Alle berichten van Peter 't Lam

A Camping Flight to Lowlands’ Paradise

 

Onze tweejarige kleindochter logeert dit weekend bij ons. Papa en mama zijn naar Lowlands. Na twee corona-jaren kunnen ze eindelijk weer met hun vaste vriendengroep naar Biddinghuizen. Alleen hebben ze als jonge ouders dit keer een oppas-probleem. Voor corona waren er nog geen kinderen in de Lowlandsgroep, maar dit jaar moeten meerdere stellen een beroep doen op opa’s en oma’s. Ook wij ontvingen zo’n verzoek en met plezier zegden we toe.

Dankzij deze logeerpartij moet ik terugdenken aan die ene keer dat mijn oudste broer naar Lowlands ging. Dat was eind 1968. Lowlands was toen nog een eendaags festival dat in de Jaarbeurs in Utrecht werd gehouden. Mijn broer, amper 15 jaar, had moeten praten als Brugman om toestemming van mijn ouders te krijgen. Gelukkig wilde een oom die in Utrecht woonde hem wel brengen en halen. Dat trok mijn ouders over de streep. Nog maanden daarna hing de kleurrijke festival-poster als een trotse trofee aan de buitenkant van zijn slaapkamerdeur.

Lowlands heette toen voluit ‘A Flight to Lowlands’ Paradise’. Tegenwoordig is het een driedaags festival en is de volledige naam: ‘A Camping Flight to Lowlands’ Paradise’.  Een begrijpelijke aanpassing van de naam, want nu het een meerdaags festival is moeten de bezoekers in tentjes op het terrein overnachten.

 

 

Dat laatste gegeven staat deze zomer in schril contrast met de mensen die in Ter Apel ook in tenten verblijven. Of zelfs in de buitenlucht moeten overnachten. Kamperen is leuk als het voor een paar nachten is en je daarna weer je comfortabele leventje kunt oppakken. Maar als slapen in tenten het gevolg is van falend vluchtelingenbeleid, dan is het een heel ander verhaal. Daar kunnen de festivalgangers niets aan doen, maar wij als samenleving wel.

Asielzoekers in tenten

De vergelijking laat zien dat, als we in staat zijn om grootschalige festivals en evenementen te organiseren, we ook in staat zouden moeten zijn om statushouders en vluchtelingen beter op te vangen en zogenaamde ‘veiligelanders’ effectiever te weren. Daar is politieke wil, maatschappelijke gastvrijheid en organisatorische daadkracht voor nodig. Het is vooral een kwestie van willen.

Ik wens mijn kleindochter toe dat Lowlands over pakweg 18 jaar nog steeds bestaat en dat zij een derde generatie festivalganger kan worden.

Laten we hopen dat het niet nog 18 jaar duurt voordat we erkende vluchtelingen op een fatsoenlijke en vlotte manier een kans bieden om hier iets op te bouwen.

Minder camping flight en meer Lowlands paradise.

 

 

Go to hell

 

De Hongaarse premier Viktor Orban sprak onlangs op een conventie van Amerikaanse conservatieven in Texas. Hij vond daar een gewillig oor voor zijn inmiddels bekende tirade tegen migranten, moslims, de EU en transgenders. Bij zijn afsluitende oneliner ‘globalists can all go to hell’ kreeg hij een staande ovatie.[1] Toen ik een nieuwsbericht hierover las moest ik grinniken. Was Orban’s optreden als Europees politicus op een politieke bijeenkomst in Texas ook niet een voorbeeld van globalisering?

Het toeval wilde dat ik op die dag net de laatste bladzijden uit de Hel van Dante Alighieri had gelezen. Ik probeer af en toe een klassiek boek te lezen en deze zomer is dat De goddelijke komedie van Dante.[2] Dante beschrijft in dit boek zijn pelgrimstocht naar de Hel, de Louteringsberg en het Paradijs. In het eerste deel daalt hij af naar de hel waarbij hij wordt begeleid door de Romeinse dichter Vergilius. Dante treedt hiermee in de voetsporen van de apostel Paulus en van Aeneas (de mythische stichter van de stad Rome), de enige andere mensen die ooit de hel hebben bezocht. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is de hel niet simpelweg een plek met vagevuur waar de zondaren eeuwig branden. Dante’s hel wordt beschreven als een ondergronds oord in trechtervorm met meerdere ringen, lagen en kloven.

Elke laag is bestemd voor een bepaald type zondaar die een bij de zonde passende eeuwigdurende straf krijgt. Hoe erger de zonde, hoe dieper de laag waarin je terecht komt en hoe heftiger de straf. Het begint met wellustigen, gulzigaards en verkwisters in de Bovenhel en het eindigt met dieven, bedriegers en verraders in de diepste regionen van de Benedenhel. De straffen variëren van (eeuwig) geplaagd worden door wespen of stormen en het dragen van zware lasten tot het verscheurd worden door honden of het verblijven in poelen van kokende pek. Per canto (met ritmische drieregelige verzen) beschrijft Dante een afdeling van de hel, met de daar verblijvende zondaars (vaak bekend uit de Bijbel, de mythologie of de toenmalige Italiaanse politiek) en de straffen die zij moeten ondergaan. Dit alles ter lering ende vermaak van de lezer.[3] De beschrijvingen van Dante zijn zo uitgesproken dat hij kunstenaars als Sandro Botticelli, Jheronimus Bosch en Gustave Doré heeft geïnspireerd om de hel met al zijn kringen, kloven en zondaars af te beelden. Geen wonder dat de beschrijvingen van Dante en de schilderijen en tekeningen die anderen hebben gemaakt onderdeel zijn geworden van ons collectieve bewustzijn.

