Categoriearchief: Kunst & cultuur

(Kerst-)Groeten uit Zeist #18 : Hernhutter sterren

In mijn serie blogs over mijn (niet meer zo) nieuwe woonplaats Zeist dit keer een verhaal over een typisch Zeister fenomeen: de Hernhutter ster.

 

Toen mijn vrouw en ik ruim zes jaar geleden in Zeist kwamen wonen kregen we van een vriendin die hier al heel lang woont een mooi cadeau: een Hernhutter ster. Voor ons was dit iets totaal onbekends, maar zij vertelde ons dat dit echt bij Zeist hoort. Een maand later, eind november/begin december begrepen we haar pas goed. Overal in Zeist verschenen deze sterren achter de ramen van de huizen, in allerlei uitvoeringen: klein, groot, rood-wit, geel, blauw, wit. Ook wij hingen onze ster op. We voelden ons meteen een beetje ingeburgerd in Zeist. Ook nu, in de aanloop naar Kerst, zie je in heel veel huizen de Hernhutter sterren hangen. Als mensen mij vragen: wat is nu echt iets typerends van Zeist, dan zeg ik: de Hernhutter sterren.

 

Als Zeistenaar weet ik inmiddels wel iets van over de herkomst van de Hernhutters, maar ik wilde ook wel eens weten wat de geschiedenis van deze sterren is. Daar blijkt een bijzonder verhaal aan vast te zitten.

 

 

Beknopte geschiedenis van de Hernhutters

De Hernhutters, oorspronkelijk afkomstig uit Bohemen (Tsjechië), vormen een eeuwenoude protestantse gemeenschap onder de naam Evangelische Broedergemeente (EBG). De eerste leden van deze Broedergemeente waren geïnspireerd door de 15e eeuwse kerkhervormer Jan Hus. Hun gemeenschap leidde lange tijd een marginaal bestaan en de leden werden vaak vervolgd vanwege hun afwijkende geloofsleer. Niet alleen door de Rooms-Katholieke kerk, maar ook door ‘concurrerende’ protestantse gemeenschappen. In 1722 bood de Duitse Graaf von Zinzendorf de Broedergemeente een veilige plek op zijn landgoed om te leven en hun geloof uit te oefenen. Hij noemde die plek Herrnhut, wat zoveel betekent als ‘onder de hoede van de Heer’. Vanaf dat moment werden de leden van de Broedergemeente ook Hernhutters (of Herrnhuter in het Duits) genoemd. Halverwege de 18e eeuw trok een groep Hernhutters naar Nederland waar zij zich mochten vestigen op het terreinen die voor Slot Zeist lagen. De komst naar Nederland hing samen met het evangelisatiewerk van de Hernhutters. Ze zagen het als een belangrijke opdracht om het evangelie over de gehele wereld te verspreiden. Nederland vormde voor hen een ideale vestigingsplaats en uitvalsbasis, want er heerste hier relatief veel godsdienstvrijheid en de Nederlanders hadden veel overzeese handelsposten en koloniale gebieden.[1]

Het eerste gebouw in Zeist was vooral een thuisbasis voor zendelingen die de wereld rondreisden. Later verrezen er meer gebouwen en werd er een grote gemeenschap gesticht met eigen huizen, werkplaatsen, winkels, een school en een kerk. Zo werd Zeist het centrum van de Hernhutters (de Evangelische Broedergemeente) in Nederland. De gebouwen van de Hernhutters rondom het Broederplein en het Zusterplein bieden nog steeds een prachtige aanblik en zijn, in combinatie met Slot Zeist, een belangrijke toeristische attractie.

Het Zusterplein

 

De Hernhutter ster

De eerste Hernhutter sterren werden in de eerste helft van de 19e eeuw gemaakt, bijna 200 jaar geleden. Leerlingen op een school van de Evangelische Broedergemeente in Duitsland hadden het vaak moeilijk, omdat ze hun ouders heel weinig zagen. Veel Hernhutter-ouders waren in andere streken, of zelf anders landen actief als zendeling. Juist in de winter, in de aanloop naar Kerst, hadden de kinderen last van heimwee. Een van de docenten, een wiskundige, kwam op het idee om sterren van papier te gaan maken. De ster verwees in de tijd van advent en Kerst natuurlijk naar de ster van Bethlehem. De docent had verschillende modellen gemaakt die de kinderen moesten namaken. Dat zorgde niet alleen voor wat afleiding, maar zo konden de leerlingen ook leren werken met geometrische figuren. De meest complexe ster vormde de basis voor de huidige Hernhutter sterren. Deze ster heeft 26 punten die bevestigd moesten worden op een kern met 18 vierkante en 8 driehoekige vlakken. Een hele klus dus.

Dat het in elkaar zetten van de ster de nodige behendigheid vergt hebben we thuis ook gemerkt toen we tijdens ons eerste kerstdiner in Zeist al onze (schoon-)kinderen een Hernhutter-ster cadeau gaven. Tussen twee gangen door werd driftig geknutseld en er ontstond een soort wedstrijd wie de ster het eerste in elkaar kon zetten. Onze handige schoondochter won die wedstrijd met glans.

Zo is de binnen de Evangelische Broedergemeente de traditie ontstaan om in de aanloop naar Kerst Hernhutter sterren te maken en op te hangen. En die traditie duurt tot op de dag van vandaag. Alleen worden de sterren nu niet meer door kinderen gemaakt, maar in een grote werkplaats in de Duitse plaats Herrnhut.

Heimwee

De Hernhutter ster is dus in eerste aanleg ontstaan als middel om de heimwee te verdrijven. Heimwee is net als Hernhutter een woord met Duitse wortels. En ook een toepasselijk woord in de aanloop naar Kerst. Verlangen we juist in december niet allemaal naar thuis en samenzijn?

 

Geraadpleegde bronnen:

https://www.herrnhuter-sterne.de/en/Entstehungsgeschichte.html

https://historiek.net/evangelische-broedergemeente-en-de-hernhutters/131334/

https://www.herrnhuter-sterne.de/en/

https://de.wikipedia.org/wiki/Herrnhuter_Stern

 

[1] Hernhutters waren van oudsher ook heel actief in Suriname. De Broedergemeente is onder Surinamers nog steeds een begrip.

Wi Sranan: een mooie tentoonstelling over herkomst en toekomst

Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk. Precies 50 jaar geleden. Deze bijzondere verjaardag wordt natuurlijk uitgebreid en uitbundig in Suriname zelf gevierd. Ook in Nederland wordt op meerdere manieren stilgestaan bij deze mijlpaal. Zo is de tentoonstelling ‘Wi Sranan, Surinaamse kunst in beweging’ in het Amstelveense Cobra Museum speciaal opgezet om dit historische moment te markeren.

Marcel Pinas: Afaka Kibii I

Oud-collega Maikel Deekman, zelf een van de deelnemende kunstenaars, nodigde me uit voor de opening van deze tentoonstelling op 7 november j.l.  Het was een feestelijk gebeuren met inspirerende toespraken, plechtige rituelen, live muziek en natuurlijk lekkere Surinaamse hapjes en drankjes.

De tentoonstelling bevat werk van ruim 20 Surinaamse kunstenaars en biedt daarmee een mooi en gevarieerd beeld van hedendaagse Surinaamse kunst. Er zijn schilderijen, foto’s, kleding-ontwerpen en installaties te zien. De materialen variëren van textiel, epoxy en hout tot keramiek en alledaagse gebruiksvoorwerpen. De grote diversiteit van de tentoonstelling weerspiegelt de veelkleurigheid van de Surinaamse samenleving zelf. In veel van de kunstuitingen werken oude tradities door. Dat zegt veel over het zelfbewustzijn en de trots van de makers.

