Alle berichten van Peter 't Lam

Op ontdekkingsreis

Een van de voordelen van het pensionado-bestaan is dat je buiten de vaste vakantieperiodes op reis kunt gaan. Zo waren wij in september 10 dagen in Noord-Italië. Op de heenweg reden we via Duitsland en Zwitserland. Op de terugweg via Frankrijk en België. Een klein rondje Europa. Deze vakantie heeft mooie ervaringen en ontmoetingen opgeleverd. En een paar vragen.

 

Albert Helman in Airole

We hadden een huisje geboekt in het Italiaanse dorpje Airole, 20 kilometer ten noorden van Ventimiglia en San Remo. Vlakbij de Franse grens. Airole is een schilderachtig plaatsje op een heuvel, met een wirwar aan steegjes en op elkaar gestapelde huizen. We hoorden dat het dorp in 1945, aan het einde van de oorlog, was gebombardeerd door de Duitsers, omdat er zoveel partizanen woonden. In de jaren ’50 werd het dorp ‘ontdekt’ door Nederlanders, veelal oud-verzetsmensen, kunstenaars en avonturiers. Ze konden daar voor een habbekrats een huis kopen en hielpen mee bij de wederopbouw van Airole. Veel van hun kinderen en kleinkinderen zijn Airole trouw gebleven en hebben daar nu ook een (vakantie-)huis.

Albert Helman (foto Literatuurmuseum)

Een van die pioniers in de jaren ‘50 was de schrijver Albert Helman. Ik kende hem alleen van naam, maar in Airole kwam hij een stukje dichterbij.  Een oudere Italiaanse dame was zo vriendelijk om ons het huis te laten zien waar Helman heeft gewoond. En een Nederlandse Airole-veterane vertelde ons dat ze als kind Albert Helman kende en hem ‘oom’ noemde.

Toen ik op het internet naar meer informatie over Albert Helman op zoek ging, viel ik van de ene verbazing in de andere. Een opmerkelijke, veelzijdige man die bijna de hele 20e eeuw heeft meegemaakt. Geboren in Paramaribo in 1903. Op jonge leeftijd vertrokken naar Nederland. Hij vocht mee met de Republikeinen in de Spaanse burgeroorlog, hielp Joodse mensen die naar Nederland waren gevlucht in de jaren ’30, was verzetsstrijder, musicus, schrijver, minister in Suriname. Een ware kosmopoliet die woonde in (o.a.) Suriname, Amsterdam, Spanje, Tobago, Italië (Airole) en tenslotte weer in Amsterdam, waar hij in 1996 overleed. Een bijzondere man die veel heeft gedaan en meegemaakt. Toen ik dit allemaal las dacht ik: waarom wist ik dat niet, waarom is deze man niet bekender geworden? Waarom heeft Albert Helman niet meer aandacht en waardering gekregen?[1]

 

Spreeuwen aan de Saône

Voordat ik op vakantie ga, probeer ik altijd een boek te vinden dat zich afspeelt in de plaats/de regio die ik ga bezoeken; om mijn vakantiebeleving een extra accent te geven. Het boek ‘Steinz, gids voor de wereldliteratuur’ is daarbij mijn vaste raadgever. In dat boek las ik dat de schrijver Italo Calvino in San Remo is geboren, vlakbij onze bestemming Airole. Calvino is net als Helman een naam die ik wel vagelijk ken, maar niet veel meer dan dat. Op het internet las ik een paar positieve stukken over zijn boek Palomar. Een boek vol scherpzinnige observaties over alledaagse zaken. Het lukte me niet meer om het boek voor ons vertrek aan te schaffen. Tijdens ons verblijf in Italië heb ik niet meer aan Italo Calvino gedacht, maar op de terugreis naar Nederland opeens wel. We maakten namelijk een tussenstop bij een mooie B&B vlak onder Dijon. De eigenaresse raadde ons een restaurant aan in een nabijgelegen stadje, fraai gelegen aan de Saône. We streken neer op een mooi terras aan het water.

Toen de avond viel begon een grote groep spreeuwen aan een magische dans hoog in de lucht. Op onnavolgbare wijze draaiden de vogels van links naar rechts en van onder naar boven. Alsof een onzichtbare dirigent instructies gaf. Bij het zien van dit prachtige schouwspel schoot mij het gedicht Zwermen van Ingmar Heytze te binnen:

Ze doen het niet voor ons, en toch:
wat zijn ze mooi, één ontelbaar wezen
dat kan worden wat het wil, wervelend
langs de rafels tussen dag en nacht,
licht dat komt of gaat.

Zwermen is de soort verzamelen,
slaap en voedsel vinden, veilig zijn
voor de sperwer, op snelheid blijven
om niet te botsen, zeven anderen
in de gaten houden om te zwenken.

Er is geen verstand dat alles stuurt,
geen meesterhand die vormen maakt
met duizenden spreeuwen als penseel.
Ware wonderen gebeuren zonder plan
vooraf. Mensen zoals jij en ik begrepen

lang geleden al waarom er zwermen
bestaan. Alleen vliegen is te zwaar.

Dit gedicht verwoordt precies wat wij die avond voelden en dachten. En dankzij deze tekst moest ik op dat moment opeens weer aan het boek Palomar van Italo Calvino denken. In een van de stukken die ik over dat boek had gelezen stond ook een passage over de vlucht van spreeuwen: ‘honderden en nog eens honderden aparte lichamen die gezamenlijk één enkel object vormen, zoals een wolk of een rookpluim’. Ik vroeg me af of Ingmar Heytze bekend was met deze tekst van Italo Calvino? Zou hij deze woorden hebben gebruikt als inspiratiebron voor zijn gedicht?

Het gevoel dat overheerste op die prachtige laatste avond aan de Saône (het was ook nog eens volle maan): nu is de cirkel van deze vakantie helemaal rond.

Zo leverde deze vakantie een paar mooie ontmoetingen en ontdekkingen op. En een paar vragen om later nog eens uit te pluizen. Plus een paar boeken om op mijn verlanglijst  te zetten: De Stille Plantage van Albert Helman en Palomar van Italo Calvino.

 

 

[1] Albert Helman is een pseudoniem. Zijn officiële naam was Lou Lichtveld. Er is overigens 10 jaar geleden wel een biografie over hem verschenen onder de veelzeggende titel ‘Rusteloos en overal’.

De foto bovenaan deze tekst laat het dorpsplein van Airole zien, een soort openluchttheater waar bewoners en bezoekers iedere avond samen komen om bij te praten.

Introductieweken

Het is weer die tijd van het jaar: introductieweken. De jaarlijkse start van het collegejaar. Overal groepjes eerstejaars studenten die nog wat onwennig en onzeker door de stad lopen. Begeleid door een mentor, die zelf deze rituele kennismaking een paar jaar eerder heeft ondergaan. Nieuwe vriendschappen worden gesloten. Nieuwe werelden gaan open.

Dat brengt me terug naar het begin van mijn studietijd. Precies vijftig jaar geleden (ik kan het bijna niet geloven dat er sindsdien een halve eeuw verstreken is, maar het is toch echt zo). Mijn mentor was Clairy Polak, die later op radio en TV bekend zou worden als presentator en interviewer. Zij leidde ons groepje rond door het centrum van Amsterdam: Paradiso, Spui, Vondelpark. Namen die ik al wel kende, maar die nu vorm en inhoud kregen.

