Categoriearchief: Kunst & cultuur

Matthias Antonie

 

 

 

Vannacht logeert onze kleindochter bij ons. Er is een zusje of broertje op komst. Mijn zoon en schoondochter willen wat rust en ruimte om de bevalling goed op gang te laten komen. ‘s Ochtends vroeg belt mijn zoon met de mededeling dat alles voorspoedig verloopt. Het zal niet lang meer duren. Hij vraagt hoe het met zijn dochter is. Ze slaapt nog als een roos. Terwijl mijn vrouw met hem aan de lijn is, zit ik wat rond te snuffelen op mijn smartphone. Mijn blik blijft hangen bij een berichtje dat Bob Dylan, mijn muzikale held, vandaag 75 jaar wordt. Zo weet ik dat het een heel mooie dag kan gaan worden.

Twee uur later ben ik onderweg naar een bijeenkomst in Utrecht. Ik sta in een volle ochtendspitstrein op een lawaaierig tussenbalkon. Mijn zoon belt. Hij zegt: ‘Gefeliciteerd, je bent weer opa geworden!’, maar door de slechte verbinding en de herrie van de trein kan ik hem verder nauwelijks verstaan. De details ontgaan me. Is alles goed gegaan? Is het een jongen of een meisje? Een heel vervreemdende ervaring. Dan hoor ik door al het kabaal heen dat alles voorspoedig is gegaan, dat het een jongetje is, met twee prachtige voornamen. Een originele, eigenzinnige eerste voornaam en een tweede naam die hem verbindt met 150 jaar familiegeschiedenis. Dat raakt me. Het tussenbalkon staat vol met mensen, maar er is niemand om mijn emoties mee te delen. Ik slik de brok in mijn keel weg en kijk naar buiten. In de verte zie ik de Domtoren. Ook weer zo symbolisch. Mijn hele familie (ouders, grootouders en overgrootouders) komt uit Utrecht; mijn zoon woont sinds een paar jaar ook in Utrecht en nu dus ook deze nieuwe generatie.

De verleiding is groot om niet te gaan vergaderen, maar meteen op kraamvisite te gaan. Maar dat zou iets te snel zijn. We worden uitgenodigd om later die dag onze kleinzoon te komen bewonderen. Hij is prachtig en wat zijn onze zoon en schoondochter gelukkig. Onze kleindochter hobbelt vrolijk door de kamer.

Die avond kom ik thuis weer het bericht tegen dat Bob Dylan vandaag 75 jaar is geworden. Gevoed door de emoties van de dag schiet me zijn lied Forever Young te binnen. Een prachtig lied dat hij schreef voor zijn zoon Jesse. Het staat op zijn album Planet Waves (1974) in twee versies: in verstilde vorm en in een rock-uitvoering. Mijn kleinzoon hoeft niet eeuwig jong te blijven en ik ben niet gelovig, maar verder wens ik hem en zijn ouders alles toe wat in dit lied staat:

May God bless and keep you always
May your wishes all come true
May you always do for others
And let others do for you
May you build a ladder to the stars
And climb on every rung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May you grow up to be righteous
May you grow up to be true
May you always know the truth
And see the lights surrounding you
May you always be courageous
Stand upright and be strong
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May your hands always be busy
May your feet always be swift
May you have a strong foundation
When the winds of changes shift
May your heart always be joyful
May your song always be sung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

Gastdocent in Litouwen

Dankzij een Erasmus-samenwerkingsverband van mijn hogeschool met een zuster-instelling in Litouwen, mag ik een paar dagen naar Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, om daar enkele gastcolleges te verzorgen.

Litouwen is de zuidelijkste van de drie Baltische staten, grofweg gelegen langs de oostkust van de Oostzee; ingeklemd tussen Rusland, Wit-Rusland en Polen. Voor ons een verre uithoek van Europa, maar er zijn mensen die claimen dat het exacte geografische middelpunt van Europa zich in Litouwen bevindt.[1]  Litouwen is zowel gezien het aantal inwoners (3, 5 miljoen) als qua oppervlakte een klein land. Eén op de zes Litouwers woont in Vilnius, een levendige, relatief moderne stad met een aantrekkelijk oud centrum. Je vindt hier geen wereldberoemde monumenten, maar voor een paar dagen is er voldoende te doen en te zien. Mooie kerken, schilderachtige straatjes, interessante musea, een oude burcht, etc. De stad is moeilijk te plaatsen. Je zou een mix van Scandinavisch en Oost-Europees verwachten, maar dat is het niet echt. Het heeft een heel eigen sfeer die zich moeilijk laat beschrijven. Door de kleding, auto’s en winkels doet het eerder westers dan Oostblok-achtig aan. Er moet sinds de val van de Muur en de Litouwse onafhankelijkheid veel veranderd zijn. Hoe zou het er hier 50 of 100 jaar geleden hebben uitgezien? Opvallend zijn de vele trolleybussen in het straatbeeld. En er is overal graffiti. Naast compleet nieuwe huizen zie je oude bouwvallen staan en het plaveisel heeft nogal wat gaten en hobbels. Veel huizenblokken hebben een binnenplaats met ruimte voor tuinen of geparkeerde auto’s.

DSC05499

DSC05506

DSC05476

 

 

 

 

 

 

 

 

De mensen zijn behulpzaam en bescheiden. Het voelt volledig veilig op straat. De mensen die ik heb gesproken zijn trots op de eigenheid van de Litouwse taal en cultuur (Litouws is geen Russisch dialect, maar een geheel zelfstandige taal met een eigen alfabet. En volslagen onbegrijpelijk). De geschiedenis van Litouwen is getekend door vele eeuwen van vreemde overheersing. Meest recentelijk de inlijving door de Sovjet-Unie vanaf de Tweede Wereldoorlog (met een onderbreking van een paar jaar door de nazi-bezetting). Het genocide-museum laat op indrukwekkende wijze zien tot welke uitwassen eerst de Duitse en later de Sovjet-overheersing heeft geleid.

DSC05565

Tekst op de muur van het “Genocide Museum’

De meeste Litouwers zijn blij dat die tijd achter de rug is en dat Litouwen sinds de val van de muur onafhankelijk is. Men kijkt dan ook met argusogen naar de huidige politiek van Poetin. “Na de Krim kunnen wij het volgende slachtoffer zijn”, wordt mij met grote zorg gezegd. Je bespeurt in dit land om die reden dan ook meer enthousiasme voor het EU- en NAVO-lidmaatschap dan in de meeste West-Europese landen.

Vilnius heeft twee grote universiteiten. De stadsuniversiteit en de Technische Universiteit (Vilnius Gediminas Technical University; onze zuster-instelling). De meeste faculteiten van beide universiteiten bevinden zich een kleine tien kilometer ten noordoosten van het stadscentrum in een bosrijke omgeving. Het doet een beetje denken aan de campus van de Universiteit Twente.

DSC05550

DSC05555

 

 

 

 

 

 

Tussen de bomen staan diverse oudere en nieuwe gebouwen. De meeste zijn zes, zeven verdiepingen hoog. In de oude panden zie je nog granieten trapportalen, geschilderde portretten van vroegere hoogwaardigheidsbekleders en krijtjesborden. De nieuwe zien er up-to-date en 21e eeuws uit. Op deze campus zijn ook de ‘dormatories’ voor de studenten en tal van voorzieningen, zoals sporthallen, cafetaria’s en bibliotheken.

De colleges zijn op verschillende dagen, in verschillende gebouwen en voor verschillende groepen. Het is dus even puzzelen om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. De onderwerpen zijn ook uiteenlopend. Ik had vooraf een aantal suggesties doorgegeven en men vond al de aangereikte thema’s interessant: van Reputatiemanagement en kanttekeningen bij Kennis-Houding-Gedrag tot een toelichting op mijn promotie-onderzoek naar EU-berichtgeving in Europese dagbladen. De studenten komen vrolijk pratend en op hun mobieltjes turend binnenlopen. Qua kleding hadden het ook Nederlandse studenten kunnen zijn. Ze zijn nieuwsgierig omdat er iemand uit een ver land voor de klas staat. Er wordt beleefd geluisterd, voorzichtig gelachen en wat terughoudend gereageerd op vragen. Je vraagt je daardoor af of en in hoeverre het college doel heeft getroffen. Maar gelukkig is er elke keer na afloop, tijdens een informeel nagesprek, wat meer persoonlijk contact en blijkt men zeer geïnteresseerd. Een groep vraagt zelfs of ik nog wat meer wil vertellen als het formele college voorbij is. Dat maak je in Nederland niet vaak mee.