Gustave Doré: afbeelding van de straf voor verkwisters in de vierde kring van de hel.

In die zin is de oproep van Orban heel Dantelliaans. Hij lijkt De goddelijke komedie te kennen door de globalisten als categorie toe te voegen aan de groepen zondaars die een plek in de hel verdienen. Ik ben benieuwd in welke categorie Dante de globalisten zou hebben geplaatst.

Die vraag geldt ook voor een andere hedendaagse groepering die bekend is geworden door een uitspraak van een andere politicus. Madeleine Albright, de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, schreef niet alleen een boek met als titel Hell and other destinations, maar is ook beroemd geworden om de zin ‘There is a special place in hell for women who don’t help other women’. Ook deze uitspraak sluit goed aan bij het denken van Dante. Is het toeval dat Albright, net als Orban, geboren is in midden-Europa en wellicht daardoor het werk van Dante kende?

De quote van Albright is ook op T-shirts gedrukt

Je zou met al deze uitspraken een hedendaagse Jeroen Bosch of Gustave Doré nodig hebben om een moderne versie van de hel te schilderen of te tekenen. Maar het lijkt me een nog beter idee om het denken in termen van hel en verdoemenis helemaal af te schaffen. In de middeleeuwen werden mensen bang gemaakt met de vreselijkste teksten en beelden over de straffen die ze konden krijgen als ze zich zouden misdragen. Met God als leidsman en de duivel als boeman. Tegenwoordig zijn onze rechten en regels niet meer religieus gegrond, maar opgesteld binnen het kader van onze democratische rechtsstaat. Een zonde heet nu een overtreding. En als je die begaat krijg je een boete of een gevangenisstraf. Veel beter zo.

Gelukkig hebben we dan nog wel de mooie, betoverende verhalen en vertellingen over goed en kwaad uit religieuze boeken, de mythologie en de literatuur. Niet om letterlijk te nemen en om elkaar angst mee aan te jagen, maar om je aan het denken te zetten. Om je te helpen goede afwegingen te maken. Om te laten zien dat er wat te kiezen valt.

Het is fijn dat er naast de klassieke verhalen ook moderne verhalen zijn verschenen waarin andere beelden van de hel worden geschetst. Als scholier las ik het toneelstuk ‘Huis clos’ van Jean-Paul Sartre. De hel wordt daarin niet beschreven als een inferno, maar als een kamer waarin drie mensen verblijven. Ze zijn voor eeuwig tot elkaar veroordeeld. De bekendste zin uit dit toneelstuk luidt: ‘L’enfer, c’est les Autres’. De hel is wat je elkaar aandoet. Dit stuk, waarin geen druppel bloed vloeit, maakte veel meer indruk op mij dan de satanische verhalen die ik elders had gelezen.


LIeke Marsman, dichter

Foto: Merlijn Doomernik

 

Ik sluit deze ‘helletocht’ af met twee gedichten van Lieke Marsman[4], de huidige Dichter des Vaderlands. In haar nieuwste dichtbundel In mijn mand refereert Lieke Marsman ook aan de hel. In twee opeenvolgende gedichten beschrijft ze haar gevoel van ‘onttovering’. Met in de slotzin ook een verwijzing naar de anderen. Net als bij Sartre.

 

 

 

DE ONTTOVERING VAN DE WERELD

regen en ruzie
maar we worden beschermd
door de plastic blokken
van de McDonald’s speelplaats
in mijn broekzak heb ik
mijn meest kostbare bezit
tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck
die uit een roze doosje springt
zodra je het opent

twintig jaar later raak ik verstrikt
in de wachtwoorden
en patiëntnummers
die ik nodig heb
om toegang te krijgen tot mijzelf
en ik voel mij onttoverd
er is niets magisch aan dit leven
waarin een balie een schavot is
waarin de snelle achteruitgang
aan het eind een angst is
‘Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’
als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd

zeg me dat de mensheid
haar geloof verliest en ik antwoord
we waren altijd al achterdochtig
we knepen alleen nog een oogje dicht
hadden in een ver verleden ergens gelezen:

het is beter met één oog
het eeuwige leven binnen te gaan
dan met twee ogen
in het eeuwige vuur te worden gegooid

 

BIJ HET VORIGE GEDICHT

stel me de hel heel anders voor
geen eeuwigdurende hitte, wel een gebrek
aan koel briesje vandaag. zelden storm,
des te vaker windkracht zes, ongelegen:
in te krappe kleren naar een afspraak
waar men begeerteloos op je wacht.
niks theatraal vierendelen, in de hel
voortdurend venijnige schopjes
tegen de enkels. Wat had je dan gedacht?
zonder zelfverzonnen talismans
ligt je geluk er in andermans handen.

 

[1] Zie o.a. https://www.newsweek.com/viktor-orban-cpac-standing-ovation-globalists-go-hell-texas-1731042

[2] In een mooie vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen (2021)

[3] Dankzij de uitvoerige commentaren van de vertalers is dit ook voor eigentijdse lezers te volgen en te plaatsen.

[4] Lieke Marsman is ook te zien als Zomergast bij de VPRO op zondag 14 augustus.

