen binnen Europa wil samenwerken. Daar zou de discussie over moeten gaan. Je maakt mij niet wijs dat eurosceptische Britten elke vorm van samenwerking categorisch zouden afwijzen. En de eurofielen zouden moeten toegeven dat de EU vooral de afgelopen jaren (euro-crisis,vluchtelingencrisis) zich weinig eensgezind,vitaal en daadkrachtig heeft getoond. Het zou gezond zijn als de burgers van alle lidstaten zich mengen in een Europa-breed debat daarover. Daarbij zouden drie vragen centraal moeten staan:

a) met wie willen we samenwerken

b) op welke terreinen willen we samenwerken

c) op welke wijze gaan we samenwerken

Eenvoudige vragen, maar heel ingewikkeld om hier samen uit te komen. Het is wel broodnodig dat dat gesprek wordt gevoerd.

 

Tot slot nog iets lichtvoetigers….

9. Stel dat de Britten op 23 juni Nee zeggen tegen de EU. Zullen wij dan antwoorden dat ze voortaan nooit meer met vier vertegenwoordigende teams aan het Europese voetbal  mogen deelnemen. Groot-Brittannië is één land, maar als het om voetbal gaat sturen ze vier teams het veld in: Wales, Noord-Ierland, Schotland en Engeland. En dat staan alle overige Europese landen al decennia toe. Dat moet dan ook maar eens afgelopen zijn.

Een alternatief Nederlands elftal op het EK

Op 10 juni begint het EK en Nederland doet niet mee. “WE zijn er niet bij”, zou Mart Smeets zeggen.

 

 

Dat betekent dat je als voetballiefhebber dit toernooi op een andere manier beleeft. De extra lading ontbreekt. Als Nederland meedoet hoop je toch, vaak tegen beter weten in, dat Oranje verder komt in het toernooi en op z’n minst de eerste groepsfase overleeft. Op de twee laatste WK’s deed Nederland tot ieders verrassing tot het laatste moment mee door op een 2e (2010) en een 3e plaats (2014) te eindigen. Maar op het laatste EK in Polen en Oekraïne (2012) ging het hopeloos mis. Oranje ging vier jaar geleden roemloos ten onder in de eerste ronde. Achteraf gezien opmerkelijk om je te realiseren dat dat gebeurde in een regio waar twee jaar later een burgeroorlog woedde en de MH17 uit de lucht werd geschoten.

Maar goed, WE doen niet mee en we zullen het dus zonder Oranje-koorts en de bijbehorende hoop & vrees moeten doen. Dat levert ook voordelen op: geen eindeloze voorbeschouwingen en nabesprekingen op TV, geen wuppies en andere oranje-troep bij de supermarkt, geen straten die helemaal oranje zijn gemaakt. We kunnen nu onbevangen en onbevooroordeeld naar het spelletje zelf gaan kijken en die landen steunen die het goed doen. Ik hoor veel mensen in mijn omgeving zeggen dat ze nu voor België zijn. Dat vind ik prima, maar ik bewaar mijn sympathie nog even voor dat land dat me weet te verrassen.

Een ander voordeel van de afwezigheid van Nederland is dat je met andere ogen naar de huidige EK-deelnemers gaat kijken. Vandaag stonden alle selecties in de krant. Letterlijk de namen en rugnummers, maar ook het aantal interlands, het aantal gemaakte doelpunten en de club waar men speelt. Een korte studie van dit overzicht levert een paar interessante bevindingen op. Van sommige landenteams spelen bijna alle spelers in het buitenland. De meeste Oostenrijkers spelen bijvoorbeeld in Duitsland en van de 23 Ieren spelen er 22 in Engeland. Dit geldt in iets mindere mate ook voor de Noord-Ieren en de mannen uit Wales. Ook de Belgen en de Albanezen spelen bijna allemaal in buitenlandse competities. Alle Engelse spelers spelen daarentegen bij Engelse clubs en ook de Turken, de Russen, de Oekraïners en de Italianen zijn in hoge mate  honkvast. Grote landen met grote competities trekken dus veel spelers van kleinere, omringende landen aan.