Buiten de colleges om is er nog voldoende tijd voor sightseeing en afspraken met Litouwse collega’s. Ik heb vooral contact met een vice-decaan van de faculteit Creative Industries (hij staat in het midden van de fotocollage bovenaan). Hij heeft het programma voor me uitgestippeld en maakt me wegwijs. Een jonge, energieke man die me een avond uitnodigt voor een traditioneel Litouws gerecht. Geen haute cuisine, maar een stevig maal met haring, bieten, aardappelen en een soort spekpannenkoekjes. Op de laatste avond word ik uitgenodigd voor een barbecue die is georganiseerd door een studentenvereniging. Gelukkig is dit bij een faculteitsgebouw in het oude centrum, zodat ik niet weer de rit naar de campus in het bos hoef te maken.

DSC05594

Tijdens de barbecue krijg ik de kans om met nog wat Litouwse collega’s te spreken. De sfeer is vriendelijk en informeel. We praten over curriculumvernieuwing, didactische werkvormen, samenwerking tussen studierichtingen, internationalisering en de rol van het internet in het onderwijs. Interessant om te ervaren dat we met vergelijkbare problemen en uitdagingen te maken hebben. Maar er komen ook luchtiger onderwerpen voorbij, zoals het songfestival en de populariteit van Facebook. Van tijd tot tijd word ik begroet door studenten die ik bij de colleges heb ontmoet.

Dan valt me opeens iets bijzonders op: er wordt geen alcohol geschonken en gedronken. In Nederland zou er op een studentenfeest non-stop bier getapt worden, maar hier zijn alleen flesjes water en blikjes cola verkrijgbaar. Als ik aan een van de Litouwse docenten vraag waarom er geen alcohol wordt geschonken zegt hij: ‘we can also have parties without alcohol, and this way we don’t get any problems’. Een verfrissende reactie. Rond negen uur haken de meeste docenten af en ga ik ook terug naar mijn hotel.

De volgende ochtend vertrek ik vroeg naar de luchthaven voor mijn terugreis. Veel bijzondere ervaringen rijker.

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Geografisch_middelpunt_van_Europa

 

Mijn houvast-huis

“En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland”

 

Mijn geboortehuis is verdwenen. Ik deed deze ontdekking een paar weken geleden toen ik de streek bezocht waar in ben opgegroeid: Velp-Dieren-Zutphen. In woon al 40 jaar in de Randstad en kom slechts af en toe in het mooie gebied tussen Veluwe en IJssel. De laatste keer zal een jaar of vier geleden zijn geweest. En nu stond ik wat beduusd te kijken naar een groot nieuw pand dat was neergezet op de plek waar ik de eerste anderhalf jaar van mijn leven heb doorgebracht.

De drang om naar mijn geboortehuis in Velp te gaan was opgekomen toen ik eerder die dag het Museum Arnhem had bezocht. Dit museum is gelegen in een parkachtig omgeving en biedt een prachtig uitzicht over de Rijn. De topstukken van de vaste collectie (“moderne en hedendaagse kunst… met als rode draad: realisme”) hangen in een paar ruimtes dicht op elkaar aan grote wandrekken. Een fraaie collage van 20e eeuwse Nederlandse schilders: Toorop, Ket, Sluijters, Koch. Ik werd het meest getroffen door Het gele huis van Carel Willink. En dat terwijl ik niet specifiek een liefhebber van zijn magisch realisme ben. Ik kende het schilderij van reproducties en foto’s, maar nu ik oog in oog met dit werk stond, merkte ik dat het iets met me deed. Maar ik wist niet precies wat. De titel deed me onmiddellijk denken aan het andere bekende schilderij met een geel huis: dat van van Gogh. Jaren geleden heb ik het originele huis in Arles gezien en gefotografeerd. Ook Willink schilderde bestaande gebouwen. In de jaren ’30 liet hij zich graag inspireren door de monumentale panden die hij in Amsterdam-Zuid tegenkwam. Het gebouw dat model stond voor Het gele huis is nog steeds te zien. Liefhebbers kunnen terecht op het volgende adres: Vossiusstraat 52-53. Er is nu een hotel in gevestigd.

img_2736

Waar Willink zich liet inspireren door de realiteit en daar een eigen magische laag aan toevoegde, lieten andere kunstenaars zich weer inspireren door Willink’s werk. In 1939 schreef Bordewijk een verhaal gebaseerd op Het gele huis. H.J. Smeding schreef daarop ook een verhaal, omdat hij juist iets anders in het schilderij zag. En zo volgden er, als bij een estafette, nog acht schrijvers (o.a. Anna Blaman, Jef Last, Gerard Walschap); ieder met een eigen verhaal over Het gele huis. Deze tien verhalen zijn gebundeld onder de titel Het gele huis te huur. Prachtig om te lezen hoe één schilderij tot tien geheel verschillende verhalen kan leiden.

Het schilderij van Willink deed me ook denken aan Edward Hopper. Joost Zwagerman wijdt in het vlak na zijn zelfmoord verschenen boek De stilte van het licht een heel hoofdstuk aan Hopper. Ook Hopper schilderde huizen, maar dan niet ‘arcadisch en magisch’, maar als ‘je reinste suspense’. Fantasiehuizen in de dubbele betekenis van het woord. Geen exacte kopie van een bestaand huis, maar mysterieus en aansprekend. Zwagerman illustreert dat door te vertellen dat Alfred Hitchcock het schilderij House by the railroad van Hopper als model gebruikte voor het huis in de film Psycho.

hopper.railroad

House by the railroad Edward Hopper

Het huis van Hopper en Hitchcock blijft tot de verbeelding spreken. Een artiest heeft onlangs een kopie van dit huis op het dak van het Metropolitan Museum van New York geplaatst: http://www.geek.com/news/the-house-from-psycho-is-on-a-new-york-city-roof-now-1652813/

Terwijl ik zo stond te mijmeren over Willink en Hopper en hun fascinerende huizen, hoorde ik dat het museum ging sluiten. Ik merkte dat ik zin had om naar mijn geboortehuis te gaan. Ik was er al jaren niet geweest en Velp was niet ver weg. Bovendien had ik nog een uurtje de tijd voordat ik naar mijn diner-afspraak toe moest.

Mijn ouders huurden in de tweede helft van de jaren ’50 een deel van de benedenverdieping in een grote stadsvilla. Het was er donker en vochtig, vertelde mijn moeder me later. Ik heb geen herinneringen aan mijn geboortehuis. We verhuisden van Velp naar het nabijgelegen Dieren toen ik nog geen twee jaar oud was. Ik heb ook geen foto van het huis. In mijn kinderalbum is slechts één foto waarop ik voor het huis in een trapauto zit.

 

De fotograaf (waarschijnlijk mijn vader) moet mijn zijn rug naar het huis hebben gestaan, want op de achtergrond op de foto is de overkant van de straat te zien met een mooi groot huis recht tegenover het onze. Dat is mijn houvast-huis.

Ik ben dat huis zo gaan noemen toen ik halverwege de jaren ’90 voor het eerst als volwassene terugkeerde naar Velp. Ik was samen met mijn oudste zoon op stap. Hij was brugpieper en ik nam hem een dagje mee naar Gelderland om hem de plekken van mijn jeugd te laten zien en over mijn jonge jaren te vertellen. Als je zelf kinderen hebt, neemt op een bepaalde manier ook weer de belangstelling voor je eigen jeugdervaringen toe. Mijn ouders leefden niet meer en ik woonde al jaren met mijn gezin in de Randstad, om de hoek bij mijn schoonouders. De biotoop van mijn gezin was die van mijn vrouw en haar familie. Ik had me daarom voorgenomen met elk kind een keer naar mijn geboortestreek te gaan.

Tijdens die eerste ‘roots’-reis met mijn oudste zoon had ik moeite om mijn geboortehuis te vinden. Ik had mijn foto-album voor de zekerheid meegenomen. Op het vergeelde geboortekaartje stond het adres: Arnhemsestraatweg 7a. Na enig zoeken vond ik een groot gebouw met allerlei erkers en uitbouwen. Er stond een bord van een zorginstelling in de voortuin met daarop de nummers 5 en 7. Maar welk deel is nu nummer 7? Ik liep iets door en zag rechts van het pand een oprit naar het naburige huis met daarop het huisnummer 9. De rechterhelft van de zorginstelling moest dus nummer 7 zijn. Ik liep een klein stukje terug en ging nu recht voor het rechter deel staan. “Dit is mijn geboortehuis”, zei ik wat aarzelend tegen mijn zoon. “Ergens op de benedenverdieping ben ik geboren”. Ik wilde mijn zoon graag laten delen in een gevoel van triomf, maar ik voelde dat ik zelf de overtuiging miste. Ik pakte het foto-album uit mijn tas en zocht de trapauto-foto. We liepen samen het pad op naar mijn geboortehuis en draaiden ons halverwege om. Mijn zoon wees naar de overkant en zei: ”Kijk papa, dat huis aan de overkant staat er nog steeds. Dit is dus echt je geboortehuis.” Hij dirigeerde mij naar de plek waar ik als dreumes in de trapauto had gezeten en bevestigde het beeld. Pas nu voelde ik me gerustgesteld en blij. Ik had mijn geboortehuis gevonden, dankzij het huis aan de overkant. Toen ik later met mijn andere kinderen hetzelfde Gelderland-reisje maakte, liet ik hun ook steeds de trapauto-foto zien en wees ik hen op het huis aan de overkant; het houvast-huis.