Komijnsplitsers en Sjabloonhonger

Het ene moment word je internationaal gelauwerd, het andere moment ben je het middelpunt van een nationale controverse. Dat overkwam Marieke Lucas Rijneveld. In 2020 won hij[1], als eerste Nederlandse schrijver, de prestigieuze International Booker Prize voor zijn roman De avond is ongemak (The discomfort of evening). Een jaar later lag hij onder vuur vanwege een vertaalopdracht die hij had gekregen van uitgeverij Meulenhoff. Het ging om de tekst The hill we climb van ‘spoken word artist’ Amanda Gorman, uitgesproken bij de inauguratie van president Joe Biden in januari 2021.

(AP Photo/Patrick Semansky, Pool)

Critici vonden Rijneveld niet geschikt om deze tekst te vertalen: zijn Engels zou onder de maat zijn, hij was geen vertaler, maar bovenal zou Rijneveld zich als wit persoon onvoldoende kunnen inleven in de wereld van de Afro-Amerikaanse Gorman.[2] Het persoonlijke was politiek geworden zouden we in de jaren ’70 zeggen.  Hij gaf vervolgens de opdracht terug en liet na enige tijd op passende wijze weten hoe deze pijnlijke affaire hem had geraakt: in de vorm van een gedicht. Het gedicht heet ‘Alles bewoonbaar’.

Een fragment:

Nooit het verzet kwijtgeraakt, en toch inzien wanneer
het niet jouw plek is, wanneer je moet knielen voor een gedicht
omdat een ander het beter bewoonbaar maakt….

Het gedicht is ook opgenomen in zijn nieuwste bundel Komijnsplitsers. Ik kende het woord ‘komijnsplitser’ niet, maar volgens het woordenboek is het een equivalent van muggenzifter of vitter. Zo kom ik in bij het lezen van deze gedichten nog veel meer onbekende termen tegen, zoals tandheugel, klezoor, grauwvuur of scheluw. Alsof Marieke Lucas Rijneveld inspiratie heeft geput uit het Vergeetwoordenboek of uit de rubriek ‘Het vergeten woord’ van het radioprogramma De Taalstaat. Rijneveld bedrijft hiermee een vorm van taal-archeologie om te laten zien hoe rijk onze taal is. En hoe jammer het is dat veel woorden in onbruik zijn geraakt. Ook op een andere manier zijn deze gedichten verrijkend, omdat Marieke Lucas Rijneveld veel nieuwe woorden introduceert die hij zelf heeft geassembleerd. Deze woorden zijn in tegenstelling tot de vergeten woorden direct te herkennen en te begrijpen: sjabloonhonger, roestbenen, burchtverlies, marcheerstand of kanteldrift. Vaak weten deze samengestelde termen trefzeker een situatie of een gemoedstoestand te typeren, maar soms zijn ze wat ver gezocht en is er meer sprake van kunstelwoorden dan van knutselwoorden.

De bundel bevat ruim 60 paginalange gedichten met goedgevulde regels. In die zin krijg je als lezer waar voor je geld. Het is een royale, rijke bundel die je niet op een middagje door kunt akkeren. Het heeft mij, tussen de bedrijven door, meerdere weken gekost om de gedichten te lezen, te herlezen en naar verbanden te zoeken. Niet omdat de teksten ondoorgrondelijk zijn, maar juist omdat er in ieder gedicht veel gebeurt. Bovendien staan de gedichten niet op zichzelf. Rijneveld heeft zijn gedichten in acht thema’s onderverdeeld. Het gaat op het eerste gezicht om verschillende onderwerpen zoals liefde, natuur, verlies en de overgang van vrouw-zijn naar man-zijn. De gedichten kennen per thema een duidelijke samenhang. Maar er zit nog een diepere laag onder alle gedichten en alle thema’s. Hoe meer je leest, hoe meer dwarsverbanden je binnen de gehele bundel ontdekt. Slingerend door de verschillende thema’s duiken overal vaste typerende trefwoorden op: wonen (bewoonbaar/bouwen/renovatie), strijd  (soldaten/marcheren/krijgers/verzet), lichaam (zintuigen/man worden/vrijen) en vallen (verliezen/tuimelen/donderen).

Marieke Lucas Rijneveld (foto: Jouk Oosterhof)

Het totaalbeeld dat daarmee ontstaat is dat van een dichter die schrijft over zijn angst voor en strijd tegen verlies en verval. En de pogingen om door te bouwen en te reconstrueren een nieuw bestaan, een nieuwe plek te creëren (vandaar het oppoetsen van vergeetwoorden en het bedenken van nieuwe termen). Het is in wezen een klassiek thema: de hoofdpersoon die een beproeving moet doorstaan, de metamorfoses die hij tijdens zijn leven ondergaat, het gevecht om zijn eigen plek en  identiteit te ontwikkelen. Marieke Lucas Rijneveld laat zijn eigen worsteling zien en hij wil anderen hoop bieden. Niet voor niets luidt de opdracht van zijn boek: ‘Voor alle mensenkinderen’. Hij roept ons toe dat we er wat van kunnen maken. De slotwoorden van het eerder genoemde gedicht over de vertaal-affaire luiden:

kom na het knielen weer overeind en recht je rug.

Op een bijzondere manier sluit de controverse rondom de vertaal-opdracht precies aan op het kernthema van de hele bundel.  Aangevallen worden op de persoon die je bent, geconfronteerd worden met al die mensen die voor jou beslissen wat je wel en niet mag doen, je eigen wapens (taal/dichtregels) gebruiken om je positie te markeren. Rijneveld handelt in deze affaire precies in de geest van de andere gedichten in de bundel: worstelen, op zoek gaan naar een passende reactie, trouw blijven aan jezelf, er bovenop komen.  Dat is knap en overtuigend. Een waardig slotstuk van een rijke, originele, geloofwaardige en hecht samenhangende bundel.

