Categoriearchief: Kunst & cultuur

Grandes Lignes (over Parijs)

 

 

Een schoolvriendin van mij werd tijdens de zomervakantie die voorafging aan ons examenjaar verliefd op een jongen uit Parijs. Omdat hij regelmatig een weekendje naar Nederland kwam, kreeg ik de kans om mijn school-Frans op hem uit te proberen. De kunst was hem tot langzaam praten te bewegen om hem nog enigszins te kunnen volgen. Vervolgens probeerde ik dan iets terug te zeggen met woorden en zinnen die ik had opgeduikeld uit mijn schoolboek met de weinig bescheiden titel La plus belle langue. Dat lukte meestal best aardig, maar af en toe sloeg ik de plank mis. Zo moest hij erg lachen toen ik ‘in grote lijnen’ vertaalde met de woorden ‘en grandes lignes’. “Grandes lignes zijn de hoofdlijnen van het spoor”, corrigeerde hij mij welwillend. En hij kon het weten; zijn vader werkte bij de SNCF.

Dit verhaal schoot me onlangs weer te binnen toen ik op Gare du Nord aankwam voor een lang weekend Parijs. Daar hangen grote informatie-borden met de aanduiding ‘Grandes Lignes’.

Grandes Lignes op Gare du Nord

 

Het was voor het eerst sinds mijn studietijd dat ik met de trein naar Parijs reisde. Destijds reisde ik met een onhandige rugzak in een schokkerige internationale trein die vele tussenstops maakte. Nu bracht de comfortabele Thalys me in drie uur van hoofdstad naar hoofdstad. De woorden grandes lignes bleven dat weekend door mijn hoofd zingen.

Parijs ademt een ontspannen, plezierige sfeer, ondanks de zwaarbewapende agenten die je bij bepaalde gebouwen op wacht ziet staan; waarschijnlijk als gevolg van de aanslag op Charlie Hebdo. Op straat, in de metro en op de terrassen lijkt er meer ruimte en minder stress te zijn dan in Amsterdam. Voor de goede orde, ik heb me beperkt tot het centrum van de stad en ben niet in de banlieues geweest. Het valt ook op hoe vaak je in het Engels wordt aangesproken, waardoor ik minder kans krijg om mijn school-Frans af te stoffen. Dat was vroeger wel anders. Als je geen Frans sprak verliep de communicatie met obers en winkelmeisjes meestal stroef.

Maar wat me dit keer vooral treft is het grote gebaar. Dat heeft Parijs natuurlijk altijd al gehad, maar het viel me dit keer in het bijzonder op. De visie en de durf om een grote lijn uit te zetten, een stempel op de stad te drukken, ‘landmarks’ neer te zetten, gewaagde projecten te starten, toekomstbepalende keuzes te maken: dat was en is typerend voor Parijs. Of het nu gaat om de in de 19e eeuw door Haussmann ontworpen brede boulevards of de in diezelfde eeuw begonnen ondergrondse pendant daarvan: het metronetwerk[1]; in Parijs zijn grote, baanbrekende lijnen uitgezet. Het grote gebaar is natuurlijk ook zichtbaar in de destijds zeer omstreden Eiffeltoren; nu het onbetwiste symbool van Parijs. En wat te denken van de Axe Historique, de lijn die vanaf het Louvre via de Tuilerieën en de Champs Elysées naar de Arc de Triomphe voert en die in de jaren ’80 van de vorige eeuw is doorgetrokken naar La Défense om te eindigen bij de Grande Arche.

axe historique

Natuurlijk helpt het bij het realiseren van grote gebaren als je een centralistisch staatssysteem hebt waarbij grote leiders hun gezag op allerlei terreinen willen en kunnen laten gelden. Van de Franse koningen en Napoleon tot de huidige presidenten. Recente voorbeelden van presidentiële erfenissen zijn het Centre Pompidou en de Pyramide bij het Louvre (nalatenschap van Francois Mitterand en onderdeel van zijn ‘grands travaux’).

Ook in de natuur van Parijs is de dwingende mensenhand zichtbaar. Le Nôtre zette daarmee de toon bij zijn ontwerp van de tuinen bij het paleis van Versailles. Zijn gedachtengoed wordt ook in Parijs aangehangen. Kijk naar de symmetrie van de Tuilerieën en de harmonie van de Jardin du Luxembourg: het grote gebaar is overal aanwezig. Het ontwerpen en daarmee onderwerpen van de natuur aan de hand van een vastomlijnd plan. De bomen langs de Champs Elyseés worden in vierkante vormen gesnoeid!

Wie Parijs een keer op een alternatieve wijze wil doorkruisen kan zich laten leiden door een  bijzondere grande ligne: de meridiaan van Arago (niet te verwarren met de meridiaan die in de Da Vinci Code door Dan Brown wordt beschreven en die o.a. dwars door de St. Sulpice loopt). De meridiaan van Arago is de oude nul-meridiaan van Frankrijk (te vergelijken met de meridiaan van Greenwich die uiteindelijk de internationaal geaccepteerde nul-meridiaan werd). Francois Arago (1786-1853)  was een veelzijdig wetenschapper die de exacte loop van de meridiaan narekende en herbepaalde. Omdat in de Tweede Wereldoorlog het bronzen standbeeld van Arago door de Duitsers was omgesmolten, wilde men in Parijs de herinnering aan Arago en zijn meridiaan op een nieuwe manier leven inblazen. Er werd een prijsvraag uitgeschreven die door de Nederlandse kunstenaar Jan Dibbets werd gewonnen. Zijn kunstproject bestaat uit een serie van 135 bronzen plaatjes (medaillons) die met uiterste precisie op de voormalige nul-meridiaan als een Noord-Zuid stippellijn zijn aangebracht. De bekende Nederlandse Parijzenaar Philip Freriks heeft een fraai boekje over deze meridiaan geschreven (Het spoor van de monumentale meridiaan)  waarin hij de vindplaats van elke medaillon nauwkeurig beschrijft en daar mooie verhalen over de directe omgeving aan toevoegt. Het boek vormt een prachtige wandelgids door Parijs van Zuid naar Noord.

Arago plaatje weg

 

 

 

 

 

Arago plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

Helaas zijn in de loop van de tijd veel van deze plaatjes verdwenen, vooral na het grote succes van de Da Vinci Code. Stom, want de meridiaan van Arago is een andere dan de Rose Line van Dan Brown. Bovendien gaat het hier om een kunstwerk. Als ik met het boek van Philip Freriks in de hand rond de Jardin Du Luxembourg op zoek gaat naar bronzen plaatjes vind ik inderdaad meerdere lege plekken in het plaveisel, en slechts een enkele Arago-medaillon. Blijkbaar weet niet iedereen de grote lijnen van Parijs te waarderen.

 

 

P.S. 1

Nadat ik dit verhaal heb opgeschreven hoor ik van een vriend dat zijn dochter op de middelbare school voor het vak Frans een lesmethode heeft die (ook) Grandes Lignes heet.

 

P.S.2

Op zoek naar een andere bron van inspiratie voor Parijs: kijk naar de videoclip ‘Parijs’ van Kenny B. : https://www.youtube.com/watch?v=jlHZ_Z8sUMs

 

 

[1] Een mooie gids bij een bezoek aan Parijs is het boek Metronome van Lorànt Deutsch. Deutsch bespreekt aan de hand van een aantal bekende metrohaltes die geschiedenis van Parijs.

Over de betekenis van merknamen

 

 

 

Winkelketens hebben het zwaar. Vertrouwde namen als Mexx, Halfords, Schoenenreus, Siebel enFree Record Shop verdwijnen uit het straatbeeld. Het is twijfelachtig of V&D, jarenlang het winkel-boegbeeld in elk stadshart, het gaat redden.

De berichten over deze bekende merken doen mij denken aan een alleraardigst boekje dat ik een paar jaar geleden op de kop tikte. Het was niet meer in de boekhandel te krijgen; alleen nog als tweedehands exemplaar via  internet. Leve het internet, denk ik dan, al zullen veel van de genoemde winkelketens ironisch genoeg juist door de opkomst van internet in de problemen zijn gekomen.