En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland. Routinematig rij ik naar de parkeerplaats om de hoek van de Arnhemsestraatweg. Ik stap uit en leg trefzeker de vijftig meter naar mijn geboortehuis af. Tot mijn grote verbazing is het complete pand verdwenen. Op de plek van nummer 5 en 7 is een modern, zakelijk gebouw neergezet, zo mogelijk nog groter dan de statige dubbele stadsvilla waar ooit, in een donkere benedenkamer, mijn wieg heeft gestaan.

DSC05303

Ik ben even gedesoriënteerd, maar als ik me omdraai zie ik tot mijn opluchting dat het uitzicht van toen niet is veranderd: het huis aan de overkant staat er nog. Meer dan ooit voel ik dat mijn houvast-huis meer betekenis heeft dan mijn geboortehuis: magisch realisme.

DSC05306

Mijn houvast-huis

 

P.S. (oktober 2016)

Dankzij een attente en welwillende reactie van dhr. van der Hoeven op mijn blog kreeg ik interessante informatie over mijn geboortehuis te horen. Hij stuurde me aansluitend het juni-nummer van het blad Ambt & Heerlijkheid met een artikel gewijd aan de historie van mijn geboortehuis dat Villa Paviljoen bleek te hebben geheten

villa-paviljoen-velp

Villa Pavillon of Paviljoen te Velp

Judas, de regisseur van Pasen

 “…zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof…”

Het is Pasen. De tijd van paaseitjes, lammetjes in de wei en voorjaar. Maar Pasen is ook het belangrijkste christelijke feest met Jezus, Judas en Pilatus als hoofdrolspelers. Jezus wordt verraden door Judas en ter dood veroordeeld door Pilatus. Na drie dagen staat Jezus op uit de dood. Die opstanding vormt de kern van het christelijke geloof en maakt Pasen het cruciale feest voor christenen. Als we dat al een beetje vergeten waren, frist The Passion van de EO ons steeds-minder-bijbelvaste geheugen weer op. En voor de meer klassiek georiënteerden is er natuurlijk de Mattheüs Passion.

In het christelijke milieu waarin ik opgroeide vertegenwoordigde Jezus het goede. Jezus als lichtend voorbeeld: hij gaf aan hoe je je leven moest inrichten. De trefwoorden die daarbij hoorden waren naastenliefde, vroomheid, trouw. Tegenover Jezus stond Judas, één van zijn twaalf volgers, die hem verraadde door hem aan te geven in ruil voor 30 zilverlingen.

14Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

47En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks. 48En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. 49En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem.50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. (Mattheus, 26)

Jezus werd opgepakt om vervolgens te worden gekruisigd; Judas kreeg berouw en pleegde zelfmoord.

Dit bekende verhaal uit het Nieuwe Testament is diep verankerd in het collectieve geheugen van de christelijke wereld: Jezus, de verlosser en Judas, de verrader. Een eendimensionaal beeld van goed en fout. De literatuur en de beeldende kunst hebben deze beeldvorming versterkt. Dante geeft in zijn Divina Commedia Judas een plaats in de hel. Op het beroemde Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci is de Judas-figuur een grimmige man met een donker gelaat die krampachtig zijn buidel met bloedgeld vasthoudt.

Laatste Avondmaal Da Vinci

Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci

Ook grootheden als Giotto, Caravaggio, Rembrandt en van Dijck hebben het verraad van Judas geschilderd en vereeuwigd. De figuur Judas heeft bijgedragen aan eeuwenlang antisemitisme, doordat men de Joden als moordenaars van Jezus aanwees. Het woord ‘jood’ is afgeleid van het woord Juda. En Judas was een man uit de streek Judea; uit de stam van Juda. Dit antisemitische geluid werd  breed gedragen in het christelijke Europa, ook al klonken er tegengeluiden, zoals in het bekende gedicht ‘Hij droeg onze smerten’ van Jacob Revius uit de 17e eeuw:

’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten, 
noch die verradelijk u togen voor ’t gericht,
noch die versmadelijk u spogen in ’t gezicht,
noch die u knevelden, en stieten u vol puisten,

’t en zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten
den rietstok hebben of den hamer opgelicht,
of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
of over uwen rok t’saam dobbelden en tuisten :

ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan,
ik ben de zware boom die u had overlaân,
ik ben de taaie streng daarmee gij gingt gebonden,
de nagel en de speer, de gesel die u sloeg,
de bloedbedropen kroon die uwe schedel droeg :
want dit is al geschied, eilaas ! om mijne zonden.

Ook in de huidige tijd komen we de Judas-figuur tegen. Bob Dylan, zelf ooit voor ’Judas’ uitgemaakt toen hij zijn folk-gitaar inruilde voor een elekrische, wijdde in zijn bekende lied With God on our Side een couplet aan Judas:

In a many dark hour
I’ve been thinkin’ about this
That Jesus Christ
Was betrayed by a kiss
But I can’t think for you
You’ll have to decide
Whether Judas Iscariot
Had God on his side.

Judas Amos OzEn sinds vorig jaar is er het boek Judas van Amos Oz. Deze Israëlische schrijver, van wie ik eerder met heel veel plezier en belangstelling het boek Een verhaal van liefde en duisternis las, beschrijft de bijzondere ervaringen van een uitgerangeerde student in het Jeruzalem van 1959. Deze Sjmoeël, worstelend met een scriptie over de rol van Judas, raakt in korte tijd zijn vriendin en de financiële steun van zijn ouders kwijt. Hij wordt gedwongen zijn studie te staken en accepteert een baantje bij een hulpbehoevende oude man en diens schoondochter in ruil voor kost en inwoning. Vanuit dit uitgangspunt vlecht Oz op fraaie wijze een paar verhaallijnen door elkaar met als hoofdingrediënten: de verhoudingen tussen de hoofdpersonages in het boek, het conflict tussen de Joden en de Arabieren en de verschillende visies op de figuur van Judas. In al die verhaallijnen gaat hem om de keuzes die mensen maken en de wijze waarop die keuzes worden gewaardeerd: als verraad of als heldendaad.

De hoofdpersonen uit het boek hebben allemaal een dierbare verloren in de strijd rondom de vorming van de staat Israël. De opa van Sjmoeël werkte voor het Britse gezag en werd door de Joodse ondergrondse vermoord omdat ze hem een verrader vonden. De hulpbehoevende oudere man Gersjom Wald verloor zijn zoon Micha in de strijd tegen de Arabieren. Zijn schoondochter en medebewoonster Atalja is de weduwe van Micha en de dochter van Sjealtiël Abarbanel. Deze man was bevriend met de Arabieren en verzette zich tegen de vorming van een Joodse staat. Hij was door die goede contacten onder de indruk geraakt van de Arabische vrees voor de vestiging van een Joodse staat die zou uitgroeien tot een expansionistisch, westers georiënteerd bolwerk. Daarom pleitte Abarbanel voor een open en welwillende houding tegenover de Arabieren en voor samenwerking. Door die stellingname werd Abarbanel in zionistische kringen uitgemaakt voor verrader en uit het bestuur van de Zionistische Wereldorganisatie en de Jewish Agency gegooid. Verbitterd trok Abarbanel zich terug in zijn huis waar ook Micha en Atalja na hun huwelijk kwamen wonen. Diezelfde Abarbanel nodigde Gersjom Wald ook uit om in dat huis zijn intrek te nemen (p. 261). Gesjom aanvaardde de uitnodiging, ook al deelde hij niet diens visie over het samengaan van Joden en Arabieren. De twee mannen slaagden er tot de dood van Abarbanel niet in om tot een goed gesprek te komen: de afstand was te groot (p. 261).

Oz verbindt de lotgevallen van deze hoofdpersonen direct met de strijd rondom de stichting van de staat Israël. Het huis staat in die zin symbool voor de staat Israël. De inwoners vertegenwoordigen de uiteenlopende visies ten aanzien van de vorming en de inrichting van de staat. De strijd om de staat Israël is niet alleen een gevecht van woorden en visies, maar ook een fysieke strijd op leven en dood. Iedere hoofdpersoon heeft een naaste verloren. Een harde strijd met slachtoffers, helden en verraders. Het lukt niet om tot een gezond, gezamenlijk huishouden te komen. De meningen lopen te ver uiteen, de persoonlijke trauma’s zijn te groot. Dit laatste blijkt ook uit de enkele romantische contacten tussen Sjmoeël en de oudere Atalja[1]. Zij is al te veel beschadigd om zich te kunnen binden.