 

Ter afsluiting deel ik graag het gedicht dat mij het meest heeft getroffen. Ik noteerde bij de eerste lezing direct een uitroepteken bovenaan de pagina. Pas bij herlezing van meerdere gedichten viel het mij op dat dit gedicht bij wijze van uitzondering in de ik-vorm is geschreven. Marieke Lucas Rijneveld kiest bijna overal voor de persoonsvorm je/jij. Juist door het hanteren van de ik-vorm is dit gedicht net wat persoonlijker en treffender. Ik wil geen komijnsplitser zijn, maar wat mij betreft gaat hij in het vervolg vaker in de ik-vorm schrijven.

SJABLOONHONGER
Figuurzaag me netjes langs de randen, schaaf
bij wat ik te veel ben geworden. Vervang het
zaagblad als je te snel gaat en kapot, als je
een bocht in mijn aanwezigheid misloopt.
Maak een sjabloon van me dat niet op het
vorige lijkt, want buiten is het stil, de bomen staan
stokstijf in foxtrothouding – als ik af ben, wil ik met je
dansen tot de sterren naar beneden donderen.
Wie de zaag ontsnapt, loopt zichzelf uiteindelijk
in de prak, echt waar, geloof me. Verspil zo veel
mogelijk metaalbladen, laat je nooit zeggen dat
een ontwerp een ontwerp blijft, alles is mogelijk.
Af en toe zou ik het andersom willen, jij het
hout, ik het gereedschap, maar ik heb nooit
een vaste hand gehad, ik heb nog nooit iemand
bijgevijld – scheefgroei zit in al mijn voorvaderen.
Er is zoveel ruis op de lijn en niemand die me
kan vertellen hoe ik het beste me kan ontplooien.
Al moet ik het goede ook benoemen, ik heb
twee armen waarmee ik kan wiegen.
Dus kom hier, leg het gereedschap ver weg
uit mijn kinderogen, en vertel me dat we het einde
naderen, dat het ontwerp bijna af is, dat ik kan
zeggen dat ik iemand en mooi ben geworden.

[1] Ik hanteer de hij-vorm, omdat de dichter in zijn nieuwste publicaties als een hij wordt gepresenteerd.

[2] Zie bijv. https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-een-witte-vertaler-voor-poezie-van-amanda-gorman onbegrijpelijk~bf128ae4/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free

Over verhitting

 

Terwijl de gevolgen van de klimaatcrisis en de opwarming van onze aarde steeds manifester worden, krijgen we sluipenderwijs ook te maken met een ander soort klimaatcrisis: de verhitting van ons maatschappelijke klimaat. Er is sprake van een toenemende hitte waarin we steeds minder naar elkaar luisteren. Waarin we iemand met een andere mening wegzetten als wappie, wokie, deugneus of gekkie, zodat we die ander niet serieus hoeven te nemen. Waarin haat en hetze steeds luider doorklinken. Een hitte die steeds meer kapot maakt.

We zullen allemaal een bijdrage moeten leveren om de hitte te bestrijden en de temperatuur omlaag te krijgen. Minder op de man/vrouw spelen. Oren open zetten. Minder uitdelen. Niet alleen naar ons eigen belang kijken. Ons toetsenbord niet als mitrailleur gebruiken. Meer ventileren, ramen en deuren openzetten. Onze boosheid een paar weken op vakantie sturen.

Onderstaande regels vatten mijn gedachten en zorgen samen.

 

 

We ketenen onszelf vast aan de hekken van ons eigen gelijk

We blokkeren wegen waardoor we niet meer met anderen kunnen verkeren

We zetten onszelf onwrikbaar klem in de loopgraven van de sociale media

We beschimpen wetenschappers om een eigen draai aan de feiten te kunnen geven

We bedreigen de politici die zijn gekozen om ons te vertegenwoordigen

We vallen vandaag de mensen aan die we morgen weer nodig hebben voor onze veiligheid, onze gezondheid en ons onderwijs

We verspreiden zoveel desinformatie dat we verstrikt raken in een web van leugens

We stoppen tegenstanders in vakjes en maken daarmee een karikatuur van onszelf

We beweren luidkeels dat we in een dictatuur leven en demonstreren daarmee dat dat niet zo is

 

We, we, we…

We vergeten vaak dat ‘we’ hetzelfde is als ‘wij’

Dat ‘wij’ betekent: jij en ik, samen

Dat wij het samen moeten zien te rooien

Dat wij spelregels hebben om ons samen-leven zo fatsoenlijk mogelijk in te richten

Dat wij daarvoor een rechtstaat en een parlementaire democratie hebben ingericht

Dat wij niet altijd onze zin kunnen krijgen

Dat het vaak niet eerlijk verdeeld is

Dat het niet ideaal is, maar dat we het niet lelijker moeten maken dan het is

Dat elke bedreiging van een ambulancebroeder, een politieagent, een docent, een journalist of een politicus een aanval is op onszelf en onze manier van leven

Dat we de openbare ruimte, de publieke zaak, de gemeenschappelijkheid, moeten bewaren en bewaken

Het is immers onze samenleving

Mannentas

 

Ik heb er lang tegen aangehikt, maar twee maanden geleden ben ik toch voor de bijl gegaan. Ik heb een mannentas gekocht. De directe aanleiding was de reis die we zouden gaan maken naar Bali; op kraamvisite bij onze oudste zoon en zijn vrouw[1]. De ervaring leert dat je op Bali elke dag in korte broek en polo of T-shirt rondloopt, dus je komt in feite zakken tekort om al je spullen in te doen. Tijdens eerdere vakanties redde ik me altijd met een rugzak, maar die is weer onnodig groot en bovendien bij tropische temperaturen al snel warm en plakkerig.