Maikel Deekman: Digital Patchwork

Een paar weken na de opening ben ik met Maikel nog een keer naar de tentoonstelling gegaan. Dit keer met een groepje oud-collega’s. Maikel leidde ons rond en bracht ons ook in contact met een paar andere exposanten. Dankzij hun verhalen en toelichtingen kwam de tentoonstelling nog meer tot leven. Zij maakten ons duidelijk dat voor hen onafhankelijkheid niet alleen vrijheid van overheersing betekent (‘free from’), maar ook vrijheid om je eigen identiteit te vieren en je eigen keuzes te maken (‘free to’). Een mooie verbinding tussen herkomst en toekomst.

Meredith Joeroeda: Akare

Na afloop merkte ik dat niet alleen de beelden en de verhalen van deze tentoonstelling bij me bleven hangen. Er drong ook een meer omvattend besef bij me door: deze tentoonstelling ademt energie, verbinding, frisheid, hoop, diversiteit, perspectief. Wat een les voor Nederland, waar zoveel wordt geklaagd en gesomberd, waar velen zich willen terugtrekken achter deuren en grenzen. Tegen die mensen zou ik willen zeggen: ga naar Wi Sranan in het Cobra Museum. Daar knap je enorm van op.

 

(Reageren op mijn blogs kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn zijn zeer welkom!)

Mijn dierbaarste boek

Deze maand is het dertig jaar geleden dat mijn eerste boek uitkwam. In tegenstelling tot de boeken die ik daarna nog heb geschreven ging deze eersteling niet over Communicatie (mijn vakgebied als HBO-docent) of de Europese Unie (jarenlang een onderzoeksobject waarover ik uiteindelijk ook een proefschrift schreef). Nee, mijn eerste boek was een kinderboek.

Ik was destijds als jonge vader begonnen om voor iedere verjaardag van mijn kinderen een paar gedichten te schrijven en daar een mini-boekje van te maken. Met vier kinderen heb je dan na een paar jaar een flinke verzameling versjes. Op een dag nam een van mijn kinderen zijn pas gekregen boekje mee naar school. Zijn juf reageerde heel enthousiast en vroeg of ik nog meer van die gedichtjes had. Voor haar heb ik toen een grotere bundel gemaakt die al gauw werd gekopieerd en rondgedeeld op school.

Een goede vriend[1] van ons, schilder/tekenaar en grafisch ontwerper, hoorde van mijn vrouw hierover en bood aan om tekeningen bij de versjes te maken. Dat was een schot in de roos. Zijn tekeningen waren zo fris en aansprekend dat we de stap durfden te wagen om ons werk naar een aantal uitgeverijen te sturen. Uiteindelijk hapte een uitgeverij toe en een half jaar later ontvingen we trots en blij de eerste exemplaren van ons boek. Het was fijn om te zien hoe het boekje in de kring van familie, vrienden en collega’s werd ontvangen en gewaardeerd. Ook bij ons thuis werd het jarenlang met plezier (voor-)gelezen.

Maar buiten die kring werd het boek geen groot succes, helaas. Sterker nog, de uitgever meldde mij na twee jaar dat het boek naar de ramsj zou gaan en dat ik voor een klein prijsje nog een partij kon kopen. Ik heb toen nog twee dozen gekocht. Daar heb ik geen spijt van gehad. Door de jaren heen heb ik veel mensen in mijn omgeving een boekje cadeau kunnen doen bij de geboorte van een kind of een verjaardag.

Nu, dertig jaar later en een generatie verder, maken mijn kleinkinderen kennis met mijn gedichten en versjes. Sommige teksten passen minder goed bij deze tijd (er is één versje waarin een Zwarte Piet voorkomt, en een kort rijmpje over een Eskimo). De meeste versjes hebben, gezien de reacties die ik krijg, de tand des tijds goed doorstaan. Het is heerlijk om met mijn kleinkinderen dit boek te lezen en nog mooier om te horen dat ze bepaalde versjes uit hun hoofd kennen.

Geen wonder dus, dat mijn eerste boek ook mijn dierbaarste is. En wie weet waar mijn kleinkinderen me nog toe aanzetten. Ik schrijf graag voor klein publiek.

 

[1] De goede vriend die het boek illustreerde is Onno Helle. Onno werd een paar jaar na de publicatie van ons boek ernstig ziek. Hij overleed in 2000. Inmiddels ook al weer 25 jaar geleden. Door zijn vroege overlijden is ons boek mij extra dierbaar.

 

Mensen gevraagd

Tijdens onze recente vakantie zat ik te broeden op een goed onderwerp voor mijn nieuwste blog. Misschien iets schrijven over het reizen door Europa met een elektrische auto, wat we voor het eerst hebben gedaan (en hoe dat enorm is meegevallen). Of vertellen waarom ik het weer zo fijn vond om een paar dagen in Salzburg te zijn (een van mijn favoriete steden in Europa). Of over het grote verschil tussen de Italiaanse en Franse keuken. Maar al deze onderwerpen vielen weg toen we begin vorig week weer thuis kwamen. Het grimmige politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland viel als een gure, loodgrijze deken over ons heen.

De eerst dag thuis was het Prinsjesdag, daarna volgden twee dagen van Algemene Politieke Beschouwingen en de week werd afgesloten met die vreselijke demonstratie in Den Haag.

In de Tweede Kamer klonken openlijk stemmen vol discriminatie, moslimhaat en oorlogstaal. En er werd een bizarre antifa-motie aangenomen. Ongekend en zeer verontrustend. Een paar dagen laten volgde ‘de straat’ met NSB-vlaggen, spreekkoren tegen asielzoekers en joden, geweld tegen  politiemensen en journalisten, en een aanval op het partijkantoor van D66. Een orgie van extreem-rechtse kwaadwilligheid. In mijn ogen geen eenmalige of onverwachte explosie, maar het resultaat van een ontwikkeling die al jarenlang aan de gang is.

De media staan nu vol met analyses die verklaringen bieden, inzicht geven, verbanden leggen. Dat alles hoef ik op deze plaats niet te herhalen. In plaats daarvan wil ik een gedicht delen dat mij aanspreekt in deze verontrustende tijden. Een gedicht dat aanspoort om op te staan tegen haat, lafheid, discriminatie en geweld.

Het gedicht is geschreven door Coert Poort (1922-2004).[1]

MENSEN GEVRAAGD

Mensen gevraagd om de vrede te leren
Waar geweld door de eeuwen model heeft gestaan.
Mensen gevraagd die de wegen markeren
Waarop alles wat leven heeft verder kan gaan.

Mensen gevraagd om de noodklok te luiden
En om tegen de waanzin de straat op te gaan.
Mensen gevraagd om de tekens te duiden
Die alleen nog moedwillig zijn mis te verstaan.

Mensen gevraagd om hun nek uit te steken
Voor een andere tijd en een nieuwe moraal.
Mensen om ijzer met handen te breken
Ook al lijkt het ondoenlijk en paradoxaal.

Mensen gevraagd die in naam van de vrede
Voor behoud van de aarde en al wat daar leeft.
Wapens ook zelf tot een ploeg willen smeden
Voor een oogst die aan allen weer overvloed geeft.