Ik had toen nog geen kamer en logeerde die eerste weken bij een oom en tante in Amstelveen. ’s Nachts moest ik met veel bier achter mijn kiezen proberen de weg naar hun huis terug te vinden. Op het fietsje van mijn jongere nichtje. Mijn eigen fiets was al na één nacht gestolen.

Aan het einde van die introductietijd voelde ik dat ik de verkeerde studie had gekozen. Mijn aanvankelijke keuze ‘niet-westerse sociologie’ was misschien goed voor een leuke grap (VRAAG: wat ga je studeren? ANTWOORD: niet-westerse sociologie. VRAAG: Wat ga je dan wél studeren?), maar bleek na een eerste kennismaking minder aantrekkelijk. Ik stapte over naar Politicologie. Een keuze waar ik nooit spijt van heb gehad. Al was het maar omdat ik daar een paar studiegenoten leerde kennen met wie ik nog steeds bevriend ben.

In de weekenden ging ik naar huis. Vooral omdat ik mijn vriendin weer wilde zien. Ik kende haar van school. We hadden een paar maanden voor ons eindexamen verkering gekregen. Zij ging studeren in Utrecht. Ik was verkikkerd op haar, maar voelde diep van binnen dat deze nieuwe fase in ons leven, in verschillende steden, voor ons samen niet goed zou kunnen gaan uitpakken. Een half jaar later ging het inderdaad uit.

Twee maanden na de start van het collegejaar kreeg ik een kamer op Uilenstede. Het roemruchte studentencomplex op de grens van Amstelveen en Amsterdam. Ik heb daar vier jaar gewoond. Na het eerste jaar heb ik daar Marja, mijn vrouw leren kennen. We gaan volgende week samen naar het Uilenstede festival ter ere van het 60 jarig bestaan van de campus. Herinneringen ophalen. Mijn oude studentenvrienden komen ook.

Zo zie je maar hoe waardevol het begin van je studietijd kan zijn. Ik wens dat al die nieuwe eerstejaars studenten ook toe: nieuwe werelden en nieuwe vriendschappen. En wie weet de liefde van je leven.

(de foto boven deze blogtekst is van Folia)

Museum Fenix vertelt een verhaal dat raakt

Het nieuwe museum Fenix in Rotterdam heeft grote indruk op mij gemaakt. Niet alleen de collectie, maar ook het gebouw zelf en de historische locatie bieden een veelzijdig en indrukwekkend beeld van het centrale thema: migratie. Zoals de mythologische vogel Phoenix uit zijn eigen as herrees is hier een complex van oude pakhuizen van de Holland Amerika Lijn compleet omgetoverd tot een groot en gastvrij bezoekerscentrum. Met als blikvanger een omvangrijk labyrintisch kunstwerk op het dak.

Het is een tornado van metaal waarin je als bezoeker omhoog kunt lopen en steeds de keuze hebt om links of rechtsom te gaan. Zonder te weten waar je precies uitkomt. Symbolischer kan het niet.

Wie uiteindelijk bovenaan komt wordt beloond met een fantastische uitzicht over de skyline van Rotterdam. Met pal voor de deur het bekende Hotel New York en de kade waar honderdduizenden Nederlanders in de vorige eeuw zijn vertrokken om elders een nieuw bestaan op te bouwen.

Hoewel migratie tegenwoordig voor veel politici het belangrijkste politieke issue lijkt, is het geen nieuw verschijnsel. Het museum laat zien dat migratie van alle tijden is. Door de eeuwen heen hebben mensen overal ter wereld hun spullen bij elkaar gepakt om op zoek te gaan naar een nieuwe plek om te wonen en te leven. In Fenix zie je dat er uiteenlopende redenen zijn waarom mensen huis en haard verlaten en naar een ander land vertrekken. Bijvoorbeeld als ze worden getroffen door oorlog, hongersnood of door een natuurramp. Maar ook als ze worden vervolgd, als ze geen perspectief hebben op een goed leven of als klimaatverandering hun bestaan bedreigd. Er kunnen ook positieve drijfveren zijn om te emigreren: als mensen verliefd worden op iemand uit een ander land, als er een baan of studie in het buitenland lonkt, of als het avontuur hen roept. Wat de reden ook is, al deze mensen zijn migranten.

Museum Fenix laat het thema migratie in vier grote tentoonstellingsruimten aan bod komen. Eén ruimte bestaat uit een collectie van bijna 200 foto’s. Gemaakt in 55 landen. Dat feit alleen al laat zien hoe zeer migratie een universeel thema is. De foto’s vertellen het verhaal van migratie in de vorm van een reisverslag met drie stadia: het vertrek, onderweg en de aankomst. Het zijn aangrijpende beelden. Ze laten de existentiële emoties van de migranten zien: angst, wanhoop, heimwee, ontgoocheling, onzekerheid, maar ook hoop, warmte en blijdschap.

In de tweede ruimte staan niet de beelden, maar de verhalen centraal. Deze ruimte staat bomvol koffers. Een koffer is bij uitstek het symbool van de migrant. Net als de tornado op het dak zijn ook deze koffers opgesteld als een soort labyrint waar je als bezoeker doorheen kunt lopen. Een groot aantal koffers heeft een speciaal label waar je met een audio-apparaatje contact mee kunt maken. Op dat moment vertelt een stem het verhaal van een specifieke migrant. Dat maakt het heel persoonlijk. Al die stemmen bij elkaar vormen een bonte waaier van motieven en ervaringen van migranten.

De twee andere expositiezalen bevinden zich op de eerste verdieping en laten allebei een grote verscheidenheid aan kunstvoorwerpen en objecten zien die te maken hebben met het thema migratie: tekeningen, installaties, schilderijen, boeken, beelden, etc. Er is zelfs een boot te zien waarop migranten de overtocht van Noord-Afrika naar Lampedusa hebben gemaakt. Het zien van deze eenvoudige boot maakt meer indruk dan een willekeurig nieuwsbericht over migratie op televisie. Net zoals in andere musea spreekt het ene voorwerp mij meer aan dan het andere, maar ik merk dat in Fenix ieder object als een mozaïekstukje bijdraagt aan het gehele beeld.

Zo vormt het Fenix museum met z’n gebouw, locatie en collectie een indrukwekkende totaal-ervaring. Een museum dat is opgezet rondom een urgent maatschappelijk vraagstuk. Een vraagstuk dat tot felle politieke debatten en heftige maatschappelijke botsingen leidt. Het museum reikt geen oplossingen aan. Het laat vooral zien dat migratie over mensen gaat. Hier geen statistieken, one-liners of abstracte formules, maar beelden en verhalen van echte mensen. Die om welke reden dan ook elders een nieuw bestaan proberen op te bouwen. Ook daarom is de naam Fenix zo goed gekozen.

Deze totaal-ervaring heeft me, ook dagen na mijn bezoek, aan het denken gezet.

Denken met pijn aan de tientallen jonge mensen die onlangs bij Ceuta zijn omgekomen.

Denken met afschuw aan de discriminatie en haat jegens migranten in Nederland die steeds openlijker en brutaler wordt geuit.