Bij mij gaat het in concreto om de volgende zaken die ik altijd bij me wil hebben: mijn portemonnee, mijn smartphone, mijn zonnebril (op sterkte), een pakje kauwgom en een plat klein blikje vaseline. Dat laatste is voor mij een onmisbaar vakantie-item. Vaseline komt altijd van pas: bij droge lippen, kleine wondjes, piepende deuren, slecht lopende ritssluitingen, etc. Die vijf dingen passen niet fijn in de zakken van een korte broek, maar zijn samen ook weer niet genoeg om een rugzak mee te vullen. Ik heb in het verleden regelmatig een paar van mijn spullen in de handtas van mijn vrouw gestopt, maar dat vond zij niet altijd even geslaagd. Dan liep zij mijn zaken mee te zeulen en moest ik haar om de haverklap lastig vallen als ik mijn zonnebril of portemonnee nodig had.

Vandaar dat een mannentas de beste oplossing leek. De enige hindernis die ik daarbij moest nemen was het accepteren van deze accessoire. Het zijn vaak onhandige polstasjes of weinig charmante buik-buidels. Vandaar dat ik altijd wat terughoudend ben geweest. Het helpt dan ook niet als Arjen Lubach er op televisie de draak mee steekt.

Toch heb ik de stap gezet. Mede onder invloed van mijn studenten. Tegenwoordig zie ik op mijn hogeschool veel jonge knullen met allerlei tasjes rondlopen. Dat heeft voor mij het laatste beetje aarzeling weggenomen. De meesten dragen hun tas diagonaal over hun borst. Zo hip ben ik ook weer niet. Ik draag hem als heuptas; een beetje aan de zijkant.

Na vier weken Bali kan ik zeggen dat het me goed is bevallen. Ik had altijd mijn handen vrij en hoefde niet met een warme rugzak rond te lopen. Mijn mannentas leverde een onverwacht groot voordeel op tijdens de lange heen- en terugvlucht. Ik hoefde voor mijn persoonlijke spullen niet steeds onder mijn stoel te duiken of in een ‘overhead locker’ te kijken.

 

Ook mijn vrouw was blij, omdat ik mijn spullen niet meer in haar tas hoefde te stallen. Ik ben door mijn eigen tas eens gaan rondkijken hoe vaak het gebeurt dat een man/vriend zijn vrouw/vriendin met zijn spullen opzadelt door die in haar tas te parkeren.  Als je er op gaat letten zie je dat het heel vaak gebeurt. In die zin is het hebben van een mannentas zelfs een teken van emancipatie. Van de man, welteverstaan!

[1] Zie ook de tekst dat ik bij de geboorte van onze kleindochter schreef: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2400

Kletskassa

 

Mijn vaste supermarkt heeft vijf nieuwe zelf-scan kassa’s geplaatst. Ten koste van drie bestaande kassa’s. Een medewerkster nodigde me laatst met een gastvrij gebaar uit om de producten uit mijn boodschappenmandje op een van die nieuwe plekken door de scanner te halen. Ik schudde vriendelijk mijn hoofd en wees naar de twee overgebleven reguliere kassa’s.

‘Ik reken liever daar af, gewoon bij een caissière’, zei ik.

‘Dat mag hoor’, antwoordde ze, ‘u kunt nog gewoon bij de kletskassa terecht’. Ze bedoelde het ongetwijfeld goed, maar haar blik had ook iets meewarigs. Alsof ik een soort hulpbehoevende was. En de vertrouwde kassa vanaf nu een voorziening voor gemankeerde klanten.

Kennelijk zag ze dat haar opmerking me aan het denken had gezet. ‘Het maakt natuurlijk niet uit waar u voor kiest’, zei ze geruststellend, ‘veel mensen willen gewoon niet in de rij staan, maar snel kunnen doorlopen. Daarom hebben we nu deze zelf-scan plekken.’

‘Dat begrijp ik’, zei ik, ‘maar als er langere rijen waren deden jullie altijd één of twee extra kassa’s open. Ik heb hier nooit lang hoeven wachten’.

‘Dat is fijn om te horen’, antwoordde ze professioneel. ‘Maar nogmaals, we doen het om de klanten een plezier te doen’.

‘En doen jullie jezelf er ook een plezier mee?’, informeerde ik.

‘Hoe bedoelt u?’ , vroeg ze.

‘Nou’, zei ik, ‘is het achter de kassa zitten niet fijner en gezelliger dan tussen de zelf-scan plekken staan’?

‘Tsja, dat kan ik nog niet zeggen’, sprak ze, ‘we hebben dit nieuwe systeem nog maar net’.

‘En wat nou als iedereen zelf gaat scannen’, vervolgde ik. ‘Dan zal dat toch ten koste gaan van jullie banen? Zijn jullie niet je eigen werk overbodig aan het maken?’

Ik merkte dat ik dit keer haar aan het denken had gezet.

‘Daar zegt u wat’, antwoordde ze met een wat onzekere blik in de ogen.

‘Gelukkig hebben we in ieder geval even gezellig gekletst’, zei ik ter geruststelling.

Ik groette haar en liep naar de kletskassa.