Mensen gevraagd. Er worden mensen gevraagd.
Dringend mensen gevraagd.
Mensen te midden van mensen gevraag

 

 

[1] Coert Poort en zijn vrouw Joan waren goede vrienden van mijn ouders. In mijn jeugdjaren was hij voor mij gewoon ‘Oom Coert’. Pas op latere leeftijd ben ik zijn gedichten gaan lezen. Informatie over Coert Poort is o.a. te vinden via de volgende link:  https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=poor001

De afbeelding bovenaan de tekst laat werk van Pablo Picasso zien in Chateau de Vallauris

 

Voetbal Aap Noot Mies

Mijn vorige blog ging over voornamen van meisjes en jongens die in mijn jeugd gangbaar waren, maar tegenwoordig niet meer op geboortekaartjes te vinden zijn. https://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=3146

Dit verhaal gaat weer over namen, maar dan over achternamen. En wel die van de voetballers in de eredivisie spelen. Ik heb van hun achternamen een eigentijds leesplankje gemaakt. Zomaar, omdat het zomer is. Dit keer dus geen gewichtig vraagstuk, geen poëzie en ook geen verhaal over Zeist, maar gewoon even een luchtig tijdverdrijf waarvan ik het resultaat graag deel.

 

Toen ik een jaar of 12 was spaarde ik voetbalplaatjes. Die knipte ik trouw elke week uit het voetbaltijdschrift 1-0. Netjes langs de stippellijntjes om ze daarna zelf met lijm in een verzamelmap te plakken. Op die manier leerde ik de namen van alle voetballers in de eredivisie goed kennen. Aad Mansveld, Epi Drost, Heinz Stuy en vele anderen.

Tegenwoordig is mijn belangstelling voor de eredivisie flink afgenomen. Ik hoop van oudsher dat mijn favoriete club Ajax het goed doet, maar namen en rugnummers ken ik nauwelijks meer.

Bij de start van dit nieuwe voetbalseizoen, twee weken geleden, zag ik op een site een overzicht van alle spelers van de 18 eredivisieclubs. Ik speurde de lijsten af om te zien hoeveel namen ik kende. Dat waren er bar weinig. Mijn actuele voetbalkennis is niet meer wat het geweest is.

Maar dankzij al die namen kreeg ik een ingeving. Een wat vreemde inval weliswaar, maar toch. Ik vroeg me af of het mogelijk zou zijn om naar het bekende voorbeeld van Aap-Noot-Mies een nieuw leesplankje te maken met de achternamen van voetballers uit de huidige eredivisie.

Het klassieke leesplankje

Ik ben flink gaan puzzelen. Na een paar uur passen en meten en knippen en plakken had ik een compleet geheel. Met één vreemde eend in de bijt. Zoek zelf maar.

De namen uit mijn jeugd

Mijn oma heette Bartje en mijn moeders naam was Johanna (roepnaam Joop; later veranderde ze dat in Hanna). Mijn vrouw heet Marja. Mijn dochters heten Lisa en Lotte en mijn kleindochters Nina, Jinte, Mae en Tuto[1].

Voornamen zijn vaak tijdgebonden. Elke generatie heeft bepaalde voornamen die je in latere generaties minder vaak of zelfs helemaal niet meer tegenkomt. Zo zijn Johan en Karin niet meer in de mode. Tegenwoordig zijn meisjesnamen als Yara, Zoë, Tess, Elin en Luna erg populair. En bij jongens zijn dat Liam, Sem, Luca en Finn. Allemaal namen die vroeger niet of nauwelijks voorkwamen.

Voornamen zijn niet alleen gekoppeld aan de tijd waarin ze worden gegeven, maar ook aan culturen, regio’s en landen. Door de komst van vele nieuwe Nederlanders is ook het arsenaal voornamen enorm uitgebreid. Ik heb dat als docent door de jaren heen gemerkt. Er vond niet alleen een verschuiving plaats in Nederlandse voornamen (van Arie naar Patrick en van Yvonne naar Destiny), maar er kwamen ook voornamen uit alle hoeken van de wereld bij: Fouad, Sharelle, Semra, Trang, Tomasz en Felicia, om er een paar te noemen.

Door het geven van moderne, trendy namen en door de toegenomen culturele diversiteit komt het nog maar weinig voor dat kinderen namen krijgen die in mijn jeugd veel te horen waren. Hierdoor verdwijnen langzamerhand de namen uit mijn jeugd. Daar wil ik niet sentimenteel over doen, maar laten we ze niet vergeten. Namen zijn ook een vorm van immaterieel erfgoed. Ze vertellen ons iets over de tijd waarin kinderen zijn geboren en opgegroeid. Voor mij zijn dat de jaren ’50 en ’60.

Als ode en herinnering heb ik twee sonnetten met voornamen uit mijn jeugd geschreven. Een met meisjesnamen en een met jongensnamen.

 

MEISJES

Gerda, Linda, Marja, Betty

Wendy, Karin, Inge, Hetty

Fien, Miranda, Petra, Mieke

Elly, Wilma, Judith, Lieke

 

Liesbeth, Sandra, Joke, Astrid

Jet, Yvonne, Anja, Ingrid

Mirjam, Carla, Vera, Lida

Ellen, Ans, Anita, Ida

 

Marjolein, Nicole, Anneke

Marion, Annette, Christine

 

Angelique, Lisette, Janneke

Willemijn, Johanna, Martine

 

Madelon, Amanda, Hanneke

Annelies, Jolanda, Jantine

 

JONGENS

Gerrit, Jan, Cor, Hans

Johan, Rob, Jaap, Frans

Peter, Leen, Ruud, Geert

Erik, Piet, Klaas, Tjeerd

 

Edwin, Henk, Dirk, Bert

Nico, Frank, Koos, Gert

Wouter, Lex, Paul, Wim

Evert, Ad, Tom, Pim

 

Arjen, Guus, Bart, Ron

Harry, Job, Harm, Ed

 

Benno, Rik, Aart, Ton

Harmen, Wil, Joop, Fred

 

Karel, Rein, Kees, John

Jacob, Gijs, Roel, Ted

 

 

[1] Tuto is de roepnaam van onze op Bali geboren kleindochter. Haar volledige naam is Ni Putu Tori Rosalie.

Groeten uit Zeist #16 Met onze kleinzoon naar de KNVB

Ik schrijf met enige regelmaat een blog over mijn nieuwe woonplaats Zeist. Inmiddels niet meer heel nieuw; we wonen al zes jaar hier. Ook na zes jaar zijn er nog voldoende interessante zaken en ervaringen om te delen. Zoals een recent bezoek met onze kleinzoon aan de KNVB Campus.

 

Eind mei: logeerplannen

Onze kleinzoon van 9 jaar komt binnenkort logeren. En omdat hij net jarig is geweest gaan we op zoek naar een leuk uitstapje om hem te verrassen en een beetje te verwennen. Via Google bekijken we het aanbod van musea, attractieparken, speeltuinen en bioscopen in de omgeving. We zien veel leuke dingen voorbijkomen, maar net niet iets heel speciaals voor hem. Totdat mijn vrouw opeens roept: ‘de KNVB! Dat is bij ons om de hoek. En hij is gek op voetbal!’ We hebben geen idee of je de KNVB kunt bezoeken, maar dat blijkt gelukkig wel het geval. De website van de KNVB meldt dat er elke eerste zondag van de maand een rondleiding voor belangstellenden wordt georganiseerd. Het toeval wil dat onze kleinzoon juist in het eerste weekend van juni bij ons komt logeren. Dat komt prachtig uit. Er is nog voldoende plaats, dus we bestellen online meteen drie kaartjes voor deze KNVB Campus Tour.