Denken met warmte aan de vele studenten met een migratie-achtergrond die ik tijdens mijn carrière als docent heb ontmoet.

Denken met afkeuring aan die migranten die misbruik maken van geboden voorzieningen.

Denken met waardering aan de vaklui uit Kosovo, Turkije en Oekraïne die de afgelopen weken bij ons thuis allerlei klussen hebben gedaan.

Denken met boosheid aan de mensen die het huis van een Syrische gezin met verblijfsstatus in Twente meerdere keren hebben aangevallen.

Denken met verontwaardiging aan mensen die migranten gouden bergen beloven of grof geld verdienen aan mensensmokkel.

Denken met schaamte aan de Nederlands politiek die al jarenlang niet in staat blijkt om een rechtvaardig, duurzaam, strikt en humaan migratie-beleid te ontwikkelen.

Denken met trots aan onze oudste zoon die tien jaar geleden vertrok naar Indonesië en daar een goed en gelukkig leven heeft opgebouwd.

Geen kruiswoordpuzzel meer, maar een puzzelwoordengedicht (Versie 2)

Als ik op vakantie ga neem ik altijd een puzzelboekje mee. Ik vind het heerlijk om me, na het bezoeken van een markt, strand of museum, even met een sudoku of een cryptogram te ontspannen. Het is te onbeduidend om het een hobby te noemen, maar ik puzzel graag. Dat begon in mijn tienerjaren. Ik maakte toen met plezier kruiswoordpuzzels. En schafte zelfs een puzzelwoordenboekje aan dat ik nog steeds af en toe raadpleeg.

Ik merkte na enige jaren dat ik mijn belangstelling voor kruiswoordraadsels begon te verliezen. Met name omdat ik vaak dezelfde zoektermen tegenkwam van het type ‘water in Friesland’ (twee letters), ‘Europeaan’ (4 letters), ‘bijenhouder’ (5 letters), ‘een en ander, afk.’ (3 letters), ‘hoofdstad van Oostenrijk’ (5 letters), etc.

Omdat ik wat meer uitdaging nodig had stapte ik over op andere varianten, zoals Zweedse puzzels, woordzoekers en doorlopers. Maar ook de liefde voor die soorten bekoelde na enige tijd. De laatste 15-20 jaar waag ik me vooral aan sudoku’s en cryptogrammen. Met mijn vrouw maak ik elk weekend de ‘scrypto’ uit de NRC. Maar puzzelen blijft vooral en nog steeds een vakantiebezigheid.

Ook voor onze meest recente vakantie had ik een nieuw puzzelboekje aangeschaft. Dit keer met allerlei soorten puzzels. Tijdens de eerste weken van de vakantie stortte ik me vooral op mijn favoriete hersenkrakers: sudoku’s en cryptogrammen. Daarnaast ontdekte ik een nieuwe variant die ik ook de moeite waard vond: cijfercode. Een kruiswoordraadsel waarbij de letters zijn vervangen door getallen. Twee letters-cijfer combinaties zijn vooraf gegeven en op basis van een met cijfers ingevulde puzzelschema moet je de andere 24 letters van het alfabet zien te achterhalen. Een leuke uitdaging.

Een paar dagen voor het einde van de vakantie had ik alle puzzels gemaakt, behalve de kruiswoordraadsels. Die had ik juist gemeden, omdat ik er als puber langzamerhand op uitgekeken was geraakt. Nu er geen andere puzzels meer over waren, maakte ik er toch maar weer eens eentje. Tot mijn spijt ontdekte ik al gauw dat er in de afgelopen 50 jaar niet veel veranderd is:

Deel van het dak (3 letters)

Reeds (2 letters)

Hulde (3 letters)

Gierig persoon (4 letters)

Koude lekkernij (2 letters)

Meubelstuk (5 letters)

Schor (4 letters)

Rivier in Italië (2 letters)

Krijgsmacht (5 letters)

Na een paar minuten was ik klaar. Dat was geen puzzelen meer, maar gewoon invullen. Dat moet toch spannender en leuker kunnen, dacht ik. Toen ontstond bij mij (liefhebber van puzzels en poëzie) een idee voor een nieuwe variant: het puzzelwoorden-gedicht. Een gedicht met opgaven die je vaak in kruiswoordpuzzels tegenkomt, maar waarbij het antwoord niet in een schema moet worden ingevuld, maar achter de opgaven. Die antwoorden vormen twee-aan-twee een rijmschema: aa-bb-cc-dd, etc.

Inmiddels is mijn eerste puzzelwoordengedicht klaar. een eenvoudig proef-exemplaar. Veel plezier ermee!

Puzzelwoordengedicht

Gierig persoon (4 letters):

Krankzinnige (3 letters):

 

Europeaan (3 letters):

Deel van het hoofd (3 letters):

 

Stad in Drenthe (5 letters):

Piepers schillen (6 letters):

 

Snaarinstrument (6 letters):

Stenen kolom (6 letters):

 

Soep van erwten (5 letters):

Dier met gewei (4 letters):

 

Deel van het dak (3 letters):

Mannetjesgeit (3 letters):

 

Soort gereedschap (5 letters):

Ruimte in huis (5 letters):

 

Koord in een schoen (5 letters):

Niet langer ziek (5 letters):

Geen kruiswoordpuzzel, maar een puzzelwoordengedicht

Als ik op vakantie ga neem ik altijd een puzzelboekje mee. Ik vind het heerlijk om me, na het bezoeken van een markt, strand of museum, even met een sudoku of een cryptogram te ontspannen. Het is te onbeduidend om het een hobby te noemen, maar ik puzzel graag. Dat begon in mijn tienerjaren. Ik maakte toen met plezier kruiswoordpuzzels. En schafte zelfs een puzzelwoordenboekje aan dat ik nog steeds af en toe raadpleeg.

Ik merkte na enige jaren dat ik mijn belangstelling voor kruiswoordraadsels begon te verliezen. Met name omdat ik vaak dezelfde zoektermen tegenkwam van het type ‘water in Friesland’ (twee letters), ‘Europeaan’ (4 letters), ‘bijenhouder’ (5 letters), ‘een en ander, afk.’ (3 letters), ‘hoofdstad van Oostenrijk’ (5 letters), etc.

Omdat ik wat meer uitdaging nodig had stapte ik over op andere varianten, zoals Zweedse puzzels, woordzoekers en doorlopers. Maar ook de liefde voor die soorten bekoelde na enige tijd. De laatste 15-20 jaar waag ik me vooral aan sudoku’s en cryptogrammen. Met mijn vrouw maak ik elk weekend de ‘scrypto’ uit de NRC. Maar puzzelen blijft vooral en nog steeds een vakantiebezigheid.

Ook voor onze meest recente vakantie had ik een nieuw puzzelboekje aangeschaft. Dit keer met allerlei soorten puzzels. Tijdens de eerste weken van de vakantie stortte ik me vooral op mijn favoriete hersenkrakers: sudoku’s en cryptogrammen. Daarnaast ontdekte ik een nieuwe variant die ik ook de moeite waard vond: cijfercode. Een kruiswoordraadsel waarbij de letters zijn vervangen door getallen. Twee letters-cijfer combinaties zijn vooraf gegeven en op basis van een met cijfers ingevulde puzzelschema moet je de andere 24 letters van het alfabet zien te achterhalen. Een leuke uitdaging.

