Categoriearchief: Kunst & cultuur

Moussa en Meursault; rendez-vous met Albert Camus

De Algerijnse schrijver Kamel Daoud publiceerde enkele jaren geleden zijn debuut-roman Meursault, contre-enquête. Een hedendaags antwoord op het klassiek geworden boek L’Etranger van Albert Camus; ook een debuutroman, uitgebracht in 1942. Op de middelbare school ontwikkelde ik een fascinatie voor Camus die mij nooit echt heeft losgelaten. Ik kon dus niet anders dan ook het boek van Daoud lezen. In 2015 verscheen de Nederlandse vertaling onder de -nogal van het origineel afwijkende- titel Moussa, of de dood van een Arabier. Een intrigerend boek dat mij ertoe aanzette om, veertig jaar later, opnieuw L’Etranger te gaan lezen.

 

L’Etranger

Mijn belangstelling voor de schrijver Albert Camus ontstond op de middelbare school. Ik had Frans gekozen als examenvak en werd geacht 12 Franstalige boeken te lezen. Ik moest een gevarieerde keuze maken uit een voorgeschreven groslijst die begon met La chanson de Roland uit de Middeleeuwen en eindigde met moderne, naoorlogse schrijvers.

leeslijst-school-onderdeel

Een deel van de lijst met de door de school voorgeschreven boeken

Ik las de meeste boeken daadwerkelijk in het Frans, maar kon niet zonder de hulp van het uittrekselboek Aperçu, en ook niet zonder Nederlandse vertalingen en het Frans-Nederlandse woordenboek. Van Camus koos ik het boek l’Etranger en ik werd zo gegrepen door dat verhaal, dat ik daarna ook zijn La Peste op mijn lijst zette. Meer mocht niet: maximaal twee titels per schrijver. Via Albert Camus en ook Jean-Paul Sartre kwam ik in aanraking met het existentialisme, met maatschappelijk engagement, met het begrip absurditeit, met het verbinden van literaire thema’s aan sociale vraagstukken. Koren op de molen van een maatschappelijk geïnteresseerde bovenbouw-leerling in de jaren ’70.

leeslijst-frans

Inhoudsopgave van mijn uittreksel-schrift Franse literatuur. Gevonden in een oude kist op zolder

Het verhaal van L’Etranger speelt zich af in Algerije waar de hoofdpersoon Meursault een onopvallend leven leidt. Algerije is op dat moment nog een Franse kolonie en Meursault is een pied-noir, een Algerijn van Franse afkomst. Een westerling, dus. Het in de ik-vorm geschreven boek kent twee delen. Het eerste deel begint met het overlijdensbericht van de bejaarde moeder van Meursault en schetst hoe hij daar schijnbaar onbewogen mee omgaat. De hoofdstukken daarna laten iets zien van Meursault’s dagelijks leven, zijn buren, zijn vrienden en zijn omgang met zijn vriendin Marie. Ook in zijn werk en relaties toont hij zich tamelijk onbewogen. Hij is vriendelijk en rustig, niet gepassioneerd. Iemand die alles op z’n eigen manier doet, en niet met alle winden meewaait. Tijdens een (snikhete) dag op het strand met wat kennissen ontstaat er een ruzie met een groepje Arabieren. Een van de Arabieren haalt uit met een mes, maar deinst terug als een van Meursault’s kennissen een pistool trekt. Later die middag maakt Meursault in z’n eentje nog een keer een wandeling op het strand en treft op een afgelegen plek één van de Arabieren aan en schiet hem, zonder directe aanleiding, dood.

Het tweede deel van het boek is geheel gewijd aan het proces tegen Meursault. Allerlei gebeurtenissen uit het eerste deel krijgen in dit proces met terugwerkende kracht een negatieve duiding en worden door de aanklager  tegen hem gebruikt. De moord was de aanleiding om hem voor de rechter te brengen, maar in feite veroordeelt men Meursault vooral omdat hij niet heeft gehuild bij de begrafenis van zijn moeder, omdat hij de dag daarna met z’n vriendin naar een vrolijke film ging, omdat hij niet in God gelooft en omdat hij met een souteneur omging. Meursault verweert zich niet. Hij voert slechts aan dat hij op het moment van de moord werd bevangen door de hitte van de zon. Hij wordt uiteindelijk ter dood veroordeeld. De gevangenispriester probeert hem nog te bekeren, maar een woedende Meursault stuurt hem weg. Die woede-aanval brengt hem rust en hij verzoent zich aan de vooravond van zijn executie met zijn leven en zijn lot. Hij denkt terug aan zijn moeder die in haar laatste levensjaren nog een relatie kreeg met een oudere man. Een teken dat zij ook in het bejaardenhuis wist te genieten van de mooie dingen van het leven. En hij voelt dat hij zelf ook gelukkig is geweest en nog steeds is.

Op de valreep van het boek dat door velen als nihilistisch is aangeduid, gebruikt Camus het woord ‘gelukkig’. Net als in zijn boek de Mythe van Sisyphus: “we moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen”. Het leven lijkt absurd en zinloos, maar een mens kan keuzes maken die hem vrij maken van dwang, van God en van conventies en daarin kan hij geluk vinden. Ook (of juist!) in de kleine en gewone dingen van het leven.