 

Zondag 1 juni: KNVB Campus Tour

Onze kleinzoon geniet met volle teugen van de rondleiding. Hij kijkt zijn ogen uit bij de trainingsvelden, het kantoor van de VAR, de fitness-apparaten, de trofeeën,  en de vele shirtjes en foto’s van zijn helden Memphis en Virgil. En hij is niet de enige. De meeste deelnemers zijn trouwe Oranje-fans die het heerlijk vinden om zich anderhalf uur lang onder te dompelen in de rijke Nederlandse voetbalhistorie. Voor een paar vrouwelijke bezoekers kan de dag helemaal niet meer stuk als het Nederlandse vrouwenteam op de fiets voorbij komt en een paar speelsters de tijd nemen om met hen op de foto te gaan.

Ik vind de rondleiding ook interessant. Eerlijk gezegd niet zo zeer vanwege de geboden informatie. Die is nogal summier. Onze gids is weliswaar heel vriendelijk en geduldig, maar hij blinkt niet uit in het delen van feiten en achtergrondverhalen of het vertellen van anekdotes. Ik ben vooral onder de indruk van het enorme complex en de vele faciliteiten. Ik ben door de jaren heen tientallen keren langs het KNVB centrum gereden, maar had geen idee van wat er zich allemaal achter die hekken bevindt. In die zin heeft de rondleiding mij verrast. Wat mooi dat Zeist zo’n indrukwekkend en modern sportcentrum heeft.

 

Gaat de KNVB vertrekken?

Toch is het op dit moment niet zeker of de KNVB in Zeist blijft. De Voetbalbond wil drie tot vier extra trainingsvelden erbij hebben in de Zeister bossen om ook voldoende ruimte te hebben voor alle jeugdteams van Oranje. Die uitbreidingswens stuit op bezwaren en beperkingen. Die extra ruimte is niet zo maar te realiseren. Dat heeft te maken met regels voor natuurbehoud en biodiversiteit. Ook spelen protesten van omwonenden een rol. Vandaar dat de gemeente Zeist niet direct het licht op groen kan zetten. In de tussentijd heeft de KNVB andere gemeenten opgeroepen om plannen in te sturen waarmee de wensen van de KNVB wel gerealiseerd kunnen worden. Uit frustratie met de gemeente Zeist? Of om de gemeente onder druk te zetten?

Het zou een enorme kapitaalvernietiging zijn als de KNVB uit Zeist vertrekt en het mooie, grote complex leeg komt te staan. Om nog maar te zwijgen van de gevolgen die het zou hebben voor de lokale werkgelegenheid en de naamsbekendheid van Zeist. Zeist en de KNVB worden altijd in één adem genoemd. Zoals Papendal en Arnhem of Thialf en Heerenveen.[1] Dat wil je als gemeente niet kwijtraken.

foto: KNVB

Ook ik hoop van harte dat de KNVB in Zeist zal blijven. Niet alleen vanwege het geld en de reputatie van Zeist. Maar ook omdat ik nog een paar jongere kleinkinderen heb. Als zij over een paar jaar ook zo van voetbal gaan houden, kunnen we hen ook een keer meenemen. Een mooie belevenis en lekker dichtbij. Of, om in voetbaltermen te spreken, een thuiswedstrijd!

 

Gebruikte bron:

https://www.volkskrant.nl/binnenland/vertrekt-de-knvb-na-zestig-jaar-uit-zeist-omdat-op-de-campus-geen-ruimte-is-voor-drie-extra-voetbalvelden~b39ae6cd/

[1] Er is ooit een plan geweest om een geheel nieuw schaatscomplex in Almere op te bouwen als opvolger van Thialf. Onder druk van protesten en financiële problemen ging de realisatie uiteindelijk niet door.

 

(Reageren op mijn blogs kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik een paar jaar geleden moeten afsluiten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn zijn zeer welkom!)

Oroppa, een trans-Mediterrane nacht vol dromen

Na het lezen van het boek Oroppa voelt het alsof ik na een nacht vol verwarrende dromen wakker word. Met flarden van verhalen in mijn hoofd, zonder ordening van tijd of plaats. Vol mysterieuze, kleurrijke figuren.

Nog een beetje slaapdronken probeer ik wat meer vat te krijgen op het boek. Ik herlees meerdere passages en blader door mijn notities. Ik begin patronen uit het rijkgeschakeerde mozaïek te ontdekken. Passages en personen die in het eerste deel van het boek kort worden aangestipt, blijken honderden bladzijden verderop een rol van betekenis te spelen. Vraagtekens worden uitroeptekens. Zo ontstaat er langzamerhand een wat meer samenhangend beeld.

Het valt, kortom, niet mee om dit boek na eerste lezing te doorgronden. Niet omdat het ontoegankelijk is geschreven. Integendeel, de taal is rijk, de zinnen zijn prachtig en de verhalen sleuren je mee. Safae el Khannoussi is een geweldige schrijfster. Maar het kost mij tijd om de vele verhaallijnen (met zijwegen, vertakkingen en tientallen personen en figuranten) een plaats te geven en de hoofdlijn van het boek te pakken te krijgen. Althans, de hoofdlijn zoals ik die zie en ervaar.

Eerst de bredere context. Zoals het woord trans-Atlantisch bestaat, mogen we voor dit boek de term trans-Mediterraan gebruiken. De verhalen spelen zich namelijk afwisselend af in Marokko, Frankrijk, Algerije, Tunesië en Nederland. De hoofdpersonen hebben hun wortels in Noord-Afrika, maar brengen een groot deel van hun leven door in Europese hoofdsteden als Parijs en Amsterdam. Enkelen slagen erin een  goed bestaan op te bouwen. Maar velen bewegen zich aan de periferie van de samenleving. Aan de zelfkant van de westerse wereld. Waar ze niet echt welkom zijn; waar ze merken dat ze er niet bij horen. Safae el Khanoussi geeft deze mensen een naam, een gezicht en ze vertelt hun verhalen.

Safae el Khannoussi (foto: Merlijn Doomernik)

SPOILER ALERT: hieronder geef ik de inhoud van het boek in grote lijnen weer

De centrale figuur in het boek is Salomé/Salma Abergel, een oudere kunstenares met Marokkaans-Joodse wortels. In haar jonge jaren is ze als studente tijdens demonstraties tegen het regime van koning Hassan II in Marokko opgepakt en gevangen gezet. Die tijd staat bekend als ‘de jaren van lood’ vanwege de hardhandige wijze waarop de autoriteiten optraden tegen mensen die kritiek uitten. Tijdens haar gevangenschap is ze gemarteld. En ze heeft er ook een kind gekregen: Irad, een jongetje met een hazenlip.[1] Toen ze na een aantal jaren vrijkwam is ze niet naar Israël gegaan, zoals haar familie van haar vroeg, maar naar Europa (‘Oroppa’). Via een aantal omzwervingen vestigt zij zich uiteindelijk in Amsterdam. Daar maakt ze naam als schilderes. Als decennia later een van haar toenmalige beulen bij haar aanbelt, slaat ze op de vlucht, aan de vooravond van een grote tentoonstelling van haar werk. Ze laat haar vrienden, haar curator en het museum van de tentoonstelling radeloos achter. Er is geen spoor van haar te vinden.