Amos Oz geeft het thema verraad een extra dimensie door naast de hoofdpersonen en de historische context van Israël halverwege de twintigste eeuw nog een derde laag aan te brengen: de studie van Sjmoeël naar de rol van Judas. Meerdere verwijzingen naar onderzoeksteksten van Sjmoeël en zijn gesprekken hierover met Gersjom Wald geven nog meer diepgang aan dit boek. De meningsverschillen en de wederzijdse beschuldigingen van verraad tussen Joden onderling rond 1959 worden gerelateerd aan interpretaties van de verhouding tussen twee Joodse mannen die tweeduizend jaar eerder leefden, Judas en Jezus. Daarbij wordt ook besproken hoe de beeldvorming van die verhouding zich heeft vastgezet in de hoofden van niet-Joden zoals christenen en Arabieren: Judas als moordenaar van God (“om een godheid te doden moet de doder nog sterker zijn dan de god en hij moet ook oneindig kwaadaardig en slecht zijn”) (p. 55).

De dominante visie op Judas die Sjmoeël stap voor stap prijsgeeft in het boek is die van een vurige gelovige. Judas werd aanvankelijk door de priesters uit Jeruzalem ingehuurd om Jezus te bespioneren. De religieuze kaste wantrouwde Jezus en men zocht iemand om hem van dichtbij in de gaten te houden. Judas was de enige apostel die niet uit Galilea kwam. De enige ook die goed opgeleid en geletterd was. Judas de penningmeester. Van relatieve buitenstaander groeide hij uit tot vertrouwensman van Jezus en één van zijn vurigste apostelen. (p. 188, 189). Hij komt tot de overtuiging dat Jezus waarlijk goddelijk is en wil dit aan de hele wereld openbaren.

Judas legt Jezus het plan voor om naar Jeruzalem te gaan om daar in het centrum van Israël tijdens het joodse Pesach-feest een ongekend wonder te verrichten waardoor iedereen overtuigd zal worden van zijn goddelijkheid. Judas begint op Jezus in te praten om hem van deze strategie te overtuigen, maar Jezus twijfelt hevig. Uiteindelijk weet Judas hem te overtuigen en gaat Jezus met zijn discipelen op weg naar Jeruzalem waar hem een dramatische confrontatie met het Romeinse en Joods-religieuze gezag wacht. Judas, die Jezus eerst aanspoort en hem daarna aangeeft, speelt een sleutelrol. Zo wordt Judas “de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging” (p. 193).
Als Judas ontdekt dat Jezus als gewone sterveling bezwijkt aan het kruis raakt hij buiten zinnen. Zijn plan en zijn geloof vallen in duigen. In hoofdstuk 47 beschrijft Oz op indringende wijze de wanhoop en desillusie van Judas. Zijn vurige wens en verwachting gingen niet in vervulling. Integendeel, zijn grote leermeester stierf een gruwelijke dood. Pasen zonder wederopstanding. Judas ziet geen uitweg meer. Hij vlucht en verhangt zich.

Deze visie op Judas laat een heel ander beeld zien dan wij gewend zijn. Als Judas nog twee dagen geduld had gehad, had hij mee kunnen maken hoe Jezus uit de dood was opgestaan en was hij misschien wel gevierd als de wegbereider van de Messias. Jezus zou hem ongetwijfeld vergeven hebben.

Er zijn dus meerdere visies op Judas mogelijk. Judas de Jood, Judas de spion, Judas de leerling, Judas de strateeg, Judas de gelovige, Judas de geldwolf, Judas de vertrouwenspersoon.  Bij al deze uiteenlopende visies op Judas blijft toch vooral dit paradoxale beeld hangen: zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof.

Aan het einde van het boek van Oz verlaat Judas-onderzoeker Sjmoeël het huis om een eigen bestaan op te gaan bouwen. Een onzeker bestaan in een jonge staat vol haviken en duiven, vol geweld en idealen, vol mensen die in de ogen van sommigen helden zijn en in de ogen van anderen verraders. Hopelijk heeft Sjmoeël de wijze les van Gersjom Wald in zijn oren geknoopt dat hij moet oppassen voor fanatieke wereldverbeteraars die beloven dat ze ons komen verlossen, maar “binnen de kortste tijd ons bloed vergieten”.

 

[1] Dit thema van de jongeman en de oudere vrouw is ook terug te vinden in Oz’ autobiografische boek Een verhaal van liefde en duisternis.

 

P.S. 1  Een dag na het plaatsen van dit blog staat er in de NRC een boekbespreking van het boek Judas van Peter Stanford. Een studie naar de verschillende visies op de persoon van Judas. Alsof het boek van Sjmoeël  50 jaar na dato alsnog is uitgekomen.

 

P.S. 2  Op 18 maart 2019 woon ik de première bij van de Judas Passie in Haarlem. De componiste is de 17 jarige scholiere Hesce Mourits.  Het is haar profielwerkstuk. Ze heeft zich laten inspireren door het boek van Amos Oz.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/14/ze-beleeft-haar-judas-passie-graag-vanuit-de-zaal-a3953271

 

“Help, mijn dochter heeft een gymnasium-advies”

 

 

 

 

Kennismaking met de nieuwe medewerkster Kwaliteitszorg. Als ik haar kamer binnenloop zie ik een gezicht dat me bekend voorkomt, maar ik weet niet precies waarvan. Ze ziet dat kennelijk aan mijn blik en zegt, terwijl we elkaar de hand schudden: “ik ben Karlijn Schoof, maar u kent me misschien nog wel onder mijn meisjesnaam: Wagenaar. Ik heb ooit bij u in de collegebanken gezeten.”

Dan weet ik het weer. Karlijn Wagenaar maakte deel uit van een levendige groep studenten die ik een kleine 20 jaar geleden gedurende een jaar als mentor onder mijn hoede had. Al snel wisselen we met veel plezier verhalen van vroeger uit. Ze vertelt me ook over haar gezin en haar carrière. Ze legt uit hoe ze via allerlei omzwervingen tegen deze mooie functie is aangelopen op de plek waar ze ooit haar opleiding volgde. De tijd vliegt om en het lukt haar zelfs om, op mijn aandringen, mij met ‘jij’ aan te spreken in plaats van met ‘u’. We zijn nu immers collega’s. Als haar nieuwe afspraak al voor de deur staat, vraagt ze me nog snel om advies over een persoonlijke kwestie. Haar dochter van 11 heeft een gymnasium-advies gekregen en een paar kinderen uit haar klas willen graag naar een categoriaal[1] gymnasium in de stad. Ze weet dat ik vier volwassen kinderen heb en vraagt of ikzelf ook voor deze keuze heb gestaan. Ik vertel haar dat een paar van mijn kinderen ook een gymnasium-advies hadden en dat we met ieder kind een rondje langs verschillende scholen, inclusief categoriale gymnasia, hebben gemaakt. Uiteindelijk kozen onze kinderen voor lokale scholengemeenschappen. Dat had als voordeel dat zij niet van school hoefden te veranderen als zij het niet op het gymnasium konden bolwerken, of als zij hun belangstelling in Grieks en Latijn zouden verliezen. Ik geef ook aan dat we toen al zagen dat gymnasia steeds populairder werden. Inmiddels barsten de gymnasia uit hun voegen, worden nieuwe gymnasia uit de grond gestampt en creëren scholengemeenschappen aparte gymnasium brugklassen. Steeds meer kinderen krijgen een gymnasium-advies en veel ouders zien in het gymnasium een veilige (witte?,  elite?) onderwijsomgeving.

Dit alles blijkt niet het zorgpunt van mijn oud-student/nieuwe collega te zijn. “Ik zie eerlijk gezegd het nut van een gymnasium-opleiding niet in”, zegt ze. “Wat heb je tegenwoordig nog aan Grieks en Latijn?” Als ik mij schrap zet om daar een gedegen antwoord op te geven, gaat de deur open en komt een collega binnen die duidelijk maakt dat onze tijd op is. “Ik kom hier graag nog op terug, Karlijn”, beloof ik, terwijl ik haar kamer uitloop.

Terug op mijn werkkamer denk ik, als oud-gymnasiast, aan wat mijn gymnasium-opleiding me heeft opgeleverd. Ik pak een blaadje een krabbel een lijstje vol:

–          Kennismaking met culturen die mede de basis vormen van de onze

–          Kennismaking met filosofie

–          Het beter begrijpen van de spelregels en grammatica van talen

–          Het leren van woorden die op hun beurt weer helpen bij het leren begrijpen van talen als Frans, Engels (bijv. alle Engelse woorden die op-ion eindigen) en Italiaans

–          De omzwervingen van Odysseus en Aeneas

–          Het relativering van mijn christelijke opvoeding door de kennismaking van klassieke religies en hun overeenkomsten en verschillen met het christendom

–          De geografie van het Middellandse Zee gebied

–          De klassieke mythologie met universele thema’s als liefde, hoop, strijd, ouderschap en dood

–          Het herkennen van klassieke thema’s in allerlei kunstuitingen (muziek, schilderkunst, literatuur, etc.)