 

Moussa

moussa-omslag

Ook dit boek is geschreven in de ik-vorm waarbij Haroen, de hoofdpersoon, een onbekende ‘jij’ toespreekt. Van tijd tot tijd richt de ‘ik’ zich direct tot deze aanspreekpersoon met zinnen als “heb je het begrepen?” (p. 12),  of “jij bent naar mij toegekomen” (p. 54),  of “jij, die uit Parijs komt” (p.79). De openingszin van het boek: “Vandaag is mijn moeder nog in leven” staat haaks op die van L’Etranger: “Vandaag is moeder gestorven”. Dat zet al meteen de toon van het boek. De sjabloon van Camus wordt gekopieerd, maar de invulling en het perspectief zijn wisselend: soms diametraal anders, soms verbluffend overeenkomstig. De hoofdpersoon onthult dat hij de jongere broer is van de anonieme Arabier die door Meursault is vermoord. Zijn broer heet Moussa. Hij wil zijn broer, die slechts een figurant was in het boek van Camus,  een stem en een gezicht geven. Hij is boos, omdat de Meursault van Camus zijn broer heeft gedood “door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten”. Daarmee lijkt het boek in eerste aanleg een aanklacht tegen de arrogantie van de Franse koloniale overheersers.  “Daarom doe ik wat sinds de Onafhankelijkheid iedereen in dit land doet: de stenen van de oude koloniale huizen een voor een weghalen om er een huis voor mezelf, een taal voor mezelf mee te bouwen”.

De ik-persoon beschrijft uitvoerig hoe de dood van zijn broer (en het verdwijen van zijn lichaam) de relatie met zijn moeder veranderde en belastte. Zijn moeder was gek van verdriet en zocht wekenlang wanhopig naar het lichaam van haar oudste zoon. Vanaf de dag van de moord draaide haar wereld om Moussa. De ik-persoon werd verwaarloosd: “vreemd genoeg werd ik behandeld als een dode en mijn broer Moussa als een levende….ik werd veroordeeld tot een bijrol”. Daoud schetst hierbij het herkenbare dilemma van ouders met een ernstig ziek of overleden kind en het gebrek aan aandacht voor de andere kinderen dat daar soms uit voorkomt. En dat is voor de ik-persoon des te moeilijker, omdat hij hieronder lijdt, maar toch geacht wordt zijn moeder op een voetstuk te plaatsen (“bij ons is een moeder de helft van de wereld”). Als hij toegeeft dat zijn moeder hem inmiddels volkomen koud laat en hij haar niet vergeeft, komt zijn houding in de buurt van die van Meursault die zich zo onaangedaan gedroeg bij de begrafenis van zijn moeder. Dit soort passages in het boek geven het verhaal een aparte dimensie. Het is geen simpele afrekening met Camus, of met het kolonialisme. Langzaamaan ontstaat het beeld van een ik-persoon die meer op de Meursault lijkt dan je aanvankelijk zou denken. Ook deze hoofdpersoon heeft moeite om een vaste relatie met een vrouw op te bouwen. Ook hij pleegt een tamelijk zinloze moord (in dit geval is een Fransman het slachtoffer; vermoord nadat de onafhankelijkheid al is uitgeroepen) en ook hij trekt zich (als moslim) weinig aan van de heersende religieuze conventies. Dat levert een prachtig citaat op: “Voor mij is godsdienst als openbaar vervoer, en ik maak er geen gebruik van. Ik zou graag naar die God toegaan, lopend als het moet, maar niet met een georganiseerde groepsreis”. En zoals Meursault aan het einde van L’Etranger zijn woede uit tegen de gevangenispriester, zo roept de hoofdpersoon in het boek van Daoud op de laatste pagina’s dat hij zin heeft om een minaret te beklimmen en via de luidsprekers alle details van zijn goddeloosheid uit te schreeuwen. Dat hij wil brullen dat hij vrij is en dat God een vraag is en geen antwoord.

Zo bevat het boek Moussa meerdere lagen. Het verhaal bevat teveel overeenkomsten met L’Etranger om een aanklacht te zijn. En te veel tegengestelde elementen om het een eigentijdse navertelling te noemen. Een belangrijk verschil is de reactie van de hoofdpersonen na de moord die ze hebben gepleegd. Meursault laat niet zien wat het vermoorden van iemand anders met hem doet, maar Haroen vertelt hoe het plegen van moord het leven heeft ontheiligt en hoe hij geen werkelijke liefde voor anderen meer kan voelen.

“Welk verhaal is meer waar”, vraagt de ik-persoon aan het eind. Het is, in de woorden van Daoud, aan ons om die vraag te beantwoorden.

 

L’Etranger

camus-nieuw

Na het lezen van Moussa voelde ik de sterke behoefte om L’Etranger opnieuw te gaan lezen. En opnieuw in het Frans. Ik kocht een gloednieuw exemplaar (nog steeds van Editions Gallimard) en begon aan het verhaal dat ik veertig jaar geleden voor het eerst had gelezen. Ik heb sinds mijn middelbare school-tijd geen boek meer in het Frans gelezen, dus ik hield net als destijds het woordenboek binnen handbereik. Dat was af en toe nodig, maar over het algemeen kon ik het verhaal goed volgen. Camus schrijft in een (om Pieter Steinz in zijn prachtige literatuurgids Steinz te citeren) “heldere stijl, die zich kenmerkt door korte zinnen en weinig moeilijke woorden”. Ideaal dus voor scholieren en voor herlezers op latere leeftijd. Bij het herlezen vond ik Camus’ stijl wat lijken op die van Arnon Grünberg in De Asielzoeker. En de gedachten van Meursault en de traagheid van alledag deden me denken aan Frits van Egters in De Avonden van Reve.  Maar wat me vooral opviel, was dat ik de sfeer van het boek meteen weer helemaal herkende. De leegheid en loomheid. Het strand en de brandende zon.  De onverschilligheid, maar ook de welwillendheid van Meursault. Niets kan hem wat schelen, maar niet op een puur negatieve manier. Als Marie voorstelt om te gaan trouwen, is hij niet enthousiast, maar hij wijst het ook niet af. Als zijn baas hem een mooie carrière-verandering voorstelt, haalt hij zijn schouders op. Hij vindt zijn huidige positie wel best. Als hij een buurman moet helpen om iemand een lesje te leren, wil hij wel helpen met het schrijven van een brief. Zou dat “la tendre indifférence du monde” zijn, zoals Meursault dat aan de vooravond van zijn executie benoemt en die hem laat inzien dat hij gelukkig is geweest?