Deel 1 Wie niet weg is

Salomé  woont in de Amsterdamse Rivierenbuurt (Churchill-laan 270). In de kelder van dit huis bewaart Salomé haar schilderijen. Ze is bevriend met Hbib Lebyad, haar trouwe steun en toeverlaat. Hbib is een voormalig acrobaat en runt nu een eettentje in Amsterdam. Als Salomé hals over kop vertrekt neemt ze Hbib in vertrouwen en vertelt hem wat er met haar nalatenschap moet gebeuren. Een van Hbib’s werknemers is een jonge vrouw, Hind. Ondanks haar drugsverslaving en chaotische levensstijl houdt Hbib haar de hand boven het hoofd. Als zij meldt dat ze op zoek is naar huisvesting biedt hij haar het huis van Salomé als tijdelijk onderkomen aan.

Naast deze Amsterdam-lijn in het boek is er ook een Parijs-lijn. Met als centrale locatie hotel Le Souterraine, ergens aan de rand van de stad. De verhalen hier spelen zich vooral af in de bar van het hotel, een pleisterplaats voor nachtvlinders, gelukzoekers en outcasts. De bar wordt gerund door Irad Abergel, de zoon van Salomé.

In de bar komen op drie opeenvolgende avonden drie onbekende bezoekers een voor een langs. De eerste is een man die een verhaal vertelt over een echtpaar dat ruziet over vermeend overspel. Na dit verhaal verdwijnt de man. De dag daarna komt een eveneens onbekende vrouw langs die vertelt dat de verhalenverteller een voormalige gevangenbewaarder/beul uit Marokko is, Hassan Ezzemouri. Ook noemt ze de naam van een collega-gevangenbewaarder van Hassan die nu in Amsterdam woont: Yousef Slaoui. Weer een dag later komt een detective langs die op zoek is naar Salomé. Hij blijkt ook de twee vorige onbekende bezoekers te kennen.

Deze drie bezoekers en hun verhalen spelen wat mij betreft een cruciale rol in dit boek. Door deze verhalen wordt een link gelegd tussen verleden en heden, tussen Noord-Afrika en West-Europa, tussen Amsterdam en Parijs, tussen voormalige beulen en hun slachtoffers, tussen Irad en zijn moeder Salomé.

Hannah Melger, de curator en artistiek begeleidster van Salomé gaat naar Irad in Parijs omdat ze wil weten waar Salomé is. Twee schilderijen moeten geveild worden, maar nu zijn deze door het vertrek van Salomé niet meer te vinden. Ze had al eerder in Amsterdam bij het huis van Salomé aangebeld en tot haar verbazing daar een jonge vrouw aangetroffen, Hind. Hind zegt dat zij haar niet verder kan helpen. Ook Irad zegt dat hij niet weet waar Salomé en de schilderijen zijn. Hannah vertelt Irad dat er nu een jonge vrouw in het huis van zijn moeder op de Churchill-laan woont. Daarop besluit Irad om naar Amsterdam te gaan en haar op te zoeken. Ooggetuigen melden later dat in de tuin van dat huis spullen zijn verbrand door een man en ‘de jonge vrouw die al een paar weken in het huis verbleef’. (p. 147)

Deel 2 De pissende pelgrim[2]

In dit deel van het boek volgen we Yousef Slaoui, een uit Marokko afkomstige man die in Amsterdam verzeild is geraakt (‘Amsterdam laat hem onaangeroerd’). Hij heeft een wasserette gehad, maar is aan lager wal geraakt en aan de drank. Op een dag ziet hij opeens Salomé op straat. Hij herkent haar van 30 jaar geleden. Hij was een van haar bewakers/folteraars/ondervragers in de Marokkaanse gevangenis. Hij gaat haar sporen na en ontdekt dat zij schilderes is geworden. Hij neemt zich voor om naar de opening van haar tentoonstelling te gaan en zoekt haar ook thuis op. Hij wil uitleggen dat hij is veranderd, een ander mens is geworden. Hij zegt dat mensen destijds zelfs dachten dat hij de vader van Salomé’s kind was. Salomé schrikt enorm van zijn komst en jaagt hem weg. Door deze ontmoeting met haar voormalige beul raakt ze zo van slag dat ze besluit te vluchten. Weg uit Amsterdam. Geen tentoonstelling, geen veiling van enkele schilderijen. Niemand weet waar ze naartoe is. Ze laat alleen Hbib weten wat er met haar bezittingen moet gebeuren. En ze wil dat hij haar schilderijen die in de kelder liggen verbrandt.

Deel 3 De herrijzenis van Salomé Abergel

Salomé blijkt gevlucht naar Tunis. Dankzij connecties van Hbib heeft ze daar onderdak gevonden bij een gezin, bestaande uit moeder Meryem, zoon Azzedine van in de twintig en dochter Hafsa van middelbare school leeftijd. Salomé is ziek (heeft nog maar één beperkt werkende long). Desondanks rookt ze aan een stuk door en drinkt ze stevig.

Ik herken deze setting van de Proloog van het boek. Daarin wordt geschetst hoe Salomé, oud en uitgemergeld, wordt verzorgd door Meryem en haar dochter. Nu, 300 bladzijden verder, kan ik het verhaal uit de Proloog plaatsen.

Hannah Melger gaat dankzij een tip ook bij dit gezin op bezoek. Ze is niet alleen bezorgd om Salomé, maar vreest ook voor de financiële gevolgen voor haarzelf als Salomé en haar schilderijen niet boven water komen. Moeder Meryem zegt niet te weten waar Salomé is. Door het bezoek van Hannah merkt Salomé dat ze ook in Tunis niet veilig is. Ze besluit per trein naar Djerba te gaan. Azzedine begeleidt haar. Tijdens die treinreis wordt door de verhalen van Salomé duidelijk dat Irad en Azzedine vroeger als kleine jongens met elkaar speelden (‘Jullie zijn uit dezelfde klei gebakken’, p. 313). Ze vertelt ook dat ze al langer naar Tunesië wilde om daar te sterven en dat ze wachtte op een teken. De ontmoeting met Yousef Slaoui was voor haar dat verwachte teken. Ze vertelt hem ook dat ze Hbib heeft gevraagd om haar schilderijen en gevangenisportretten te verbranden. En dat ze dat niet durfde toe te vertrouwen aan haar zoon Irad, omdat hij een lafaard is.[3] Ook wil Salomé dat Azzedine bij haar blijft ‘tot het niet meer nodig is’. (p. 320). Ze belooft hem hiervoor goed te betalen. Ze wil niet eenzaam sterven.

Deel 4. Coda; De angstcahiers

Dit vierde en laatste deel van het boek bestaat uit een achttal fragmenten van teksten die zijn geschreven door een ‘onbekende schrijver’ zoals al eerder in Deel 1 (p. 69) is aangegeven. Het blijkt dat het gaat om een soort dagboek-fragmenten die op aanraden van een psychiater zijn geschreven (p. 386). Deze fragmenten spelen zich af in Parijs en verwijzen naar het ‘eenentwintigste’. Een mysterieus arrondissement, een imaginaire onderwereld die slechts hier en daar opdoemt in de ‘raadselachtige getuigenissen van een stel berooide bejaarden, dieven, uitvreters, vagebonden, papierlozen, krakers, smokkelaars, dichters en muzikanten – onder hen zij die het zoute water van de Middellandse Zee nog uit hun broekspijpen wringen en zij die hen opwachten’. (p. 325) Kortom, het gaat hier om de zelfkant van de samenleving. Een vertrekpunt en beginpunt voor losers waar ook Salomé Abergel ooit heeft rondgedoold.