Hoe dan ook, het boekje heet Verzamelde Merken, de betekenis van 3166 namen van producten en bedrijven verklaard (2004). Het boek is van de hand van Riezebos & Riezebos. De ene Riezebos is Rik, in communicatieland bekend en gewaardeerd als groot merkenkenner, consultant en wetenschapper. De andere Riezebos is Joyce; zij werkt volgens het omslag bij een kennisplatform van merkenmanagers. Over hun onderlinge relatie weet ik niets, maar het vermoeden rijst dat Rik en Joyce een stel zijn.

In het boek worden op alfabetische volgorde uitgelegd en toegelicht waar de namen van organisaties of prodcuten vandaan komen. Van AA-drinks (de AA staat voor After Activity) tot busmaatschappij ZWN (Zuid-West Nederland). Ik heb dat boekje altijd binnen handbereik om snel te kunnen opzoeken waar namen die ik hoor of zie (zoals Danone, Mexx of Samsung) vandaan komen. Nu zou ik dat ook wel via Google kunnen opzoeken, maar met dit boekje gaat het razendsnel. En als ik dan toch het boekje hebt gepakt, blader ik vaak nog even een paar pagina’s door op zoek naar andere verrassende en boeiende merknamen.

Al lezend en bladerend ben ik tot een soort typologie van merknamen gekomen.

Categorie 1 is de (enkele) familienaam. Het gaat hierbij meestal om de naam van de grondlegger van het bedrijf. Bekende voorbeelden zijn Philips, Heineken, Blokker en (met voor- en achternaam!) Dirk van den Broek.

Categorie 2 is de afgeleide familienaam. In de naam van het merk is een deel van de familienaam verwerkt, of een variant op de familienaam gebruikt. Leica (achternaam Leitz gecombineerd met het woord camera), Audi (de oprichter heette Horch, wat vrij vertaald werd naar het latijnse woord voor horen: audire en verkort tot Audi (‘hoor’); Citroën (naar de Nederlander Limoenman); IKEA (de initialen van oprichter Ingvar Kamprad en de eerste letters van zijn geboortedorp Elmtaryd Agunnaryd); Aldi (Albrecht discount).

Categorie 3 is de combinatie van familienamen (Black & Decker, Vroom & Dreesmann, Marks & Spencer) of juist van de voornamen (hele voornamen, zoals bij Ben & Jerry’s; initialen, zoals bij C&A –Clemens & August Brenninkmeijer-; of eerste letters, zoals bij bromfietsmerk Berini, afgeleid van voornamen van de oprichters Bertus, Rinus en Nico).

Categorie 4 is de afkortingsnaam: KRO, NS, PSV en nog veel meer.

Categorie 5 is de afkortingsnaam waarbij de letters samen een woord vormen (acroniem): VARA, Remia, Aviko.Twee mooie Amerikaanse voorbeelden hiervan zijn Jeep (afkorting van General Purpose: GP) en Esso (afkorting van Standard Oil: S.O.). Over de afkorting Remia wordt getwist. Riezebos & Riezebos zeggen dat deze naam een afkorting is van de woorden Reputatie, Eigentijds, Meedenkend, Innovatief en Actief. Maar een oud krantenknipsel dat ik al jarenlang koester vertelt met dat Remia staat voor “de Rooij’s Electrische Melangeer Inrichting Amersfoort”.

Categorie 6 is de fantasienaam. Voorbeelden: Corus (staal), Parrano (kaas).

Categorie 7 is de soortnaam. Dit is de droom van elke marketeer: jouw productnaam wordt een soortnaam die een hele productklasse omvat. Voorbeelden: Kleenex, Luxaflex, Maggi, Spa, Vaseline, Walkman.

Categorie 8 verwijst naar de plaats, streek of het land van herkomst. Eau de Cologne (Keulen), Leerdammer, Côte d’Or, Glenfiddich, Inholland (hogeschool). Ook de naam AVIKO (die je ook bij Categorie 5 kan plaatsen) heeft een plaatsverwijzing in zijn naam: Aardappel Verwerkende Industrie Keppel en Omstreken.

Categorie 9 verwijst naar de ingrediënten van het betreffende product. Denk aan merknamen als Chokotoff, Lanoline, of (het mooiste voorbeeld) Pokon (fosfoorzuuranhydride, kaliumoxide en stikstof, oftewel P2O5 + K2O +  N)

Categorie 10 verwijst naar mythologische figuren: Ajax, Pegasus, Mercury.

Categorie 11 is verdwenen namen (hierbij slaat de nostalgie toe). Een greep: Ben Bits, Brio, Datsun, Golden Wonder, King Corn, Libertel, PTT, Treets.

Tenslotte een persoonlijke buiten-categorie met bijzondere namen of verhalen die ons door Riezebos & Riezebos worden bezorgd (soms met een kritische kanttekening)

  • Mitra (slijterijen) komt van Minder trammelant.
  • Rizla (vloeitjes) komt van Riz (Frans voor rijst) en Lacroix, waarbij croix wordt afgebeeld als een kruis/plus-teken.
  • Chupa Chups heeft een logo dat door Salvador Dali is ontworpen.
  • Spar (supermarkt) komt van De Spar: door eendrachtige samenwerking profiteren allen regelmatig.
  • Sprite is een samenvoeging van de woorden ‘sprinkle’ en ‘light’.
  • Rolex is volgens Riezebos & Riezebos een fantasienaam, maar Pieter Steinz meent in zijn fraaie boek Made in Europe dat het staat voor Horological Excellence.
  • ASICS staat voor ‘anima sana in corpore sano’ (een gezonde geest in een gezond lichaam).
  • Holiday Inn (hotels): genoemd naar de gelijknamige film (met o.a. Bing Crosby en Fred Astaire).
  • Bavaria wordt door Riezebos & Riezebos aangeduid als een fantasienaam, maar volgens mij is er juist een directe link te leggen met Beieren (waar bier zeer populair is).
  • Elstar (appels) komt van de plaatsnaam Elst en de eerste letters van de voornaam van de kweker Arie Schaap.
  • Bij Westland (kaas) verwijzen Riezebos & Riezebos naar het gelijknamige gebied in Zuid-Holland. Ik heb echter ooit in Huizen op een school gewerkt waar kinderen op zaten die de achternaam Westland hadden. Hun vader runde in die plaats het grote kaasbedrijf Westland.
  • Cadillac is vernoemd naar de stichter van Detroit (de Motor City): Antoine de la Mothe Cadillac.
  • En de meest ingewikkelde: Hush Puppies (schoenen). Hush Puppies zijn kleine gefrituurde maisballetjes die Amerikaanse boeren gebruikten om hun blaffende honden mee stil (sst = hush) te krijgen. In Amerika noemt men vermoeide voeten ook wel ‘barking dogs’, vandaar…

 

Prachtig boek!

Enigma en Dilemma

“Af en toe zou een nuchtere, calculerende blik heel verfrissend zijn. Als dat in de Tweede Wereldoorlog kon bij een kwestie van leven en dood, moet dat toch ook in onze tijd mogelijk zijn”

 

 

Onlangs zag ik de film The Imitation Game (op initiatief en in gezelschap van mijn dochter). Een fascinerende film. Ik had vooraf al wat recensies gelezen, dus ik wist dat het ging over Alan Turing, de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog leiding gaf aan een Brits projectteam dat probeerde de Duitse Enigma-codering te ontcijferen. De man ook, die na de oorlog zelfmoord pleegde. Zijn homoseksuele geaardheid werd in de jaren ’50 als strafbaar gezien en hij werd tot chemische castratie gedwongen. Gedwongen, want het alternatief was gevangenisstraf en het verliezen van zijn hoogleraarschap. Beide aspecten van het leven van Turing komen in de film goed tot hun recht. In de knap verweven verhaallijnen worden zowel de geniale wetenschapper als de geplaagde homoseksueel getoond.