Wat vooral opvalt als je het boek van Camus leest, na het lezen van Moussa, is hoe Camus inderdaad geen enkel oog heeft voor de  vermoorde Arabier. Geen naam, geen gezicht, geen geschiedenis. Je begrijpt waarom Daoed zijn boek heeft willen schrijven.

 

Tot slot

Het boek van Daoud is goed ontvangen. Daoud werd in 2015 winnaar van de Prix Concourt de Premier Roman. Ook in Nederland waren de recensies lovend. De recensent van Trouw gaf aan dat je tegenwoordig niet meer het boek van Camus kunt lezen, zonder ook dit “vervolg” te lezen. Ik ben het daarmee eens. Daoud heeft aan het verhaal van Camus niet alleen een eigentijdse dimensie toegevoegd, maar ook een lijn doorgetrokken die duidelijk maakt hoe het verleden zijn sporen nalaat en tot hedendaagse dilemma’s en worstelingen leidt. Hoe een moord uit het verleden een nieuwe moord in het heden kan uitlokken. Bas Heijne zegt in dat verband in de NRC: het is geen wraak, maar een vloek. Ik ben dat voor de helft met hem is. Het boek van Daoud is geen inderdaad geen wraakoefening. Maar het is ook geen vloek. Hoewel Heijne het woord vloek ontleend aan een citaat uit het boek van Daoud zelf, vind ik dat woord als aanduiding niet echt van toepassing. Camus is voor mij de denker en schrijver van de moed. Hij rekent in zijn werk juist af met termen als noodlot en vloek. De mens heeft een keuze, hoe moeilijk soms ook, om tegen het noodlot en tegen de (af-)goden in te gaan. Ook al moet hij elke dag een rotsblok de berg opduwen om iedere avond te zien hoe het weer naar beneden rolt.  Voor mij is dit boek van Kamel Daoud een complement van en een compliment voor L’Etranger van Albert Camus. Daoud zet je, in navolging van Camus, aan het denken. En hij heeft me zelfs weer zo ver gekregen om mijn school-Frans af te stoffen.

 

 

 

P.S. 1: De Italiaanse regisseur Luchino Visconti verfilmde het boek van Camus in 1976.

P.S. 2: De popgroep The Cure bracht in 1978 de song Killing an Arab uit.

P.S. 3: Kamel Daoud werd na het uitbrengen van zijn boek aangevallen op zijn kritische houding ten opzichte van de islam. Een salafistische imam sprak zelfs een fatwa tegen Daoud uit, maar werd daarvoor door een Algerijnse rechtbank veroordeeld tot drie maanden cel.

Vruchtgebruik (of waarom Apple Apple heet)

 

De Europese Commissie heeft vandaag bepaald dat het bekende technologieconcern Apple 13 miljard euro  aan de Ierse fiscus moet betalen in verband met eerder gemaakte belastingafspraken die nu illegaal zijn verklaard. Dit bericht bracht mij (naast andere gedachten) op de vraag waarom Apple eigenlijk Apple heet. Waarom heeft men bij de naamgeving van een high tech bedrijf juist voor de naam van een vrucht gekozen? Heeft die naam iets met het Bijbelse scheppingsverhaal te maken? Of is er een link met de toenmalige gelijknamige platenmaatschappij van de Beatles. Of is er een andere reden?

Enig speurwerk op internet levert verschillende verhalen op. Op oude YouTube filmpjes van Apple-oprichters Steve Jobs en Steve Wozniak[1] klinkt vooral door dat ze het een kernachtige naam vonden. Simpel, positief en herkenbaar. Toen de naam Apple werd voorgesteld, wist niemand van de betrokkenen een betere naam te bedenken, dus werd het Apple. Er wordt zelfs gesuggereerd dat Jobs deze naam had bedacht omdat hij daarvoor in een biologische appelboomgaard had gewerkt.[2] Deze suggestie wordt nog versterkt door het feit dat de bekende Mac van Apple voluit Macintosh heet, en dat is een bekend appel-ras. Steve Jobs vertelt er op een video lachend bij dat de naam Apple ook handig was, omdat men zo bij het zoeken op alfabetische volgorde voorbleef op concurrent Atari.

Nu was er een probleem omdat de platenmaatschappij van de Beatles ook Apple heette.

Apple Abby Road

Apple Records (of eigenlijk holdingmaatschappij Apple Corps) spande een rechtszaak aan tegen Apple Computers. In de media werd deze aandachttrekkende zaak ‘Apple vs Apple’[3] genoemd. Apple Computer mocht de naam Apple blijven voeren tegen betaling van een fiks bedrag aan Apple Records en de belofte om zich niet in te laten met muziek (terwijl het bedrijf van de Beatles moest beloven buiten de computer-branche te blijven).

Terug naar Steve Jobs. Nu de naam ook legaal was vastgelegd, moest er natuurlijk een plaatje bij, een logo. Hoe belangrijk een logo is voor Apple, blijkt wel uit het feit dat je in de uitingen van Apple vooral het logo (beeld) ziet en zelden de naam (woord). Het eerste beeld dat werd gebruikt was een tekening met daarop de legendarische uitvinder Isaac Newton zittend onder een appelboom.