In deze fragmenten worden meerdere verhalen verteld. Een verhaal gaat over Le Souterraine. Hind komt langs bij Irad en gaat in de bar werken. In een later fragment ontmoet de ik-persoon (de onbekende schrijfster) Hind in de bar en ontstaat er een klik. Het blijkt dat de schrijfster getraumatiseerd is door wat haar is overkomen tijdens haar gevangenschap in Marokko (net als Salomé, dus). Een ander fragment gaat over een bus met Marokkaanse migranten die bij de Spaans-Franse grens staat. Een verhaal over angst van elke migrant: niet toegelaten worden. Weer een ander fragment beschrijft de verwarrende gevoelens van migranten: blijf je je wortels trouw of omarm je het westerse leven. De ik-persoon schrijft over het afgeven op je eigen komaf: ‘ik verachtte alles wat laag, arm en niet-Europees was’. De wens om deel uit te maken van het beschaafde, Europese leven en hoe verkrampt dat is.

In het zevende fragment vertelt de onbekende schrijfster hoe ze gefascineerd is door het leven van Salomé. Haar verhaal zou zijn geëindigd met haar verdwijning, als er niet onverwachts een man opduikt in Le Souterraine. Hind spreekt met hem. Later vertelt Hind aan de schijfster over deze ontmoeting. Irad is dan vertrokken naar Tunesië omdat zijn moeder is overleden. Het blijkt dat deze man Azzedine is. Hij vertelde dat Salomé op het laatst nog haar testament heeft gewijzigd. Naast Irad zal ook Azzedine een deel van de erfenis ontvangen. Sterker nog; de twee mannen krijgen ieder de helft. Maar Hind weet dat er niet veel te verdelen valt. Al haar werk is immers verbrand. Later praat Azzedine nog uitgebreid met de schrijfster over Salomé. Onder andere over het feit dat ze bang was voor ‘de pelgrim’, die haar achternazat. Het lijkt erop dat Azzedine de schijfster met al deze verhalen voldoende stof heeft aangeleverd om later het levensverhaal van Salomé op te tekenen.

Het laatste fragment gaat over de gruweldaden van beulen en bewaarders. De getuigenissen van deze folteraars zijn zeldzaam. En als ze al getuigen portretteren ze zichzelf als slachtoffer, als ‘zielenpoot die gelouterd wil worden’. Dit sluit aan op het promotie-onderzoek van Safae el Khannoussi, de daadwerkelijke schrijfster van het boek Oroppa. Zij doet studie naar de gevangenissen in de Maghreb.

In de ogen van hun slachtoffers nemen deze beulen mythische proporties aan. Het wordt een collectief wezen ‘dat zich in duizendvoud manifesteerde’ (p. 387). Een fantoom dat de naam De Pelgrim kreeg. Als je dat wezen wilt doorgronden, ‘moet je in zijn bed slapen, dezelfde hap van hetzelfde bord nemen, hetzelfde leven leiden’. (p. 390). ‘Het is een monster waarvan we alleen maar kunnen zeggen dat het iets begaan heeft en dat het zich van ons onderscheidt doordat wij dat niet hebben gedaan’.

Ik herken iets van het denken van Hannah Ahrendt in deze omschrijving. Haar bekende uitspraak over ‘de banaliteit van het kwaad’: mensen kunnen in hun rol als beul of gevangenbewaarder heel wreed zijn, maar daarnaast ook een heel normaal leven leiden. Geen monsters, maar heel gewone mensen.

 

TEN SLOTTE

Oroppa gaat over mensen die op zoek zijn naar een goede plek om te wonen. Sommige van hen zijn beulen geweest, sommigen waren slachtoffers. Ze zien geen toekomst meer in hun land van herkomst en maken de overtocht naar Europa. Daar worden ze achtervolgd door hun verleden en door hun afkomst. Ze merken dat ze niet welkom zijn, of niet veilig. Daarom trekken ze verder, weer op de vlucht, zoeken hun heil in verslaving en verdoving. Nergens rust, nergens thuis. Het verhaal heeft geen echt einde of begin. En zeker geen sprookjesachtig ‘lang en gelukkig’- slot. Maar het eindigt ook niet in mineur. Het boek schetst het leven zoals het is. De menselijke conditie van migranten in de 21e eeuw: overleven, geluk zoeken, vallen en opstaan. De schijfster toont daarbij veel compassie voor de mensen aan de rafelranden van de samenleving. Mensen die vaak naamloos en onzichtbaar blijven. Dankzij Safae el Khanoussi maken we met hen kennis en krijgen we begrip voor hun situatie, hun pijn en hun dromen. Dat maakt dit boek, zeker in deze gure tijd waarin migranten worden verketterd, enorm de moeite waard.

 

 

 

[1] Irad realiseert zich later dat zijn moeder in de gevangenis portretten tekende van mede-gevangenen. Maar nooit van hem. Vanwege zijn hazenlip? Dat vindt hij vernederend. (p. 125)

[2] Pelgrim is de verzamelnaam voor alle beulen, verkrachters, gevangbewaarders. (p.94, p. 387)

[3] Uit het boek blijkt echter het tegendeel: Hbib durft het werk van Salomé niet te verbranden. Irad wel, met hulp van Hind.

Even wat luchtigers

We leven in serieuze tijden, met veel onheilspellende en verontrustende ontwikkelingen. Ik heb daar in mijn blogs de afgelopen maanden ook veel aandacht aan besteed.

Maar vandaag is het tijd voor iets luchtigers. Het is per slot van rekening 1 april. De dag van de glimlach, de verrassing, het verkeerde been.

Ik heb het afgelopen jaar allerlei invallen genoteerd; een beetje in de geest van de befaamde Terzijde rubriek die vroeger in het tijdschrift Vrij Nederland stond. Korte zinnen met een dubbele lading, een kwinkslag, een onverwachte wending. Bedoeld om een glimlach of een aha-gevoel op te roepen. Ik zet ze in een rij onder elkaar, net als in de Terzijde rubriek van vroeger. Zonder illustraties van Peter Vos, maar met foto’s die ik zelf ooit heb gemaakt.

Veel leesplezier!

 

Steeds minder boeren nemen hun koeien te grazen.

Engelsen begrijpen heel goed dat Kloos een dichter is (met dank aan mijn broer Paul).

Noordeloos ligt in Zuid-Holland. Logisch, toch!

Eten vegetariërs wel vleestomaten?

De tennisster liep een dubbele enkelbreuk op.

Veel mensen hebben een zwak voor een sterke leider.

 

 

 

 

Een drog kan niet zonder reden.

De zwaarlijvige man probeerde zichzelf op te beuren met een roomsoes.

Beter in het hoofd geprent dan op papier geprint.

Kun je een blinde darm ontsteking verhelpen met een kijkoperatie?

Op social media is delen hetzelfde als vermenigvuldigen.

Een drielemma is een vraagstuk met drie keuze-opties.

Het pak volle melk was leeg.

Overlijdensadvertentie: chirurg in hart en nieren (niet verzonnen; in het echt gezien).

Je kunt wel bomen planten, maar geen planten bomen. Je kunt wel weer bomen over planten.

 

 

 

 

 

 

 

Veel sterren op Instagram vinden dat ze een hemels lichaam hebben.