Een paar dagen voor het einde van de vakantie had ik alle puzzels gemaakt, behalve de kruiswoordraadsels. Die had ik juist gemeden, omdat ik er als puber langzamerhand op uitgekeken was geraakt. Nu er geen andere puzzels meer over waren, maakte ik er toch maar weer eens eentje. Tot mijn spijt ontdekte ik al gauw dat er in de afgelopen 50 jaar niet veel veranderd is:

Deel van het dak (3 letters)

Reeds (2 letters)

Hulde (3 letters)

Gierig persoon (4 letters)

Koude lekkernij (2 letters)

Meubelstuk (5 letters)

Schor (4 letters)

Rivier in Italië (2 letters)

Krijgsmacht (5 letters)

Na een paar minuten was ik klaar. Dat was geen puzzelen meer, maar gewoon invullen. Dat moet toch spannender en leuker kunnen, dacht ik. Toen ontstond bij mij (liefhebber van puzzels en poëzie) een idee voor een nieuwe variant: het puzzelwoorden-gedicht. Een gedicht met opgaven die je vaak in kruiswoordpuzzels tegenkomt, maar waarbij het antwoord niet in een schema moet worden ingevuld, maar achter de opgaven. Die antwoorden vormen twee-aan-twee een rijmschema: aa-bb-cc-dd, etc.

Mijn eerste, eenvoudige puzzelwoordengedicht is klaar. Veel plezier ermee!

Puzzelwoordengedicht

 

Gierig persoon (4 letters):

Krankzinnige (3 letters):

 

Europeaan (3 letters):

Deel van het hoofd (3 letters):

 

Stad in Drenthe (5 letters):

Piepers schillen (6 letters):

 

Snaarinstrument (6 letters):

Stenen kolom (6 letters):

 

Soep van erwten (5 letters):

Dier met gewei (4 letters):

 

Deel van het dak (3 letters):

Mannetjesgeit (3 letters):

 

Soort gereedschap (5 letters):

Ruimte in huis (5 letters):

 

Koord in een schoen (5 letters):

Niet langer ziek (5 letters):

Openbaar kunstgedicht

Als poëzieliefhebber ben ik geïnteresseerd in allerlei soorten gedichten: sonnetten, haiku’s, spoken word, kinderversjes, experimentele gedichten, nonsensrijm, noem maar op. Er liggen bij mij thuis altijd dichtbundels binnen handbereik; op dit moment De dichter en de duivel van Lieke Marsman en de Collected Poems van Emily Dickinson.

Maar mijn liefde voor poëzie beperkt zich niet tot papier. Ik ben ook erg gecharmeerd van gedichten in het openbaar. Op gevels van gebouwen, op plaquettes, langs een fietsroute, bij monumenten of zo maar middenin de natuur. Ik heb inmiddels een verzameling van circa 75 foto’s van ‘publieke poëzie’. Ik ben zo’n 17 jaar geleden daarmee begonnen toen onze jongste dochter voor school een profiel-weekstuk ging maken over uitingen van poëzie in de openbaarheid. We zijn toen een paar keer samen op stap gegaan om dergelijke gedichten op te sporen, te beschrijven en te fotograferen. Dat was niet alleen heel gezellig, maar ook inspirerend.

Vanaf die tijd ben ik ook voor mezelf openbare gedichten gaan fotograferen. Niet heel doelgericht (ik hoef er zelf geen werkstuk van te maken), maar gewoon daar waar ik ze tegenkom. En dan helpt het dat ik net als iedereen altijd een mobieltje bij de hand heb.

Openbare gedichten staan meestal op gevels van gebouwen. Vaak op een willekeurige plek, maar soms ook op een locatie die een directe relatie heeft met de inhoud van het gedicht. In enkele steden kun je zelfs een gedichtenroute volgen die je langs tal van gevel-gedichten voert (bijv. Leiden, Middelburg, Leeuwarden).

Mijn persoonlijke favorieten staan niet op gevels van gebouwen, maar hebben een andere, meer bijzondere vorm. Dit is mijn top 6

  1. Merck toch hoe sterck (Valerius), in Bergen op Zoom https://nl.wikipedia.org/wiki/Merck_toch_hoe_sterck_(lied)

Op het Beursplein in Bergen op Zoom zijn de beginregels van dit bekende geuzenlied van Valérius te vinden. Niet op een gevel, maar op een groot metalen frame dat rondom het plein is geplaatst. Boven de woorden is ook de melodie in noten weergegeven.

  1. Twee poorten (Constantijn Huijgens), in Den Hoorn, Texel Tijdens een vakantie op Texel zag ik naast een huis twee mooie, donkergroene deuren waarmee de oprit werd afgesloten. Ze trokken mijn aandacht, omdat er een tekst op stond.  Ik liep er naartoe en trof toen deze mooie, passende tekst van Constantijn Huygens aan:

‘Twee poorten zeggen meer, onthaal ik vriend of gast

Dan is ’t niet door één deur, ’t is door twee open deuren

 De ruime ingang toont wat binnen zal gebeuren

en dat mijn vrienden op mijn brood en op mijn wijn

niet half, niet heel, niet één, maar twee maal welkom zijn’.

  1. Geen land maar water (Gerrit Krol), in Oosterhout https://straatpoezie.nl/gedicht/geen-land-maar-water/

Dit is een gedicht in de vorm van een boom. De takken van de boom bestaan uit woorden ie samen een gedicht vormen.

‘Geen land maar water
geen water maar land
land dat op water drijft
vlak land derhalve
twee kanalen die elkaar snijden
liggen in hetzelfde vlak
land waarin gesneden wordt
water waarin gesneden wordt
vaarwater’

Deze tekstboom stond eerst in Groningen, als onderdeel van een kunstproject, maar is later in het Brabantse Oosterhout neergezet. Ik weet niet waarom het is verhuisd.

  1. De hemel (Jan Merx), in Hoorn https://www.artatsite.com/Nederland/details/Merx-Jan-Gedicht-De-Hemel-Binnenluiendijk-ABC-Hoorn-ArtAtSite.html

In Hoorn kwam ik een keer volkomen toevallig dit gedicht tegen. Op het water; een drijvend gedicht. Ik herkende het aanvankelijk niet als een gedicht, maar dacht dat het stapsteentjes in het water waren. Een bordje aan de waterrand gaf gelukkig tekst en uitleg.

‘D E L I E F D E B E Z I T
D E T I J D D E
T I J D I S G E E N W E R
K E L I J K H E I D
D E W E R K E L I J K H E I D
B E S T A A T A L L E E N I
N D E D R O O M
D E D R O O M V A N D O O
D E N G E N O T V E R T E
L T H E T G E L U K
H E T G E L U K L E E F
T I N D E L I E F D E
D E L I E F D E O N
S T E R F E L I J K M A A K T
H E T L E V E N G E L U K
K I G V E R G A N K E L I J K’

  1. Stenen gedicht (Gerrit Kouwenaar), in Amsterdam https://straatpoezie.nl/gedicht/stenen-gedicht-2/   Gemaakt voor het Batavia-gebouw, een nieuwbouwproject bij de Panamalaan in Amsterdam. In een ontwerp van Kees Nieuwenhuijzen is door een patroon van inspringende bakstenen het ‘stenen gedicht’ van Kouwenaar weergegeven. Een prachtige combinatie van literatuur en architectuur. En ook een eerbetoon aan de rijke historie van de locatie; en inmiddels ook aan Gerrit Kouwenaar.