Oudste Apple logo

 

“Newton (1642-1727) is een van de grootste denkers aller tijden geweest, en heeft baanbrekende bijdragen geleverd aan de natuurkunde, de wiskunde, en de astronomie. Van hem wordt verteld dat hij geïnspireerd werd tot zijn theorie over de zwaartekracht, toen hij lag te peinzen onder een appelboom in de boomgaard van zijn moeder, en er op zeker moment een appel naar beneden viel. Op het frame van de tekening in het logo staat in kleine hoofdletters: “NEWTON — ‘A MIND FOREVER VOYAGING THROUGH STRANGE SEAS OF THOUGHT — ALONE.’ ” De frase is afkomstig uit een passage uit The Prelude, van de Engelse dichter William Wordsworth (1770-1850). Het spreekt van een reis door vreemde oceanen van gedachten, het anders denken dan de rest van de wereld, en de eenzame hoogten die Newton daarin bereikte. Het is goed voor te stellen dat de oprichters van Apple eenzelfde reis hoopten te maken. En terugkijkend heeft Apple inderdaad net als Newton spectaculaire revoluties veroorzaakt.”[4]

 

Maar het logo was te ingewikkeld en te gedetailleerd, dus men ging op zoek naar een strakker ontwerp. Een ingehuurde ontwerper ontwikkelde het tegenwoordig zeer bekende Apple-logo met aan de rechterkant de ontbrekende hap. In tegenstelling tot het huidige logo werd deze appel afgebeeld met veelkleurige horizontale banen.

Apple regenboog logo

Sommige bronnen suggereren dat de regenboog-kleuren en de hap eruit verwijzen naar Alan Turing, de beroemde Britse wiskundige die bekendheid verwierf door het ontcijferen van de militaire codes van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog  (een paar jaar geleden weer nader bekend geworden dankzij de film Enigma; zie ook mijn eerdere blog Enigma en Dilemma; http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=571). Steve Jobs was een bewonderaar van deze founding father van de informatica. Turing pleegde na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord door gif in te nemen. Het was een wanhoopsdaad omdat hij als homoseksueel aangeklaagd werd en chemisch gecastreerd dreigde te worden. Op zijn sterfbed zou een appel zijn gevonden waaruit een hap was genomen. De veelkleurigheid van het logo zou verwijzen naar de regenboogvlag van de homobeweging. Wat mij betreft is deze redenering wat vergezocht. Zeker ook omdat later het logo veranderde van veelkleurig in eenkleurig.

Een veelgehoorde andere verklaring omtrent het de naam en het logo van Apple is de verwijzing naar het bekende bijbelverhaal van Adam en Eva. Eva verleidt Adam met een door een slang aangereikte vrucht uit de ‘boom der kennis van goed en kwaad’. Door van deze verboden vrucht te eten, raken Adam en Eva hun onschuld kwijt en worden ze uit het paradijs verdreven. In bijbeltermen gaat het hier om een zonde, maar je kan het ook opvatten als een gewaagde daad, een provocatie, een revolutie, zoals Prometheus het vuur van de goden wist te stelen.

Ook deze uitleg overtuigt me niet, maar om een heel andere reden dan de Turing-versie. Dat komt door een boekje van mijn vader. Hij schreef lichtvoetige verhaaltjes over zijn ervaringen met zijn drie opgroeiende zoons. Een van die verhalen gaat over mij en mijn kinderlijke interpretatie van het scheppingsverhaal:

van geluk gesproken klein

 

Druiven nog korter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Druiven en geen appel. Het zou kunnen. Lees het maar na in Genesis. Ondanks alle latere verwijzingen in kunst en literatuur kom je in het scheppingsverhaal geen enkele appel tegen. Er wordt in de tekst wel gesproken over een vrucht, maar er staat niet om welke vrucht het gaat. Het had dus ook een peer  of een druif kunnen zijn. Ik weet niet hoe Bijbel-vast Steve Jobs was. Misschien ging hij net als zovelen ook van de spreekwoordelijke adamsappel uit.

Al met al is het moeilijk om onomstotelijk bewijs te leveren voor de oorsprong van de naam Apple. Het is verleidelijk om Steve Jobs en Apple mythische proporties te geven en hen te verbinden aan grote namen als Newton en Turing, of een link te leggen met het oeroude scheppingsverhaal. Als ik alles op een rijtje zet, denk ik dat het in werkelijk heel eenvoudig verliep.  Tijdens een studentikoze, melige brainstorm-sessie kwam de naam Apple bovendrijven en niemand wist iets anders te verzinnen. Niets meer en niets minder.

Een aardige bijkomstigheid voor ons is dat de naam Apple op een dag als vandaag veel munitie oplevert voor de bedenkers van krantenkoppen of woordgrappen. Ik zie de headlines van de ochtendbladen en de grappen op social media al voor me:

 

Apple geplukt

Europese Commissie perst Apple uit

EU heeft nog een appeltje te schillen met techno-reus

Schudden aan de Apple-boom

En als jochie zou ik gedacht hebben: de druiven zijn zuur.

 

Toevoeging 5 augustus 2022:

De Beatles op hun beurt hebben zich laten inspireren door het werk van de Belgische schilder Magritte. Paul McCartney kreeg een schilderij van Magritte waarop een groene Granny Smith appel stond met daarover de tekst ‘au revoir’.  Dat gaf hem het idee om de Beatles muziekmaatschappij de naam Apple te geven.