Maar ik bedenk me ook dat gymnasia niet alleenzaligmakend zijn. Ik heb ook kinderen die HAVO of VWO zonder klassieke talen hebben gedaan en ook prima hun draai hebben gevonden. Vakken als Engels, Nederlands, Muziek, Techniek of Filosofie dragen ook bij aan algemene ontwikkeling en bieden een goede basis voor vervolgopleidingen.

Het duurt een paar weken voordat ik Karlijn weer te spreken krijg. Na afloop van een studiemiddag vraagt ze me mijn mening over haar eerste nieuwsbrief. “Vertel me eerst eens hoe het met je dochter is”, reageer ik. “De kogel is door de kerk”, zegt ze met de nodige opluchting. “Ze gaat gewoon atheneum doen en geen Grieks en Latijn. Mijn dochter is het met me eens dat je daar heel weinig aan hebt.” Ik besluit mijn pluspunten-lijstje niet in de strijd te gooien. In huize Schoof is die strijd overduidelijk al beslecht in het voordeel van het niet-klassieke kamp.

“En”, vraagt Karlijn, “wat vond je van mijn nieuwsbrief?”

“Ik vond hem prima”, antwoord ik, “alleen zou ik voortaan niet meer de aanhef ‘Collegae’ gebruiken.”

 

[1] Soms zegt men categoraal, soms categoriaal: https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/categoraal-categoriaal-gymnasium

Toevoeging op 21 mei 2017:

Dit weekend (20 mei 2017) staat er een interessante column van Aleid Truijens in De Volkskrant over de ‘run op categorale gymnasia’. Zij bestrijdt dat de kwaliteit van die scholen beter is dan van gymnasium-afdelingen op scholengemeenschappen:

http://www.volkskrant.nl/opinie/dat-categorale-gymnasia-beter-zijn-is-een-mythe~a4495984/

 

 

 

 

Geven en Nemen of Delen

 

Marjoleine de Vis schreef in de NRC van 16 januari j.l. een bijzondere reactie op de massale aanrandingen in Keulen.[1] Aan de hand van het trefwoord ‘intimiteit’ plaatst zij de gewelddadige gebeurtenissen in Keulen in een man-vrouw context zonder daarbij naar andere culturen of religies te kijken. Niet om te relativeren of te bagatelliseren. Integendeel, de Vos is duidelijk: “een vreemde man die een vrouw in haar billen knijpt, verricht een daad van agressie. Altijd.” In de beschouwing van de Vos vormen ons eigen denken en onze eigen woorden het uitgangspunt. De Vos geeft diverse voorbeelden van hoe we zijn opgevoed en grootgebracht met verhalen over vrouwen die zijn vernederd en beschadigd. Ze noemt daarbij ook de mythologische wordingsgeschiedenis van Europa zelf. Europa was een koningsdochter uit het Midden-Oosten (waarvandaan nu de vluchtelingen komen). Zij werd geschaakt door de Griekse oppergod Zeus (vermomd als een witte stier) die haar ontvoerde naar Kreta en verkrachtte. In Engelstalige bronnen wordt deze gebeurtenis aangeduid als ‘the rape of Europe’, waarbij het woord rape (verkrachting) verwant is aan ons woord roof.[2] Opmerkelijk genoeg is de bron van onze Europese beschaving dus een verkrachtingsverhaal. Een verhaal dat door talloze kunstenaars is verbeeld.

Rubens_-_El_rapto_de_Europa

Rubens: de roof van Europa

Hilversum Sportpark

Hilversum, Sportpark

Europa and the Bull circa 1845 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851

Turner: Europa and the Bull

Door de eeuwen heen hebben dergelijke verhalen (denk ook aan de klassieke verhaal van de Sabijnse maagdenroof) ons denken voor een belangrijk deel bepaald. De Vos illustreert dit met de woorden ‘geven’ en ‘nemen’: “of we het nu leuk vinden of niet: een vrouw geeft (zich), een man neemt (haar). Daar zit een merkwaardige ongelijkheid in. Geeft een man zich niet? In de intimiteit wel, maar daarbuiten kennelijk niet, wat hij ook doet. Maar een vrouw wordt altijd genomen, met of zonder toestemming. Zij heeft niet dezelfde mogelijkheid om haar intimiteit af te schermen….. Intimiteit is een groot goed. En dan bedoel ik misschien nog wel het meest het recht, en de behoefte, om dingen voor jezelf te houden, of alleen te delen met wie je daarvoor hebt uitgekozen.”[3] De Vos schetst hoe in onze cultuuroverdracht de man als actieve partij (hij neemt) wordt gezien en de vrouw als passieve partij (zij wordt genomen).

Deze beschouwing van de Vos (en haar duiding van de woorden geven en nemen) deden mij denken aan de colleges Inleiding Communicatie die ik ieder jaar verzorg voor eerstejaars studenten. Ik leg daarbij de termen ‘zender’ en ‘ontvanger’ uit. In klassieke zin is de zender actief en de ontvanger passief. Met de komst van internet en sociale media het steeds moeilijker wordt om die twee termen te scheiden. Dankzij internet is iedereen zender en ontvanger tegelijk. Effectieve communicatie draait tegenwoordig minder om eenzijdige, zender-gedreven communicatie, maar des te meer om delen: dialoog, conversatie en co-creatie. Mijn luchtige slotbetoog daarbij is dat je goede communicatie in dat opzicht met goede seks kunt vergelijken: de liefde moet van twee kanten komen. Ik leg daarbij uit dat de woorden communicatie en gemeenschap niet voor niets eenzelfde betekenis in zich dragen. Daarbij zijn er in de communicatie ook ‘ongewenste intimiteiten’ zoals spam in je mail-box en ongevraagd drukwerk in je brievenbus. Reclame wordt vaak gezien als verleidingskunst en sommige lobby-activiteiten lijken sterk op stalking. En het draaien of framen van woordvoerders is soms te vergelijken met ontrouw en valse beloftes in een relatie. Natuurlijk leveren deze vergelijkingen gegrinnik op in de collegebanken. En ik heb gemerkt dat de parallellen blijven hangen. Het wordt in latere jaren nog wel eens door een ouderejaars student gememoreerd.

Terug naar het serieuze relaas van Marjoleine de Vos. Nogmaals een citaat: “Een moeilijk punt is dat vrouwen nu eenmaal zwakker zijn dan mannen. Begeerde vrouwen met geweld nemen, is dus iets dat altijd is gebeurd en zal gebeuren.” Als je verder nadenkt over dit thema, met ‘Keulen’ in het achterhoofd, zou je kunnen betogen dat we des te gemotiveerder moeten zijn om te streven naar meer gelijkwaardige relaties en naar het onvoorwaardelijk bestraffen van inbreuken op onze intimiteit, zowel op privé-vlak als in de publieke ruimte (op straat, bij het station, in een café, op kantoor). Ons denken over mannen en vrouwen zou uit moeten gaan van gelijkwaardigheid, respect en delen. Anders gezegd: niet geven of nemen, maar delen.

Als we ons niet willen laten regeren door geweld en de macht van de sterkste, is open en eerlijke communicatie een lonkend alternatief. Jürgen Habermas lanceerde in dit verband in de jaren ’80 de term  herrschaftsfreie Kommunikation.[4] Van recentere datum is de term Geweldloze communicatie (Marshal Rosenberg). Goede communicatie is gebaat bij gelijkwaardigheid tussen de betrokken partijen en het beperken van communicatieve uitwassen. Anders gezegd: niet zenden of ontvangen, maar delen.

Hierbij doet zich het opmerkelijke feit voor dat communicatie, in tegenstelling tot veel andere gebieden, een maatschappelijk terrein is waarop mannen en vrouwen in principe gelijkwaardig zijn. Sterker nog, vaak zijn vrouwen beduidend beter in het beheersen van de vele facetten van communicatie dan mannen. Geen wonder dat er zoveel succesvolle vrouwen in dit vakgebied rondlopen en dat er zoveel meiden voor een communicatie-opleiding kiezen. Een bijzonder, hoopvol gegeven in een tijd waarin zoveel debat is over de bedreiging van de bewegingsvrijheid van vrouwen.

 

[1] http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/16/de-vrouw-geeft-zich-de-man-neemt-haar-1576541

[2] Ik schreef hierover in een eerder blog: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326

[3] Ik onderstreep het woord delen, omdat ik dit later opnieuw zal gebruiken.

[4] Interessant genoeg betekent Herrschaft heerschappij; een heerschap is eerder een heer dan een dame.

Waarom het toch even slikken is vandaag….