Per ongelukje: mijn mobieltje kent mijn broekzak als zijn broekzak.

Op een regenboogtrui staat nooit een regenboog.

Maakt Verkade op zijn website gebruik van cookies?

‘Een pakkerd geven’ klinkt nogal tegenstrijdig.

De man zat na zijn besnijdenis niet lekker in zijn vel.

Jammer dat het Franse woord hippodrôme niet nachtmerrie betekent.

 

 

 

 

 

 

Ik deed mee aan de landelijke vogelteldag. En inderdaad: 7 vinkjes.

Een verdieping is meestal een verhoging.

Deze insecticide heeft bij-effecten.

De naam Abraham klinkt niet helemaal kosher.

De auto vergroot onze actieradius. Het internet vergroot onze interactieradius.

Mijn ouders lieten mij al op jonge leeftijd met woorden spelen.

 

Sag mir wo die Blumen sind

Mijn oog valt op een artikel over een grote tentoonstelling in Amsterdam over het werk van de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer. Ik moet toegeven dat ik niet echt bekend ben met het werk van Kiefer. Maar de titel van deze blockbuster tentoonstelling (zowel in het Stedelijk Museum als in het van Gogh Museum) trekt onmiddellijk mijn aandacht: Sag mir wo die Blumen sind. Dat is het bekende lied van Marlène Dietrich. Het toeval wil dat ik juist de dag daarvoor heb gelezen dat dit lied oorspronkelijk is geschreven door de Amerikaanse folk-zanger Pete Seeger. Dat had ik weer ontdekt nadat ik de film A Complete Unknown over Bob Dylan had gezien. En dan is er ook nog een link van de tekst met Rusland en Oekraïne. Alle reden om de oorsprong en verspreiding van dit lied uit te pluizen. 

 

Bob Dylan, A Complete Unknown

Als rechtgeaarde Bob Dylan fan ging ik een paar maanden geleden naar de film A Complete Unknown. Over de opkomst en doorbraak van de jonge Dylan in het New York van vroege jaren ’60. Ik had vooraf meerdere positieve recensies gelezen en ik moet zeggen: die kloppen helemaal. Ik weet niet of hij nog in de bioscopen te zien is, maar ik vind het een aanrader. Ook als je geen grote Dylan-fan bent.

Tijdens het kijken werd mijn aandacht niet alleen door Bob Dylan getrokken, maar ook door zijn wegbereider in de folk music-wereld van die tijd: Pete Seeger. Pete Seeger wordt neergezet als een sympathieke en begripvolle vader-figuur die het talent van de jonge Bob Dylan onmiddellijk signaleert en hem kansen biedt om op te treden en naam te maken. Aan het einde van de film zien we hoe meester Pete en leerling Bob uit elkaar zijn gegroeid. Dit is de apotheose van A Complete Unknown. Tijdens zijn (inmiddels legendarische) optreden op het Newport folk festival in 1965 breekt Bob Dylan met het traditionele folk repertoire en gaat luide elektronische rock spelen. Pete Seeger probeert dit te voorkomen, maar merkt tot zijn schrik en wanhoop dat Dylan niet naar hem luistert. Het was tijd voor iets nieuws, zal Dylan gedacht hebben: The times they are a changin’.

Bob Dylan en Pete Seeger

Pete Seeger

Na het zien van de film wilde ik wat meer van Pete Seeger te weten komen. Ik kende hem eigenlijk alleen als mentor van de jonge Dylan en als schrijver van het lied Turn, turn, turn dat in de uitvoering van The Byrds wereldberoemd is geworden. Voor de Bijbelkenners onder ons: de tekst is gebaseerd op een fragment uit het Bijbelboek Prediker: alles heeft zijn tijd.

Op het internet ontdek ik meer over Pete Seeger (1919-2014). Hij kwam uit een muzikaal en links-georiënteerd gezin en zette zich als zanger en activist zijn leven lang in voor maatschappelijke kwesties. Denk aan de Civil Rights Movement, het opkomen voor rechten van arbeiders en de vredesbeweging. Op latere leeftijd vraagt hij ook aandacht voor milieuvraagstukken. Pete Seeger gebruikt zijn songs en optredens vaak om politieke en maatschappelijke thema’s aan de orde te stellen. In die zin zal hij zeker een inspiratiebron zijn geweest voor de jonge Bob Dylan, die in de jaren ’60 werd aangeduid als de stem van de protestgeneratie. De muziek en het engagement van Dylan uit die tijd sporen 100% met die van Pete Seeger. Maar Dylan wil niet gezien worden als protestzanger. Hij houdt niet van dergelijke etiketten. Hij wil blijven vernieuwen en steeds andere muzikale wegen gaan bewandelen, terwijl Pete Seeger zijn leven lang wel blijft vasthouden aan zijn folk music en zijn maatschappelijk engagement.

Zijn linkse sympathieën en activiteiten brengen hem herhaaldelijk in conflict met de autoriteiten. Zeker in de jaren ’50 toen er in het beruchte McCarthy tijdperk jacht werd gemaakt op alles wat naar socialisme of communisme rook.

Wat heeft dit alles met Sag mit wo die Blumen sind te maken?

Voordat hij beroemd wordt als artiest werkt Pete Seeger als twintiger voor The Archives of American Folk Songs. Hij heeft als taak om allerlei soorten volksmuziek, traditionele liedjes en muzikale tradities te inventariseren. Folk music in de letterlijke zin van het woord. Hij reist stad en land af om liedjes op te sporen en te registreren. Als hij later doorbreekt als liedjesschrijver en zanger blijkt zijn werk als archivaris een rijke inspiratiebron. Veel van zijn songs zijn gebaseerd op traditionele melodieën of teksten. Enkele van zijn songs zijn wereldberoemd geworden (en ik wist eerlijk gezegd niet dat hij ze heeft geschreven of bewerkt), zoals If I had a hammer, We shall overcome, Kumbaya en Kisses sweeter than wine. En in dat rijtje past ook het lied Where have all the flowers gone.

Kort samengevat en vertaald zegt dit lied het volgende:

Waar zijn de bloemen? Geplukt door de meisjes

Waar zijn de meisjes? Mee met de jongens

Waar zijn de jongens? Ze zijn soldaat geworden

Waar zijn de soldaten? Die liggen in hun graf

Waar zijn de graven? Daar bloeien nu bloemen op

Pete Seeger had  een bijzondere inspiratiebron voor dit lied dat hij in 1955 schreef.  Hij had enige tijd daarvoor het boek And quiet flows the Don van de Sovjet auteur Mikhail Sholokhov (die in 1965 de Nobelprijs voor Literatuur won) gelezen. Het boek speelt ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en de bloedige strijd tijdens en na de Russische Revolutie. De hoofdpersoon is een kozak uit de Don-regio. Nu strijdtoneel tussen Rusland en Oekraïne. Kozakken staan bekend als een eigenzinnig, vrijheidslievend volk, Voor niets en niemand bang. In het boek Konvooi van Tommy Wieringa lees ik dat in de 17e en 18e eeuw een min of meer zelfstandige Kozakken-staat bestond in wat nu Oekraïne is. Ze moesten wel strijdbaar zijn, want ze werden van drie kanten belaagd: door Polen-Litouwen, de Tsaren en het Ottomaanse Rijk.[1]

Terug naar Pete Seeger en het boek van Mikhail Sholokhov. In dat boek wordt gerefereerd aan een oud Kozakken-lied: Koloda Doeda. Een bekend wiegelied dat zowel in Rusland als Oekraïne wordt gezongen. Het is een lied waarin een zich herhalend vraag en antwoord patroon is verwerkt. Vrij vertaald:

Waar zijn de ganzen heen? Ze zijn in het riet.