 

Deze waargebeurde (iets aangedikte) ervaring in de supermarkt staat niet op zichzelf. Als ik om me heen kijk zie ik dat de menselijke factor op steeds meer plaatsen wordt teruggedrongen: chatbots, geautomatiseerde antwoordfuncties en digitale assistenten nemen de rol van mensen over. Zo was ik laatst in een restaurant waar je via een QR code je bestelling moest plaatsen. Ik heb geen bezwaar tegen het digitaal of machinaal afhandelen van eenvoudige, routinematige handelingen. Het is goed dat veel geestdodend, afstompend werk niet meer door mensenhanden wordt gedaan. Ik pleit dus niet tegen technologische vooruitgang. Maar in veel situaties vind ik het menselijke contact juist gewenst en plezierig. In een restaurant wil ik kunnen informeren naar het menu van de dag, een suggestie horen over een goede, bijpassende wijn of bespreken hoe ik mijn vlees het liefst bereid wil hebben. En in de supermarkt wil ik de caissière gewoon even kunnen groeten en kunnen praten over zegeltjes of hoe het met haar gaat. Ook in de wereld waarin ik werk, het onderwijs, ligt dreigende verarming op de loer. Zo werd er laatst gesuggereerd dat het kijken naar een online kennisclip ook gezien zou mogen worden als een formeel contactmoment.[1]

Natuurlijk zijn machines en computers goedkoper dan mensen, dus ik begrijp het efficiency-oogpunt van organisaties wel, maar het leidt vaak ook tot verschraling. Ik ben bang dat we bij het verder verdwijnen van persoonlijke interactie steeds meer moeite krijgen om ons tot onze medemensen te verhouden. Terwijl het zo belangrijk is om elkaar even aan te kijken, lichaamstaal te lezen, een gesprek te voeren. Gezien en gehoord worden.

Misschien ben ik wat somber of nostalgisch, maar ik zie een vorm van contactarmoede ontstaan die weer zou kunnen leiden tot een afname van sociale samenhang en tot verminderde communicatieve vaardigheden. Een van de gedichten in de indrukwekkende nieuwe bundel van Marieke Lucas Rijneveld heet ‘Conversatieangst’. Die titel geeft precies aan wat het gevolg zou kunnen zijn van afnemend menselijk contact.

In mijn ogen gaat er niets boven direct persoonlijk contact. Ontmoetingen met anderen vormen de kern van ons mens-zijn. Als we ons alleen laten leiden door haast, gemak en efficiëntie, gaat dat ten koste van het menselijke contact en de waardering daarvan. Dat zien we terug op het vliegveld, in de supermarkt, in sommige winkels, in het QR-restaurant en ja, mogelijk ook in het onderwijs. Menselijke interactie zou juist als een pluspunt moeten worden gewaardeerd, niet als een kostenpost.

[1] Een kennisclip kijken, is contact hebben met je docent | DUB (uu.nl)

 

Bij de geboorte van kleindochter Ni Putu Tori Rosalie

 

Welkom in de wereld, lieve Tuto

Een wereld die één geheel vormt

En waarin jij op je plaats bent

Kind van ver weg en van dichtbij

Van Bali en van Belanda

Van twee landen met een eeuwenoude band

die scheef was en vaak wreed

 

Jij bent uit liefde geboren

Een belofte van verbinding en vooruitgang

 

Stond het al in de sterren geschreven?

Met een vader wiens wieg in de Madurastraat stond

en een moeder die geboren werd op Sumatra

Beiden zochten een nieuwe plek om te leven

En vonden elkaar op een plaats die heelt en verzoent

 

Gadis manis, lief meisje,

We wensen jou het beste van alle werelden

 

Mannen van zestig

 

In minder dan twee maanden overleden vier mensen uit mijn familie- en kennissenkring. Een oud-collega, een neef, een zwager en een jeugdvriend. Vier mannen van rond de zestig jaar. Leeftijdgenoten van me. Hoewel de doodsoorzaak bij ieder verschillend was, kwam het moment van overlijden bij alle vier onverwacht. Dat maakte de schok en de schrik des te groter.

Ik merk dat hun dood me erg heeft geraakt. Van ieder afzonderlijk, maar zeker ook de optelsom in korte tijd. Hoewel ik al op jonge leeftijd met de dood ben geconfronteerd ging ik er gemakshalve van uit dat je pas veel mensen om je heen gaat verliezen als je in de 80 bent. Dat is ook wat ik van mijn oude tante hoor: ‘Iedereen om me heen gaat dood’. En hoewel ze vitaal en optimistisch is zegt zij ook elke keer als ik haar spreek: ‘Iedereen wil oud worden, maar oud zijn is niet altijd zo leuk. Ik weet dat het een cliché is, maar toch is het zo’.

Deze vier mannen hadden graag nog veel ouder willen worden. Ze hadden nog geliefden en vrienden. En tal van plannen en dromen.

Op de radio hoorde ik laatst iemand vertellen over mannen en de derde levensfase. Na je 60e verjaardag krijgen mannen minder drang om zich te bewijzen, worden ze milder, krijgen ze meer vrije tijd, gaan ze meer genieten van de goede dingen van het leven. Volgens de spreker hebben zestigers nog vele gouden jaren voor de boeg.

Je moet daarbij wel een flinke dosis geluk hebben, denk ik dan. Geen mooie, nieuwe levensfase voor deze vier mannen. Hun dood doet me des te meer beseffen waar het in het leven om draait: gezond blijven, contact houden, je hart volgen, mooie ervaringen opdoen, zeggen dat je om iemand geeft. En een beetje geluk hebben.

Ik weet dat het clichés zijn, maar toch is het zo.

