Groeten uit Zeist # 10 Sinterklaasfeest

Een paar jaar geleden kwam ik in Zeist te wonen. Sindsdien schrijf ik af en toe een blog over mijn nieuwe woonplaats onder de titel ‘Groeten uit Zeist’. Dit is de 10e bijdrage in deze serie. De tekst gaat, heel toepasselijk op 5 december, over Sinterklaas en een paar hardnekkige ouderwetse Pieten.

Afgelopen zaterdag zag ik in Zeist op enkele plekken Zwarte Pieten rondlopen. Echte Zwarte Pieten, bedoel ik; geen roetveeg-Pieten. Het ging niet om een incidentele zwart geschminkte Piet die bij particulieren aanbelde, maar om Pieten die namens een winkeliersvereniging of een buurtclub rondliepen en strooigoed uitdeelden. Ik was verbaasd. Dan doen we toch niet meer? Zwarte Piet behoort toch tot het verleden? We kunnen toch prima met roetveeg-Pieten uit de voeten? Gelukkig liepen op andere locaties wel gewoon roetveeg-Pieten rond. Het kan dus wel! Maar het ongemakkelijke gevoel bleef. Misschien ook wel door de verkiezingsuitslag. Juist nu de PVV de grootste partij in het land is geworden vind ik het belangrijk om extra waakzaam te zijn als het gaat om uitingen van discriminatie en uitsluiting.

Ben ik nu een overgevoelig woke type met moralistische praatjes? Laat ik dan eerst maar mijn eigen Pieten-verleden opbiechten. Een kleine 30 jaar geleden publiceerde ik een boekje met gedichten en versjes voor kinderen. Een van die gedichten heet ’De pindakaas van Sinterklaas [1]:

Destijds schreef ik dit vers, zonder enige schaamte of schroom. Ik had het gewoon over ‘Zwarte Piet’ en was me van geen kwaad bewust. Zwarte Piet lag nog niet onder vuur. Ik herinner me uit die tijd alleen een kritische opmerking van Gerda Havertong in een uitzending van Sesamstraat. Maar kennelijk trok niemand zich echt wat van haar woorden aan; we gingen gewoon door met de klassieke Pieten: helemaal zwart, dikke rode lippen, krulhaar en ringen in de oren. Gelukkig laat de tekening bij mijn versje niet zo’n compleet ouderwetse Piet zien.

Inmiddels weet ik beter. Wat ik destijds volkomen gewoon vond, kan wat mij betreft niet meer. Mijn boekje was geen groot verkoopsucces, maar als er ooit nog een nieuwe druk zou komen, zou ik de term Zwarte Piet zonder twijfel aanpassen. De discussies rondom Zwarte Piet hebben mij overtuigd. In onze samenleving mag er geen plaats zijn voor stereotyperende termen en uitingen die mensen pijn doen.

Nu weet ik dat het ook pijn doet als tradities veranderen. Veel mensen vinden dat er iets dierbaars wordt afgepakt. Dat klopt, het is inderdaad een vorm van verlies. Maar in het geval van het Sinterklaasfeest gaat het om een beperkte aanpassing. De afgelopen jaren is gebleken dat we heel goed Sinterklaas kunnen vieren met roetveeg-Pieten. De kern van het feest blijft onaangetast. Het is een kleine moeite met een grote opbrengst: niemand hoeft zich meer gekwetst te voelen.

Bovendien, tradities zijn niet heilig. Laten we blij zijn dat er geprotesteerd wordt tegen traditionele evenementen en gebruiken als stierenvechten, vrouwenbesnijdenis, ganzentrekken en eerwraak. In al die gevallen klinkt er protest omdat er slachtoffers vallen. Dat is een belangrijk criterium, ook rondom de zwartepieten-kwestie. Het is niet goed als een traditie ten koste gaat van andere mensen of van dieren.

Tradities mogen en moeten dus met de tijd meegaan. Bij een samenleving in beweging horen tradities die dynamisch zijn. Dat blijkt niet alleen uit het verdwijnen of aanpassen van bestaande tradities, maar ook uit het gemak waarmee we nieuwe gebruiken importeren en omarmen, zoals Halloween, Oktoberfest, gender reveal party’s en Black Friday. Kennelijk zijn we heel flexibel; waarom dan ook niet met Sint en Piet?

Terug naar de Pieten in Zeist. Gelukkig gaat het al op veel plekken goed. Het zou nog fijner zijn als ook die laatste lokale verenigingen, clubs en comités gaan inzien dat Zwarte Piet niet meer van deze tijd is. In elke wijk en op elke club zijn er mensen die gekwetst worden door de aanwezigheid van stereotype Pieten. Daarom hoop ik dat Zwarte Piet dit jaar voor het laatst in Zeist heeft rondgelopen. Dan is het volgend jaar voor iedereen feest.

 

[1] Bij dit vers staat opmerkelijk genoeg een tekening met een witte Piet. Ik vermoed geen bewuste keuze, maar passend bij de stijl van de illustrator. Mijn vriend Onno Helle maakte alle illustraties in het boekje. Onno overleed helaas een paar jaar na het verschijnen van ons boek.

P.S.

Nog een keer de uitzending van Sesamstraat uit 1987 terugkijken?

 

De nieuwe baas van het verkeer

 

Er was eens een meneer die de baas van het verkeer wilde worden. Hij had radicale ideeën om een einde te maken aan alle verkeersproblemen in het land. Hij droomde dat er alleen nog maar witte auto’s op de weg zouden rijden. Dat zou zorgen voor minder files, minder parkeerproblemen en minder ongelukken. Hij beweerde dat auto’s met een andere kleur lelijk en slecht waren en dat hun eigenaren niet deugden en veel ongelukken veroorzaakten. Hij wilde de import van gekleurde auto’s helemaal verbieden. Er moest in eigen land een grote fabriek komen waarin alleen maar witte auto’s zouden worden gemaakt. Hij beloofde de mensen dat hij hen zou helpen om een witte auto te kopen, als hij de baas zou zijn. Mensen met een witte auto zouden minder geld voor benzine hoeven te betalen en ook minder wegenbelasting. Hij riep dat er met alleen witte auto’s minder parkeerproblemen en ongelukken zouden zijn. En minder files. Iedereen zou lekker hard kunnen scheuren op de snelweg. De maximum snelheid kon gerust omhoog naar 140 kilometer. Hybride en elektrische auto’s zou hij juist extra duur maken. Hij maakte zich namelijk totaal geen zorgen over het klimaat.

De meeste mensen vonden de plannen van de meneer maar raar. Veel autobezitters waren juist blij met hun groene, blauwe of rode auto. Die auto’s waren echt niet minder dan witte. Dus waarom de eigenaren van witte auto’s voortrekken en de mensen met een gekleurde auto dwarszitten? Dat was toch niet eerlijk! En moesten we juist niet ons best doen om het klimaat te redden? Deze mensen hoopten dat de meneer niet de baas van het verkeer zou worden.

Sommige mensen zagen de ideeën van de meneer wel zitten. Auto’s waren duur en met de hulp van de meneer zouden ze misschien toch een auto kunnen kopen. En een witte kleur vonden ze prima. Ze dachten vooral: als wij maar een auto hebben; desnoods ten koste van mensen met een gekleurde auto. Ook vonden ze  dat er inderdaad vaak gekleurde auto’s bij ongelukken betrokken waren. Bovendien: minder parkeerproblemen, minder files; wie wil dat nou niet!  En ach, het klimaat. Daar maakten zij zich niet druk over.

De meneer bleef jaar in jaar uit maar roepen dat gekleurde auto’s en hun eigenaren van de weg gehaald moesten worden. En hij bleef maar proberen om de baas te worden. Maar het mislukte keer op keer. Er waren andere meneren en mevrouwen die het voor het zeggen hadden. Zij wilden ook wel wat aan de files doen en aan de parkeerproblemen en de ongelukken. Maar niet ten koste van de eigenaren van gekleurde auto’s. Dat zou niet helpen. En dat vonden ze ook niet netjes. Ook probeerden zij iets voor het klimaat te doen. Deze meneren en mevrouwen deden hun best, maar vaak waren het kleine stapjes. En soms ging het ook mis. Dan zaten ze weer lang te overleggen en soms ook te kibbelen. Zonder goed naar de mensen in het land te luisteren. Op deze manier lukte het hen niet goed om alle verkeersproblemen op te lossen en iedereen tevreden te maken.

Steeds meer mensen in het land begonnen te mopperen. Vooral de mensen die geen geld hadden om een auto te kopen. Ze vonden dat ze niet serieus werden genomen. Daarom hoorde je steeds vaker mensen zeggen dat er misschien toch een ander soort verkeersbaas moest komen. En zo kreeg de meneer die al twintig jaar riep dat  alle verkeersproblemen te wijten waren aan de gekleurde auto’s opeens weer veel aandacht. Hij voelde dat nu eindelijk het moment was gekomen waarop hij de baas kon worden. Hij bleef vasthouden aan zijn witte auto-plan, maar beloofde de mensen dat hij ook vriendelijk zou doen voor de eigenaren van een gekleurde auto. Zouden de mensen hem geloven?