‘Ik lig als een schip op de rede
van een stad die eeuwen bestaat

ik ben vastgelegd aan een heden
maar draag een verleden naam

ik huis hier tussen mijn muren
zoals mensen binnen hun huid

ruimte kijkt uit door mijn ramen
ik ben voor de mensen gebouwd’

  1. Letters van Utrecht (diverse dichters), in Utrecht. https://www.delettersvanutrecht.nl/

Ik kocht een keer via Marktplaats een schaakbord-tafel van iemand die steenhouwer is. Hij vertelde mij het verhaal over de Letters van Utrecht. Dit is wat mij betreft het meest bijzondere openbare gedicht. Langs de Oude Gracht ontstaat letter voor letter een eeuwigdurend gedicht. Iedere zaterdag houwt een steenhouwer tussen 13.00 en 14:00 uur ter plekke de volgende letter. Letters worden woorden en woorden worden zinnen. Steeds komen er nieuwe letters bij. De teller staat nu op 1384 stenen. De tekst van het gedicht wordt in estafette-vorm aangeleverd door dichters die elk circa 3 regels aan het geheel toevoegen. Mensen kunnen een letter-steen doneren en aan iets of iemand opdragen. Zo kunnen mensen letterlijk bijdragen en de verdere ontwikkeling van dit gedicht en bovendien iemand in het zonnetje zetten. Ik vind het een mooi gegeven dat dit gedicht zich door de tijd steeds verder zal ontwikkelen. En ook dat het door meerdere mensen wordt geschreven en gerealiseerd.

Ik ben blij met al die openbare uitingen van poëzie. Juist door de mooie combinaties van taal, vorm en omgeving. Als je er eenmaal op gaat letten, zie je er steeds meer. Of zoals K. Schippers al zo mooi zei:

‘als je goed om

je heen kijkt

zie je dat alles

gekleurd is’.

Wat weet ik eigenlijk van India?

Als ik op reis ga, neem ik graag een roman mee die zich afspeelt in het land van mijn bestemming. Om eigen ervaringen aan te vullen met beelden uit het boek. Een mooie manier om op verschillende manieren de couleur locale op te snuiven. Nu heb ik geen bucketlist met landen die ik per sé nog wil bezoeken, maar wel de behoefte om wat meer van sommige landen te weten. In die gevallen moet ik het alleen met boeken doen. Onder het motto: lezen is reizen in mijn hoofd.

Een van de landen die mijn interesse prikkelt is India. Dit grote land met 1,5 miljard inwoners meldt zich steeds vaker op het wereldtoneel. Maar wat weet ik eigenlijk van India? Bar weinig, vrees ik. Ik kom niet veel verder dan een paar clichés: Ghandi, Hindoes, curry, New Delhi, Slumdog Millionaire, cricket, Ganges, heilige koeien. Een heel beperkt rijtje. Ik vind dat ik eigenlijk wat meer zou moeten weten van het land dat ongeveer 1 op de 6 wereldbewoners herbergt.

Gelukkig heb ik de afgelopen weken mijn kennis over India wat kunnen uitbreiden. Niet door een uitgebreide rondreis te maken, maar door het lezen van twee boeken van Indiase auteurs. Met mijn leesclub heb ik De eenzaamheid van Sonia en Sunny van Kiran Desai gelezen. Een dikke pil waarin het leven van twee jonge mensen wordt geschetst die door hun families aan elkaar worden gekoppeld, maar liever hun eigen weg gaan. Totdat ze elkaar uiteindelijk toch weer tegenkomen.

Nadat ik dit boek met veel plezier en belangstelling had gelezen, raadde mijn vrouw me aan om De God van Kleine Dingen van Arundhati Roy te gaan lezen. Een prachtig boek waarin met lichtheid en beeldende teksten wordt geschreven over een dramatische gebeurtenis die het leven van een jonge tweeling op z’n kop zet.

 

Hoewel de boeken verschillende verhaallijnen hebben, bieden ze allebei een vergelijkbaar beeld van de Indiase samenleving waardoor ik me een beter beeld van dit enorme land heb kunnen vormen. Ik licht er enkele overeenkomsten uit.