 

Dag Luuk, fijne collega, media-man, verhalenverteller

Dag David Jan, mooie ondernemende neef, Bourgondiër, man van dromen en daden

Dag Tom, lieve zwager, kwetsbare eigenwijs, dierbare oom van onze kinderen

Dag Hielan, goede vriend van vroeger, schipper, zwerver

 

(afbeelding: Mind Blocks van Marlene Dumas)

Eerder genieten

 

Aan het einde van dit jaar hoop ik 65 jaar te worden. Zo lang ik me kan heugen was dat de leeftijd waarop je met pensioen ging. Ik schrijf dat in verleden tijd, omdat deze wetmatigheid sinds een aantal jaren niet meer bestaat. Mensen blijven langer gezond, worden ouder, dus die pensioenleeftijd kan wel omhoog, zo redeneerden gezaghebbende instituten. De politiek nam deze gedachte maar wat graag over. Een latere AOW-datum is goed voor de schatkist.

En zo kon het gebeuren dat de pensioengrens stapsgewijs werd opgeschoven. Naarmate ik steeds meer in de buurt kom van de 65 jaar is de grens steeds verder naar achteren opgeschoven. Voor mij is dat nu 67 jaar. Dat is geen ramp, omdat ik me goed voel en mijn werk mij nog steeds boeit.

Maar ik voel me soms wel als een marathonloper die ter hoogte van kilometer 40 te horen krijgt dat hij niet 2, maar nog 4 kilometer voor de boeg heeft. Een soort moderne Tantalus-kwelling. Je strekt hongerig je arm uit om een stuk fruit te plukken, maar elke keer zorgt een windvlaag ervoor dat het lekkers buiten handbereik blijft.

Op zich is het verleggen van de grens te begrijpen. Bij een hogere levensverwachting past een hogere pensioenleeftijd. Wat mij betreft zou dat niet moeten gelden voor mensen met zware beroepen of met meer dan 40 dienstjaren. Maar voor al diegenen die nog volop in het leven staan is het niet onredelijk. Veel zestigers zijn nog voldoende fit en actief om wat extra jaren door te werken.

Hoe anders was deze situatie nog niet zo heel lang geleden. Er waren op mijn werk prachtige regelingen voor oudere collega’s die vaak ruim voor hun 60e jaar afzwaaiden. Je kunt het je haast niet meer voorstellen dat je in die tijd al vanaf 55 jaar onder soepele voorwaarden je werk vaarwel kon zeggen. Het is te begrijpen dat die riante praktijken niet meer haalbaar en betaalbaar zijn. Daarmee is de norm ingrijpend veranderd. Waar vroeger slechts een enthousiaste enkeling tot zijn/haar 65e jaar bleef doorwerken, zijn er tegenwoordig vele 60-plussers die nog actief meedraaien.

Ik merk dat het thema ‘pensioen’ sinds een paar jaar een vaak terugkerend gespreksonderwerp als ik met generatie-genoten om de tafel zit. Daarbij komen steevast vragen aan bod als: ‘wat zijn jouw plannen?’, ‘heb jij het nog naar je zin op je werk?’ en ‘hoe lang ga jij nog door?’. Je kunt er niet aan ontkomen. Zoals begin-dertigers praten over samenwonen, hypotheken en kinderwensen, bespreken begin-zestigers hun naderende afscheid van de arbeidsmarkt. Sommigen zijn al gestopt of hebben een concrete vervroegde pensioen-datum in hun hoofd. Anderen kijken het nog even aan of willen tot hun 67e door blijven werken.

Ik behoor tot de categorie ‘aankijkers’. Ik vind het plezierig om zelf een beetje de regie te houden en niets te forceren. Ik heb geen definitieve knopen doorgehakt; ik ben de knopen nog aan het tellen. Want wikken en wegen is belangrijk in deze levensfase. Het woord pensioen komt van het Latijnse werkwoord ‘pendere’, dat hangen of wegen betekent. Vroeger werd een betaling in geld of natura afgewogen. Ons woord ‘pond’ en het Britse ‘pound’ komen van diezelfde stam.

De website van mijn pensioenfonds (het ABP) speelt handig op deze overwegingen in door een keuzebalk te laten zien waarop je een schuifje heen en weer kunt bewegen. Zo kan ik kijken welke bedrag ik maandelijks zal gaan ontvangen als ik bijvoorbeeld over drie maanden of over drie jaar ga stoppen. Het voelt een beetje als meedoen aan een kansspel met je eigen toekomst als inzet; je zet je fiches op een bepaalde datum en dan rolt daar een te verwachten opbrengst uit. Voor nu is het een aardig tijdverdrijf. Des te meer omdat het ABP een grappige naam heeft gegeven aan die keuze-knop: ‘Eerder genieten’. Met een cocktailglas als bijbehorend symbool. Daar kan ik erg om lachen. Kennelijk is werken een noodzakelijk kwaad om straks als pensionado je te mogen wentelen in het Zwitserleven gevoel. Geen geraniums, maar Koning Toto!

Laat mij nog maar even doorwerken. En die cocktails hoeven niet te wachten. Die smaken nu ook al prima.

Groeten uit Zeist #6: Plakplaatjes

Ik schrijf met enige regelmaat verhalen over mijn nieuwe woonplaats Zeist. Deze nieuwe bijdrage gaat over een opnieuw opgebloeide jeugdliefde: plakplaatjes.