Het meest indrukwekkend (en verrassend voor mij) was echter het moment vlak nadat eindelijk het Enigma-code systeem gekraakt is. Na jarenlang resultaat-loos zwoegen en het met vallen en opstaan bouwen van een machine die door leidinggevenden en enkele teamgenoten met spot en ongeloof wordt bekeken, blijkt het door Turing ontwikkelde apparaat te werken en wordt het eerste code-bericht gekraakt. Het bericht geeft precies het doelwit en de locatie van de komende Duitse aanval aan. Er is nog minder dan een halfuur te gaan. Men kan nog bellen naar het Britse hoofdkwartier om in te grijpen en de aanval af te slaan.  Maar Turing roept tot ieders verbijstering dat dat juist niet moet gebeuren. De Duitse aanval moet doorgaan om geen argwaan te wekken. Als de Duitsers zouden ontdekken dat de Britten elke code kunnen kraken (en dus elke aanval zouden weten af te slaan), zouden ze een nieuw code-systeem gaan ontwikkelen en zou het Britse team weer jaren moeten investeren in het ontwikkelen van een nieuw decodeer-systeem. Maar aan de andere kant zou het werken aan de huidige machine ook geen zin hebben gehad als elke Duitse aanval ongehinderd door kon gaan. Turing is dus niet alleen om staat om het technische raadsel op te lossen, maar hij legt ook een enorm dilemma bloot. Hoeveel aanvallen staan we toe om geen argwaan te wekken en hoeveel aanvallen proberen we af te slaan of tegen te gaan om het aantal slachtoffers beperkt te houden en voortgang te boeken in de strijd tegen de nazi’s? Er wordt besloten dat dit ook via berekeningen moet worden vastgesteld. Statistische formules gaan de basis vormen voor beslissingen over leven en dood.

Hoe zou het zijn als we dat ook met hedendaagse problemen zouden doen? Ik schets een paar actuele dilemma’s:

–          Hoeveel kan de EU de Grieken tegemoet komen en de ergste pijn verzachten, maar aan de andere kant toch vast blijven houden aan hervormingen en het afbetalen van de schuld

–          Hoeveel vluchtelingen moeten we in Europa opnemen om voldoende humaan te zijn, maar aan de andere kant niet de magneetwerking op vluchtelingen te sterk te vergroten

–          Hoeveel gas kun je uit de Groningse bodem halen om voldoende baten voor de schatkist te genereren, maar ook de kans op verdere aardschokken aanzienlijk te verminderen

–          Hoeveel wil je toegeven aan Rusland en de rebellen in Oost-Oekraïne om verdere escalatie te voorkomen zonder de soevereiniteit van Oekraïne zelf prijs te geven en de Russen het idee te geven dat ze ongestraft ook andere gebiedsdelen kunnen annexeren

–          Hoe sterk wil je de veiligheidsmaatregelen opschroeven om aanslagen te voorkomen, zonder ieders persoonlijke vrijheid (die we juist willen beschermen) te veel in te perken?

 

Het lijkt nogal cynisch om dit allemaal via statistische berekeningen te laten bepalen. Bovendien is niet ieder maatschappelijk vraagstuk in cijfers en sommen te vangen. Maar aan de andere kant zou het ook wel eens fijn zijn als grote vraagstukken niet direct met allerlei ideologische sauzen overgoten zouden worden, en als partijpolitieke stokpaardjes op stal zouden blijven. Af en toe zou een nuchtere, calculerende blik heel verfrissend zijn. Als dat in de Tweede Wereldoorlog kon bij een kwestie van leven en dood, moet dat toch ook in onze tijd mogelijk zijn.

Enigma en dilemma. Twee mooie woorden uit het oud-Grieks. Raadsel en tweesprong (dubbele aanname). Als mijn dochter me weer een keer uitnodigt voor de film is de vraag welke film het gaat worden voor mij een enigma, maar de vraag of ik mee ga zal geen dilemma zijn.

Richting, een naar voorzetsel?  

 

Met het woord richting is de laatste jaren iets bijzonders aan de hand. Dit zelfstandig naamwoord wordt met grote regelmaat ook als voorzetsel gebruikt.

 

Bij fileberichten is het vaste prik: ‘op de A4 richting Amsterdam…’ En wat te denken van het weerbericht (‘het regenfront trekt richting Noord-Nederland). Jonge Jihad-strijders vertrekken richting Syrië. En in dit jaargetijde gaan weer veel wintersporters richting Oostenrijk. Misschien vinden we de aanduiding ‘in de richting van’ te ingewikkeld of te lang, dus dikken we het in tot het kernwoord ‘richting’. We kunnen natuurlijk ook het voorzetsel naar gebruiken, maar om mij onbekende redenen kiezen we steeds vaker voor richting. Nu is dat nog redelijk te begrijpen bij een concrete geografische aanduiding, zoals in de hierboven beschreven voorbeelden. In alle gevallen is sprake van plaatsen, regio’s of landen. Het gaat dus echt om een richting. Je kunt bij wijze van spreken je routeplanner er op instellen.

Maar hoe langer hoe meer wordt richting ook in niet-geografische zin gebruikt. Ik kom dat ook als communicatie-docent geregeld tegen. Een persbericht richting de media, een nieuwsbrief richting de donateurs, een oproep richting het bestuur. In die gevallen doet het woord richting meer pijn aan mijn oren en ogen dan bij geografische aanduidingen. Maar het is wel weer een stuk beter dan de tenenkrommende formulering naar….toe, die je vaak in de jaren ’80 en ’90 hoorde: ‘een stukje duidelijkheid naar onze achterban toe’.

Nu is het interessant om te kijken of we naar analogie van de zelfstandig naamwoord/voorzetsel combinatie van het woord richting ook andere combinaties kunnen maken. De eerste inval die ik hierbij heb is samenwerking. Stel je voor dat we het zelfstandig naamwoord samenwerking gaan gebruiken in plaats van het voorzetsel met. Met betekent namelijk in veel gevallen ‘in samenwerking met’ en dat kan je weer afkorten tot samenwerking. Dat leidt dan tot zinnen als: ‘ik ga samenwerking vrienden op vakantie’ of ‘ik heb een studiedag samenwerking collega’s’. Dat klinkt natuurlijk heel krom, maar het is in wezen niet anders dan wanneer je zegt ‘ik ga richting Amsterdam’. Nu wordt het voorzetsel met ook gebruikt zonder de ‘samenwerking’-betekenis. Denk aan uitdrukkingen als ‘met goede moed’ of met frisse tegenzin. Dan wordt het nog krommer, want dan moet je gaan zeggen ‘samenwerking frisse tegenzin’.

Nog een voorbeeld. Je zou het voorzetsel bij kunnen vervangen door het zelfstandig naamwoord buurt. Bij kun je namelijk ook aanduiden als ‘in de buurt van’; kortweg buurt.  Dan levert zinnen op als: ik ga eten buurt mijn schoonouders’, of ‘hij is echt buurt de pinken.

De ontwikkeling van het woord richting laat zien dat onze taal geen dood ding is. Taal wordt gebruikt, gekneed, gevormd en vervormd. Ik vind dat we blij mogen zijn met die levendigheid van onze taal, al vind ik niet elke ontwikkeling een aanwinst. En het voorzetsel richting vind ik randje. Ik bedoel natuurlijk: op het randje van…..

Ben ik Charlie?

Waarom vind ik het moeilijk om ook te zeggen: je suis Charlie?

 

Een dag na de afschuje suis Charliewelijke aanslag op Charlie Hebdo sta ik bij het begin van het college Medialandschap stil bij deze ingrijpende gebeurtenis. De wrede actualiteit onderstreept het belang van pluriforme media binnen ons democratisch bestel; een thema dat eerder uitgebreid aan bod is gekomen.

Na mijn korte inleiding vraag ik de studenten of ze behoefte hebben om wat te zeggen of te vragen. Het blijft stil. Iedereen lijkt onder de indruk van het gebeurde. Daarna gaan we over tot de orde van de dag.

Ik merk zelf dat deze aanslag en de nasleep ervan me enorm bezighouden. Er duiken allemaal vragen op en ik vind maar weinig antwoorden die me houvast bieden.