(zie ook:  https://www.forbes.com/sites/craigsilver/2013/12/05/how-a-magritte-painting-lead-to-apple-computer/?sh=796864fa228f  )

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.bitrebels.com/business/steve-jobs-steve-wozniak-apple-name/

 

[2] http://apple2history.org/history/ah02/

 

[3] http://news.bbc.co.uk/2/hi/entertainment/4750533.stm

 

[4] http://verizine.nl/de-betekenis-van-het-apple-logo/

 

 

 

 

Geniet ervan! (over de gebiedende wijs)

‘Geniet ervan!’ Deze woorden krijg ik steeds vaker te horen. In het restaurant als het bord onder mijn neus wordt geschoven, op mijn werk als de vakantie aanbreekt, in een winkel als ik iets moois heb gekocht, in het hotel als ik de sleutel van mijn kamer overhandigd krijg. Het merkwaardige is dat men de gebiedende wijs (‘geniet’) gebruikt voor iets dat men positief bedoelt.

 

Hoe zit dan nu precies met die gebiedende wijs (ook wel imperatief genoemd, naar het Latijnse woord imperator = keizer/opperbevelhebber)? Het lijkt alsof die te pas en te onpas wordt gebruikt.

Het valt mij op dat veel tekstschrijvers en reclamemakers de gebiedende wijs hanteren. Reclame maken is de kunst van het verleiden. Althans, als je sommige romantisch aangelegde professionals mag geloven. Hoe kun je iemand prikkelen om jouw product aan te schaffen? Reclamemakers hebben daarbij een groot arsenaal aan middelen tot hun beschikking: foto’s van palmenstranden, sfeervolle muziek, geurtjes in de winkels, bekende Nederlanders in een TV-commercial, promotieteams op straat, sexy modellen op billboards (‘sex sells’), en -niet in de laatste plaats- : wervende teksten. Naast beelden, geluiden en geuren, zijn woorden krachtige instrumenten om potentiële kopers over de streep te trekken. Er wordt vaak voor de gebiedende wijs gekozen om de boodschap kort en stevig over te brengen. Maar kunnen we het nog wel verleidingskunst noemen als wij bevelen naar ons hoofd krijgen geslingerd?  Ik merk dat ik me minder uitgenodigd voel als ik geconfronteerd word met termen als KOOP! BESTEL! RESERVEER! GENIET! Ik krijg bij dergelijke dwingende aansporingen al snel een ‘dat maak ik zelf wel uit’-gevoel.

Je kunt je bovendien afvragen of het op deze manier gebruiken van de gebiedende wijs wel spoort met de regels van de Nederlandse taal. Dat blijkt mee te vallen. De gebiedende wijs wordt niet alleen gehanteerd bij orders en bevelen. In een doorwrochte tekst legt Sies de Haan[1] uit dat er meerdere gebruiksmogelijkheden van de imperatief bestaan. Samengevat in een tabelletje met voorbeelden van de Haan en mijzelf kent de gebiedende wijs de volgende varianten:

Bevel/order Advies/instructie Wens Verwensing Aanmoediging
Hou je mond Voeg een mespuntje zout toe Slaap lekker Krijg de klere Zet ‘em op

 

Zo opgevat hoeft een reclame-leus als ‘Bel en Win’ niet ervaren te worden als een bevel of opdracht; het kan ook bedoeld zijn als een advies of aanmoediging. Na het lezen van de tekst van de Haan realiseer ik me dat ik wat minder kritisch naar gebiedende reclame-kreten moet kijken. Ook zal ik proberen me de woorden ‘geniet ervan’ probleemloos te laten aanleunen. De bediende die mij een stuk appeltaart serveert wil niet zeggen dat ik moet genieten, maar wenst dat ik zal gaan genieten. In feite niets anders dan de bekende uitdrukking ‘eet smakelijk’, al vind ik dat laatste toch toepasselijker in zo’n situatie.

Toch is de kous hiermee niet af. Ook met een breder gebruik van de gebiedende wijs is het belangrijk om de regels van de logica te hanteren en geen misverstand over je intenties te laten bestaan. En daar wringt nog wel eens de schoen.

Een paar voorbeelden.

In sommige advertenties staat het woord KRIJG of ONTVANG: ‘BESTEL nu uw product en ONTVANG 20% korting’. Ik kan aangespoord worden om te bestellen (ik ben hier de actieve partij), maar ik kan niet aangespoord worden om iets te krijgen of te ontvangen (ik ben hier de passieve partij). Daar heb ik iemand anders voor nodig die mij iets geeft. Dus eigenlijk moet die andere partij aangespoord worden. De gebiedende wijs bij KRIJG past wel bij een verwensing (‘krijg de klere’), maar dat zal een reclame-maker mij toch niet toewensen, neem ik aan.

Een andere opmerkelijke variant is de volgende[2]: ‘KOOP hier uw winnend staatslot?’. Ook hier kan ik het (dringende) advies krijgen om iets (een staatslot) te kopen, maar niemand kan mij garanderen dat het een winnend staatslot zal zijn. Boogaart zegt hierover: ‘wie iets aanbiedt moet het aangebodene wel in de aanbieding hebben’. En dat kan hier niet. Kennelijk heeft men wel een slag om de arm  willen houden door een vraagteken achter de slogan te plaatsen. Maar het is wel heel merkwaardig om de gebiedende wijs toe te passen in een vraagzin.

Een voorbeeld van een heel andere orde is de kreet die in 2013 en 2014 overal in Amsterdam te zien was: ‘WEET je stad’.

Weet je stad

 

 

Deze bijzondere imperatief was de slogan van Amsterdamse TV-zender AT5. Het Nederlands kent een subtiel verschil tussen de werkwoorden KENNEN en WETEN (in het Engels allebei ‘to know’). Je kunt een stad, een persoon, een voorwerp kennen, en je kunt iets van een stad, een persoon, een voorwerp weten. Het had dus ‘KEN je stad’ moeten zijn. Ook bij AT5 wist men dit[3]:

 

 

“Ja, we weten dat het niet klopt. Maar daardoor vallen de affiches juist op en dat was de bedoeling,” zegt Ivonne Bos, een woordvoerster van AT5. De affiches vestigen met “weet dat”, “weet of”, “weet waarom” en andere “weet”-teksten de aandacht op kwesties die alle Amsterdammers raken, en op de programma’s van AT5 zelf. “De verleiding om na al die weetjes een taalkundige faux pas te maken en van “ken je stad” over te stappen naar “weet je stad” was gewoon te groot.”