 

(beeld: Bibo Crafts)

Meerstemmigheid en buitenspel-partijen

Morgen mogen we weer naar de stembus. Er staan maar liefst 26 partijen op het stemformulier. Er valt dus heel veel te kiezen. Wat dat betreft ben ik blij dat wij geen tweepartijenstelsel hebben met een ‘the winner takes all’ principe. Een dergelijke zwart-wit opzet zie je ook bij referenda. Daarbij gaat het letterlijk om JA of NEE; meer smaken zijn er niet. Ik noem dat bipolaire politiek. Ik heb daar veel moeite mee. Bipolariteit bevordert het denken in termen van winnen en verliezen, het wij-zij denken, het monopoliseren van de waarheid. Een tweestrijd is prachtig voor media en opiniepeilers. Het levert, net als bij sportwedstrijden of thrillers, een spannende ontknoping op met een winnaar en een verliezer. Maar het land moet na de verkiezingen weer verder, terwijl de politieke tweestrijd de tegenstellingen juist heeft vergroot. In pluriforme systemen is er geen absolute winnaar, dus moet je overleggen, compromissen sluiten en coalities vormen. Stelling durven nemen, maar ook water bij de wijn kunnen doen. Politieke partijen moeten de verbinding met de burgers zoeken. Maar ook met elkaar. Politici en politieke partijen moeten daardoor hun eigen opvattingen kunnen relativeren en oog hebben voor alternatieve opvattingen. Dat draagt bij aan een goed functionerende democratie.

Toch kun je ook vraagtekens bij zo’n grote verscheidenheid aan partijen plaatsen. Het laat zien dat de samenleving zelf steeds meer gefragmenteerd en individualistisch is geworden. En dat mensen veel nadrukkelijker hun eigen belang voorop stellen en minder oog hebben voor bredere bewegingen en het algemeen belang. Ik denk dat de opkomst van nieuwe media met deze versplintering samenhangt. Social media en hun algoritmes dragen er aan bij dat iedereen luid zijn eigen mening verkondigt en weinig luistert naar andersgestemden.

Uiteindelijk moeten we met elkaar verder. Maar als iedereen zich fanatiek vastklampt aan zijn eigen gelijk schiet het niet op. Dat zal er ook toe leiden dat veel mensen na de verkiezingen teleurgesteld zullen zijn. Ofwel omdat de door hen gekozen partij geen of slechts een enkele zetel heeft behaald. Ofwel omdat de gekozen partij deel gaat nemen aan de regering en compromissen moet gaan sluiten. Beide uitkomsten zijn voor hard-liners en principiëlen waarschijnlijk moeilijk te verteren, maar in een land met zoveel partijen moet je bereid zijn om er samen uit te komen en compromissen te sluiten. Gelukkig maar, zou ik willen zeggen. Stel je voor dat één partij het helemaal voor het zeggen zou hebben.

Kortom, zonder pluriformiteit geen gezonde democratie. So far, so good. De vraag is alleen of deze pluriformiteit onbegrensd mag zijn. Wat moeten we doen met politieke partijen die opvattingen hebben die tegen bepaalde beginselen van onze democratische rechtsstaat ingaan? Die standpunten innemen die niet te verenigen zijn met onze Grondwet? Partijen die zich dus in feite niet houden aan een aantal van onze belangrijke democratische spelregels. Ik noem ze voor het gemak buitenspel-partijen; niet omdat ik ze buitenspel wil zetten, maar omdat zij zich zelf (ten dele) buiten de constitutionele orde plaatsen. Mogen die partijen wel meedoen aan verkiezingen? En mogen die partijen ook deel gaan uitmaken van de regering?

Ik zal niet snel een oproep steunen om een politieke partij te verbieden. Ik heb juist hierboven gezegd hoe belangrijk pluriformiteit is. Bovendien zijn vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting belangrijke rechtsgronden in onze samenleving. Ik denk dat het juist de kracht is van een democratie dat er ook fundamentele tegengeluiden geuit mogen worden. En het is ook belangrijk dat er naar deze stemmen wordt geluisterd.

Maar zo’n partij laten deelnemen aan een regering is voor mij een brug te ver. Een regering  moet het bredere, algemene belang dienen. Ministers en staatssecretarissen leggen niet voor niets een eed of gelofte af waarbij ze trouw beloven aan de Grondwet. Dit geeft aan dat er in een regering geen plaats kan zijn voor een partij met een programma dat strijdig is met de Grondwet. Als zo’n buitenspel-partij toch deel gaat uitmaken van de regering worden daarmee onze democratische spelregels en principes ondermijnd.

Politieke partijen die wel de deur voor regeringsdeelname van buitenspel-partijen openzetten geven zuurstof aan het ongrondwettelijke gedachtengoed. We hebben morgen dus veel te kiezen, maar ook veel te verliezen.

Doe het voor de kinderen: over Brian Eno, Israël en Gaza.

Een grote golf van pop-nostalgie spoelt over ons heen. We worden bedolven onder allerlei culturele manifestaties waarin oude helden uit de popmuziek centraal staan. Denk aan de tentoonstelling Unzipped over de Rolling Stones in het Groninger Museum, de documentaire Moonage Daydream over David Bowie, of de concerten van de Analogues die de muziek van de Beatles minutieus weten na te spelen. In navolging van de Analogues touren tientallen tribute-bands door het land die de muziek van hun muzikale idolen ten gehore brengen: van The Band en Ry Cooder tot de Bee Gees en Abba. Heerlijk herkenbaar voor 50-plussers die zich weer even tieners wanen en terugdenken aan hun vroegere schoolfeestjes, aan de posters op hun slaapkamers en aan de grijsgedraaide LP’s op hun pick-up.

Hoewel ik zelf liever luister naar originele muziekuitvoeringen dan naar tribute of cover-bands, moet ik toegeven dat ik in de afgelopen tijd ook een paar keer heb genoten van een ‘trip down memory lane’. Zo woonde ik een geweldig concert bij van Jett Rebel waarin hij alleen maar bekende oude nummers speelde en had ik het erg naar mijn zin bij de swingende theatervoorstelling ‘The Stones versus The Beatles’. Ik ben kennelijk ook gevoelig voor het nostalgie-virus.

In het verlengde van die positieve ervaringen heb ik vorige week het concert van Brian Eno in Utrecht bezocht. Ik zag zijn naam een paar maanden geleden in een aankondigingsbericht van Tivoli-Vredenburg staan en dacht meteen: daar wil ik naartoe. Brian Eno is voor het grote publiek misschien geen bekende naam, maar hij heeft met vele groten uit de popmuziek samengewerkt en heeft op talloze gebieden zijn sporen nagelaten: als lid van Roxy Music, als producent van o.a. David Bowie, de Talking Heads en Coldplay, als ‘uitvinder’ van ambient music en als componist zijn filmmuziek. Een zeer veelzijdige, baanbekende en interessante muziek-man. Het was een buitenkans om hem live te kunnen zien, want Eno treedt haast nooit op. Natuurlijk speelde ook hier een nostalgisch gevoel een rol, maar het ging me vooral om de wetenschap dat deze bijzondere muzikant en componist zelf zou optreden. Met een compleet symfonieorkest!

Het was een in meerdere opzichten indrukwekkend concert. De composities van Eno werden schitterend uitgevoerd. Ouder en nieuwer werk. Van heel klein tot bombastisch. Bijzonder genoeg kwamen de composities nog beter tot hun recht nu het kenmerkende elektronische geluid van Eno’s muziek grotendeels werd vervangen door strijkers en blazers. De orkestleden zaten niet op vaste plekken, maar liepen over het podium, in een choreografie die mooi aansloot op de muziek. Brian Eno was vanwege een stevige verkoudheid niet heel goed bij stem, maar zijn zang was niettemin overtuigend en indringend. Er hing betovering in de Grote Zaal.

Dat veranderde enigszins toen Brian Eno na een uur de microfoon pakte. Hij wilde zijn hart luchten. Hij vertelde dat hij diep is geraakt door de situatie in Gaza. In scherpe bewoordingen veroordeelde hij de harde lijn van de Israëlische regering en de laffe houding van zijn eigen Britse regering. Hij vroeg met klem aandacht voor de slachtoffers in Gaza en zei dat het volgende lied aan hen werd opgedragen. Toen iemand vanaf de tribune riep dat ook aan Israëlische kant slachtoffers te betreuren waren, zei Eno kort dat hij de song ook aan hen opdroeg. Op dat moment liepen een paar mensen de zaal uit. En hoewel de muziek na dit politieke statement ook prachtig was, leek de sfeer toch te zijn veranderd.