Mijn eerste vraag: waarom vind ik het moeilijk om ook te zeggen: je suis Charlie? Ik heb tien jaar geleden ook niet gezegd: ik ben Theo. Ik vond en vind het in beide gevallen verschrikkelijk wat er is gebeurd, maar ik voel me te weinig direct verwant met Charlie of met Theo om me met hen te vereenzelvigen. Want is ‘Je suis Charlie’ niet precies wat vereenzelvigen is? Ik  vond Theo van Gogh iemand die als journalist naar mijn smaak vaak te bot en te respectloos te werk ging. En Charlie Hebdo kende ik niet goed genoeg. Nu de media vol staan met tekeningen en teksten uit Charlie Hebdo voel ik me daar weinig door aangesproken. Maar ik ben aan de andere kant positief geraakt als ik zoveel mensen de straat op zie met de kreet  ‘je suis Charlie’. En als Achmed Aboutaleb die woorden uitspreekt ben ik zelfs diep onder de indruk; en dan nog meer bij hem dan bij andere burgemeesters.

Mijn ontstelling over de aanslag gaat dus niet om het feit dat iets wat me inhoudelijk heel dierbaar is is weggenomen, maar omdat iets wat er ook moet of mag zijn met geweld het zwijgen is opgelegd. Het voelt als die bekende (maar ook wel door publicisten betwiste) uitspraak uit de Tweede Wereldoorlog waarin zou zijn geroepen: “rotmoffen, blijf met je rotpoten van onze rotjoden af.”  Het doet ook denken aan de uitspraak van de toenmalige Franse president De Gaulle die (ten tijde van de onafhankelijkheidsstrijd van Algerije) de politie verbood om zijn grote criticaster Jean-Paul Sartre te arresteren met de woorden: “on n’emprisonne pas Voltaire.”

Mijn tweede vraag heeft te maken met de vrijheid van meningsuiting. Hoewel ik niet gelovig ben (wel gelovig opgevoed) heb ik een hekel aan vloeken. Ik kan ook slecht tegen anti-semitische plaatjes met haakneuzen en hakenkruizen. Hoe vaak heb ik mijn kinderen niet gezegd dat ze op hun woorden moetsen passen en zich moesten gedragen. Ook roep ik regelmatig studenten tot de orde als ik hun woorden te onfastoenlijk of te beledigend vind. De mantra van Pim Fortuyn ‘ik zeg wat ik denk’ is niet de mijne. Maar aan de andere kant ben ik ook vaak verontwaardigd als ik lees dat er censuur wordt gepleegd, als problemen onbenoemd blijven en als mensen zich niet vrij kunnen uitspreken. Al met al heb ik moeite met het verabsoluteren van de vrijheid van meningsuiting. Als mensen daar wel voor pleiten, moet je ook Mein Kampf weer in de boekhandel toelaten, moet je ook Willem-Alexander publiekelijk kunnen beledigen en moet je niet bladzijden uit de Koran scheuren. Ook zal je de ergste vormen van anti-semitisme, homofobie of vrouwenhaat moeten tolereren. Dat gaat mij te ver.  Ik merk dat ik gradaties aanleg. Ik vind teksten en beelden (in boeken en tijdschriften) minder erg dan gesproken woorden en actieve gedragingen die direct tegen anderen zijn gericht. Anders gezegd: een racistische cartoon vind ik net wat minder erg dan oerwoudgeluiden in een stadion. Nog anders gezegd: ik zou minder snel grenzen willen stellen aan gemedieerde meningsuiting dan aan interpersoonlijke meningsuiting. Je kunt er voor kiezen bepaalde cartoons of teksten niet te bekijken of te lezen. Maar je kunt je niet onttrekken aan mensen die jou in je gezicht staan te beledigen of te bedreigen. Ook maakt het uit wie wat tegen wie zegt en vanuit welke positie of rol. Ik heb minder moeite met de bijtende woorden van een cabaretier dan die van een politicus. Ik vind het gezond als een onderdaan een machthebber mag bekritiseren. Ik vind zelfspot een heerlijk vorm van humor. Als een jood een jodenmop vertelt voelt het toch anders dan als ik dat doe.

Een andere grote vraag gaat om het wij- en zij-denken. De redactieleden van Charlie Hebdo worden nu helden genoemd en martelaren van het vrije woord. In andere kringen zullen de aanslagplegers helden en martelaren worden genoemd. Als we beweren dat de terroristen niet model staan voor de gemiddelde moslim en dat zij de Islam grof misbruiken, moeten we dus onze pijlen niet richten op de Islam als zodanig, maar op de misbruikers. Zoals we niet het katholieke geloof hoeven aan te vallen als blijkt dat priesters op forse schaal kinderen hebben misbruikt. Dan moeten we juist de betreffende geestelijken op de korrel nemen. In die zin vraag ik me af of het zin heeft om Jezus/God of Mohammed/Allah in spotprenten af te beelden als het eigenlijk gaat om mensen die -in hun naam- misdaden plegen. En als wij, in het Westen, voor onszelf vrijheid van meningsuiting opeisen (bijvoorbeeld met kritiek op de islam), moeten we die ruimte ook laten aan andersdenkenden of aan mensen met een andere afkomst (bijvoorbeeld met kritiek op homo’s of op joden). Anders meten we met twee maten en is ‘onze’ vrijheid niet ‘hun’ vrijheid. Dat lijkt mij ongewenst, maar het lijkt mij ook ongewenst als we alle sluizen daarbij openzetten. Als we die ruimte aan alle kanten volop benutten gaat, vrees ik, een enorme beerput open. Dat zie je nu soms al via social media gebeuren, met alle uitwassen van dien: grove verwensingen, doodsbedreigingen. Social media nemen daarbij een bijzondere tussenpositie tussen de eerder genoemde vormen van gemedieerde en interpersoonlijke meningsuiting in. Social media hebben een openbare, massamediale kant, maar kunnen ook erg persoonlijk zijn; één-op-één. Die beerput vind ik zelf als zodanig een grote bedreiging van de vrijheid van meningsuiting. Mensen durven zich soms niet meer te uiten, omdat ze bang zijn dat een lading bagger over zich heen te krijgen.

Mijn voorzichtige slotbalans. Ik denk dat we de vrijheid van meninsguiting moeten koesteren. Het is moeilijk, zo niet ondoenlijk om daarbij harde grenzen aan te geven. De samenleving ontwikkelt zich en daarbij ook onze normen en waarden. Ik heb zelf wel het idee dat vrijheid niet iets is dat je kunt opeisen. Er zal meer vrijheid en ruimte zijn als we elkaar die ruimte gunnen. En daarbij lijkt het me logisch dat we anderen dezelfde mate van vrijheid gunnen als de ruimte die we graag zelf willen hebben.

The Image as Burden

 

The image as burden’ had zo maar de titel van een scriptie kunnen zijn. Jaarlijks krijg ik diverse afstudeerwerkstukken over organisaties die worstelen met een negatief imago onder ogen. Studenten hebben daarbij doorgaans onderzoek gedaan naar de identiteit en het imago van een organisatie om te kunnen bepalen hoe groot de ‘gap‘ tussen die twee begrippen is. Ze gebruiken bij deze analyse vaak het boek Mind the Gap van mijn gewaarde collega’s Jaap van der Grinten en Helma Weijnand-Schut. Op basis van die Gap-analyse ontwikkelen ze een communicatiestrategie om de vastgestelde kloof te helpen verkleinen of overbruggen.