Een andere opvallende verschijning is de multiculturalisering van de landenteams. Afgaande op de namen van de spelers zie je in een groot aantal selecties een keur aan verschillende culturen en ‘afkomsten’. Vooral landen als Duitsland, Engeland, Zwitserland, België en Frankrijk laten dit zien: rijkere, West-Europese landen, vaak ook met een koloniaal verleden. In die zin vormt het Europese voetbal een goede afspiegeling van de verandering die ons continent de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. De volkssport voetbal refelcteert het hedendaagse, stedelijke straatbeeld.

Ten slotte, om toch nog een Hollands tintje te ontwaren, valt het op dat sommige spelers een achternaam hebben die we ook in het Nederlandse woordenboek aantreffen. Als je al die namen samenvoegt kun je een elftal samenstellen dat een soort Oranje schaduw-team  vormt. Als je niet weet voor wie je moet juichen, kun je altijd nog deze spelers aanmoedigen.  Hieronder de opstelling op basis van de betekenis van de achternamen.

Doelman: Berg (Zweden); bijna niet te passeren

Vleugelverdedigers: Rat (Roemenië) en Rog (Kroatië); meedogenloze mandekkers

Centrale verdedigers: Hart (Engeland) en Allen (Wales); samen het blok achterin

Middenveld: Long (Ierland); de loper/ Klein (Oostenrijk); behendige dribbelaar/ Insigne -de aanvoerder- (Italië)

Linksvoor: Lustig (Zweden); kwistig met mooie passes

Rechtsvoor: Lila (Albanië); kleurrijke speler

Spits: Lang (Zwitserland); alle hoge ballen op hem

Op de bank: Mor (Turkije); wil spelen! en Mak (Slowakije); is al blij dat hij bij de selectie zit.

NL11 Alternatief

Het alternatieve Nederlands Elftal

 

Veel plezier bij het EK!

And may the best team win!

 

 

 

Jan Vantoortelboom en het grote Vlaamse familieverhaal

Toen ik bij de lijkbaar ging staan zochten mijn ogen het gezicht van Victor. Het litteken was witter dan ooit en verdeelde zijn gezicht nog meer dan vroeger….en ik moest denken aan een tekening van een hofnar uit mijn ridderboek… Maar grootvader Victor was geen nar geweest. Met hem viel destijds niet te spotten, zoveel was zeker. In zijn jonge jaren was hij de beste soldaat van Elverdinge en ook nog eens de enige buitenwipper van café ’t Pompkot geweest. Vaders woorden.

 

Vlaamse auteurs zijn boeiende vertellers. Hun verhalen hebben vaak de vorm van een familiegeschiedenis. Hun toneel is bij voorkeur het kleinburgerlijke milieu  van een Vlaams dorp met de kerk en het café als vaste decorstukken. Er wordt geroddeld in de slagerswinkel, gescholden in de kroeg en gebiecht bij meneer pastoor. De problemen van de Grote Wereld lijken ver weg, maar de sporen van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog zijn nog nadrukkelijk aanwezig. Een land vol littekens. Tegen die achtergrond wordt een familie tevoorschijn getoverd met struise, bedilzuchtige vrouwen en knoestige mannen van het type ruwe bolster, blanke pit. Op het eerste gezicht een normale familie met hooguit wat onbeholpen omgangsvormen, maar onder het oppervlak tikt -en dat is typerend voor het Vlaamse verhaal- een tijdbom. Van meet af aan maakt de auteur op subtiele wijze duidelijk dat er iets niets pluis is, maar als lezer weet je niet precies wat het is. Een samenzwering? Een vloek? Een zwarte bladzijde? Het is in ieder geval iets noodlottigs wat doorwerkt van generatie op generatie. Stap voor stap kleurt de schrijver zijn verhaal in en met elke stap komt de onthulling naderbij.  Waar een misdaadroman begint met een moord en eindigt met het vinden van de dader, begint het Vlaamse verhaal met een vage verwijzing naar een mysterie dat langzaam maar zeker uit de doeken wordt gedaan. Geen ‘whodunnit’, maar een ’whatisit’.