Na afloop gonsde het in de Tivoli-gangen van de reacties. Dat ging natuurlijk over het concert (de superlatieven waren niet van de lucht) , maar zeker ook over de politieke uitspraken van Eno. Sommigen meenden dat hij te eenzijdig de Palestijnen had benoemd. Anderen vonden het jammer dat hij zich überhaupt had uitgesproken. Weer anderen waren juist blij met zijn statement. Ook mijn vrouw en ik waren vol van deze bijzondere avond en hebben er nog meerdere keren over nagepraat.

Ik voelde me aangesproken door Brian Eno, ook al had hij wat mij betreft ook de pijn aan Israëlische zijde duidelijker mogen benoemen. Ik waardeer het feit dat hij zijn zorgen en frustratie deelde over dit urgente maatschappelijke drama. Ook dat deed me aan vroeger denken. Internationale popmusici als John Lennon, Bob Dylan, U2, Stevie Wonder en Bob Marley (om er maar een paar te noemen) spraken zich ook veelvuldig uit over maatschappelijke kwesties. In hun songs, tijdens optredens en via de media. Zoals Boudewijn de Groot, Bram Vermeulen en Bots dat in Nederland deden.

Het laat zien dat je als artiest, als kunstenaar niet in een isolement leeft, maar onderdeel uitmaakt van een wereld die mooie en lelijke kanten heeft. Dat mag doorklinken in je werk en je publieke optreden. Maatschappelijk engagement, heette dat in de jaren ’70. Het roept vragen op, het schuurt soms en leidt vaak tot discussies.

Brian Eno zette mij aan het denken. In de kern was zijn boodschap: we kunnen meer doen dan machteloos toekijken; laat van je horen! Ik voel die enorme machteloosheid ook als ik al die verschrikkelijke beelden op televisie zie. Vooral als het om kinderen gaat. Wat kan ik doen?  Demonstreren? Een brief sturen naar Rutte? Een vlag ophangen; en welke dan? Ik ben niet zo’n actievoerder en ik heb ook niet zo’n groot podium als Brian Eno.

Ik heb vroeger versjes voor mijn kinderen geschreven. Sommige zijn ook gepubliceerd. En nu ik kleinkinderen heb ben ik opnieuw begonnen met schrijven. Omdat ik vooral met woorden werk heb ik geprobeerd om mijn zorgen over het bloedige conflict in Israël en de Palestijnse gebieden (en over de strijd in Oekraïne, Jemen, Soedan) in een tekst te vatten. Hierbij heb ik vooral gedacht aan alle onschuldige kinderen, aan beide kanten van de strijd, die zo hard getroffen worden. Een mini-geluid tegenover oorverdovend wapengekletter.

 

Doe het voor de kinderen

 

Staak het vuren. Doof de haat

Breek de golven van het kwaad

Hekel alle oorlogswoorden

Stop het vechten en het moorden

 

Staak het vuren. Doof de haat

Haal de wapens van de straat

Laat de strijders huiswaarts keren

Leer elkaar te respecteren

 

Kies voor vrede. Geef een hand

Schuif de boosheid aan de kant

Laat de kinderen buiten spelen

Zorg dat alle wonden helen

 

Kies voor vrede. Geef een hand

Gun elk volk een eigen land

Deel elkaars verdriet en wensen

Anderen dat zijn ook mensen

 

 

 

 

Nooit meer slapen. Nog eens lezen.

 

Ik lees boeken zelden voor een tweede keer. Na lezing krijgt een boek een plaatsje in de boekenkast. Af en toe haal ik een exemplaar nog eens tevoorschijn om iets op te zoeken of na te kijken. Maar haast nooit pak ik een boek om het opnieuw te lezen. Een paar maanden geleden kreeg ik bij het afscheid van mijn werk een boek cadeau dat ik al eens had gelezen: Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans. De collega die het me gaf zei ‘je kent het vast al, maar het is echt de moeite waard om het nog een keer te lezen. Het zal je plezier doen’.

Ik had het boek inderdaad als scholier gelezen, maar nooit meer herlezen. In mijn boekenkast stond nog een beduimeld exemplaar dat ik ooit voor 2 gulden op het Waterlooplein had gekocht. Toen ik het boek uit de kast pakte kwamen er automatisch herinneringen uit mijn schooltijd naar boven: de leraar Nederlands met zijn vreemde bril, mijn klasgenoten, de spreekbeurt die ik over Hermans heb gehouden. Bijzonder hoe een fysiek voorwerp je geheugen zo kan activeren. Al bladerend zag ik hier en daar nog een hanepoterige aantekening van me staan. Ook trof ik een kassabon van V&D aan die ik kennelijk als boekenlegger had gebruikt. Een aankoopbon van de langspeelplaat Young Americans van David Bowie. Dat riep nog meer herinneringen op: schoolfeesten, dansen, zoenen.

Hoe zouden scholieren tegenwoordig hun boeken lezen? Doen zij alles vanaf hun scherm? Of kiezen zij ook nog voor het papieren boek, met de mogelijkheid om na tientallen jaren daarin nog oude krabbels en bonnetjes aan te treffen? En herinneringen op te halen? Ik zou het wel weten.

Bijna 50 jaar na dato, heb ik dus een gloednieuwe versie van Hermans’ klassieker in handen. Ik herinner me van vroeger alleen nog de grote lijn: een jonge geoloog die naar Noorwegen afreist om onderzoek te doen. Een weinig succesvolle tocht vol struikelpartijen, muggen en teleurstellingen. Als ik het boek opnieuw ga lezen komt het verhaal weer helemaal tot leven. Ik merk dat ik veel details ben vergeten. Dat is logisch. Maar tot mijn verbazing staan mij ook een paar belangrijke personen en passages niet meer bij: het gelovige zusje Eva, de luchtfoto’s, de dood van Arne, de ontmoeting met het Amerikaanse stel ‘Fred en Wilma Flintstone’.

Ik word weer gegrepen door de schrijfstijl van Hermans. De manier waarop hij pagina’s lang de vele beproevingen tijdens de barre tocht bijna tastbaar maakt. De diverse inzichten die hij optekent in de dialogen tussen de hoofdpersonen, over uiteenlopende onderwerpen: Wittgenstein, de wetenschap, de komst van slimme computers (in een boek uit 1966!), de Noorse taal, etc. De mooie invallen en pareltjes die ik overal in het boek tegenkom: ‘oude mensen slijten harder dan hun kleren’,  ‘er zou eigenlijk een wet moeten bestaan dat trams niet mochten komen in een stad van hout’,  ‘toen moest alles nog mislukken’, ‘sneeuw betreden waarop nog geen sterveling een voet heeft gezet, dat kan ’s winters iedereen doen in zijn achtertuintje’.

Ik merk dat ik het boek met andere ogen lees dan 50 jaar geleden. Destijds keek ik meer naar de letterlijke tekst van Hermans, de feitelijke gebeurtenissen en ontmoetingen. Nu lees ik meer tussen de regels door. Wat zou Hermans willen zeggen? Wat is de achterliggende betekenis? Als 16-jarige vond ik Alfred Issendorf, de hoofdpersoon, een onhandige stuntelaar die met zijn zoektocht volkomen de mist in was gegaan. Geen spoortje bewijs gevonden. Missie mislukt. Maar nu denk ik dat het juist een waardevolle, louterende ervaring is geweest. Alfred weet uiteindelijk op eigen kracht, vertrouwend op zijn inzichten en instincten uit een moeilijke situatie te komen. Hij was aanvankelijk vertrokken om bewijs te vinden voor een hypothese van zijn hoogleraar. En zijn moeder hoopte dat hij in de voetsporen zou treden van zijn jong overleden vader. Hij ging dus vooral op reis om aan de hooggespannen verwachtingen van anderen te voldoen. Dat is inderdaad niet gelukt, maar hij heeft de tocht wel voltooid; op zijn eigen manier. Alfred zal dankzij deze tocht lessen voor het leven hebben geleerd. En dat is veel waard. De slotregels van het mooie gedicht Ithaca van de Griekse schrijver Kavafis sluiten hier goed op aan:

En al tref je er niets aan, dan heeft ze je toch niet bedrogen:
met alle wijsheid die je vergaard hebt, met zoveel ervaring,
begrijp je dan stellig wat Ithaca’s zeggen willen.

Niet voor niets wordt er op meerdere plaatsen in het boek gerefereerd aan ontdekkingsreizen. Dit is de eerste grote expeditie van Alfred.

Deze tweede keer heeft het boek dus een andere indruk achtergelaten dan destijds. Op praktisch gebied komt dat misschien omdat ik inmiddels zelf meerdere keren in Noorwegen ben geweest. Ik herken de beschrijvingen van muggen, fjorden, meren, klaarlichte nachten en het huis van Grieg. Zodoende roepen de beelden van Hermans nu herinneringen en ervaringen op die ik als scholier nog niet had. Ook heb ik meegemaakt hoe het is om aan een promotie-traject te beginnen. Voor wie doe je dat eigenlijk? En wat levert het op? Gelukkig zijn mijn ervaringen op dat gebied positiever dan die van Alfred.