 

Mijn kleinzoon van 5 is al tijden in de ban van Pokémon kaarten. Elke keer als ik hem zie laat hij mij glimmend van trots zijn laatste aanwinsten zien. Hij geeft me daarbij deskundig uitleg over de waarde van de kaarten, over series, en over ruilen en spelen. Het meeste van wat hij vertelt gaat langs me heen, maar ik geniet van zijn aan verliefdheid grenzende enthousiasme. Terwijl ik in het najaar uitkeek naar mijn booster-prik was hij aan het sparen voor een booster-pack: een verzamel-pakje met 10 Pokémon-kaarten.

Hij herinnerde mij aan de tijd dat ik als kind voetbalplaatjes verzamelde. Dat deed ik met dezelfde gepassioneerdheid. We hadden vroeger een abonnement op de 1-0, een voetbaltijdschrift. Ik las alle verhalen met veel plezier, maar mijn belangstelling ging vooral uit naar de voetbalplaatjes. Die moest je destijds uit het blad knippen (netjes langs de stippellijntjes) en zelf met lijm in een verzamelmap (Foto Galerij) plakken.

Zo kon je alle spelers van alle eredivisieclubs bij elkaar sparen. Ik kan nog meerdere illustere namen uit die tijd opnoemen: Jan Jeuring, Joop Korevaar, Pim Doesburg, Willy Brokamp, Theo Laseroms. Sommigen speelden bij clubs die tegenwoordig niet meer bestaan of op een lager plan plan meedraaien: DWS, Holland Sport, MVV en Haarlem.

Ach, zoet jeugdsentiment. Al die mooie plaatjes en de opwinding als je weer een mooi exemplaar aan je verzameling kon toevoegen. Schattig hoe je daar als kind zo vol van kan zijn.

Deze gedachten gingen door mijn hoofd, toen ik mijn kleinzoon met zijn kaarten zag en terugdacht aan de voetbalplaatjes uit mijn jeugd. Tot voor kort had ik nooit verwacht dat ik zelf opnieuw in de greep zou komen van zo’n verzamel-koorts. En toch is dat gebeurd!

Enkele weken geleden zag in mijn vaste supermarkt een bord staan met de aankondiging van een nieuwe spaaractie. Dit keer ging het niet om de gebruikelijke handdoeken of glazen. Bij aankoop van 10 euro aan boodschappen kon je een klein pakje met vier historische afbeeldingen van Zeist krijgen. ‘Dat is echt iets voor mij, als nieuwe Zeistenaar’, dacht ik. Ik laadde mijn boodschappenwagen extra vol en incasseerde bij de kassa gretig een handvol pakjes en een mooi plakboek.

Bij thuiskomst keek mijn vrouw verbaasd naar de overvolle boodschappentas en nog verbaasder naar de plakplaatjes en het album. Ik vertelde enthousiast over de spaaractie. Haar vragende blik kreeg iets van berusting. Ze kent me langer dan vandaag en ze weet dat ik van geschiedenis en verzamelingen houd. En ook dat ik mijn best doe om Zeist wat beter te leren kennen.

Dat alles komt met deze spaaractie prachtig samen. Het verzamelalbum is samengesteld door het Zeister Historisch genootschap en behandelt 28 thema’s. Er zijn bekende, te verwachten onderwerpen als het Slot, de Hernnhutters en de buitenplaatsen. Een bijzonder onderdeel dat mij treft is ‘Zeist tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Het is indringend om afbeeldingen te zien van een razzia of een bominslag. Of een bord ‘Joden niet gewenscht’. De NSB bleek in Zeist relatief veel aanhang te hebben. Na de oorlog werden veel aanhangers vastgezet in Slot Zeist, aldus de begeleidende tekst. Zo leer je nog eens wat.

Mooi vind ik de thema’s die een overzicht van het alledaagse leven geven in de loop van de tijd: verenigingsleven, onderwijs, vervoer, woningbouw, ziekenzorg, etc. De plaatjes geven een inkijkje in de manier van leven en wonen door de jaren heen. En je ziet ook wat er verdwenen is: de industrie, de tram, de legerkampen, zwembad Mooi Zeist.

Ik ben nu twee maanden druk aan het sparen en plakken. Inmiddels ben ik een stuk meer over Zeist aan de weet gekomen. Ook mijn vrouw vindt het interessant en helpt mee!

Maar ondanks alle kerstboodschappen en de extra plaatjes van een vriendin in de buurt kent mijn album nog veel lege plekken. Van de 360 plaatjes ontbreken er nog een stuk of 50. In de pakjes die ik meekrijg bij de kassa zit nog maar af en toe een nieuw plaatje. De meeste heb ik al. Ze verdwijnen in een oude RISK-doos die ik gebruik als sorteerbak voor al mijn dubbele plaatjes. Er zitten inmiddels meer plaatjes in die bak dan in mijn album. Maar ik laat de moed niet zakken. Ik voel me als een marathonloper die weet dat de laatste kilometers het zwaarst zijn; maar ook dat de finish met elke stap dichterbij komt.

Over een paar weken wordt de supermarkt-actie beëindigd. Ik moet dus even extra gas geven. Sinds kort ben ik bezig op Marktplaats om te kijken of er plaatsgenoten zijn die met me willen ruilen. Zoals mijn kleinzoon dat op het schoolplein doet met zijn Pokémon-kaarten. Gelukkig zijn er meer liefhebbers zoals ik en met deze mede-verzamelaars wissel ik lijsten met ontbrekende nummers uit. Vervolgens stap ik op de fiets om in onbekende straten bij wildvreemde mensen aan te bellen en enveloppen met plaatjes te ruilen. Even later rij ik dan met een schat aan nieuwe plaatjes naar huis. Als een kind zo blij.