Aan de auteur de opgave om de lezer vast te pakken en mee te slepen. Hoe groter zijn verbeeldingskracht en schrijftalent, des te indrukwekkender het effect van de finale ontknoping. En des sterker de compassie bij de lezer voor de door het noodlot getroffen personages.

 

Toen ik een tijd geleden met een Vlaamse vriendin over de ook in Nederland zeer populaire schrijfster Griet op de Beeck sprak, raadde ze me aan om ook eens wat van Jan Vantoortelboom te lezen. Zij vond hem minstens zo’n goede schrijver als Griet op de Beeck. Nieuwgierig geworden kocht ik onlangs zijn debuutroman De Verzonken Jongen (2011). Ik heb het boek met plezier gelezen. Het is een knap debuut en een waardig Vlaams verhaal met alle ingrediënten die hierboven staan beschreven. Een opa met een mysterieus litteken op zijn voorhoofd en een kleinzoon die het naadje van de kous wil weten. Beetje bij beetje weet hij het stilgezwegen familiegeheim te ontrafelen. Daarbij is het ook een coming-of-age verhaal met de jonge Stoffel als hoofdpersoon. Natuurlijk mag ik hier het mysterie hier niet uit de doeken doen. Wel bij wijze van sfeertekening een paar fraai geformuleerde passages:

Tuurlijk dat, zei de slagerin, die aan de slag ging. De bezwering was verbroken. Ik voelde me weer wat meer op mijn gemak toen de vrouwen achter me begonnen te keuvelen en de plakjes hesp op het papier werden gekwakt en gewogen. Ze floot tussen de spleten van haar tanden, staarde naar de wijzer van de weegschaal en zei dat het tweehonderdvijftig franken was. Ik had godverdegodver niet genoeg bij me en besefte met dichtgeknepen billen dat ik weer het zenuwcentrum van deze heksensabbat zou worden.

De volgende morgen stampten en loeiden de koeien onrustig in de stal. Kettingen rinkelden. Alfons en Maria werden er wakker van. Meestal was Victor als eerste op en voederde hij de beesten. Deze dag had niks goeds in het verschiet. Ze konden het bij het krieken al in hun oude, stijve lichamen voelen.

 Toen ik bij de lijkbaar ging staan zochten mijn ogen het gezicht van Victor. Het litteken was witter dan ooit en verdeelde zijn gezicht nog meer dan vroeger….en ik moest denken aan een tekening van een hofnar uit mijn ridderboek… Maar grootvader Victor was geen nar geweest. Met hem viel destijds niet te spotten, zoveel was zeker. In zijn jonge jaren was hij de beste soldaat van Elverdinge en ook nog eens de enige buitenwipper van café ’t Pompkot geweest. Vaders woorden.  

Het is heerlijk om dergelijke passages te lezen. Toch past bij dit boek ook een kritische kanttekening. Vantoortelboom rekt het geheel nogal lang uit. Daarmee verliest het verhaal soms wat vaart en spanning. Misschien komt dat ook omdat je als lezer op een gegeven moment wel aanvoelt in welke richting je het mysterie moet zoeken. Het had dus iets compacter en verrassender gemogen.

Bijzonder is dat dit boek niet eindigt met een voorspelling van voortdurende rampspoed voor de familie, maar met een optimistische vooruitblik. De jonge hoofdpersoon neemt zich voor, gesteund door de dorpspastoor, om zich niet te laten gijzelen door het familiedrama: Maar ik was er nú, op déze aardbol, in dít land, in dít dorp, en kijk ‘ns wat ik was: een schone, slimme rostekop met een lieve vriendin en een verbeelding zonder plafond…. Mijn echte geschiedenis begint morgen, en wat voor één!