Identiteit en imago zijn een vast begrippenpaar in de communicatiewereld. Identiteit kan opgevat worden als het beeld dat de organisatie wil uitdragen en imago is het beeld dat anderen van de organisatie hebben. Organisaties dienen te streven naar een goed imago, want ‘je imago is je beste amigo’, aldus een oubollige PR-kreet (ik zou zelf liever willen spreken van een passend, helder imago, dan een goed imago; de PVV scoort bij mij niet goed, maar ik krijg wel een duidelijk beeld waar deze partij voor staat). Volgens de handboeken doen organisaties er goed aan hun kernwaarden, missie en visie duidelijk te bepalen om daarmee hun (gewenste) identiteit te kunnen uitdragen. Dat klinkt eenvoudig, maar zie dat maar eens voor elkaar te krijgen. Het roept bij mij de vraag op of er wel sprake kan zijn van één vastomlijnde identiteit. Wat mij betreft had Maxima een punt met haar uitspraak: ‘Dé Nederlander bestaat niet’? En geldt hetzelfde niet voor dé Hema, of dé Shell, of dé FNV? Hetzelfde vraagteken kun je plaatsen bij het spiegelbegrip imago. Bestaat er één imago van mensen, dingen of organisaties, of zijn dat er talloze?

Deze thematiek vind je terug in de tentoonstelling ‘The image as burden’ die momenteel in het Amsterdamse Stedelijk Museum te zien is. Deze tentoonstelling biedt een overzicht van het werk van Marlene Dumas. Dumas is gefascineerd door massamediale beelden, zoals persfoto’s, en gebruikt deze als uitgangspunt voor haar schilderijen.

Dankzij de media worden we deelgenoot van groot en klein nieuws, dichtbij en ver weg. En dat nieuws, die werkelijkheid, wordt ons gepresenteerd in woorden en beelden. Woorden en beelden zijn de talige en visuele verleners van betekenis. Zij slaan een brug tussen de werkelijkheid en de manier waarop wij die werkelijkheid ervaren en van betekenis voorzien. Die werkelijkheid beleven we zelf (op grond van eigen ervaringen) of wordt door anderen (o.a. via massamedia) op ons overgebracht met woorden en met beelden. Van oudsher kennen we de kracht van woorden. Ons hoofd zit vol met teksten; van sprookjes en bijbelverhalen (‘In den beginne was het Woord’, aldus de openingsregel van het evangelie van Johannes) tot mythen, kinderversjes en slagzinnen.

In de huidige tijd lijken juist de beelden te regeren. We kennen allemaal de uitspraak ‘een beeld zegt meer dan 1000 woorden’ (een zoektocht op internet levert uiteenlopende bedenkers van deze uitspraak op: Confucius, Napoleon en Toergenjev). Hoewel ook dit bekende gezegde enige nuancering kan gebruiken, is het waar dat beelden een indringende dimensie kunnen toevoegen. Ze kunnen ons een compacte representatie van de werkelijkheid bieden, juist wanneer woorden tekort schieten. Ook nu weer aan het einde van het jaar kunnen we urenlang dikke bijlagen van kranten en tijdschriften lezen met een terugblik op 2014. Maar -veel sneller en intenser- kunnen we ook een pagina met foto’s van ‘het jaar in beeld’ bekijken: de zweefduik van van Persie, de smeulende wrakstukken van de MH17, ebola-patiënten, onthoofdingen door IS-strijders. Die massamediale beelden, en hun herhaalde vertoning, worden op ons netvlies gebrand en zorgen (meer dan woorden) voor collectieve iconisering. Zo krijgen ze een hoog werkelijkheidsgehalte, waarbij we dreigen te vergeten dat het maar beelden van de werkelijkheid zijn en niet de werkelijkheid zelf. Het zijn beelden met een bepaalde invalshoek, het zijn momentopnames, soms zelfs ronduit gemanipuleerd.

Marlene Dumas werkt met dit soort beelden. Door de jaren heen heeft ze een enorm beeld-archief opgebouwd met knipsels, plaatjes en foto’s. Zij bewerkt die beelden en werpt daar met haar tekeningen en schilderijen een nieuw licht op. Dumas laat ons andere gezichtspunten zien. Een baby is niet per sé schattig, een model is niet automatisch bloedmooi en een moordenaar ziet er niet per definitie afschrikwekkend uit. We zien een andere Marilyn Monroe, Osama Bin Laden en Amy Winehouse. We gaan anders kijken naar heiligen en hoeren. Dumas doorbreekt daarmee de stereotyperingen die ons door massamedia worden opgedrongen. En dat is vaak verfrissend en verrassend, soms ook schokkend of verwarrend. In alle gevallen verrijkt het je blik. En het bevestigt mijn idee dat we identiteit en imago moeten opvatten als meervoudige begrippen.

camille-greta-garbo-robert-taylor-1936

De tentoonstelling is genoemd naar één van Dumas’ schilderijen. Het blijkt dat het schilderij is gemaakt op basis van een still uit de film Camille (1936) waarin de door de jonge Dumas aanbeden actrice Greta Garbo in de armen van haar tegenspeler Robert Taylor ligt. Het oorspronkelijke beeld heeft een hoog Bouquet-reeks gehalte. Dumas brengt meer lagen aan. We zien een donkere man die een witte vrouw in zijn armen draagt. Maar wat zien we eigenlijk: een liefdesscene, een moordtafereel, een hulpverlener met een slachtoffer? Door de vele contrasten (man-vrouw, donker-licht, horizontaal-verticaal) zit er zoveel lading en spanning in dit kleine schilderij, dat je er verschillende betekenissen aan kunt geven.

IMG_1272

 

Die gevonden betekenissen probeer je dan weer te verwoorden. Je praat er met elkaar over, je vertelt wat je ziet en luistert naar wat de ander ziet. Op zo’n moment hebben we weer woorden nodig om de beelden te duiden. De jong gestorven dichteres Antjie Krog (net als Dumas geboren in Zuid-Afrika) heeft bij enkele schilderijen van Dumas gedichten geschreven. Dit zijn haar woorden bij The image as burden:

ek wag op jou agter alles
wat skoor en skuilgaan in die nag
om joue gemaak te word om
in jou liggaam verder voort te asem

niemand mag sien hoe elegant ons verskil nie
weerloos geworpe is die verraad van vel
reeds vel en been om swart op wit te vermy
sit ek die lig af. uit die skadu’s tap ’n man
die man wat ek liefhet
hy veroorsaak my
ek bring ons orent

as hy versigtig die deur sluit
ontbrand ’n kamer in die donker

nagdeur rus ons van velloos gehê wees uit

(bron: https://aie.ned.univie.ac.at/node/30198)

Met de mooie woorden van Krog lijkt het verhaal rond. De film leidde tot een mooie foto; de foto vormde de basis voor het schilderij en het schilderij was de inspiratiebron voor het gedicht. Maar we kunnen nog twee schakels verder teruggaan. De film Camille is gebaseerd op het boek La Dame  aux Camélias van Alexandre Dumas. Dat boek werd later bewerkt door Verdi tot de opera La Traviata. Is het toeval dat Marlene zich liet inspireren door haar naamgenoot Alexandre? Hoe dan ook, we zien een oud verhaal dat door de jaren heen wordt verteld en verbeeld via diverse uitingen: Boek > Opera > Film > Tijdschriftfoto > Schilderij > Gedicht. Een prachtig voorbeeld van wat in de communicatiewereld crossmedia of transmedia concepting wordt genoemd.

De grootste hit van Bob Dylan in Nederland

 

 “Je raadt nooit wat de best scorende hit van Dylan in Nederland is geweest”, riep hij me geheimzinnig toe, vlak voordat het concert begon………..

 

Einde van het jaar. Tijd om terug te blikken. De media bedienen ons op maat met jaaroverzichten, beschouwende terugblikken, necrologieën (als kind maakte ik met dit fenomeen kennis dankzij de vaste  december-rubriek ‘zij die ons ontvielen’ in het dagblad Trouw; een overzicht van gezagsdragers en beroemdheden die in het afgelopen jaar waren gestorven) en eindeloos veel lijstjes: de beste boeken, de mooiste films, de indrukwekkendste sportmomenten, de beste politicus, de langste files, de natste maand, etc. Ik bekijk die lijstjes met veel plezier en heb dan vaak een ‘o ja’ ervaring bij een gebeurtenis of een persoon die ik alweer was vergeten. Bij één van die leuke lees-lijstjes zag ik onlangs in mijn dagblad (het ging over de beste CD’s van 2014) dat een muziekjournalist Bob Dylan’s recent (her-)uitgebrachte The Basements Tapes Complete op plaats 1 had gezet. Mijn hart maakte een sprongetje. De eerste LP die ik ooit kocht (we schrijven het jaar 1971; ik was een brugpieper in Zutphen) was van Bob Dylan en sindsdien ben verkocht en verknocht. Als het om de muziek van Dylan gaat ben ik volstrekt weerloos en dat gevoel wil maar niet slijten. Een journalist die Dylan in 2014 op de eerste plaats zet, geeft mij het geruststellende idee dat dat gevoel zo gek nog niet is.