Het voorbeeld van AT5 laat zien dat men soms erg lichtzinnig met de taal omspringt. Ik pleit niet voor strakke regels, maar het moet geen pijn aan je oren en ogen gaan doen en dat is helaas toch regelmatig het geval.

 

Ten slotte nog een paar opmerkelijke imperatieven (lees en huiver, of grijns en glimlach):

–          Geek de bibliotheek (Openbare bibliotheken)

 

–          Ga het NA (Nationaal Archief –NA- in Den Haag)

 

–          Neuk het systeem (Theo Maassen)

 

–          Ervaar meer (EO)

 

En als allerlaatste:

–          Hou op, schei uit!

 

P.S. 3 november 2017

Interieurbedrijf FonQ voert momenteel ook campagne met een gebiedende wijs variant:

Het valt wel op (net zoals ‘Weet je Stad’, maar het is ook in dit geval helaas ook geen fraai taalgebruik. Mooi is anders!

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.dbnl.org/tekst/_tab001198601_01/_tab001198601_01_0033.php

[2] Met dank aan tekst van Ronny Boogaart in Vaktaal, tijdschrift van de landelijke vereniging van neerlandici, 21-2 (2009), p.10-11.

[3] Zie: http://hansmoerbeek.eu/category/view/frontpage

 

Mooie kerk

Vaste rituelen tijdens de zomervakantie: naar een dorpsmarkt gaan, op een terras zitten en rondkijken, boodschappen doen in een mega-supermarkt, stokbrood eten bij het ontbijt, boeken lezen in een luie stoel, een kerk bezichtigen. Dat laatste deden we eergisteren. Het was wisselvallig weer en we hadden zin om een uitstapje te maken. We hadden gelezen dat deze kerk gerestaureerd werd en dat een bezoek ook tijdens de restauratie de moeite waard zou zijn.

Bijna elke plaats of regio heeft een bijzondere kerk, een oud klooster, een mooie tempel of een kleurrijke moskee die het bezoeken waard is. Er valt vaak veel te zien: beelden, muurschilderingen, bijzondere gebruiksvoorwerpen. Vanwege het religieuze karakter van het gebouw en de behoefte om het geloof uit te dragen werden vaak de beste bouwmeesters en vaardigste kunstenaars aangetrokken. Daarom behoren kerken ook nu nog tot de meest aanzienlijke en interessante gebouwen van steden en dorpen. Ook voor een niet-gelovige valt er veel te genieten van de architectuur en de kunstschatten van kerken. Oude kerken vertellen het verhaal van de geschiedenis van de streek, de geloofsbelevenis, de gebruiken, de stand van kunst en wetenschap in vroeger eeuwen. In nieuwere kerken zie je vaak hoe men de traditionele elementen die je in een kerk aantreft op een eigentijdse wijze vorm heeft gegeven: een stalen preekstoel, abstracte schilderijen, een blankhouten altaar.

De kerk die we eergisteren hebben bezocht is circa honderd jaar oud. Niet oud en niet nieuw. Het is een katholieke kerk, dus vol met kapellen en afbeeldingen van heiligen. Elke kapel heeft zijn eigen stijl en sfeer. Kunstenaars van naam en faam hebben hieraan bijgedragen. Een overwegend neo-gotische kerk vol verticale lijnen met middenin een hoge koepel met verwijzingen naar de Apocalyps. Vanuit het midden van de kerk heb je goed zicht op het prachtige, blauwe Maria-venster aan de noordkant en het indrukwekkende Christus-venster aan de zuidkant. De kerk heeft ook verrassende Moorse invloeden die terug te vinden zijn in de vele geometrische figuren en arcaden. Ook tref je Byzantijnse accenten en Jugendstil-elementen aan.

DSC05711

Het interieur is verrassend ruim en warm. Een grote kerk heeft soms iets unheimisch, maar dat is hier niet het geval. Als de zon door de ramen valt wordt het interieur in een kleurrijke gloed gehuld. Vooral aan de zuidkant van het schip waar tijdens de restauratie een groot groen gebrandschilderd raam is aangebracht. In dat deel van de kerk kleuren de pilaren zachtgroen.

DSC05705

We hebben er met plezier een uurtje rondgekeken.

Het was maar 25 minuten rijden en daarna konden we nog heerlijk uitwaaien op het nabijgelegen strand. Een echte aanrader en dichterbij dan je denkt…..Het is namelijk de kathedrale basiliek van Sint Bavo in Haarlem. Dit prachtige monument kan zeker wedijveren met de mooie kerken die je op vakantie in het buitenland aantreft.

De St. Bavo kathedraal (gelegen aan de Leidsevaart en niet te verwarren met de Grote of St. Bavo kerk in het centrum van Haarlem) is gebouwd door Jos Cuypers (de zoon van Pierre Cuypers, de bekende 19e eeuws kerkenbouwer, maar ook de architect van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam). Bezienswaardig zijn de prachtige tegelplateaus van Jan Toorop, de mooie beelden van Mari Andriessen, de rijkversierde sacramentskapel, het op een na grootste orgel van Nederland, de ingenieuze wenteltrap van Tack en de moderne gebrandschilderde ramen (waaronder het genoemde groene raam) van Jan Dibbets. De ramen van Dibbets zijn heel bijzonder.

DSC05692

DSC05704

 

 

DSC05706

groene glazen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al met al een bezoek meer dan waard en heerlijk dichtbij huis.