Maar het belangrijkste is dat ik door de jaren heen heb geleerd dat alle ervaringen in je leven, ook de mislukkingen en de dalen, van betekenis kunnen zijn. Je hebt maar één leven en je kunt het niet over doen. Je hebt het ermee te doen. In de woorden van Hermans: “Niemand kan tweemaal op hetzelfde punt beginnen. Elk experiment dat niet herhaald kan worden is helemaal geen experiment. Niemand kan met zijn leven experimenteren. Niemand hoeft zich te verwijten dat hij in den blinde leeft.” Ik zou daar aan willen toevoegen: we weten niet altijd wat een verstandige volgende stap is, maar het zou onverstandig zijn om niet van je vorige stappen te leren.

Zo ben ik blij dat ik voor de tweede keer dit prachtige boek heb gelezen. Ik heb me voorgenomen voortaan vaker in mijn boekenkast te kijken en een boek ‘van vroeger’ te herlezen. Eigenlijk ook helemaal niet zo gek. Ik leg per slot van rekening soms ook nog Young Americans van David Bowie op de draaitafel.

 

Jürgen Habermas laat weer van zich horen. Over het belang van dialoog en democratie.

 

Habermas? Leeft-ie dan nog?

Dat was mijn eerste, weinig respectvolle reactie toen ik een klein jaar geleden hoorde dat deze gezaghebbende Duitse filosoof een nieuw boek had gepubliceerd. Wat blijkt? Habermas is springlevend en laat nog steeds van zich horen, ook al is hij de 90 jaar gepasseerd.

 

Ik kwam ruim 45 jaar geleden[1] tijdens mijn studie Politicologie in aanraking met het denken van Jürgen Habermas. Habermas schreef over democratie, openbaarheid en media. Zijn artikelen en boeken spraken me inhoudelijk erg aan, maar het kostte me veel moeite om zijn teksten goed te doorgronden. Pagina’s vol abstracte formuleringen in hermetisch Duits. Ik moest iedere zin een paar keer herlezen. Een van zijn bekendste werken, Theorie des kommunikativen Handelns, omvatte maar liefst 1200 pagina’s van dit soort zware kost. Het boek kreeg al gauw de bijnaam ‘het blauwe monster’. In die tijd keken we als studenten dan ook reikhalzend uit naar meer toegankelijke vertalingen en samenvattingen van Habermas’ werk.[2]

Het ‘blauwe monster’

De Nederlandse samenvatting van Kunneman die ik in 1984 aanschafte

Habermas bepleit in zijn werk, heel beknopt gezegd, het streven naar een machtsvrije dialoog tussen burgers, om zo in gezamenlijkheid tot goede openbare menings- en besluitvorming te komen. Habermas ziet dat als een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van een gezonde democratische samenleving. Waar in vroeger eeuwen de macht van vorsten werd gelegitimeerd door een goddelijke grondslag (de vorst was de plaatsvervanger en woordvoerder van God op aarde), zorgden de Verlichting en de Franse revolutie voor een radicale ommekeer. Niet God en de vorst, maar de burgers zelf moesten de dienst gaan uitmaken. Goddelijke soevereiniteit werd volkssoevereiniteit.[3] In de woorden van Habermas: “Omdat in de moderne samenlevingen de legitimerende kracht van het geloof in de goddelijke roeping van de heersende dynastieën niet langer toereikend was, moest het democratische systeem zich als het ware vanuit zichzelf legitimeren”.

Politieke denkers en filosofen uit die tijd hielden zich bezig met de vraag hoe dat alles vorm moest krijgen. John Locke en Jean-Jacques Rousseau propageerden in dat verband een ‘sociaal contract’[4]. In dat contract zouden rechten en plichten van burgers moeten worden vastgelegd. Dergelijke denkbeelden zag je later concreet terugkomen in de komst van nationale parlementen en grondwetten. Nieuwe instituten en spelregels van jonge, 19e eeuwse democratische natiestaten.

Een paar eeuwen later borduurt Habermas op Locke en Rousseau voort. In zijn publicaties (vooral die uit de tweede helft van de 20e eeuw) schetst hij het belang van een open, democratische publieke sfeer. Mensen moeten zonder druk en dwang op basis van argumenten met elkaar overleggen hoe zij maatschappelijke vraagstukken zouden willen aanpakken en oplossen. Hierbij moet het algemeen belang centraal staan. Habermas spreekt in dit verband van communicatieve rationaliteit. Dialoog die leidt tot redelijke besluitvorming.

Hierbij formuleert Habermas twee principes:

  1. Inclusie: alle betrokkenen moeten als gelijkwaardige deelnemers aan het politieke besluitvormingsproces kunnen deelnemen
  2. Deliberatie: het discursieve karakter van de overlegvormen moet waarborgen dat de besluitvorming is gebaseerd op de kracht van argumenten

Habermas waarschuwt daarbij voor actoren die de publieke ruimte bedreigen: kapitalistische bedrijven die niet het algemeen belang maar het eigen gewin centraal stellen, staten die zich teveel macht toe-eigenen, massamedia die een loopje nemen met de waarheid. Anders gezegd, een dergelijke deliberatieve democratie kan alleen gerealiseerd worden als de markt, de staat en de media hiervoor de ruimte bieden. En Habermas stelt dat die ruimte in toenemende mate onder druk is komen te staan. De leefwereld van mensen wordt steeds meer ‘gekoloniseerd’ door het technocratisch-economisch opereren van bedrijven en overheden, waarbij efficiency en controle centraal staan en de menselijke maat uit het oog wordt verloren. Let wel, Habermas schrijft hier al decennia geleden over, bij de opkomst van het neo-liberalisme in het Reagan-Thatcher tijdperk. We zien tegenwoordig meerdere negatieve gevolgen van de doorgeslagen marktwerking en privatisering.

En nu is er dus een nieuw boek van Habermas. Met de indrukwekkende titel: Ein neuer Strukturwandel der Öffentlichkeit und die deliberative Politik. Het is een eigentijds vervolg op zijn (vrijwel) gelijknamige boek uit 1962[5]. Natuurlijk wilde ik het graag lezen en net als in mijn studententijd heb ik gewacht tot er (in de loop van 2023) een Nederlandse vertaling beschikbaar was. Tot mijn opluchting ontdekte ik dat het slechts om een dun boekje ging, met een nog kleinere kerntekst van 60 pagina’s. Tijdens het lezen raakte ik opnieuw in de ban van Habermas. Misschien zelfs nog wat meer dan vroeger. Want destijds was ik als student politicologie vooral geïnteresseerd in politieke procedures en instituties. Maar sindsdien heb ik ruim 35 jaar als docent communicatie gewerkt en ben ik me juist ook in communicatieve processen gaan verdiepen. Bij Habermas komen beide interessegebieden samen: het politieke en het communicatieve.

In zijn nieuwste boek plaatst Habermas zijn belangrijkste thema’s (publieke sfeer, open discours, deliberatieve democratie) in de tegenwoordige tijd. Hij schetst daarbij de hedendaagse kansen en bedreigingen die door digitalisering en het wijd verbreide gebruik van social media zijn ontstaan. Voor een open gesprek en een vrije uitwisseling van gedachten is een goede informatievoorziening noodzakelijk. Betrouwbare media zijn daarbij een belangrijke voorwaarde. Bij ‘klassieke’ massamedia (radio, dagbladen, televisie) zorgen professionals aan de hand van journalistieke beroepscodes voor de selectie en presentatie van nieuwsberichten. In de woorden van Habermas functioneren zij als “gatekeepers voor de informatiestromen waaruit de burgers hun publieke opinie destilleren”.

Habermas stelt zich de vraag hoe dat nu werkt in de huidige tijd van social media. Deze platform-media zorgen ervoor dat iedereen “het lege raamwerk met eigen communicatieve content” kan invullen. Daar gaat een enorm egalitaire werking vanuit. Op deze nieuwe sociale platforms is iedereen auteur. Habermas ziet dat als een potentieel pluspunt. In principe maakt dit het makkelijker voor iedereen om aan het maatschappelijke debat deel te nemen. Maar Habermas ziet ook schaduwzijden. Social media worden inhoudelijk niet gereguleerd. Iedereen kan posten wat hij/zij wil. Ophef en sensatie leveren meer views en likes op dan genuanceerde beschouwingen en achtergrond-analyses. Habermas wijst daarbij op het gevaar van de vorming van echokamers en filterbubbels.[6] Versterkt door de sturende kracht van algoritmes (en het commerciële verdienmodel daarachter) ontmoeten gebruikers van social media vooral gelijkgestemden en ontvangen zij met name berichten die hun eigen meningen en opvattingen bevestigen. Bovendien is de kans op het verspreiden van nepnieuws op social media groter, omdat er geen inhoudelijke controle plaatsvindt.