  1. Familie.  “In India functioneert alleen de familie”, schrijft Kiran Desai. In beide boeken staat het familieleven centraal. En dan gaat niet om het kerngezin, maar om familie in de bredere zin van het woord. Naast ouders spelen ook opa’s en oma’s, tantes en ooms en neven en nichten een belangrijke rol in het dagelijkse leven. De familie is de springplank en het vangnet voor alles wat van buitenaf als een kans of bedreiging kan gelden. Daarbij is de familie-eer erg belangrijk. Men stelt alles in het werkt om reputatieschade te voorkomen. Dat leidt soms tot verregaande keuzes en daden.
  2. Klassen en kasten.  India is een land met scherpe sociale tegenstellingen. In het boek van Roy komt dat het duidelijkst tot uitdrukking, bijvoorbeeld in de passages waarin zij schrijft hoe communistische vakbondsmensen strijden voor betere arbeidsvoorwaarden. Het kastensysteem maakt die verschillen nog groter. Er zijn Onaanraakbaren die gedoemd zijn om te leven in de marge, als tweederangs burgers; onderaan de maatschappelijke ladder.
  3. Ambivalentie ten opzichte van Groot-Brittannië.  Groot-Brittannië (in beide boeken wordt er over Engeland gesproken), is de voormalige kolonisator van India. De koloniale erfenis werkt nog steeds door. Natuurlijk is men blij dat India nu onafhankelijk is, maar in beide boeken zie je hoe met name de rijkere families proberen te leven naar standaarden zoals ze die kennen uit de Britse tijd. Daarbij wordt de Europese cultuur geïdealiseerd.
  4. Eten, drinken, geuren.  Eten is erg belangrijk. In het boek van Desia komt dit het meest nadrukkelijk aan bod. Een van de hoofdpersonen in haar boek onderzoekt de herkomst van kebabs en doet daar uitgebreid verslag van. Maar ook andere gerechten worden zo smakelijk beschreven, dat het water je door de mond loopt.
  5. Hitte.  In beide boeken is het heet. Er is sprake van klamme warmte, zoemende muggen, plaknachten en ventilatoren die op volle toeren draaien. Je voelt de hitte als een zwaar gordijn over alle verhalen hangen.
  6. Religie, cultuur.  India is een land met veel talen, culturen en religies. Ik lees over regionale talen waarvan ik nog nooit had gehoord. Hindi en Engels mogen dan twee belangrijke voertalen zijn, maar miljoenen mensen spreken in het dagelijkse leven de talen van de streek waarin ze wonen. Daarnaast is er een grote religieuze diversiteit. In India leven veel hindoes, maar er zijn ook grote groeperingen moslims, sikhs en christenen. In het boek van Roy staat een Syrisch-orthodoxe familie centraal. Die grote diversiteit in India brengt vaak spanningen met zich mee. Beide boeken refereren hier regelmatig aan.
  7. Emigratie.  Veel Indiërs zoeken hun heil in het buitenland. Ze gaan werken of studeren in Amerika, Australië, de Golfstaten, of Europa. De beide hoofdpersonen uit het boek van Desia verblijven langere tijd in Amerika. Hun ouders hebben hun overtocht gefinancierd in de hoop dat hun kinderen daar een goed bestaan kunnen opbouwen. Ook in het boek van Roy gaat de vader van de tweeling uiteindelijk in Australië wonen.
  8. Schaamte.  Er klinkt geen grote nationale trots of zelfverzekerdheid in beide boeken door. Eerder het tegendeel. Indiërs die in het buitenland hebben gewerkt en gewoond zijn niet blij met wat ze zien als ze weer op bezoek gaan in India. Ze vinden hun vaderland ongeorganiseerd, smoezelig en druk. “Oh, India verloedert helemaal”, aldus een terugkeerder (Roy, p. 163).
  9. Seksisme en misbruik.  In de twee boeken komen veel passages voor waarin mannen grensoverschrijdend gedrag vertonen ten opzichte van meisjes en vrouwen. En soms ook tegen jongens. In het boek van Roy wordt het jongetje Estha aangerand door een frisdrankverkoper in een bioscoop. Seksueel geweld is natuurlijk geen typisch Indiaas verschijnsel, maar het komt in beide romans meermalen aan bod. Ik vraag me hierbij af of het feit dat beide auteurs vrouw zijn hierbij ook een rol heeft gespeeld. Zie bijvoorbeeld dit citaat: “Ze had de woede herkend die overal om haar heen hing, van elke man die ze ooit was tegengekomen, hun rancune. …. Het was de woede van iemand die werd tegengesproken, geweigerd, overschaduwd, ontkend, die niet genoeg werd bewonderd”. (Desai, p. 560-561)
  10. Racisme.  In beide boeken voelen Indiërs zich vaak gediscrimineerd door witte mensen. Dat merken zij vooral als ze in het buitenland zijn. Tijdens werk en studie. Bij het daten. Door de manier waarop ze aangesproken of juist genegeerd worden. Witte mensen hebben de neiging om zich superieur te wanen en hun eigen problemen over het hoofd te zien. Zo klagen Westerlingen over corruptie in ‘Derde Wereld’, maar zijn blind voor hun eigen corruptie en machtsmisbruik.
  11. Transitie.  Je merkt tussen de regels door dat India middenin een enorme transitie zit. Van traditioneel naar modern. Dat brengt spanningen en verwarring met zich mee. Oude familieverbanden sluiten minder goed aan bij de huidige tijd. En datzelfde geldt van religieuze en culturele tradities. India heeft de potentie om een wereldspeler te worden, maar het is ook een groot en log land waarin velen graag willen vasthouden aan vaste gewoonten en gebruiken. Het moet een enorme opgave zijn om dit enorme land met zijn enorme diversiteit op te stoten in de vaart der volkeren.

Verrijking

Ik realiseer me goed dat ik door het lezen van twee boeken niet een totaalbeeld van dit enorme, veelkleurige, boeiende land heb kunnen vormen. Maar ik heb wel een paar inkijkjes in het Indiase leven gekregen waardoor mijn blik wat verruimd en verdiept is. Ook realiseer ik me dat niet alle genoemde punten exclusief voor India gelden. Klassenverschillen, grensoverschrijdend gedrag, culturele spanningen zijn mondiale verschijnselen. Maar elk land heeft zijn eigen mix en dynamiek, gekleurd door historische, geografische, culturele en politieke factoren. Ik vind het fascinerend om te zien hoe ieder land daarmee zijn eigen verhalen voortbrengt. En wat is het een mooi gegeven dat literatuur kan helpen om kennis te maken met mensen die je nog nooit hebt ontmoet en plaatsen die je nog nooit hebt bezocht.

Oproep

Tot slot wil ik jullie, mijn lezers, nog een vraag voorleggen die mij, na het lezen van deze boeken, te binnen schoot. Stel dat iemand nog nooit in Nederland is geweest en toch wat van ons land zou willen weten. Welke twee Nederlandse romans zou je hem/haar dan aanraden om te lezen?

(reacties graag via mijn post op LinkedIn; ik heb de reactie-functie van mijn blog moeten afsluiten omdat ik bakken vol vervelende spam ontving).

Metamorfosen, manipulatie en manosfeer: de spiegel van Ovidius

Op de dag dat bekend wordt dat PVV kamerlid Maikel Boon rechtbanktekeningen met AI heeft gemanipuleerd, bezoek ik de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum. Ik zie een grote selectie schilderijen, beelden, wandtapijten, foto’s en installaties die allemaal gebaseerd zijn op het beroemde boek Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius (43 vC – 17 nC). Dit 15-delige dichtwerk bevat een keur aan bekende mythen en sagen uit de klassieke oudheid. Met als gemene deler de gedaanteverwisselingen of transformaties van goden en gewone stervelingen. Ovidius laat zien dat alles en iedereen aan verandering onderhevig is.

“Geen enkel ding in dit heelal, geloof me, gaat teloor,

maar alles wisselt en vernieuwt”

De door Ovidius bijeengebrachte mythologische verhalen spreken al eeuwenlang tot de verbeelding en vormen een belangrijke inspiratiebron voor beeldend kunstenaars, componisten en schrijvers. Ga maar na, een god die in een dier verandert, een vrouw die met haar blik iedereen kan verstenen of een nimf die een boom wordt. Dat zijn prachtige verhalen om uit te beelden. In die zin is het een heel goed idee van het Rijksmuseum geweest om uiteenlopende kunstwerken rondom dit thema bij elkaar te brengen.

Mijn Metamorfosen-‘verzameling’: boek, knipsels, kaarten

Ik maakte als scholier uitgebreid kennis met de Griekse mythologie en ik heb destijds ook passages uit Metamorfosen moeten vertalen. Na mijn schooltijd heb ik de gehele Metamorfosen gelezen in een mooie vertaling van M. d’Hane-Scheltema. In die tijd is de ‘alles verandert’-gedachte een soort levensmotto voor me geworden. Wat dat betreft had ik vooraf ook hooggespannen verwachtingen van deze tentoonsteling. Maar die zijn niet helemaal zo uitgekomen. Na afloop had ik gemengde gevoelens. Ik had prachtige werken van wereldberoemde kunstenaars gezien, maar toch knaagde er iets. Ik kon niet precies de vinger op dat gevoel op leggen, totdat ik die avond op televisie hoorde van die manipulerende PVV-er.

De door Maikel Boon bewerkte tekening. bron; De Telegraaf

Maikel Boon heeft er bewust voor gekozen om beelden te transformeren, om mensen op een rechtbanktekening een grimmiger, negatiever uiterlijk te geven. Dat is een geniepige metamorfose die ten koste gaat van anderen. Ook op de tentoonstelling van het Rijksmuseum zie je voorbeelden van transformaties die bedoeld zijn om anderen te misleiden of te overrompelen. In veel gevallen nemen goden een andere gedaante aan om jonge vrouwen te verleiden of zelfs te ontvoeren en te verkrachten (de woorden roof en rape zijn aan elkaar verwant). Ik kende die klassieke verhalen natuurlijk al vanaf mijn middelbare schooltijd, maar door in het Rijks al die afbeeldingen te zien met in mijn achterhoofd de moderne verhalen over Epstein, #MeToo en de manosfeer voelde ik me wat ongemakkelijk. Waar had ik nu eigenlijk naar staan kijken? Waren het niet vooral scenes van machtsmisbruik, manipulatie en grensoverschrijdend gedrag? Zo ontdekte ik de oorzaak van mijn  gemengde gevoelens over deze tentoonstelling: veel fraaie kunstwerken, maar ook uiterst pijnlijke onderwerpen.