 

 

 

 

Misschien wel omdat tijdens de eindexamenfeesten overal Ziggy Stardust werd gedraaid

Misschien wel vanwege zijn twee verschillende ogen en dat ooglapje

Misschien wel vanwege zijn herkenbare Britse dictie

Misschien wel vanwege zijn interesse voor Bertold Brecht

Misschien vanwege het grijsgedraaide live dubbel-album

Misschien wel omdat hij Iggy Pop een helpende hand bood

Misschien wel omdat elk album weer verrassend was

Misschien wel omdat hij Berlijn ontdekte lang voordat het een hippe stad werd

Misschien wel omdat hij ook in films speelde

Misschien wel omdat hij met zijn metamorfosen een soort een eigentijdse Ovidius was

Misschien wel vanwege de parmantige liedjes op zijn eerste album

Misschien wel vanwege zijn samenwerking met Brian Eno

Misschien wel vanwege Ch-Ch-Ch-Ch-Changes

Misschien wel vanwege zijn geweldige optreden in Ahoy’ in 1978

Mischien wel omdat het thema van Life on Mars op de piano mee te spelen was

Misschien wel vanwege zijn scheve tanden

Misschien wel omdat hij net nog een nieuw album heeft uitgebracht

Misschien wel vanwege de bewerking van Heroes en Low door Philip Glass

Misschien wel omdat hij saxofoon speelde

………………………

Misschien wel omdat ik een sentimentele man begin te worden:

Time may change me

But I can’t change time

Suiker, een bitterzoet verhaal

 

 

 

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Mijn eerste reis naar Cuba kent een overstap in Madrid. De vluchtduur vanaf Spanje is ruim 10,5 uur. Het inflight magazine van de airline biedt me een half uurtje verstrooiing. Eén artikel is gewijd aan de tien statussymbolen van rijke Europeanen in de 17e en 18e eeuw. Tot mijn verbazing lees ik dat ‘zwarte tanden’ tot de top 10 behoren. Suiker was een luxe artikel in die tijd en men nam de schadelijke effecten van het zoete goedje op je gebit voor lief. Sterker nog, men pronkte graag met z’n aangetaste tanden om te laten zien dat men welgesteld was. De suiker in die tijd kwam hoofdzakelijk van koloniale rietsuikerplantages.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Christoffel Columbus zet in 1492 in naam van de Spaanse koning als eerste westerling voet op Cubaanse bodem. Tientallen jaren later is de complete inheemse bevolking weggevaagd: uitgemoord door de Spanjaarden of bezweken aan Europese ziektes. Onder de Spaanse veroveraars van Midden en Zuid-Amerika groeit Havana uit tot een belangrijke overslaghaven. Goederen uit Europa worden daar aangevoerd om vervolgens verder verspreid te worden over de koloniale territoria. Andersom worden de opbrengsten uit de Amerikaanse koloniën naar Havana verscheept om van daaruit naar Spanje te worden gebracht.

DSC04767

Haven van Havana, 2015

 

Al snel komt daar een derde stroom bij: slaven uit Afrika; nodig voor het zware werk in de mijnbouw en op de plantages. Zo ontstaat de zogenaamde intercontinentale driehoekhandel Europa-Afrika-Amerika, waarbij de elkaar fel beconcurrerende koloniale mogendheden uit Europa torenhoge winsten opstrijken en Afrikaanse slaven een zware prijs betalen. Zij worden als vee verhandeld en verscheept om vervolgens onder mensonwaardige omstandigheden ver van huis afgebeuld te worden. De Nederlanders spelen in die jaren een grote rol in de slavenhandel. Een detail in die geschiedenis is de verovering door Piet Hein van een Spaanse zilvervloot in 1528 voor de Cubaanse kust. Deze roof was zeer profijtelijk voor Piet Hein en de Republiek (de opbrengst kwam deels ten goede aan de vaderlandse opstand tegen Spanje). Dankzij het bekende Zilvervloot-lied van Viotta en Heije heeft de zeerover Piet Hein in Nederland heldenstatus gekregen. Nog steeds wordt dit lied aangeheven tijdens sportwedstrijden of op Koninginnedag/Koningsdag. En wie heeft er niet als kind een Zilvervloot-rekening gehad? De Spanjaarden lagen niet lang wakker van dit eenmalige verlies en de Nederlanders hadden, buiten de slavenhandel, nauwelijks een vinger in de Latijns-Amerikaanse pap.

 

Amsterdam-Madrid-Havana

Bij de Zuid-Cubaanse staf Trinidad krijgen we een rondleiding op een voormalige suikerplantage in de Valle de los Ingenios. Onze gids is een Nederlander die al langere tijd in Cuba woont (“dankzij amor”, zoals hij zelf zegt). Hij brengt ons naar deze plek omdat hij deze interessanter vindt dan de meer toeristische, gerestaureerde plantage-landhuizen in de vallei. In de 17e en 18e eeuw werd de rietsuikerbouw zo lucratief dat vele hectares bos werden gekapt om plaats te maken voor rietsuikervelden. Duizenden slaven, voornamelijk uit West-Afrika, werden naar Cuba verscheept om het zware werk te doen. Op deze locatie zijn zowel de restanten van het landhuis te zien als van de suikermolen (inclusief stookovens en irrigatiekanalen) en de slavenverblijven. Alleen de fundamenten en de omtrekken van deze krappe behuizingen zijn nog te zien. De slaven woonden opeengepakt in kleine stal-achtige hutjes. We staan er met onze neus bovenop. Je kunt je hier een begin van een voorstelling maken van het ellendige leven van slaven op een toenmalige plantage. Ondanks de andere setting doet het me denken aan de concentratiekampen die ik in Europa heb gezien, maar dan op kleinere schaal.

DSC05157

Slaven-verblijven

DSC05176

Enkel-ketens

DSC05139

Wachttoren

 

Onze gids geeft aan dat de Cubaanse overheid weinig belangstelling (en middelen) voor dit aspect van de Cubaanse geschiedenis heeft en dat de lokale bevolking nauwelijks op de hoogte is. Geschiedenis in Cuba is verdeeld in twee tijdvakken: voor en na de revolutie van 1959. Alle vormen van kolonialisme en onderdrukking uit het verleden worden op één hoop gegooid en bestempeld als ‘imperialisme’. En alle vormen van verzet en opstand vallen onder de noemer ‘revolutie’. Allemaal vanuit het ongenuanceerde perspectief van de Castro-clan.  Door de groei van het toerisme en dankzij steun van UNESCO ontstaat er langzamerhand meer aandacht voor deze fase van de geschiedenis en meer besef voor wat er zich hier heeft afgespeeld.

 

Amsterdam-Batavia-Amsterdam

Tijdens mijn studie vormde ik met drie medestudenten de zogenaamde Suikergroep. Wij bestudeerden het 19e eeuwse Cultuurstelsel in Nederlands-Indië en dan met name de suikerteelt op Java. Nederland was in de koloniale tijd zoals gezegd niet erg dominant in de West, maar des te meer in de Oost. Dankzij het Cultuurstelsel pikte ook Nederland een graantje van de wereldsuikerhandel mee. Het Cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd. Het was een verkapte vorm van slavernij. De lokale bevolking werd gedwongen om 20% van haar (vaak beste) landbouwgrond in te zetten voor het verbouwen van producten voor de Europese markt. Wie geen grond bezat moest 66 dagen per jaar werken voor Nederlands belang. Naast suiker ging het hierbij vooral om koffie. Het Cultuurstelsel werd de spreekwoordelijke kurk waar de Nederlandse economie op dreef in de 19e eeuw. Het volgens velen beste boek uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij van Multatuli, is één grote aanklacht tegen de uitbuiting van de inheemse bevolking door het Cultuurstelsel. Niet voor niets is in onze tijd de naam Max Havelaar gekozen als keurmerk voor Fair Trade producten.

Max Havelaar

Rond 1870 werd het Cultuurstelsel beëindigd, maar nauwelijks ten gunste van de Indische bevolking. De suikerbouw (geregeld in de Suikerwet van 1870) kwam nu in de handen van particuliere Europese bedrijven. De baten gingen naar deze particulieren en de Nederlandse staat. De suiker werd verwerkt in Nederlandse raffinaderijen.

 

Havana-Madrid-Amsterdam

Op de terugweg krijgen we bij de overstap in Madrid voor het eerst in twee weken Nederlandse kranten onder ogen. Twee berichten vallen me op.

In de eerste plaats een nieuwsbericht over de weerstand die er onder winkeliers in Halfweg bestaat tegen de komst van een Factory Outlet in SugarCity op het terrein van de voormalige CSM suikerfabriek. Halfweg en suiker gaan hand in hand. De eerste suikerfabriek in Halfweg opende in 1863 (ten tijde van het Cultuurstelsel) zijn deuren. Op een strategische locatie: dichtbij de Amsterdamse haven en naast de oudste spoorlijn in Nederland: Haarlem-Amsterdam.