Habermas wijst ook op een bij-effect van de populariteit van nieuwe media: de klassieke media komen onder druk te staan. In een poging om de concurrentie met social media het hoofd te bieden signaleert hij een neiging om in de berichtgeving meer aandacht te besteden aan emoties en vermaak.[7] Dat gaat ten koste van de gedegen, evenwichtige informatievoorziening die bij kranten, radio en televisie van oudsher meer was gewaarborgd. Aan de andere kant ziet hij ook dat er nog steeds een markt is voor kwaliteitsmedia. Juist door het gedegen journalistieke werk en de ruimte voor achtergrondverhalen. Dit bleek ook in corona-tijd; in tijden van crisis of grote maatschappelijke onrust neemt de waardering voor en het gebruik van kwaliteitsmedia als betrouwbare bron van informatie toe.[8]

Habermas’ slotwoord is duidelijk. De nieuwe platforms moeten inhoudelijk aansprakelijk worden gesteld voor de nieuwsberichten en meningen die worden gedeeld, ook al worden deze niet door de platforms zelf geproduceerd. Hij maakt hier een belangrijk en cruciaal punt van, met een beroep op de grondwet. Als wij met elkaar een goed functionerende democratische samenleving nastreven, dan is het een “grondwettelijke verplichting om een mediastructuur in stand te houden die het inclusieve karakter van de openbaarheid en het deliberatieve karakter van de openbare menings- en wilsvorming mogelijk maakt”.

Kijk, dat is nog eens een statement. Vrij vertaald: fijn dat iedereen op Facebook, X en TikTok kan doen en laten wat hij/zij wil, maar dat ontslaat dergelijke platforms niet van de verantwoordelijkheid om alle content goed te redigeren. Gebruikers zijn niet alleen consumenten, maar ook burgers. En burgers in een democratie moeten kunnen beschikken over goede, pluriforme, betrouwbare informatie.

Als je het zo op een rijtje zet, zijn die teksten van Habermas misschien moeilijk te doorgronden, maar z’n principes zijn klip en klaar. Volgens sommige critici is het erg naïef om te denken dat burgers in een machtsvrije context tot gemeenschappelijke besluitvorming zouden kunnen komen. Voor anderen is het werk van Habermas juist te radicaal, te kritisch ten opzichte van de vrije markteconomie.

Het denken van Habermas biedt mij een relevant raamwerk waarbinnen de krachten van staatsmacht, media en markt in samenhang worden gepresenteerd en waarbij factoren die de democratie verbeteren of belemmeren worden benoemd. En zolang er geen beter alternatief voor de democratie is bedacht, hebben we veel baat bij denkers die aangeven hoe we de democratie en de grondrechten van burgers kunnen bewaken en versterken. Dat geldt zeker voor denkers van boven de 90 jaar die zelf aan den lijve hebben ervaren hoe het is om in een wrede, moorddadige dictatuur te leven.

Vielen Dank, Jürgen Habermas!

 

NASCHRIFT:

Ik heb na publicatie van dit bericht meerdere reacties op LinkedIn ontvangen. Mensen vroegen mij hoe sociale media adequaat hun content zouden kunnen modereren en redigeren. Op 3 oktober trof ik een interessant opiniestuk van Haydee Sheombar in NRC aan dat precies op die vraag ingaat:

https://www.nrc.nl/nieuws/2023/10/03/stel-dezelfde-eisen-op-sociale-media-als-in-de-echte-wereld-a4176060

 

 

[1] Vele jaren later kwam ik opnieuw in aanraking met het werk van Habermas. Dat was tijdens mijn promotie-onderzoek naar de invloed van media op de publieke opinie ten aanzien van de EU. Habermas toonde zich een warm pleitbezorger van een Europese Grondwet en van verdere versteviging van de democratische grondslag van de EU.

[2] Een bekend voorbeeld is de samenvatting die Harry Kunneman begin jaren ’80 schreef: Habermas’ theorie van het communicatieve handelen; een behapbaar boek van 150 pagina’s.

[3] Zie o.a. Ger Groot in zijn prachtige boek De geest uit de fles (Inleiding).

[4] Pieter Omtzigt toont zich met zijn partij Nieuw Sociaal Contract in zekere zin een navolger van Rousseau.

[5] Strukturwandel der Öffentlichkeit

[6] Diverse onderzoeken naar het bestaan van echokamers leveren verschillende uitkomsten op. Sommige onderzoekers zien dezelfde fragmentering die Habermas signaleert. Anderen laten resultaten zien die de werking van echokamers juist relativeren (zie ook: https://rcommunicationr.org/index.php/rcr/article/view/94 )

[7] In een recent artikel van Rob Wijnberg (de Correspondent) wordt deze tendens duidelijk geïllustreerd: https://decorrespondent.nl/14821/hoe-onze-mediacratie-een-wantrouwenmachine-werd/9b8b7d0e-a48a-0b91-01d4-82ddb456a256

[8] Veel van deze thema’s komen ook ruim aan bod in de laatste edities van het boek De Media-Explosie van (oud-collega) Kees van Wijk. Ik heb in de 5e en 6e druk van dit boek aan meerdere hoofdstukken meegeschreven.

In den beginne was het Woord: over de vele parallellen tussen communicatie en christendom

 

Ik ben opgegroeid in een Nederlands-Hervormd gezin. We gingen naar de kerk, er werd uit de Bijbel gelezen en ik zat op een protestants-christelijke lagere school. Ik heb geen strenggelovige jeugd gehad. Mijn ouders waren, zeker voor die tijd,  behoorlijk vrijzinnig en maatschappelijk betrokken. Er werd veel gepraat, gelezen en geschreven. Mijn vader was godsdienstdocent, hield lezingen en publiceerde boeken en artikelen. Mijn moeder schreef bijbelliederen voor kinderen en heeft daar (in christelijke kringen) grote bekendheid mee verworven.[1]

Woorden deden er dus toe. Voor mijn ouders was het vinden van de juiste woorden van groot belang. Een tekst, een lezing, een lied moest inhoudelijk verantwoord zijn en daarbij aansprekend voor het publiek. Dat is mij met de paplepel ingegoten. Je zou kunnen zeggen dat mijn ouders mij al op jonge leeftijd met woorden lieten spelen.

Ook al ben ik niet meer gelovig, die traditie zit toch in me. Of zoals Louis van Dijk ooit zei: “een hervormde onderbroek krijg je nooit meer uit”. De liefde voor taal en de belangstelling voor allerlei maatschappelijke ontwikkelingen zijn diep in mij verankerd. In die zin is het niet verwonderlijk dat ik na de middelbare school voor de studie Politicologie koos en daarna decennia heb gewerkt als docent Communicatie.

Ik heb deze aanloop nodig om aan te kunnen geven dat de onderwerpkeuze van deze tekst niet uit de lucht is komen vallen. Ik zie namelijk opvallende parallellen tussen veelgebruikte communicatie-termen en woorden die we kennen vanuit de Bijbel en het christelijk geloof. Ik heb er een aantal op een rij gezet.

Laten we beginnen met het woord communicatie zelf. Het is sterk verwant met de term ‘communie’ of ‘heilige communie’ zoals we die kennen in de rooms-katholieke kerk. Deelnemers worden communicanten genoemd. De basis van deze woorden is het Latijnse communis, wat gemeenschappelijk/gezamenlijk betekent. Bij communicatie en bij de communie draait het om delen, samen, deelgenoot worden.

Bij communicatie hoort natuurlijk ook een zender. Ik spaarde vroeger zilverkleurige melkflesdoppen voor de zending. Later werden dit kwartjes en dubbeltjes. Op school stond een miniatuur-kerkje. Als je daar een muntje in deed ging er een belletje rinkelen. De opbrengst ging naar een zendeling die ergens in Afrika of Azië het christelijk geloof probeerde te verspreiden. Er kan me nog de tekst van het Zendingslied herinneren dat we in die tijd zongen:

‘Roept uit aan alle stranden.

Verbreidt van oord tot oord.

Verkondigt alle landen.

Het evangeliewoord’ [2]

Zenden, verspreiden, verkondigen; allemaal werkwoorden die we zowel in de communicatie als in christelijke kringen voortdurend tegenkomen.

In katholieke kring wordt niet over zending gesproken, maar over missie. Dat is natuurlijk een begrip dat ook in communicatiekringen volop wordt gebruikt, maar in een iets andere zin. Hoewel de definities in de vakliteratuur nogal uiteenlopend zijn, kun je stellen dat het bij een missie gaat om wat een organisatie naar buiten toe wil uitdragen. Het Latijnse woord mittere betekent dan ook ‘uitzenden’. Dat verklaart meteen de overeenkomst van het woord missie met de woorden zenden/zending/zender.

Ook het Bijbelse woord apostel heeft een link met het woord zender of zenden. Het Griekse werkwoord apo-stellein betekent wegzenden. Een apostel is dus iemand die weggezonden wordt om elders het geloof te verkondigen. Tegenwoordig zouden we dat een influencer noemen.