Een dag later ebde dat gevoel weer wat weg. Ik bedacht me dat Ovidius bekend stond als criticus van de Romeinse elite. Hij werd vanwege die kritiek zelfs op een gegeven moment verbannen naar een uithoek van het Romeinse Rijk, waar hij zijn Metamorfosen voltooide. Heeft hij in feite niet met zijn beroemde boek de mensen van zijn tijd een spiegel willen voorhouden? Een spiegel die laat zien hoe macht kan corrumperen, hoe mannen misbruik kunnen maken van vrouwen, hoe mensen zich vaak beter voordoen dan ze zijn? En is het niet juist de kracht van het werk van Ovidius dat hij thema’s heeft verwoord die door de eeuwen heen, tot op de dag van vandaag herkenbaar zijn? Denk alleen maar aan het absurde plaatje van Trump waarop hij als Jezus staat afgebeeld. Dat sluit naadloos aan bij de thematiek van Metamorfosen.

Dankzij Ovidius weten we dat gedaanteveranderingen en manipulaties van alle tijden zijn. In mensen kunnen monsters huizen, maar ook engelen (eerlijk is eerlijk, in Metamorfosen staan ook een paar verhalen waarin de deugd het wint van de ondeugd). Daarbij kent elke tijd zijn eigen middelen om die transformaties over te brengen. Via klassieke gedichten, spotprenten, kluchten en pamfletten tot moderne middelen als televisie, social media en AI. Wie de ontwikkeling van media door de eeuwen heen bestudeert ziet een duidelijke ontwikkelingsrichting: bij elke media-innovatie wordt de werkelijkheid een beetje beter benaderd: zwart wit wordt kleur, mono wordt stereo, stilstaand beeld wordt bewegend beeld. We beleven nu de opkomst van Artificial Intelligence. Met machtige Big Tech bazen die zich gedragen als moderne goden. Hun technologische vindingen hebben ons veel goeds te bieden, maar kennen ook negatieve, ontwrichtende kanten als deepfakes, privacy-schendingen, nepprofielen en desinformatie. Met een paar muisklikken kunnen beelden, stemmen en situaties gemanipuleerd worden. Echt en onecht vallen niet meer te onderscheiden.

Wat zou Ovidius van deze ontwikkelingen hebben gevonden? Welke beeldende verhalen zou hij, als hij nu leefde, over deze tijd schrijven? Welke spiegel zou hij ons willen voorhouden? Ik denk dezelfde spiegel als 2000 jaar geleden. Voor mij is de uiteindelijke boodschap van Ovidius en zijn Metamorfosen dat we achter de beelden moeten kijken en op zoek moeten naar de beweegredenen van mensen. Dat we onderscheid moeten maken tussen de motieven die mensen hebben om zichzelf of anderen te transformeren. Doen ze dat om iets positiefs te bewerkstelligen, of is het hun doel om anderen te kwetsen en zichzelf superieur te wanen?

 

 

Boven mijn tekst staat een foto van het schilderij Narcissus van Caravaggio. Ook te zien op de tentoonstelling. Narcissus wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Ik moest bij het zien van het schilderij onwillekeurig denken aan de vele selfies die (jonge) mensen tegenwoordig maken.

De gemiste kans van Tata Steel, Politiek Den Haag en Donald Pols

De overstap van Donald Pols van Milieudefensie naar Tata Steel is als een bom ingeslagen. Met alle felle reactie van dien, zowel van uitgesproken tegenstanders als van overtuigde voorstanders. Het ene kamp vindt hem een verrader en een overloper, terwijl hij in het andere kamp wordt gezien als een dapper iemand die zijn nekt durft uit te steken. Dat levert natuurlijk pittige en spraakmakende debatten op waaraan praatprogramma’s en internetfora graag alle ruimte bieden. Ik vind het erg jammer dat die discussies nauwelijks over fundamentele vragen gaan maar vooral over de vermeende goede of slechte intenties van Donald Pols. Daarmee gaat het opiniecircus voorbij aan wat ik de kern van de zaak vind: willen we in Nederland zelf staal produceren?

Staal is een belangrijk product dat in allerlei sectoren van de samenleving nagenoeg onmisbaar is. We kunnen niet zonder staal. Als we het niet zelf produceren zijn we afhankelijk van buitenlandse producenten. We willen als land niet te sterk afhankelijk zijn van mogendheden als Rusland of China, dus dan zouden we staal van bevriende Europese landen moeten afnemen. Dat is zeker een reële optie om te overwegen. Het gevolg is dan dat het hoogoven-complex in IJmuiden moet gaan sluiten.

Als we echter willen dat Nederland wel zelf staal produceert, moeten we kijken hoe dat op een zo verantwoord mogelijke manier kan gebeuren. Hoogwaardig staal dat duurzaam wordt geproduceerd met voldoende garanties voor de volksgezondheid. Nog geen jaar geleden (september 2025) hebben Tata Steel Nederland, het Indiase moederbedrijf Tata Steel Limited, de Nederlandse staat en de provincie Noord-Holland een intentieverklaring getekend om te komen tot zo’n verbeterde, toekomstbestendige vorm van staal produceren.[1] Men verwacht dat deze transitie circa 6 miljard euro zal kosten. De Nederlandse staat heeft gezegd hier maximaal 2 miljard euro aan te willen bijdragen.

Deze overeenkomst heeft meteen veel kritiek opgeleverd. In een gezamenlijke verklaring hebben 117 economen laten weten dat ze deze subsidie onwenselijk vinden.[2] Ze vrezen dat Tata Steel ook na de transitie veel schadelijke stoffen zal blijven uitstoten. Bovendien vinden ze dat Nederland met zijn beperkte hoeveelheid ruimte, arbeid en energie niet het aangewezen land is om staal te produceren. In landen als Zweden of Spanje kan dat beter en goedkoper. Daarbij geven deze economen aan dat het subsidiegeld beter besteed kan worden aan sectoren die daadwerkelijk meer bijdragen aan een duurzame, gezondere toekomst en dat ook het personeel van Tata in die sectoren nieuwe banen zou kunnen vinden. Kortom, er zijn nogal wat kanttekeningen te plaatsen.

Naast deze critici zijn er ook aanhangers voor deze plannen en de mogelijke staatsteun. Zij vinden het belangrijk om onze Nederlandse economie minder afhankelijk van het buitenland te maken Daarnaast gebruiken ze het argument van het behoud van werkgelegenheid. Ook zeggen ze dat de transitie veel innovatieve kennis zal gaan opleveren.