Het tweede bericht gaat over bekende Nederlanders die in 2015 zijn overleden. Drs P (in Zwitserland geboren!) is één van hen. Dankzij al de suikerverhalen in mijn hoofd moet ik onwillekeurig denken aan zijn lied De meisjes van de Suikerwerkfabriek uit 1958.  Het is bekend geworden door vertolkingen van Gerard Cox (1966) en van Adèle Bloemendaal (1970).

adele_bloemendaal-de_meisjes_van_de_suikerwerkfabriek_s

 

Een dubbelzinnige tekst:

Zo wordt dikwijls ons verteld
Maar ik wil u demonstreren
Dat het anders is gesteld
Dagelijks ziet men wachten
Bij een groot fabrieksterrein
Die het snoepen niet verachten
Doch er dol op zijn
Want slaat de klok vijf uur
Dan roepen zij vol vuur

refr.:
Daar zijn de meisjes, ja de meisjes van de suikerwerkfabriek
In dat suikerwerk heeft elke heer wel zin
Dus staan wij altijd bij de uitgang van de suikerfabriek
Want de snoepjes van Jamin
Die pak je uit en pik je in

De schrijfster Tessa de Loo leende de titel van dit lied voor een van haar verhalen in de gelijknamige bundel uit 1983. Het verhaal gaat over vier vrouwen die werken in een suikerwerkfabriek en die hun teleurstellende ervaringen met mannen met elkaar delen. Een perspectief dat haaks staat op dat van Drs. P.

Kennelijk is het werk in de suikerindustrie ook in de 20e eeuw nog steeds niet bepaald plezierig, al is er geen sprake meer van slavernij. Tessa de Loo omschrijft het als volgt: “Op de fabriek waren alle dagen eender. Zo snel als de band liep, zo traag verliep de tijd….Het was alsof we in een reusachtige smidse in het binnenste van de aarde werkten, koortsachtig de raderen smerend om haar draaiende te houden, onbewust van wat zich aan haar oppervlakte afspeelde”). Dit doet denken aan het bekende toneelstuk Suiker van Hugo Claus uit 1958. Ook hier wordt de entourage gevormd door het zware, eentonig werk op een suikerfabriek. Bij Claus gaat het om de lotgevallen van buitenlandse seizoenarbeiders in een Noord-Franse suikerfabriek: “Ik ben log, een suikerwerker op twee poten, en met twee poten naar voren die bieten op karren laden en bieten in spoorwagens krabben met een riek. Ik stink naar de bieten, ik krijg die bietenlucht niet uit mijn kleren, niet uit mijn haar”).

Tessa de Loo                                              Suiker Hugo Claus

 

 

 

 

Zo blijkt suiker door de eeuwen heen een omstreden goed. Een verslavend slavenproduct. Zoet en bitter. Wit en zwart. Goed en slecht. Verleidelijk en afstotend.

 

Naschrift 21 september 2016:

Onlangs zag ik op televisie een reportage over Suriname waarin ook de schrijfster Cynthia McLeod een rol speelde. Haar debuut-roman uit 1987 heet ‘Hoe duur was de suiker’ en handelt over de koloniale suikerproductie in het 18e eeuwse Suriname.

 

Naschrift 16 augustus 2021:

Ik heb deze zomer het boek van Cynthia McLeod gelezen. Enkele treffende suiker-passages:

p. 33: de prijzen van goederen werden vroeger allemaal in ponden suiker uitgedrukt.

p. 163: of ze ooit wel beseften hoe duur dit allemaal was, welke prijs er werd betaald voor de koffie en voor de suiker.

p. 222: Ze hadden slaven nodig. Alles moest daarvoor opgeofferd worden, om voor hen te produceren wat hun veel geld zou opleveren; katoen, koffie en suiker. Vooral suiker…

Een prachtig spoor: de bolwerken van Amsterdam

Een week geleden, op 15 november j.l., overleed Rob van Reijn. Voor veel, met name jonge, mensen een volstrekt onbekende naam. Maar menig vijftigplussers zal meteen denken: de pantomimespeler. Rob van Reijn was namelijk vanaf de jaren ’60 een bekende verschijning op televisie en in het theater. Zoals Fred Kaps dè goochelaar van Nederland was en Sjoukje Dijkstra onze nationale heldin op kunstschaatsen, zo was Rob van Reijn de Nederlandse pantomimespeler par excellence. Het grote publiek zag hem regelmatig op televisie. De liefhebber kon hem bewonderen in het theater. In 1979 richtte hij zelfs zijn eigen theater in Amsterdam op. Zijn talent bracht hem ook naar het buitenland waar hij de nodige successen boekte. In 2000 vond zijn afscheidstournee plaats.

Rob_van_Reijn_(1989)

Nu moet ik bekennen dat ik niet zoveel met pantomime heb en ook nooit een fan van Rob van Reijn ben geweest. Maar het toeval wil dat ik ongeveer een half jaar geleden in een bibliotheek een boek van Rob van Reijn in handen had. Het boek, De Ommuurde Stad getiteld, handelt over de bolwerken van Amsterdam die in de 17e eeuw zijn aangelegd. Die titel trok mijn aandacht en toen ik de naam van de auteur zag staan dacht ik: ‘heee, die schrijver heeft dezelfde naam als de pantomimespeler!’ Maar al snel zag ik dat het om een en dezelfde persoon bleek te gaan.

De Ommuurde Stad

Amsterdam kende in de 17e eeuw een vijf meter hoge en acht kilometer lange stadswal die als verdedigingslinie om de grachtengordel was aangelegd. Waar het IJ aan de noordkant van het centrum een natuurlijke barrière vormde, moest de hoefijzer-vormige stadswal mogelijke bedreigingen uit de andere windstreken zien te weren en te keren. Deze linie werd omgeven door een zestig meter brede gracht. Verder kende de stadswal acht stadspoorten en 26 bolwerken. Een bolwerk  was een vijfpuntige uitbouw van de muur voorzien van zware kanonnen die (dankzij de vijfpuntige vorm van het bolwerk) in verschillende richtingen stonden opgesteld. Op bijna ieder bolwerk stond ook nog een molen.

Dit enorme geheel van muren, bolwerken en molens heeft tot in de 19e eeuw zijn functie behouden. De opeenvolgende uitbreidingen van de stad leidden ertoe dat de stadswal met zijn bolwerken en molens werd afgebroken. Bijzonder genoeg is het woord bolwerk in het Frans verbasterd tot boulevard: een bredere weg die werd aangelegd op de plek van voormalige vestingwallen (zoals in Parijs gebeurde in de 19e eeuw onder leiding van stadsarchitect Haussmann).

Rob van Reijn, naast pantomimespeler ook amateur-historicus, raakte geïnteresseerd in deze verdwenen verdedigingslinie en kwam op het idee om plaquettes te laten aanbrengen op de locaties van de voormalige bolwerken. Met medewerking van de gemeente Amsterdam en een groot aantal sponsors kon dit project worden gerealiseerd.  Bovendien schreef Rob van Reijn samen met Maarten Hell het genoemde boek over de geschiedenis van deze stadswal. Aan de hand van historische feiten, leuke weetjes en anekdotes komt het verdwenen monument weer tot leven.

18 Westerblokhuis

Het boek kan je ook gebruiken als een prachtige wandelgids die voert over de grens tussen het oude stadscentrum en de nieuwe wijken daarbuiten. Langs tal van bezienswaardigheden. Ook leuk om per fiets te doen.

Ik vind zoiets heel interessant. Ik hou er van om in steden dergelijke verwijzingen tegen te komen: sporen van het verleden. In een eerder blog schreef ik al over de Arago-route in Parijs.

Arago plaatje

Berlijnse MuurCamino schelp in Brussel

 

 

 

 

 

In andere steden kom je ook wel op straat markeringen tegen die te maken hebben met pelgrimsroutes of andere culturele dan wel historische verwijzingen. Denk aan Berlijn met de markering van waar de Muur stond. Het geeft je een besef van het bijzondere verleden van bepaalde locaties. Amsterdam heeft nu ook een bijzondere route: de route van de 26 bolwerken. Met dank aan Rob van Reijn. Hij heeft een prachtig spoor nagelaten.

P.S.

De Ommuurde Stad is inmiddels uitverkocht en niet meer verkrijgbaar. Het zou goed zijn als de uitgever met een nieuwe druk op de markt komt. De Bolwerken en Rob van Reijn verdienen dat.