Naast zenders kennen communicatieprocessen natuurlijk ook ontvangers. Ook hierbij komt er weer een lied van vroeger bij me op:

‘Hoe zal ik u ontvangen

Hoe wilt gij zijn ontmoet’

In de kerk zijn de leden van de gemeente de ontvangers. Zij ontvangen de zegen aan het einde van de dienst en zij ontvangen de gaven van wijn en brood als ze deelnemen aan het Avondmaal, de communie.

Het woord boodschap is een centrale term voor communicatieprofessionals en voor christenen. Het uit het Grieks afgeleide woord evangelie (ook te vinden in het tekstfragment van Nicolaas Beets hierboven) betekent letterlijk goede of blijde boodschap[3]. Ons woord engel stamt uit dezelfde Griekse bron. Engel (angelos) betekent boodschapper. De kern van communicatie en van het geloof is de boodschap; datgene wat je wilt delen of overbrengen.

De barmhartige Samaritaan door Vincent van Gogh

Als we het hebben over de boodschap komen we in de communicatie-literatuur al snel het woord storytelling tegen. Je moet je verhaal een bepaalde vorm en opbouw geven om het aan te laten slaan. In het nieuwe testament staan vele tot de verbeelding sprekende verhalen van Jezus die gelijkenissen worden genoemd. Denk aan de bekende verhalen over de zaaier of de barmhartige Samaritaan. Jezus probeerde aan de hand van herkenbare vertellingen en vergelijkingen zijn ideeën op zijn volgers over te brengen. Pure storytelling!

Communicatieprofessionals treden vaak namens een organisatie op als woordvoerders of voorlichters.  Ook hier is een vergelijking met de Bijbel te maken. In het oude testament staan meerdere bijbelboeken die naar profeten genoemd;  denk aan Jesaja, Jeremia, Jona, Habakuk. Profeten zijn ‘geroepen om het woord van God te verkondigen’. Het woord profeet heeft een Griekse oorsprong en betekent, vrij vertaald, voor-zegger.  In die zin zou je profeten kunnen beschouwen als de voorlopers van de hedendaagse woordvoerders.[4]

Het modewoord purpose (volgens sommigen een jeukwoord) verwijst naar de identiteit van een organisatie; waar een organisaties voor staat. Dat heeft alles te maken met zingeving en natuurlijk draait het in het geloof ook om zingeving en betekenis. Justin Bieber illustreert dit op duidelijk wijze met zijn lied Purpose:

‘I put my heart into your hands
Here’s my soul to keep
I let you in with all that I can
You’re not hard to reach
And you bless me with the best gift
That I’ve ever known
You give me purpose
Yeah, you’ve given me purpose’

 

Ook op een andere manier kun je verbanden zien tussen communicatie en het christelijk geloof. Ik noem daarbij twee grote namen uit het communicatievak die een duidelijke link hebben met het geloof.[5]

Anne van der Meiden was een van de grondleggers van het communicatievak in Nederland. Hij studeerde theologie en werd predikant. Daarnaast verdiepte hij zich ook in de communicatie. Uiteindelijk werd hij hoogleraar massacommunicatie en public relations. Hij was een veelgevraagde spreker, die zowel op de kansel als tijdens communicatiecongressen zijn publiek mateloos wist te boeien.[6] Na zijn pensionering vertaalde hij de Bijbel in het Twents, zijn streektaal. Je zou Anne van der Meiden als de verpersoonlijking van de band tussen communicatie en het christelijke geloof kunnen zien.

Ook Betteke van Ruler, de grande dame van de communicatie, heeft christelijke wortels. Haar vader was een bekende theoloog naar wie ze is vernoemd, A.A. van Ruler. In een interview met het Reformatorisch Dagblad vertelt ze dat ze afstand heeft genomen van het geloof, maar dat zij net als haar vader graag mensen wil pakken met een boodschap, ze wil laten nadenken.[7]

 

Al met al zijn er dus vele parallellen te vinden tussen communicatie en christendom. Dat is natuurlijk niet verwonderlijk in een land dat al eeuwenlang een christelijke traditie kent. En het is ook niet verbazingwekkend voor een vakgebied waarin het draait om uitwisselen, overtuigen en het geven van betekenis.

Ik begon dit verhaal met een persoonlijke noot en wil daar ook mee eindigen. Voor mij gaat het bij communicatie in de kern om het realiseren van betekenisvolle ontmoetingen. Ik heb dit in mijn blogs meermalen aangegeven. Wie weet dat die invulling is ingegeven door de naam van het kerkgebouw dat in het dorp van mijn jeugd stond: de Ontmoetingskerk.

 

 

[1] Ik heb in eerdere blogteksten stilgestaan bij het leven en werk van mijn ouders; zie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2179 en http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=1156

[2] Deze tekst is geschreven door de bekende 19e eeuwse dichter Nicolaas Beets.

[3] In het oud-Grieks: ευαγγελιον (eu angelion)

[4] In een reactie op mijn tekst geeft Paula Zweekhorst aan dat we Aäron kunnen beschouwen als de oudst bekende woordvoerder. In het boek Exodus staat beschreven hoe hij zijn broer Mozes, die niet zo welbespraakt was, bijstaat en namens hem het woord voert.

[5] Er zijn vast nog meer bekende com-profs met aanwijsbare christelijke roots, maar ik heb niet ieders doopceel gelicht.

[6] Van der Meiden voelde zich op ieder spreekgestoelte thuis. Het Griekse woord voor sprekersplatform is Logeion, de naam van de Nederlandse beroepsvereniging voor communicatie.

[7] https://bettekevanruler.nl/interview-in-het-reformatorisch-dagblad-9-december-2016/

Parlez-vous français?

Toen ik als kind voor het eerst naar Frankrijk op vakantie ging, leerde mijn vader mij twee woordjes: Oui en Non. Daarmee zou ik me als 6-jarige voldoende moeten kunnen redden, vond hij. Ik moest dan wel het juiste woord op het juiste moment zeggen. Hij illustreerde dat met een Sam en Moos grapje.

Sam en Moos gingen naar Parijs. Sam zei tegen Moos dat je overal ‘oui’ moest zeggen; dat was beleefd. In een café kwamen ze een vervelende man tegen die hen boos aankeek. ‘Zoeken jullie soms ruzie met mij?’, vroeg de boze man in het Frans. Moos antwoordde glimlachend ‘oui’ waarna hij een klap in zijn gezicht kreeg. Geschrokken gingen ze naar buiten. Misschien kun je voortaan maar beter ‘non’ zeggen, raadde Sam aan. De volgende dag kwamen ze de kwaaie Fransman op straat tegen. “Heb je nog niet genoeg klappen gehad?”, riep hij naar Moos. Waarop Moos ‘non’ zei en opnieuw een oplawaai kreeg.

Ik weet niet of deze mop pedagogisch gezien verantwoord was. Ik durfde in ieder geval tijdens die vakantie niet heel duidelijk ‘oui’ of ‘non’ tegen Franse speelkameraadjes te zeggen. Bang dat ik ook klappen op zou lopen.

Sindsdien heb ik Frankrijk tientallen keren bezocht en is mijn woordenschat, mede dankzij de goede basis die ik op de middelbare school heb gekregen, er fors op vooruitgegaan. Tijdens mijn laatste bezoek aan Frankrijk, een paar weken geleden, viel het me op dat je steeds dezelfde begrippenparen tegenkomt. Ik heb daar een overzicht van gemaakt, als een uitgebreide 2.0 versie van het simpele Oui-Non lesje uit mijn kindertijd. Iedere toerist, ook als hij de Franse taal niet echt machtig zijn, zou zich aan de hand van deze duo-woorden redelijk wegwijs moeten kunnen maken.

Als je voor een deur staat poussez tirez
Als je op het terras zit du vin rouge du vin blanc
Als je de weg kwijt bent à gauche à droite
Als je onder de douche staat chaud froid
Als je een glaasje water wilt plat pétillant
Als je een bezienswaardigheid bezoekt ouvert fermé
Als je een steak bestelt à point saignant
Als je nodig moet femmes hommes
Als je wilt weten wat voor weer het wordt pluie soleil
Als je op de snelweg rijdt bouchon fluïde
Als je iemand groet bonjour au revoir
Als je op zoek bent naar jezelf[1] être avoir

 

Tot zo ver deze spoedcursus. Je zou je met deze basislijst een beetje moeten kunnen redden als je Frankrijk bezoekt. En mocht dat toch niet lukken, dan kun je steeds vaker ook met Engels uit de voeten. Dat is echt een groot verschil met vroeger. Tegenwoordig spreken veel Fransen, met name de jongeren, ook Engels. Vaak met een charmant accent! Parlez-vous anglais? Oui? Non?