Deze video zet de pro’s en contra’s goed op een rij. Met veel goede argumenten aan beide kanten. Het dubbeltje kan twee kanten op vallen.

https://www.youtube.com/watch?v=g_N_nqh5h-M

Ik weet niet welke politieke keuzes Den Haag gaat maken. Maar ik denk wel dat, als de Nederlandse politiek uiteindelijk daadwerkelijk overgaat tot subsidiëring van Tata Steel, het een uitgelezen moment is om ook duidelijke en afdwingbare afspraken te maken met Tata Steel: over vergroening, over volksgezondheid, over werkgelegenheid. Dat kunnen we niet overlaten aan de directie van Tata Steel en de achterliggende economische belangen van het Indiase moederbedrijf. De overheid zou wat mij betreft daarbij een groep van toezichthouders[3] moeten instellen om die afspraken te monitoren en te kijken of alles goed wordt nageleefd. Een soort Staatscommissie met een stevige vinger in de Tata-pap. Juist omdat de productie van staal zoveel maatschappelijke gevolgen heeft en de overheid een grote bijdrage levert.

Wat ik zo spijtig vind is dat de overheid met het tekenen van de intentie-overeenkomst dit niet als harde eis op tafel heeft gelegd. Ik vind dat een gemiste kans. Want zou het niet mooi zijn geweest als Donald Pols was uitgenodigd om een van die toezichthouders te worden. Niet in dienst van Tata Steel, maar als een door de overheid aangestelde aanjager en waakhond op het gebied van Duurzaamheid.

 

[1] https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/09/29/intentieverklaring-voor-vergroening-tata-steel-getekend

[2] https://www.rtl.nl/nieuws/economie/artikel/5576416/meer-dan-100-economen-verzetten-zich-tegen-miljardensubsidie-voor

[3] Ik heb me bij het schrijven van deze tekst ook laten inspireren door de vorming van de EGKS in de jaren ’50. De Europese gemeenschap van Kolen en Staal, de voorloper van de Europese Unie. Kolen en staal vormden de brandstof en de bouwstof van de toenmalige wapenindustrie. Juist in de jaren na de Tweede Wereldoorlog wilden de initiatiefnemers van de EKGS alle deelnemende landen binden aan gezamenlijke besluitvorming over productie en gebruik van kolen en staal om toekomstige oorlogen te voorkomen. Zou het niet goed zijn als de huidige EU ook nu weer zou komen tot overkoepelende, bindende afspraken over vitale productieketens op het gebied van energie, vitale industrie, defensie en duurzaamheid. Veel Europese landen hebben niet de middelen of de ruimte om geheel zelfstandig hierin te voorzien. Daarmee is het bij uitstek iets om op Europees niveau te regelen, en daarmee ook de afhankelijkheid van niet-Europese grootmachten als China, Rusland en de VS te verkleinen.

De foto boven deze tekst is van de NRC.

Apostrof

De apostrof heeft het moeilijk. Het bijzondere leesteken (een hoge komma) is relatief onbekend en wordt vaak verkeerd gebruikt. Daarbij heeft de apostrof ook te lijden onder de verdergaande digitalisering. Dit alles raakt mij persoonlijk, want er zit een apostrof in mijn achternaam: ’t Lam. Een apostrof is een teken dat aangeeft dat er letters zijn weggehaald. Mijn voorouders heetten waarschijnlijk Het Lam en dat is in de loop van de tijd ’t Lam geworden.

’t Lam, T Lam, tLam, t’Lam

Omdat tegenwoordig veel zaken online geregeld moeten worden (financiën, bestellingen, aanvragen, reserveringen) moet ik mijn naam regelmatig in voorgeprogrammeerde vakjes invullen. Bij het voorvoegsel ‘t krijg ik vaak een foutmelding. Soms wordt de kleine t niet geaccepteerd, maar meestal is de apostrof het probleem. Het helpt dan om de apostrof weg te laten, maar dat voelt weer niet prettig. Ik heet immers niet Peter tLam of Peter T Lam, maar Peter ’t Lam. Het lukt simpelweg niet om mijn naam correct op bankpassen of vliegtickets te krijgen. Ook bij mijn registratie als klant of besteller gaat het vaak mis.

De erfenis van mijn vader

Misschien heeft mijn vader 80 jaar geleden die problemen met de apostrof en kleine t in onze achternaam al voorzien. Hij was niet blij met zijn achternaam en noemde zich vanaf zijn jeugdjaren steevast Lam in plaats van ’t Lam. Hij vond die ’t niet mooi en wellicht ook onhandig. In navolging van zijn keuze werd bij ons thuis vroeger altijd de achternaam Lam gebruikt. Als kind wist ik niet beter. Er stond Lam op de voordeur, op de post in de brievenbus, op mijn zwemabonnement en op mijn schoolschriftjes. Overal stonden we bekend als de familie Lam. Pas toen we een paar jaar na het overlijden van mijn vader van Dieren naar Zeist verhuisden ben ik als 15-jarige bewust mijn officiële achternaam gaan gebruiken: ’t Lam. Gewoon omdat het mijn echte naam is en omdat ik ’t Lam mooier vind dan alleen Lam.

Onbekend maakt niet herkend

Vanwege mijn achternaam pleit ik er graag voor om de apostrof in ere te houden. Ik wil niet zo ver gaan als in Engeland, waar een officieel apostrof-genootschap bestaat[1]. Wel zou ik het fijn vinden als de apostrof ook in digitale tijden goed wordt herkend en toegepast. Het overkomt me namelijk de laatste jaren steeds vaker dat ik op onbegrip stuit, vooral als ik telefonisch contact heb met een medewerker van een organisatie die mijn naam wil weten. Zo’n conversatie gaat ongeveer als volgt:

Medewerker: Wat is uw achternaam?

Ik: ’t Lam.

Medewerker: Huh, wat zegt u?

Ik: Mijn achternaam is ’t Lam:

Medewerker: Hoe spel je dat?

Ik: Eerst een apostrof dan een kleine t en dan Lam.

Medewerker: Wat zegt u nu? Apos-dinges?

Ik: Ja, apostrof. Dat is een leesteken.

Medewerker: Oh, maar die zit niet op mijn toetsenbord.

Ik: Hoge komma, anders?

Medewerker: Ja, die heb ik wel!

Mijn kinderen hebben ook met apostrof-perikelen te maken. Zo vertelde mijn dochter dat zij weleens Het Lam of Hutlam wordt genoemd. Ook had ze een keer iemand aan de telefoon die (na een vergelijkbare conversatie als hierboven) vroeg hoe je apostrof moest spellen omdat hij dacht dat apostrof haar achternaam was. Mijn schoondochter, die als chirurg in een ziekenhuis werkt, ontving een keer een brief uit een ander ziekenhuis geadresseerd aan Dr. Utlam. Haar collega’s hebben haar toen deze bijzondere koffiemok gegeven.

Nu zou ik het me makkelijk kunnen maken door me weer, net als in mijn jonge jaren, Lam te laten noemen, maar dat wil ik niet. Daarvoor ben ik te veel gehecht aan mijn echte naam en aan de apostrof. En ik vind het stiekem wel leuk dat ik niet in alle digitale hokjes pas.

 

Meer weten over de apostrof: https://onzetaal.nl/taalloket/thematisch-taaladvies/apostrof

[1] https://www.apostrophe.org.uk/