Festival

 

 

Tot een week geleden was ik nog nooit naar een festival geweest. Nooit naar Pinkpop, Lowlands of Oerol. Niet als scholier of student en ook niet op latere leeftijd. Maar sinds afgelopen weekend ben ik ervaringsdeskundige; ik heb drie dagen North Sea Jazz beleefd. En het is goed bevallen.

Dit festival stond al lang op het verlanglijstje van mijn vrouw en mij. We genieten elke keer van de sfeerimpressies die we van tijd tot tijd op televisie zien en we vinden de muzikale variëteit van dit festival heel interessant: “daar moeten we ook een keer naartoe!”. Maar jarenlang lukte het niet om te gaan door drukke werkzaamheden, sociale verplichtingen of zomervakanties in het buitenland. Dit jaar hakten we de knoop door. We kochten al in februari kaartjes (treffend ‘early birds’ genoemd) en blokkeerden het betreffende weekend stevig in onze agenda’s.

De eerste indrukken op vrijdagmiddag worden beheerst door de grote toeloop en massaliteit. De metro vanaf ons hotel naar Ahoy’ zit stampvol. We moeten ons naar binnen persen. Dezelfde drukte komen we tegen bij het binnenlopen van Ahoy’: grote rijen mensen die zich naar binnen wurmen om vervolgens voor de muntenmachines samen te drommen. Wij volgen slaafs en kopen een dagrantsoen aan plastic tokens. Daarna lopen we een soort sluizensysteem in waar onze tickets worden gescand. Pas dan zijn we echt binnen en begint de massa zich in allerlei richtingen te verspreiden. Tot zo ver geen onbekende ervaringen, want bij eerder bezochte voetbalwedstrijden of grote concerten is de massale toestroom en het bijbehorende gedrang hetzelfde. Maar het grote verschil is dat je bij een voetbalwedstrijd of concert allemaal naar hetzelfde veld of dezelfde zaal gaat, terwijl we hier een keuze hebben uit een dozijn zalen. We hadden thuis het blokkenschema al bestudeerd en voor deze eerste dag al een voorkeurslijstje gemaakt van de artiesten die we wilden zien. Maar in de praktijk gaat het toch anders. Het is deze eerste avond flink wennen. Waar zijn de zalen? Kunnen we overal naar binnen? Wordt het staan of zitten? Waar kun je eten en drinken halen?

Blokkenschema

Dankzij de festival-app op mijn smartphone en de bewegwijzering in Ahoy’ hebben we wat houvast, maar het voelt de eerste uren toch als het dwalen door een doolhof. We volgen onze wensenlijstje, maar merken dat niet alleen de kwaliteit van de musici van belang is, maar ook de kwaliteit van de zaal en de opeenstapeling van ervaringen. Na een uur staan in een grote zaal wil je bij het volgende concert zitten. En na twee concerten is het de hoogste tijd om wat te eten en te drinken. Na een verstild optreden wil je weer wat stevigers horen. Zo proberen we wat afwisseling in onze muzikale speurtocht aan te brengen. Je moet steeds keuzes maken (per avond zijn er 48 optredens; grote en kleine namen, grote en kleine zalen) en het verrassingselement speelt daarbij een grote rol. Een concert valt tegen, dus stap je een aangrenzende zaal binnen waar een volslagen onbekende artiest optreedt. Zo brengen we de eerste avond door en stappen we met een moe lijf en een hoofd vol muziek rond 1 uur ’s nachts de metro in die even vol is als op de heenweg.

Op zaterdag voelt alles al veel vertrouwder aan en op zondag zijn we kind aan huis. Als we zondagavond laat Ahoy’ verlaten en naar de metro lopen zijn we muzikaal geheel voldaan, maar is het toch vreemd om je te realiseren dat het nu echt voorbij is.

 

IMG_2122

We hebben intens genoten van de muziek. Ook dagen na het festival klinkt die nog door in je oren en je lijf. North Sea Jazz laat dankzij de grote variëteit aan artiesten en stijlen zien hoe muziek je op verschillende manieren kan raken (of juist niet). Ibrahim Maalouf was groots en meeslepend, Snarky Puppy was strak en opwindend, Maartje Meijer was ontroerend en verrassend, Brandford Marsalis was virtuoos (maar ook routineus), Candy Dulfer was swingend en opzwepend, Gregory Porter was warm (maar ook wat afstandelijk), Yuri Honing was verstild en intiem, Christian Scott was uitdagend (en erg luid), Melanie de Biasio was mysterieus.

Dankzij die vele muziekstijlen kom je op North Sea Jazz ook de meest uiteenlopende mensen tegen. Nogmaals, ik ben geen ervaren festivalganger, maar ik betwijfel of je op andere festivals zo’n grote diversiteit (leeftijden, culturen, stijlen) aan bezoekers tegenkomt. En dat is erg leuk om te ervaren.

En North Sea Jazz is ook:

–          het opvallend vriendelijke en service-gerichte personeel;

–          de namen van de zalen; ze zijn naar rivieren genoemd. De Yenisie is de meest onbekende naam, maar stomtoevallig kom ik die naam dat weekend ook tegen in het boek As in Tas van Jelle Brandt Corstius; het blijkt een rivier in Rusland te zijn);

–          de (over het algemeen) gemoedelijke stemming onder de bezoekers;

–          de verrassing om een collega, neef en buurtgenoot tegen het lijf te lopen (“hé jij ook hier!?”);

–          de ontdekking dat er overal muntenmachines staan, zodat je niet op de eerste dag bij de ingang in een lange rij had hoeven te staan,

–          de meevaller dat je in elke zaal kunt zitten (ik dacht vooraf, dat we vooral zouden moeten staan, maar dat was alleen op de middenterreinen van Maas en Nile het geval)

–          het gevoel (als je door de gangen van Ahoy’ loopt) dat je door Amsterdam Centrum loopt tijdens Koningsdag.