 

[1] Ik schreef bijna 10 jaar geleden een blog over être en avoir. Zie: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=366

 

Strandpalen: fotogenieke symbolen van tijd en ruimte

 

Wij kennen de ruimte niet. Wij zien haar niet, we horen haar niet, wij voelen haar niet. Wij staan er middenin, wij maken er zelf deel van uit, maar wij weten niets van haar. Ik kan de afstand meten tussen die boom en mij zelf, maar als ik zeg “drie meter”, dan openbaart dat getal niets van het mysterie. Ik zie slechts begrenzingen, afbakeningen, ik zie niet de ruimte zelf. De ruimte blijft ondoorgrondelijk; een wonder.

(M.C. Escher, 1963)

 

Ik ga graag naar zee. Om te zonnen, te zwemmen, te luieren. Om met mijn voeten in het zand een cappuccino of een cocktail te drinken. Maar ik ga vooral naar zee om te wandelen. Niets zo ontspannend als het lopen langs de vloedlijn met het eindeloze uitzicht over het water. Frisse zeewind in mijn haren, het geruis van de branding in mijn oren. 25 jaar geleden ben ik dat geregeld gaan doen. Op woensdagochtend. De kinderen naar school en ik een paar uur vrij.

Het is tijdens die uitstapjes dat ik strandpalen begon te fotograferen. Ze vielen me op door hun robuuste, eerlijke verschijning. Prachtig hout dat door de elementen is aangetast. Verweerd als het hoofd van een oude visser.

Bovenaan elke paal staat een nummer met daaronder een afstand-aanduiding. Het nummer verwijst naar de kilometers vanaf het begin van de telling (paal 0 staat iets onder Den Helder; de nummering loopt naar het zuiden op; tot aan Hoek van Holland). De palen staan om de 250 meter en dat is aangegeven onder het kilometernummer met de aanduidingen 000, 250, 500 en 750. Zo wandel je bijvoorbeeld van paal 31 – 750 in zuidelijke richting naar paal 32 – 000.

Door die nummering is geen strandpaal hetzelfde. Dat maakt het fotograferen extra interessant. Inmiddels heb ik naar schatting 150 strandpalen op de gevoelige plaat vastgelegd. Ieder mens heeft zijn merkwaardigheden. Dit is één van de mijne.

Naast het fotogenieke aspect en het handige gegeven dat de palen aangeven hoeveel je hebt gelopen, hebben de strandpalen ook allerlei vragen bij me opgeroepen. Waarom zijn deze palen hier neergezet?  Zijn ze in deze tijd van internet en satellieten nog wel van belang? Wat is het toch dat wij mensen alles willen indelen en afbakenen?

Dankzij internet en Google ben ik te weten gekomen dat men in het midden van de 19e eeuw is begonnen met het plaatsen van strandpalen langs de Hollandse kust. De initiatiefnemer was Jan Blanken, de toenmalige inspecteur-generaal van de Waterstaat (tegenwoordig Rijkswaterstaat). Zijn naam roept misschien herkenning op: de brug over de Lek bij Vianen is naar hem vernoemd.

Aan de hand van de strandpalen hield men jaarlijks een aantal gegevens bij, zoals de afstand tot de voet van de duinen en de afstand tot de gemiddelde hoog- en laagwaterlijn. Aanvankelijk gebruikte men eikenhout voor het maken van strandpalen, maar later kwamen er exemplaren van tropisch hardhout, omdat dit hout beter bestand is tegen paalwormen en barre weersomstandigheden.

Bij Noordwijk

 

Strandpalen hebben vaak een gekleurde kop. Oranje was tot begin jaren ’90 de voorgeschreven kleur. Een oranje kop betekent dus dat de paal er al minstens 30 jaar staat. In Noord-Holland tref je nog veel palen met een oranje kop aan; in Zuid-Holland zijn veel palen vervangen door nieuwere exemplaren met een witte kop.

 

Op veel plekken kent de strandpaal ook nog een tweeling-paal die in een rechte lijn aan de voet van het duin is geplaatst. Die paal kent dezelfde nummering. In de loop van de jaren zijn veel van die duinpalen weggehaald.

Een duinpaal

Eigenlijk zijn de strandpalen tegenwoordig niet meer relevant voor het doen van metingen. Dat gebeurt nu met moderne en meer precieze satelliet-opnames. Er zijn daarom zo’n 25 jaar geleden plannen ontwikkeld om alle strandpalen op te ruimen. Gelukkig is men zich gaan realiseren dat de strandpalen een soort cultureel erfgoed vormen. Nergens ter wereld heeft men een dergelijk systeem opgezet om de ontwikkeling van strand en duinen bij te houden. En ook al gebruiken we ze niet meer als meetpunten, de palen vormen al generaties lang een vertrouwd beeld op onze stranden.

Ze zijn voor mij bovendien een symbool voor de mens die de natuur probeert af te bakenen en te beheersen. Een tastbare vorm van de uitdrukking ’meten is weten’. Maar ook een relativering: de palen vormen een interessante markering, maar kunnen niet aangeven wat het wezen van de ruimte langs de kust is (zie het citaat van Escher bovenaan).

Ten slotte zouden de strandpalen in deze tijd weer nieuwe betekenis kunnen krijgen: als markeringspunten voor de stijgende zeespiegel.  Blijven ze op het droge, of komen ze in zee te staan?

Genoeg redenen om te hopen dat de strandpalen tot in lengte van dagen blijven staan. Fijn voor de wandelaars, voor de fotografen, voor de natuur- en cultuurliefhebbers. Voor mensen die met elkaar willen afspreken: “we zie elkaar morgen om 11 uur bij paal 66”!  En fijn voor mij: ik moet er nog heel wat fotograferen en ik heb daar sinds kort veel tijd voor.

 

Bronnen die ik heb geraadpleegd:

  • http://ophetstrand.com/strandpalen-langs-de-nederlandse-kust/
  • https://www.oudzandvoort.nl/geschiedenis/wetenswaardigheden/181-strandpalen
  • https://data.overheid.nl/data/dataset/strandpalen-in-nederland
  • https://www.wandelnet.nl/blogbericht/2022/07/29/Bijzondere-strandpalen-langs-het-Nederlands-Kustpad

Het citaat van Escher heb ik aangetroffen in het interessante, recent uitgebrachte boek Escher worden van Joris Escher.

 

P.S. 20 december 2023

Voor mijn verjaardag kreeg ik onlangs het prachtige boek Strandpalen van Nederland cadeau. Net uitgekomen. De auteur, Martijn de Groot, heeft dezelfde passie als ik, maar hij heeft zijn liefde voor strandpalen veel uitvoeriger vastgelegd en gedocumenteerd. In woord en beeld. Veel achtergrond-informatie en weetjes. En prachtige foto’s. Een aanrader!

Het is mooi geweest!

“Ik ben me als communicatie-docent steeds meer gaan realiseren dat er een interessante parallel bestaat tussen communicatie en onderwijs. Beide activiteiten draaien om het realiseren van betekenisvolle ontmoetingen”

Na 39 jaar werkzaam te zijn geweest in het onderwijs hang ik mijn schooltas aan de wilgen. Het is letterlijk en figuurlijk mooi geweest. Afgelopen donderdag was er in Diemen een prachtige afscheidsbijeenkomst. Het was overweldigend, mooi, grappig, emotioneel en warm. Om nooit te vergeten! Na nog een paar afrondende klusjes zal ik eind volgende week definitief stoppen met werken.

In deze laatste weken schieten er tientallen gedachten en herinneringen door mijn hoofd. Ik heb geprobeerd daar wat ordening in aan te brengen en die hier te delen.

Als ik terugblik op de afgelopen 39 jaar, dan vallen de vele veranderingen op die hebben plaatsgevonden. Binnen het onderwijs is er een onstuitbare drang om elke 5-6 jaar het roer weer eens flink om te gooien. Ofwel didactisch ofwel organisatorisch ofwel inhoudelijk (of allemaal tegelijk!). Leuke veranderingen en lastige veranderingen. Werken en leven betekent dat je een manier moet zien te vinden om je tot die veranderingen te verhouden. Het heeft mij wel geholpen om zo lang op de hogeschool in Diemen mee te draaien. Never a dull moment.

Daarbij moet ik denken aan een mooie term die bij het vak Medialandschap centraal staat: Remediation. Er komen telkens nieuwe media bij. Vaak dragen die nog enkele kenmerken van oude media in zich, maar ze hebben ook een innovatieve toevoeging. Voor het welslagen van de vernieuwing is het de kunst om een goede balans te vinden tussen vertrouwde elementen die je graag wilt behouden (en die voor herkenning en acceptatie zorgen) en nieuwe elementen die zorgen voor een sprong voorwaarts. Pas na verloop van tijd gaat men begrijpen welke nieuwe mogelijkheden of moeilijkheden de innovatie met zich meebrengt. Vaak met felle discussies tussen voor- en tegenstanders. Dat zien we nu ook bijv. bij innovaties als Chat GTP of AI.