Bij het zien van die glorieuze eerste plek moest ik onwillekeurig terugdenken aan een aantal bijzondere ervaringen tijdens het laatste concert dat Dylan in Nederland gaf, ruim een jaar geleden. Ik had me na een lange werkdag naar Station Bijlmer gehaast om vroeg bij de Heineken Music Hall te kunnen zijn. Ik had door de jaren heen al diverse concerten van Dylan bijgewoond, maar had nooit vooraan gestaan of gezeten. Dylan was voor mij dat zwarte stipje in de verte met die hoed op. Dat zou me dit keer niet gebeuren. Tot mijn schrik begon de rij al bij de eerste stap die ik buiten het station zette. Dat had ik niet verwacht. Ik moest achteraan aansluiten bij een lang lint middelbare en seniore liefhebbers. Twee jonge meiden bleven vol verbazing staan. Hun blik verraadde dat ze nog nooit zoveel opa’s en oma’s in spijkerbroek bij elkaar hadden gezien. Uiteindelijk durfden ze de mensen voor mij te vragen voor welke artiest zij in de rij stonden. Het antwoord ‘Bob Dylan’ werd door de meiden met een vragend ‘Okay???’ ontvangen. Een goed half uur later was ik binnen en liep zo ver mogelijk door naar het podium.

Omdat veel mensen eerst wat eten en drinken gingen kopen of op de stoeltjes achterin de zaal gingen zitten, was het toch mogelijk redelijk goed vooraan te komen. Ik stond zo’n tien meter van het podium vandaan en maakte kennis met mijn buren. We moesten nog vijf kwartier wachten en het praten over Dylan was een aangename manier om de tijd te doden. Een mede-fan maakte me op een gegeven moment attent op iemand die schuin achter mij stond. “Als je iets over Dylan wil weten, moet je bij hem zijn”, verzekerde hij me. Ik aarzelde geen moment en raakte ook met mijn achterbuurman aan de praat. Ik vertelde dat ik net in New York was geweest en dat ik een paar plekken had gezien waar Dylan had gewoond en had opgetreden. Hij legde mij uit dat hij zich vooral toelegde op de relatie Dylan-Nederland. Hij bleek een ras-fan te zijn met een eigen Dylan-website en een Dylan-blog. Hij had ook boeken over Dylan geschreven. Alles wat in Nederland rondom Dylan gebeurt of wordt gepubliceerd (concerten, platen, boeken, media-berichten) wordt door deze man minutieus bijgehouden

Ik noteerde zijn naam en beloofde zijn boeken te zullen kopen. “Je raadt nooit wat de best scorende hit van Dylan in Nederland is geweest”, riep hij me geheimzinnig toe, vlak voordat het concert begon, “zoek het maar op in mijn boek Bob Dylan in Nederland.”

In de pauze bespreken we de eerste set. Ik vond het niet super, maar had wel erg genoten van mijn plek zo dicht bij het podium. “Wacht maar af, de tweede set is helemaal top”, stelde de Dylan-expert me gerust. Hij kreeg gelijk: de tweede set was geweldig, maar ik kreeg niet de gelegenheid om daar lang over na te praten. Hij moest terug naar het oosten van het land.

Een paar weken na het concert viel het bestelde Dylan-boek op mijn deurmat. Al op de eerste pagina’s wordt het raadsel van de hoogst genoteerde hit van Dylan in Nederland onthuld. Ik had in mijn hoofd een rijtje gemaakt van wel tien nummers die hiervoor in aanmerking konden komen. Van Mr. Tambourine man tot Knocking on heaven’s door.  Ik las tot mijn verbazing dat Blowin’ in the wind nooit op single in Nederland is uitgebracht. Althans niet in een Dylan-uitvoering (wel de vertolkingen van The Hollies en van Stevie Wonder). Een andere kanshebber in mijn ogen, The times they are a-changin’ blijkt als B-kant van Subterranean homesick blues te zijn uitgebracht dat niet verder kwam dan plaats 27 in de Top-40. Mijn top-favoriet Like a rolling stone haalde in 1965 wel een redelijke notering, een zevende plaats, maar tot mijn verbazing ook geen podiumplek. En dan onderaan pagina 9 wordt het mysterie onthuld: “Bob Dylan’s grootste hit in Nederland is Wigwam, een niemendalletje waarop de zogenaamde ‘stem van een generatie’, de ‘grote protestzanger’ slechts neuriet en la-la’t.” Het haalt in 1970 de derde plaats in de Top 40 en zelfs de eerste plaats in de Muziek Expres Top 50.

Ik val bijna van mijn stoel. Dit is het meest oubollige nummer van Dylan, afkomstig van zijn meest omstreden LP, Selfportrait, die door de critici in de USA destijds finaal werd afgekraakt. Een nummer zonder tekst, terwijl Dylan juist ook door zijn teksten zoveel bewondering oogst.

Wigwam, dus. De schrijver probeert dit onbegrijpelijke succes te verklaren door aan te geven dat in 1970 ook James Last, Corry en de Rekels en Jan Boezeroen grote hits scoorden. Geen fijn rijtje voor de ware Dylan-liefheber. Het zal iets met de tijdgeest te maken hebben gehad, of met een slimme platen-plugger. Je voelt dat de schrijver met enige schaamte dit nieuws brengt. Maar ja, hij heeft zich voorgenomen alle berichten over Dylan in Nederland te boekstaven en dan kom je niet onder de  grootste hit uit.

Ik lees de dagen daarna met veel plezier het boek uit. Als ik het boek wegleg zie ik op de achterplat dat de schrijver geboren is in 1973. “Zo jong nog”, denk ik, “en dan toch zo verslingerd aan Dylan”. En dat voor iemand die ter wereld kwam toen ik inmiddels al halverwege de middelbare school was. Ik vond mezelf in die jaren nog zo’n broekie vergeleken met mensen die even oud waren als Dylan en die de jaren ’60 zo bewust hadden meegemaakt. Maar kennelijk maakt dat allemaal niets uit. Ook nieuwere generaties (veertigers, dertigers, twintigers) genieten van Dylan en zo hoort het ook.

 

P.S.

De onvolprezen schrijver is Tom Willems!

tom_willems_bob_dylan_in_nederland_1965_1978

Stakkerdjes of Stakkertjes?

 “Op een pagina tref ik daar namelijk zowel het woord stakkertjes als het woord stakkerdjes aan”

 

 

 

Onlangs kocht ik het boek Gedundrukt van Simon Carmiggelt. Een fraaie bundel met een rijke, chronologische selectie van zijn korte stukjes die ‘kronkels’ werden genoemd. Carmiggelt was de ongekroonde koning van het korte genre. Mijn vader was een liefhebber van zijn werk en mijn broer erfde van hem die voorliefde en de gehele collectie boeken die wij thuis ‘Carmiggeltjes’ noemden. We zagen Carmiggelt en zijn vrouw zelfs af en toe in levenden lijve, omdat hij niet ver van onze Gelderse woonplaats een vakantiehuisje aan de rand van de Veluwe had en daar graag wandelingen maakte. De gemeente was zo vereerd met zijn beroemde gast, dat het jaren later bronzen beelden van Simon en Tiny Carmiggelt heeft laten maken. Die beelden haalden anderhalf jaar geleden nog het nieuws omdat ze gestolen waren, maar gelukkig snel daarna ook weer gevonden. Carmiggelt had er een mooi stukje over kunnen schrijven.

