Homo homini lupus. Die uitdrukking leerde ik als Zeister scholier zo’n 50 jaar geleden kennen. De mens is een wolf voor andere mensen. Geen optimistische spreuk. Kennelijk hadden de oude Romeinen niet de overtuiging dat de meeste mensen deugen.
Die Latijnse spreuk speelt de afgelopen tijd opnieuw door mijn hoofd nadat zich in de Zeister bossen twee heftige incidenten hebben voorgedaan. Een kind is gebeten door een wolf en een vrouw is slachtoffer geworden van ernstig seksueel geweld.
Uit angst dat de wolf nog een keer zal toeslaan staan er nu matrixborden langs de wegen aan de rand van Zeist met de tekst ‘Mijd Bos Utrechtse Heuvelrug’. Dat roept veel vragen op. De Zeister bossen zijn bekend en geliefd. Niet alleen bij Zeistenaren, maar ook bij mensen vanuit alle windstreken van Nederland. Men komt hier graag wandelen, fietsen, hardlopen, spelen en mountainbiken. En nu kunnen we vanwege die ene wolf het bos niet meer in. Dat is een situatie die niet houdbaar is. Daar moet toch een oplossing voor te vinden zijn.
Het tweede incident is wat mij betreft veel ernstiger. Seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes staat nu volop in de belangstelling. Niet alleen door de heftige aanval op een vrouw in de Zeister bossen, maar ook door enkele recente gevallen van femicide en verkrachting, en (vooral ook) door de tragische dood van de 17-jarige Lisa vlakbij de Johan Cruijff Arena.
Hier is sprake van een ontwrichtend, breed maatschappelijk vraagstuk. Bijna ieder meisje en iedere vrouw kan meepraten over vervelende ervaringen op dit gebied. En eerlijk is eerlijk: iedere jongen en iedere man weet donders goed dat er in kleedkamers, in kroegen, in schoolbanken en op sociale media foute grappen en seksistische opmerkingen over vrouwen worden gemaakt. Dat zit diep geworteld. Dat is de norm. Mannen onder elkaar die tegen elkaar opbieden, stoer doen, niet buiten de boot willen vallen. Met vrouwen als mikpunt. In de praktijk kan ‘locker room talk’ leiden tot bangalijsten van studentenverenigingen, intimidatie op internet en seksistische spreekkoren rond sportvelden (‘daar moet een piemel in’, of ‘je moeder is een hoer’).
Dat wil niet zeggen dat alle mannen potentiële aanranders zijn. Gelukkig niet. En dat wil ik zeker ook niet suggereren. Maar ik denk dat het goed is als mannen, ook ikzelf, een keer de hand in eigen boezem steken. We moeten onder ogen zien dat er al vanaf de schoolbanken op dubieuze en dubbelzinnige wijze over meisjes en vrouwen wordt gesproken. Van praatjes en plaatjes, tot suggestieve grappen en vervelend gedrag. Dit is niet een probleem dat zich in bepaalde delen van de samenleving voordoet. Dat komt bij mannen en jongens in alle lagen en kringen van de bevolking voor. En het vormt een voedingsbodem die bijdraagt aan alledaags fout gedrag tegenover vrouwen: naroepen, betasten, sissen, intimideren.
De geschiedenis leert ons dat doodnormale mensen zich kunnen ontpoppen tot meedogenloze moordenaars en verkrachters. Denk aan wat Hannah Arendt zei over de banaliteit van het kwaad. Denk aan de ‘doodnormale’ Franse mannen die zich vergrepen aan Gisèle Pelicot. Dat lijkt op de lijn te liggen van de uitdrukking ‘homo homini lupus’. Maar ik zie die spreuk niet als een natuurwet. Mensen kunnen ontzettend ontsporen, maar ze hebben ook een keuze. Ze hoeven zich niet als wilde beesten te gedragen. Het is belangrijk om via opvoeding, onderwijs, media en normerend gedrag barrières op te werpen om de kans op beestachtig gedrag te minimaliseren.
Ik heb niet de illusie dat elke vorm van gewelddadig gedrag van mannen tegen vrouwen voorkomen of gestopt kan worden. Er zullen altijd ‘lone wolves’ blijven. Maar het zou enorm helpen als mannen afstand nemen van vrouwonvriendelijke codes en groepsnormen. Elkaar gaan aanspreken. Fout gedrag bekritiseren en niet weglachen of goedpraten. Dan komt er meer ruimte voor meisjes en vrouwen om zich vrijer en veiliger te bewegen. Thuis, op straat, bij het uitgaan, op het werk en in de Zeister bossen.