 

 

Gebruikte bronnen:

https://www.amsterdam.nl/kunstencultuur/monumenten/monumenten-0/gebouwen-gebieden/bolwerken-amsterdam/

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_bolwerken_van_Amsterdam

 

http://www.lubberhuizen.nl/de-ommuurde-stad

 

Nog één keer naar Bob Dylan

“Nog één keer naar Bob Dylan, om het af te leren”, dacht ik een half jaar geleden. Ik had hem al een paar keer eerder live zien optreden. In 1989 in de Statenhal in Den Haag, in 2011 in Ahoy’ en in 2013 in de Heineken Music Hall. “Dan ga ik ook een keer mee”, zei mijn vrouw. Ze hoopte mijn fascinatie voor Bob Dylan hiermee wat beter te kunnen doorgronden. Want de tientallen CD’s die ik thuis regelmatig draai kunnen haar vaak maar matig bekoren. Dus zat ik op de dag dat de verkoop startte met een opengeklapte laptop klaar om twee kaartjes voor Carré te scoren. Dat bleek nog een hele klus. Pas na een half uur digitaal worstelen (ik werd steeds uit het menu gegooid en er kwamen ongevraagd allemaal commerciële aanbieders tussendoor) kon ik eindelijk twee kaartjes aanvinken. Weliswaar op het balkon (wat verder van het podium vandaan dan ik wilde), maar ik had gelukkig beet. De prijs van die twee kaartjes deed me hard slikken. Voor dat geld hadden we ook bij een sterrenrestaurant kunnen gaan eten of een lang weekend in een goed hotel aan zee kunnen boeken. “Vooruit maar, nog één keer naar Dylan”, dacht ik en ik drukte op de bestel-knop.

IMG_0798

 

 

 

 

 

 

 

 

Een week of twee voor Dylan’s optreden in Carré ga ik op internet op zoek naar de speellijst (‘setlist’) van recente concerten in Dylan. Tot mijn verbazing zie ik zes, zeven covers op de lijst staan, vooral van Sinatra. Nu luister ik graag naar Sinatra en ben ik verknocht aan Dylan, maar deze combinatie trekt me niet erg aan. Ik weet dat Dylan begin 2015 een CD met ‘standards’ heeft uitgebracht[1], maar ik had dat opgevat als een interessant uitstapje en niet verwacht dat dit materiaal zo prominent deel zou uitmaken van zijn Europese tour. Naast deze covers bevatte de setlist een vijftal sterke nummers van het album Tempest uit 2012. Wat mij betreft moderne klassiekers. Dezelfde nummers die hij ook al in 2013 in de HMH ten gehore had gebracht. Ten slotte een greep uit zijn oudere werk met slechts een klein aantal gouwe ouwe. Prima, want je weet dat Dylan in tegenstelling tot veel andere artiesten juist niet zijn best doet om decennia na dato nog steeds net zo te klinken als in zijn jonge jaren. Paul McCartney doet dat bijvoorbeeld wel (en dat is ook genieten) maar na één concert weet je het wel. Het bijzondere van Dylan is dat hij blijft vernieuwen. Zijn oude hits verpakt hij in nieuwe jasjes en zijn recente werk krijgt volop de ruimte.

Enfin, toch met enige Sinatra-scepsis op donderdag 5 november naar Carré gegaan. Eenmaal in de zaal voel ik toch weer die plezierige spanning vooraf en het onbedwingbare enthousiasme als Dylan in levende lijve opkomt. Dat moment alleen al is veel waard. De band, strak als altijd, zet stevig in en Dylan (in zijn onmiskenbare outfit en met zijn wat breekbare, trekkebenerige houding) begint te zingen. Het klinkt goed, het voelt goed, maar ik weet niet precies waarom. Gelukkig blijft dat gevoel ook bij het tweede en derde nummer. Dan komt de eerste cover: What’ll I Do van Irvin Berlin. Dylan gaat er goed voor staan, het toneellicht wordt gedimd, de band neemt gas en volume terug. En dan begint Dylan te zingen zoals ik hem nog nooit live heb horen zingen. Met een donker timbre en een perfecte timing zet hij het liedje overtuigend neer. Zonder dat zijn stem respt of kraakt. Carré is muisstil. Zo is elke frase perfect te horen. Dit is de stem die ik herken van Dylan’s vroegere ballads, van Nashville Skyline, van het door velen verguisde Selfportrait (ook een album vol covers, trouwens). Prachtig, maar ook verwarrend. Het liedje van Berlin als zodanig doet me niet heel veel, maar deze warme, verzorgde uitvoering met een stem die zoveel herkenning en herinnering oproept raakt een gevoelige snaar. Daarna volgt een soort om-en-om programma met stevig rockende nummers van Tempest afgewisseld met nachtclub-achtige covers. Tussen de nummers door is het podium even donker om de overgang van sfeer te markeren. Het werkt en de afwisseling is aangenaam.

IMG_0803

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik realiseer me dat dit mijn eerste Dylan-concert is waarbij ik comfortabel kan zitten, waarbij ik (ondanks de balkon-plaats) prima zicht heb op Dylan en zijn band, en waarbij het geluid prima verzorgd is. Deze Bob Dylan hoort niet thuis in grote betonnen zalen als Ahoy’ of de HMH. Een zaal als Carré past hem als een jas.

Zo valt deze avond alles op zijn plaats. Mijn vrouw  vindt hem in het echt beter dan op de plaat. De uitbundige Dylan-fan uit Zeeland naast haar heeft een topavond. Ik zit naast een stille genieter die me in de pauze toevertrouwt dat hij ook een kaartje heeft voor de andere twee concerten van Dylan in Carré. Drie avonden op rij; dat gaat mij te ver. Hij verzekert me dat Dylan elke avond zijn programmering aanpast. Als ik daar mijn vraagtekens bij plaats,wuift hij dat weg. Ik wil hem niet uit die droom halen.

En ik? Ik constateer na afloop tot mijn verbazing en plezier dat dit het beste Dylan-concert was dat ik ooit heb bijgewoond. Dylan, de grootmeester van The Great American Songbook, heeft me weer weten te raken. Terwijl dit jaar met de jubileum-uitgave Cutting Edge[2] wordt gememoreerd dat Bob Dylan 50 jaar geleden in korte tijd drie legendarische albums op de markt bracht (Bringing it all back home, Highway 61 revisited en Blonde on Blonde), weet hij in 2015 nog steeds met grotendeels nieuw repertoire te imponeren.

“Nog één keer naar Bob Dylan, om het af te leren”, dacht ik. Maar daar denk ik nu heel anders over. Dylan is nog niet klaar en ik ben nog niet klaar met Dylan.

 

______________

 

Setlist 5 november 2015 in Theater Carré, Amsterdam

  1. Things Have Changed In 2000, Bob Dylan released ‘Things Have Changed’ for the Wonder Boys official soundtrack which was directed by Academy Award winner Curtis Hanson and won the Academy Award for Best Song from a Motion Picture in 2001
  2. She Belongs to Me (Bringing It All Back Home, 1965) 
  3. Beyond Here Lies Nothin’  (Together Through Life, 2009)
  4. What’ll I Do  (Irving Berlin cover)
  5. Duquesne Whistle (Tempest, 2012)
  6. Melancholy Mood (Frank Sinatra cover)
  7. Pay in Blood  (Tempest, 2012)
  8. I’m a Fool to Want You (Frank Sinatra cover)
  9. Tangled Up in Blue  (Blood on the Tracks, 1975)

Set 2

  1. High Water (For Charley Patton) (“Love and Theft”, 2001)
  2. Why Try to Change Me Now (Cy Coleman cover)
  3. Early Roman Kings (Tempest, 2012)
  4. The Night We Called It a Day (Frank Sinatra cover)
  5. Spirit on the Water (Modern Times, 2006)
  6. Scarlet Town (Tempest, 2012)
  7. All or Nothing at All (Frank Sinatra cover)
  8. Long and Wasted Years (Tempest, 2012)
  9. Autumn Leaves (Yves Montand cover)

Encore

  1. Blowin’ in the Wind (The Freewheelin’ Bob Dylan,1963)
  2. Love Sick (Time Out of Mind,1997)

[1] Toelichting van Dylan bij de release van deze CD:It was a real privilege to make this album. I’ve wanted to do something like this for a long time but was never brave enough to approach 30-piece complicated arrangements and refine them down for a 5-piece band. That’s the key to all these performances. We knew these songs extremely well. It was all done live. Maybe one or two takes. No overdubbing. No vocal booths. No headphones. No separate tracking, and, for the most part, mixed as it was recorded. I don’t see myself as covering these songs in any way. They’ve been covered enough. Buried, as a matter a fact. What me and my band are basically doing is uncovering them. Lifting them out of the grave and bringing them into the light of day.” http://www.bobdylan.com/us/news/new-album-shadows-night-out-feb-3
[2] The Cutting Edge komt in maar liefst drie verschillende versies tot ons. Allereerst is er een 2 cd’s (of 3 elpees) tellende Best Of. Voor de liefhebbers met een iets grotere portemonnee is er een 6 cd’s tellende Deluxe Edition en voor de mannen en vrouwen met genoeg geld om ‘los’ te gaan is er de 18 cd’s tellende Collector’s Edition. Bron: http://bobdylaninnederland.blogspot.nl/

The Cutting Edge bevat allerlei tracks en studie-opnames van de nummers (van de drie genoemde albums) die uiteindelijk op plaat zijn gezet.