Sommige verhalen uit de bundel doen nu wat gedateerd aan. Wie spreekt er bijvoorbeeld tegenwoordig nog van een ‘schrale veinzer’. Ander teksten hebben de tand des tijds probleemloos doorstaan. Maar gedateerd of niet, zijn sfeertekeningen en zijn typeringen van mensen zijn altijd beeldend en raak. Wat te denken van zinnen als: ‘zijn haren kuifden nog’, ‘de straat zat al vol najaar’, ‘je kunt toe met een klein repertoire als je telkens de luisteraars ververst’, of ‘de vrouw droeg het hoedje dat beter in de winkel had kunnen blijven‘. Elk verhaaltje bevat wel een dergelijke parel.

Maar laat ik me nu richten op het onderwerp van deze tekst: het verkleinwoord. De Nederlandse taal staat bol van de verkleinwoorden. We hebben het over een biertje en een wijntje, over een collegaatje en een vriendje, over een feestje en een weekendje weg. Het klinkt gezellig (en het woord gezellig is ook al zo typisch Nederlands). De neiging tot verkleinen valt op bij mensen met een niet-Nederlandse achtergrond. De uit Kroatië afkomstige (en in Amsterdam wonende) schrijfster Dubravka Ugresic roept in haar boek Niemand thuis vertwijfeld uit:  “waar komt die obsessieve behoefte van de Nederlanders om de dingen nog kleiner te maken dan ze al zijn, toch vandaan”? Maar het zijn niet alleen de Nederlanders. Ook de Vlamingen kunnen er, blijkens Tom Lanoye, wat van.  In zijn roman Gelukkige slaven windt hij zich er zelfs flink over op: “Geen taal ter wereld was zo aangetast door de schimmel van het verkleinwoord als de Vlaamse variant van het Nederlands. Elke bediende aan een postloket, zonder schaamte: ‘Hoeveel zegelkes en envelopkes wil meneer?’…….Wederzijdse vernedering, onder het mom van beleefdheid.”

Nu weet ik ook niet waar die neiging tot verkleinen in het Nederlands vandaan komt en ik wind me er ook niet over op, maar ik worstel wel af en toe met een praktische uitwerking hiervan. Ik weet soms niet of ik de letter d of de letter t voor de uitgang –je moet zetten. Die sluimerende onzekerheid werd in alle heftigheid in mij wakker toen ik het stukje ‘Rieleksen’ las in de net genoemde bundel Gedundrukt van Carmiggelt. Op een pagina tref ik daar namelijk zowel het woord stakkertjes als het woord stakkerdjes aan (het gaat om pagina 92 voor wie het na wil lezen). Als zelfs de ongekroonde koning van het korte stuk geen houvast biedt, hoe moet ik dan weten wat de juiste keuze is.

Gelukkig hebben we in deze tijd internet. Een digitale zoekactie geeft maar ten dele antwoord. Een woord als lieverd, bevat al een d op het einde, dus daarbij is de keus snel bepaald. Datzelfde geldt natuurlijk voor woorden met een t. Daarom spraken we vroeger over  Carmiggeltjes.

Maar hoe zit het met woorden die niet op een t of een d eindigen zoals snoeper, blijver, schijter of stakker? Ik neig in de meeste gevallen naar een d, maar soms toch ook naar een t. Kortom,  ik weet het niet!

Is er een helpertje/helperdje die dit zoekertje/zoekerdje soelaas kan bieden?

Wanneer zeg je ‘Henk & Ingrid’ en wanneer ‘Ingrid & Henk’?

Sommige kwesties kunnen je tijdenlang bezighouden ook al zijn ze op zich behoorlijk triviaal.

Zo vraag ik me al langere tijd af hoe we er toe komen om bij het aanduiden van (bijvoorbeeld) bevriende stellen ofwel Jaap & Ineke te zeggen, ofwel Ineke & Jaap. Hoe wordt die volgorde bepaald? Na grondig onderzoek te hebben gedaan, heb ik een paar grondpatronen ontdekt.

 

 

Adam en Eva

Een eerste patroon is ‘man voor vrouw’. Deze trend startte al met Adam & Eva en loopt door tot Jip & Janneke. Het oud-testamentische, patriarchaal getinte scheppingsverhaal geeft de man een plaats voor/boven de vrouw. In Genesis 2 staat dat Adam eerst werd geschapen en daarna Eva (uit een rib van Adam, of –beter vertaald- aan de zijde van Adam). Dus eerst de man en daarna de vrouw. Die traditionele rolverdeling (man eerst) zien we nog steeds op allerlei plaatsen terug. Vrouwen die geen priester mogen worden; de man als hoofd van het gezin; vrouwen die in dezelfde functie minder verdienen dan hun mannelijke collega’s; Prins Claus die geen koning kon worden (want hoger dan de koningin), maar Maxima die wel koningin mag zijn (ook in het kaartspel en bij het schaken is de koning machtiger).

 

 

 

In het buitenland gaat men daarin soms nog verder dan wij in Nederland durven te doen. In Duitstalige landen spreekt men zonder blikken of blozen van Doktor und Frau Müller. En in de Verenigde Staten worden echtparen aangekondigd als Mr & Mrs Harold Jones. Voorbeelden te over, dus. En dat verklaart waarom wij het hebben over Henk & Ingrid, Tarzan & Jane, Opa & Oma. Dat krijgen we met de paplepel ingegoten. Denk maar aan Ot & Sien, Jip & Janneke en Suske (zijn naam doet anders vermoeden, maar hij is het jongetje)  & Wiske.

Jip en Janneke

 

Maar er zijn uitzonderingen. Soms noemen we de vrouw toch voor de man. Ga maar eens na in je  eigen familie of in je vriendenkring. Soms is het Ineke & Jaap in plaats van andersom. Dat heeft te maken met een tweede en een derde grondpatroon.

Grondpatroon 2 is dat we de dame in kwestie langer kennen dan de heer. Ineke is al jarenlang een goede vriendin en sinds korte tijd is ze samen met Jaap. Ineke heeft in zo’n situatie ‘oudere rechten’ dan Jaap, dus Jaap wordt als tweede genoemd; na Ineke. Een bijzondere variant van grondpatroon 2  doet zich voor bij ouders en hun grotere kinderen. Op zekere leeftijd krijgen kinderen vaste verkering. In veel gevallen blijft de dochter dan toch de eerstgenoemde. Ik weet dat uit ervaring. Ik heb vier volwassen kinderen: twee zonen en twee dochters. Hun geliefden, hoe gewaardeerd ook, komen (ongeacht hun geslacht) in het aanspreken toch na mijn eigen kinderen en niet ervoor. Eigen kinderen hebben in die zin ook ‘oudere rechten’ en liggen natuurlijk nog iets nader aan het hart. Je zou dat de ‘dierbaarheidsfactor’ van deze variant kunnen noemen.

Als grondpatroon 2 niet aan de orde is (we hebben Ineke en Jaap gelijktijdig leren kennen), en we noemen toch Ineke voor Jaap, dan is grondpatroon 3 van kracht. In dit geval is de vrouw het overheersende type. Ineke is dominanter en meer aanwezig dan Jaap. Jaap bungelt er eigenlijk maar een beetje bij. Een soort Denis Thatcher als het ware. Geen fijne positie voor een man (Denis Thatcher werd steevast als lulletje rozewater geportretteerd; en ook de eerder genoemde Prins Claus heeft zich niet altijd lekker gevoeld in die ondergeschikte rol).

Proefondervindelijk weet ik dat vrijwel alle duo-benamingen aan deze drie grondpatronen voldoen. Ik ken zelf maar een enkele uitzondering: Bonnie & Clyde. Geen idee waarom Bonnie als eerste wordt genoemd. Wie dat weet, of wie nog meer uitzonderingen kent? Ik hoor het graag!

Bonnie_and_clyde

 

Verder ben ik erg benieuwd hoe deze kwestie speelt bij homoseksuele stellen. Zijn daar andere spelregels, of gelden daar ook grondpatronen 2 en 3.

Ook dat hoor ik graag.