Met deze eindtekst bezweert Vantoortelboom het noodlot en kan de lezer het boek met een glimlach dichtslaan. En bij gelegenheid een volgend boek van Jan Vantoortelboom kopen. Hij zit namelijk niet stil. Sinds zijn debuut heeft hij twee nieuwe boeken geschreven: Meester Mitraillette (2014; aangeprezen door het boekenkwartet van DWDD) en De man die haast had (2015).

Matthias Antonie

 

 

 

Vannacht logeert onze kleindochter bij ons. Er is een zusje of broertje op komst. Mijn zoon en schoondochter willen wat rust en ruimte om de bevalling goed op gang te laten komen. ‘s Ochtends vroeg belt mijn zoon met de mededeling dat alles voorspoedig verloopt. Het zal niet lang meer duren. Hij vraagt hoe het met zijn dochter is. Ze slaapt nog als een roos. Terwijl mijn vrouw met hem aan de lijn is, zit ik wat rond te snuffelen op mijn smartphone. Mijn blik blijft hangen bij een berichtje dat Bob Dylan, mijn muzikale held, vandaag 75 jaar wordt. Zo weet ik dat het een heel mooie dag kan gaan worden.

Twee uur later ben ik onderweg naar een bijeenkomst in Utrecht. Ik sta in een volle ochtendspitstrein op een lawaaierig tussenbalkon. Mijn zoon belt. Hij zegt: ‘Gefeliciteerd, je bent weer opa geworden!’, maar door de slechte verbinding en de herrie van de trein kan ik hem verder nauwelijks verstaan. De details ontgaan me. Is alles goed gegaan? Is het een jongen of een meisje? Een heel vervreemdende ervaring. Dan hoor ik door al het kabaal heen dat alles voorspoedig is gegaan, dat het een jongetje is, met twee prachtige voornamen. Een originele, eigenzinnige eerste voornaam en een tweede naam die hem verbindt met 150 jaar familiegeschiedenis. Dat raakt me. Het tussenbalkon staat vol met mensen, maar er is niemand om mijn emoties mee te delen. Ik slik de brok in mijn keel weg en kijk naar buiten. In de verte zie ik de Domtoren. Ook weer zo symbolisch. Mijn hele familie (ouders, grootouders en overgrootouders) komt uit Utrecht; mijn zoon woont sinds een paar jaar ook in Utrecht en nu dus ook deze nieuwe generatie.

De verleiding is groot om niet te gaan vergaderen, maar meteen op kraamvisite te gaan. Maar dat zou iets te snel zijn. We worden uitgenodigd om later die dag onze kleinzoon te komen bewonderen. Hij is prachtig en wat zijn onze zoon en schoondochter gelukkig. Onze kleindochter hobbelt vrolijk door de kamer.

Die avond kom ik thuis weer het bericht tegen dat Bob Dylan vandaag 75 jaar is geworden. Gevoed door de emoties van de dag schiet me zijn lied Forever Young te binnen. Een prachtig lied dat hij schreef voor zijn zoon Jesse. Het staat op zijn album Planet Waves (1974) in twee versies: in verstilde vorm en in een rock-uitvoering. Mijn kleinzoon hoeft niet eeuwig jong te blijven en ik ben niet gelovig, maar verder wens ik hem en zijn ouders alles toe wat in dit lied staat:

May God bless and keep you always
May your wishes all come true
May you always do for others
And let others do for you
May you build a ladder to the stars
And climb on every rung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May you grow up to be righteous
May you grow up to be true
May you always know the truth
And see the lights surrounding you
May you always be courageous
Stand upright and be strong
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May your hands always be busy
May your feet always be swift
May you have a strong foundation
When the winds of changes shift
May your heart always be joyful
May your song always be sung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

Blogsite van Peter 't Lam