Waar is het riet heen? Gemaaid door de meisjes.

Waar zijn de meisjes heen? Getrouwd met de mannen.

Waar zijn de mannen heen? Naar het slagveld.

Pete Seeger (met zijn achtergrond als muziek-archivaris) maakt een notitie van deze tekst en werkt het later uit in het lied Where have all the flowers gone. Voor de melodie gebruikt hij een Iers volksliedje. Een paar jaar later voegt een vriend van Seeger nog een paar coupletten aan het lied toe. De boodschap is gericht tegen oorlogen en het zinloze sterven van jonge mannen. Aanvankelijk slaat het lied niet erg aan, maar in de loop van de jaren ’60 (de tijd van de protesten tegen de Vietnam oorlog) wordt het erg populair. Het neemt een enorme vlucht en wordt in talloze uitvoeringen en vertalingen over de hele wereld vertolkt. In Europa wordt met name de versie van Marlène Dietrich bekend: Sag mir wo die Blumen sind.

Rusland en Oekraïne

Juist in de huidige tijd vind ik het een bijzonder gegeven dat het wiegelied Koloda Doeda zowel in Oekraïne als in Rusland bekend is. Ook bijzonder: de schrijver Mikhail Sholokhov, die het lied in zijn boek beschreef, heeft een Russische vader en een Oekraïense moeder. Het is een lied dat over grenzen heengaat. Vanuit Rusland en Oekraïne waait het over naar de VS waar Pete Seeger er een Engelstalige versie van maakt met een Ierse melodie. En vervolgens reist dat lied verder naar alle uithoeken van de wereld. Kennelijk heeft de tekst van het oude wiegeliedje een betekenis die overal een gevoelige snaar raakt. When will they ever learnWann wird man je verstehen? Wanneer gaan we eindelijk leren dat we niet keer op keer de wapens tegen elkaar moeten opnemen?

Anselm Kiefer

Het is die betekenis van dit lied die Anselm Kiefer heeft geïnspireerd tot het maken het kunstwerk met dezelfde titel, Sag mir wo die Blumen sind. Het titelstuk van deze tentoonstelling en speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt. Het is te zien bovenaan het trappenhuis van het Stedelijk Museum. Een imposante installatie met verf, klei, uniformen en rozenblaadjes.

Kiefer zegt in een interview dat hij niet wist dat het lied oorspronkelijk uit Rusland/Oekraïne komt. Hij heeft ook niet de bedoeling gehad om specifiek in te haken op de actualiteit van de oorlog in Oekraïne of Gaza. Maar wel wil hij in zijn algemeenheid een statement maken tegen de absurditeit van oorlogsgeweld. Dat is door de jaren heen het centrale thema in zijn werk. ‘Alles wat ik maak is anti-oorlog’, zegt hij in datzelfde interview. Bovendien wil hij met het woord ‘Blumen’ verwijzen naar de bekende zonnebloemen van de door hem bewonderde Vincent van Gogh. Daarom heeft niet alleen dat ene kunstwerk van Kiefer, maar ook de gehele tentoonstelling deze titel gekregen: Sag mir wo die Blumen sind. Zo blijft het oude wiegelied Koloda Doeda nog steeds doorklinken en is de boodschap ervan onverminderd actueel.

Ik sluit graag af met een bijzonder citaat uit het boek Konvooi van Tommy Wieringa. Het vat mijn verhaal kernachtig samen. Vlak na de Russische invasie in Oekraïne in 2022 duikt er een filmpje op van een boze Oekraïense vrouw die op een Russische soldaat afloopt. Ze geeft de verbouwereerde soldaat een handvol zonnebloempitten. ‘Hier, zegt ze, steek in je uniformzakken, dan zullen er straks zonnebloemen op je graf bloeien’.

Het kan bijna niet anders dan dat deze vrouw als jong meisje het liedje Koloda Doeda heeft gehoord.

 

[1] Dat Kozakken geduchte strijders zijn merkte ik onlangs ook dichtbij huis op, op bezoek in Leerdam.  In 1814 verdreven Kozakse troepen de Franse soldaten en bevrijdden de stad. Als dankbetuiging staat er op de Grote Kerk in Leerdam geen haan als windvaan, maar een afbeelding van een Kozak te paard.

Geraadpleegde bronnen

https://www.deutschlandfunkkultur.de/antikriegslied-flowers-blumen-ukrainisch-100.html

https://www.newfolksounds.nl/de-nederlandse-versies-van-where-have-all-the-flowers-gone/artikelen-nw/2015

https://www.rollingstone.com/music/music-lists/pete-seeger-20-essential-tracks-12893/

https://www.theartnewspaper.com/2025/03/07/anselm-kiefer-amsterdam-installation-anti-war-message

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/podium/de9f7199-a958-4d77-864a-4f244faab2cf/2022-04-02-podium

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/07/duitse-superkunstenaar-anselm-kiefer-opent-dubbeltentoonstelling-in-amsterdam-alles-wat-ik-maak-is-anti-oorlog-a4885553

 

De gehele Duitstalige tekst

Sag mir wo die Blumen sind
wo sind sie geblieben
Sag mir wo die Blumen sind
was ist geschehen?
Sag mir wo die Blumen sind
Mädchen pflückten sie geschwind
Wann wird man je verstehen
wann wird man je verstehen?

Sag mir wo die Mädchen sind
wo sind sie geblieben?
Sag mir wo die Mädchen sind
was ist geschehen?
Sag mir wo die Mädchen sind
Männer nahmen sie geschwind
Wann wird man je verstehen?
Wann wird man je verstehen?

Sag mir wo die Männer sind
wo sind sie geblieben?
Sag mir wo die Männer sind
was ist geschehen?
Sag mir wo die Männer sind
zogen fort der Krieg beginnt
Wann wird man je verstehen?
Wann wird man je verstehen?

Sag wo die Soldaten sind
wo sind sie geblieben?
Sag wo die Soldaten sind
was ist geschehen?
Sag wo die Soldaten sind
über Gräben weht der Wind
Wann wird man je verstehen?
Wann wird man je verstehen?

Sag mir wo die Gräber sind
wo sind sie geblieben?
Sag mir wo die Gräber sind
was ist geschehen?
Sag mir wo die Gräber sind
Blumen wehen im Sommerwind
Wann wird man je verstehen?
Wann wird man je verstehen?

Sag mir wo die Blumen sind
wo sind sie geblieben?
Sag mir wo die Blumen sind
was ist geschehen?
Sag mir wo die Blumen sind
Mädchen pflückten sie geschwind
Wann wird man je verstehen?
Wann wird man je verstehen?

P.S. 9 juni 2026

Tijdens een concert van The Nits in Utrecht (februari 2026) hoor ik het liedje Flowers. De tekst van dat lied heeft vrijwel dezelfde strekking als Where have all the flowers gone :

She is walking through the snowflakes
On the churchyard
With a small bunch of flowers in her hand
She’s putting it on a gravestone
Of a young soldier
Who died on the desert sand

And it hurts
And it hurts
The song in her head
Where the flowers are gone
And the young men are dead
And the girls are alone
With the hours

etc.

(Reageren op mijn blogs kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn zijn zeer welkom!)