Wie weet dat ik dit nog eens ga uitwerken en in aanmerking kan komen voor het winnen van de ig-Nobel prijs

 

P.S. 3 november 2016

Deze week las ik in het artikel Linguistics and Poetics van Roman Jakobson nog een reden waarom men voornamen in een bepaalde volgorde zet:  de poetische functie. Soms klinkt de ene combinatie beter dan omgekeerd:

“Why do you always say Joan and Margery yet never Margery and Joan? Do you prefer Joan to her twin sister?” “Not at all, it just sounds smoother.”

In a sequence of two coordinate names, so far as no problems of rank interfere, the precedence of the shorter name suits the speaker, unaccountably for him, as a well-ordered shape for the message.

Korte namen eerst, dus!

La Superba

“het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal”

 

Ik kende Pfeijffer van zijn gedichten, maar had nog geen roman van hem gelezen. De publiciteit rondom dit boek bij het winnen van de Libris Literatuurprijs 2014 en het vooruitzicht van een heerlijke zomervakantie in Italië trokken me over de streep. Ik kocht La Superba en begon te lezen. Het werd een plezierige lees-ervaring, met een enkele kritische noot.

Pfeijffer schrijft bloemrijk en beeldend. Hij voert je op bijna zintuiglijke wijze mee door de stad van zijn dromen, Genua. De liefde voor z’n zuidelijke woonplaats, haar inwoners en haar geschiedenis druipt van de pagina’s en werkt aanstekelijk. Je krijgt zin om in zijn voetsporen door de stegen van Genua te dwalen, om wat te drinken op een van de vele terrassen of met je hand boven je ogen bij de haven naar de zee te staren. Een illustratie: “Wie ter wereld wil niet wandelen door de Vico Amandorla? Het is een naam die geurt als een belofte, zacht als marsepein, gerijpt als likeur op vergeten vaten, in de kelder van een verafgelegen klooster waar de laatste monnik twintig jaar geleden is gestorven met een onschuldig kindergebedje op zijn lippen in de kloostertuin, in de schaduw van de amandelboom, gelukkig als een man na een rijke maaltijd met dierbare vrienden” (p. 37). Het zou me niets verbazen als er in de toekomst speciale La Superba stadswandelingen worden georganiseerd. Pfeijffer zou met dit boek een aardige bijdrage kunnen leveren aan de lokale toeristische sector.

Naast de prachtige taal is er de bijzondere vorm van het boek. Er is een niet nader aangeduide ‘vriend’ aan wie Pfeiffer zijn Genuese verhalen doorspeelt. Op diverse plekken in het boek stapt Pfeiffer even uit zijn rol en zijn verhaal om zich direct tot die vriend te wenden, bijvoorbeeld: “Ik ga het je vertellen, mijn vriend”,p.93; of:“Die laatste zin moet er natuurlijk uit wanneer ik deze notities omwerk tot een roman”, p. 278). Zo creëert Pfeiffer een vernuftig raamwerk om zijn deels losstaande  verhaallijnen een plek te geven. Deze korte intermezzi storen me soms, doordat ze me uit het verhaal halen. Alsof Pfeiffer af en toe roept: het is maar een verhaal hoor! Het doet denken aan acteurs in bepaalde films of TV-series die zich af en toe direct tot de kijker wenden (zoals Kevin Spacey in House of Cards) en daarmee de zogenaamde ‘vierde wand’ doorbreken.

Naast het raamwerk, moet er natuurlijk ook voldoende inhoudelijk cement zijn om de bloemrijke verhalen bij elkaar te houden. En dat is wat mij betreft niet in alle opzichten gelukt. Met name het verhaal over de Britse fantast Don spreekt me niet aan. Teveel doorzichtige bravoure en te veel schelmenstreken à la Ik Jan Cremer. Omdat het Don-intermezzo ruim 40 pagina’s omvat, moet ik moeite doen om bij de les te blijven, maar gelukkig krijgt Pfeijffer me daarna weer in zijn greep.

Het is ronduit knap hoe hij in zijn boek de verhalen van het Genua van nu en vroeger (kruistochten, de pest, ontdekkingsreizen), en van hier en daar (Afrika, ‘La Merica’) weet af te wisselen en te combineren. Is de immigratie van nu (Marokkanen, Senegalezen) wezenlijk anders dan de grote uittocht van Italianen zelf naar Noord- en Zuid-Amerika honderd jaar geleden? Het verhaal van de Afrikaan Djiby is het rauwe, maar respectvol genoteerde, relaas over de ellende die vluchtelingen meemaken op weg naar het gedroomde paradijs Europa waar mensen “zich douchen met parfum en waar bier gewoon uit de kranen komt”(p. 241). Opmerkelijk dat Pfeijffer net als Tommy Wieringa in Dit zijn de namen zo’n prominente plaats inruimt voor het hedendaagse vluchtelingenvraagstuk in Europa. “In deze stad waarop ik ooit aan dek van een schip zo verliefd ben geworden, voel ik mij als ongedierte dat dient te worden verdelgd. De waarheid is dat ik een rat ben voor iedereen hier in deze stad, zelfs voor jou, Ilja” (aldus de uit Senegal gevluchte Djiby, p. 265).

Het boek begint en eindigt met ‘het mooiste meisje van Genua’. Daarmee is de cirkel rond. Alle lijnen uit het boek komen in het laatste deel samen. Pfeiffer’s queeste naar haar is een ontluisterende mislukking gebleken, zoals alle ontmoetingen met vrouwen in dit boek uitmonden in gemankeerde verhoudingen en zielige seks. Het mooiste meisje is in het begin van dit boek nog een aantrekkelijke barmeid, maar ze eindigt als straathoertje. En Pfeiffer rondt zijn relaas af met een ingebeeld personage, een spiegelbeeld-travestiet, een man met netkousen en watten in zijn BH.

In de woorden van Pfeijffer: “het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal.”(p. 276)

 

Bijzonder

Come si deve: hoe het hoort (p. 29/30). “De beste kok is zoals de beste schoenmaker niet iemand die je voor verrassingen stelt. Daarom eet je ook altijd zo goed in Italië. En daarom hebben ze zulke goede schoenen.”

Over de Kerk in Italië: “Katholicisme is de default, de standaardinstelling.” (p. 41)

Over de vlag: De vlag van Engeland is overgenomen van Genua (p. 84).

Mooie passage over werkelijkheid, perceptie en illusie: “De wereld om ons heen bestaat alleen maar in zoverre wij haar waarnemen, zin geven en bedenken. Zonder onze ogen en gedachten zou er geen wereld bestaan, of zou ze lekker nutteloos in haar eentje liggen te bestaan zoals een planeet in een verafgelegen sterrenstelsel nog steeds wacht tot wij hem ontdekken, zien en een naam geven. Alles wat bestaat, bestaat alleen maar in ons hoofd of het bestaat niet. En wie zegt dat wij met velen zijn? Wie zegt mij dat ik niet de enige ben? Wie zegt mij dat jij bestaat, mijn vriend? Het is veel waarschijnlijker dat ik je heb bedacht. Zo zijn ook de straatnamen, het plaveisel en de mensen die voortslenteren door mij bedacht. En niet alleen omdat ik een schrijver ben. Ik zie alleen maar wat ik wil zien, zoals alle mensen alleen maar zien wat zij al denken, te kennen of verwachten. …. Het is mijn beroep. Maar dat is het punt niet. Zo zijn wij allemaal. Ook jij, mijn vriend. Zo leven we langs elkaar heen in elkaars verzonnen werelden. We zijn figuranten in elkaars autobiografie. We zijn decor van elkaars illusies. “  (p. 102-103)

“Verandering is per definitie een bedreiging van andermans zaken.” (p. 177)

 

NASCHRIFT 12 maart 2016:

En jawel, er worden nu reizen naar Genua georganiseerd met een stadswandeling onder leiding van Ilja Leonard Pfeiffer:

“De natuur- en cultuurhistorische rijkdom komt tot leven in de roman La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs. Hij zal voor ons aan de hand van zijn boek tijdens een wandeling de geheimen van de rafelranden van Genua ontsluiten.”

 

http://www.voyageculture.nl/reizen/italie/het-trotse-en-eigenzinnige-genua