Remediation, dus. Een paar voorbeelden uit mijn loopbaan. VP&I (Voorlichting, Publiciteit & Informatie) was een vrije studierichting die mede door mij werd opgericht in 1987. Ik mocht daar als jong broekie (ik was 29 jaar toen het begon) leiding aan gaan geven, maar de studie had niet tot ontwikkeling kunnen komen zonder op de schouders te staan van de bestaande lerarenopleiding en met name Maatschappijleer en Nederlands. Toen de vrije studierichtingen 10 jaar later moesten worden ‘witgewassen’ (of verdwijnen) kregen we een heuse, erkende communicatie-opleiding. Maar die opleiding had niet kunnen starten zonder voort te borduren op de vrije studierichtingen VP&I, Bedrijfspresentatie & Tekstschrijven. Hogeschool Inholland startte 21 jaar geleden als nieuwe, locatie-overstijgende hogeschool, maar werd gegrondvest op vier bestaande hogescholen. In het nieuwe programma dat ons team 10 jaar geleden ontwikkelde kwamen al bestaande minoren in een nieuw jasje terug in projecten als De Redactie, Meet the Press en De Strategie. Allemaal Remediation: vernieuwingen die voortborduurden op wat er al was maar daar weer iets nieuws aan toevoegden.

Soms hoor je mensen bij een verandering verzuchten: ”ze hebben weer eens wat bedacht”, of “dat deden we 20 jaar geleden ook al”. Ik heb al die jaren geprobeerd niet cynisch te zijn, maar open, nieuwsgierig en constructief. Ik heb vol gas gegeven als ik enthousiast was en ik opereerde meer terughoudend als ik mijn bedenkingen had. Maar zonder brandstapels op te richten en de boel in de fik te steken. Dat ligt niet in mijn aard. Ik leerde als Bob Dylan fan al jong dat ‘The times they are a changin’. Don’t stand in the doorway; don’t block up the hall! En als gymnasiast las ik verhalen uit de Metamorfosen van Ovidius en leerde ik over ‘panta rhei’ (alles stroomt). Veranderingen horen erbij. Ze zijn niet altijd gelukkig of succesvol of naar je zin, maar wij zullen ons altijd tot die veranderingen moeten zien te verhouden. Meebewegen, andere wegen inslaan, voorop lopen, bijsturen, wat tegengas geven, keuzes maken, kansen creëren. Zo heb ik de afgelopen 39 jaar steeds willen opereren.

En als ik nu terugblik doe ik dat met een mengeling van voldoening, plezier en dankbaarheid.

Ik denk daarbij natuurlijk aan de ontmoeting met vele generaties studenten. Ze hebben me door de jaren heen geïnspireerd en bij de les gehouden. Ze brachten met al hun dromen, problemen en uitdagingen letterlijk en figuurlijk de wereld het klaslokaal in. Dertig jaar geleden vooral Havisten, de nodige VWO-ers en een enkele MBO-er. Tegenwoordig evenveel MBO-ers als Havisten en nog maar een enkele VWO-er. Dertig jaar geleden bijna allemaal ‘kaaskoppen’; slechts een enkele student met een kleurtje. Tegenwoordig een kosmopolitische klas met studenten uit alle windstreken. Dertig jaar geleden krijtjesborden, pennen en papier. Nu powerpoints, digitale leeromgevingen, smartphones en laptops. Dertig jaar geleden studenten die bijna allemaal op kamers woonden en zich volop overgaven aan het studentenleven. Nu een ruime meerderheid die bij pa en ma blijft wonen en de studie combineert met bijbaantjes, sport en andere activiteiten. Kortom, de hedendaagse student is in meerdere opzichten anders dan de student uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw.

Op studiereis in Sarajevo; april 2023

Ik heb het altijd heel leuk en leerzaam gevonden om met studenten op stap te gaan. Studiereizen in binnen- en buitenland. Het zullen er tientallen zijn geweest. Een prachtige manier om te leren, te onderzoeken en ervaringen op te doen. Een mooie mix van leerzaam, leuk, sociaal, avontuurlijk en uitdagend. Als studenten jaren later zich nog iets bijzonders herinneren van de studie is het heel vaak de studiereis.

Ik ben heel trots op alle oud-studenten die op uiteenlopende plekken in het communicatie-landschap aan de slag zijn gegaan. Maar ook daarbuiten: van restauranteigenaar tot schilder en van burgemeester tot yogadocent. Ik ervaar het als heel waardevol dat ik nog steeds contact met veel oud-studenten heb: via de mail, op LinkedIn of in persoonlijke ontmoetingen.

En dan die roemruchte VP&I-tijd. Het was pionieren. Heel uniek, heel nieuw, heel anders. Ik weet niet wat het precies was, maar iedereen praat er ook na 30 jaar nog steeds met veel warmte en waardering over. Veel oud-collega’s en oud-studenten hebben dat echt als een heel bijzondere tijd ervaren. En ik ook! Velen zien mij nog steeds als Mister VP&I. Een mooi compliment, maar na die VP&I-tijd hield het voor mij niet op. Er volgden nog 25 andere bijzondere onderwijsjaren.

Ik ben blij dat we met VP&I en de Communicatie-opleiding die daarop volgde een impuls hebben kunnen leveren aan de vorming en verdere ontwikkeling van het communicatie-onderwijs en de professionalisering van het communicatie-vak. Ik heb geprobeerd daar mijn steentje aan bij te dragen als docent en manager en als lid van diverse commissies van onze opleiding , door het schrijven van studieboeken en andere publicaties, en door mee te draaien in landelijke overleggen. Daarnaast ben ik ook trots op het promotieonderzoek dat ik ruim 10 jaar geleden afrondde; een mooie persoonlijke mijlpaal.

Uiteraard wil ik ook stilstaan bij alle collega’s met wie ik door de jaren heen zo fijn heb samengewerkt. Ik wil hen graag bedanken voor de vele vormen van samenwerking, de sfeer, de betrokkenheid, de warmte, de humor, de kamergesprekken, de etentjes, het lief en het leed. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar ik weet van andere werkkringen dat zo’n fijne vorm van collegialiteit lang niet overal voorkomt.  Mijn collega’s ik zeker ga missen.

Ik ga afronden met de vraag die mij het meest gesteld is, het afgelopen jaar, is: wat ga je doen als je gestopt bent met werken? Inmiddels heb ik er een standaardantwoord op: dat weet ik niet en dat wil ik ook graag open houden. Ik heb bijna 40 jaar in het onderwijs gewerkt en ik heb al die tijd geleefd met ritmes van agenda’s, lesroosters, vergaderingen en contacturen. Dat ga ik nu loslaten en ik wil eerst eens ervaren hoe dat voelt. En als dat ongemakkelijk voelt, dan komen er vast wel weer dingen op mijn pad. Maar misschien voelt het wel heerlijk.

Bovendien is er natuurlijk altijd al een leven naast het werk geweest en dat zal er ook zijn nu ik met pensioen ga.

Marja en de kinderen hebben voor mij altijd op de eerste plaats gestaan. En dat blijft zo. Het is alleen maar mooier en drukker geworden met die fijne schoonkinderen en lieve kleinkinderen die erbij zijn gekomen. Marja is er al die 39 jaren bij geweest (en meer; we kennen elkaar inmiddels 45 jaar). Ze heeft alles meegemaakt. De pieken en de dalen. Mijn grootste dank en waardering gaan dan ook uit naar haar: mijn klankbord, steunpilaar, klaagmuur, thuishaven en sparringpartner.

En dan mijn kinderen: zij zijn vanaf hun babyjaren tot nu voor mij een onuitputtelijke bron van warmte, liefde, inspiratie en plezier. Het is heerlijk om hun vader te zijn. Ik genoot van hun eerste lachjes, stapjes en woordjes. En later, toen ze tieners waren, hielden ze me scherp door te vertellen wat er in de mode was, en welke muziek of artiesten populair waren. Daar kon ik dan weer voor de klas goede sier mee maken. En nu geniet ik van onze volwassen gesprekken over werk, relaties, maatschappelijke ontwikkelingen en hun toekomstplannen. Ik ben heel trots op wie ze zijn en wat ze doen. Ze maken ieder op zijn/haar eigen manier de wereld een stukje mooier.

Kortom, ik mag van geluk spreken.

Ik kijk met veel voldoening en plezier terug en met veel belangstelling vooruit. Er breekt een nieuwe fase aan, waarin ik graag op enkele fronten actief wil blijven en worden. Niet in deze laatste plaats: het schrijven van blogs. Ik blijf heel graag op deze plek mijn ervaringen, inzichten en gedachten delen.


Over blogs gesproken: op mijn verzoek en met volle medewerking van Hogeschool Inholland (waarvoor mijn grote dank) is besloten om een mooi boekje te maken van al mijn blog-teksten die betrekking hebben op communicatie en onderwijs. Een afscheidscadeau voor mij en van mij. Hogeschool Inholland biedt mij deze fraaie uitgave aan die ik op mijn beurt weer kan delen met collega’s, relaties en andere geïnteresseerden.

Blogsite van Peter 't Lam