–          het gevoel dat je met een leeg bord bij een enorm buffet staat en vijf uur lang je bord mag blijven vol scheppen (nu heb ik het niet over het eten);

–          de geruststelling dat je niet elke avond in een krap tentje hoeft te slapen, maar in een comfortabel hotel-bed.

Maar North Sea Jazz is vooral aan het einde van een mooie muziekavond nog even naar een van de hoofdacts (in dit geval Earth, Wind & Fire) gaan om wat nostalgische klanken mee te pikken, maar onderweg op een buitenpodium een jonge, frisse band (in dit geval Con Brio[1]) tegen te komen die zo energiek en aanstekelijk staat te spelen dat je daar blijft hangen en swingend meegaat in de dynamiek die daar ter plekke tussen muzikanten en toehoorders ontstaat. Toen we na afloop nog een staartje Earth, Wind & Fire probeerden mee te pikken, viel dat tegen in die enorme Nile-zaal. We liepen maar snel weg om de smaak van Con Brio vast te houden.

Kortom, dit eerste festival is ons prima bevallen; we gaan beslist nog een keer.

 

[1] Con Brio treedt eind november op in Paradiso. Mooie up tempo mix van funk en soul. Frontman Ziek McCarter is een geweldige zanger (doet denken aan de jonge Michaël Jackson, Prince, Pharrell Williams) en een ras-entertainer.

Jan Vantoortelboom en het grote Vlaamse familieverhaal

Toen ik bij de lijkbaar ging staan zochten mijn ogen het gezicht van Victor. Het litteken was witter dan ooit en verdeelde zijn gezicht nog meer dan vroeger….en ik moest denken aan een tekening van een hofnar uit mijn ridderboek… Maar grootvader Victor was geen nar geweest. Met hem viel destijds niet te spotten, zoveel was zeker. In zijn jonge jaren was hij de beste soldaat van Elverdinge en ook nog eens de enige buitenwipper van café ’t Pompkot geweest. Vaders woorden.

 

Vlaamse auteurs zijn boeiende vertellers. Hun verhalen hebben vaak de vorm van een familiegeschiedenis. Hun toneel is bij voorkeur het kleinburgerlijke milieu  van een Vlaams dorp met de kerk en het café als vaste decorstukken. Er wordt geroddeld in de slagerswinkel, gescholden in de kroeg en gebiecht bij meneer pastoor. De problemen van de Grote Wereld lijken ver weg, maar de sporen van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog zijn nog nadrukkelijk aanwezig. Een land vol littekens. Tegen die achtergrond wordt een familie tevoorschijn getoverd met struise, bedilzuchtige vrouwen en knoestige mannen van het type ruwe bolster, blanke pit. Op het eerste gezicht een normale familie met hooguit wat onbeholpen omgangsvormen, maar onder het oppervlak tikt -en dat is typerend voor het Vlaamse verhaal- een tijdbom. Van meet af aan maakt de auteur op subtiele wijze duidelijk dat er iets niets pluis is, maar als lezer weet je niet precies wat het is. Een samenzwering? Een vloek? Een zwarte bladzijde? Het is in ieder geval iets noodlottigs wat doorwerkt van generatie op generatie. Stap voor stap kleurt de schrijver zijn verhaal in en met elke stap komt de onthulling naderbij.  Waar een misdaadroman begint met een moord en eindigt met het vinden van de dader, begint het Vlaamse verhaal met een vage verwijzing naar een mysterie dat langzaam maar zeker uit de doeken wordt gedaan. Geen ‘whodunnit’, maar een ’whatisit’.

Aan de auteur de opgave om de lezer vast te pakken en mee te slepen. Hoe groter zijn verbeeldingskracht en schrijftalent, des te indrukwekkender het effect van de finale ontknoping. En des sterker de compassie bij de lezer voor de door het noodlot getroffen personages.

 

Toen ik een tijd geleden met een Vlaamse vriendin over de ook in Nederland zeer populaire schrijfster Griet op de Beeck sprak, raadde ze me aan om ook eens wat van Jan Vantoortelboom te lezen. Zij vond hem minstens zo’n goede schrijver als Griet op de Beeck. Nieuwgierig geworden kocht ik onlangs zijn debuutroman De Verzonken Jongen (2011). Ik heb het boek met plezier gelezen. Het is een knap debuut en een waardig Vlaams verhaal met alle ingrediënten die hierboven staan beschreven. Een opa met een mysterieus litteken op zijn voorhoofd en een kleinzoon die het naadje van de kous wil weten. Beetje bij beetje weet hij het stilgezwegen familiegeheim te ontrafelen. Daarbij is het ook een coming-of-age verhaal met de jonge Stoffel als hoofdpersoon. Natuurlijk mag ik hier het mysterie hier niet uit de doeken doen. Wel bij wijze van sfeertekening een paar fraai geformuleerde passages:

Tuurlijk dat, zei de slagerin, die aan de slag ging. De bezwering was verbroken. Ik voelde me weer wat meer op mijn gemak toen de vrouwen achter me begonnen te keuvelen en de plakjes hesp op het papier werden gekwakt en gewogen. Ze floot tussen de spleten van haar tanden, staarde naar de wijzer van de weegschaal en zei dat het tweehonderdvijftig franken was. Ik had godverdegodver niet genoeg bij me en besefte met dichtgeknepen billen dat ik weer het zenuwcentrum van deze heksensabbat zou worden.

De volgende morgen stampten en loeiden de koeien onrustig in de stal. Kettingen rinkelden. Alfons en Maria werden er wakker van. Meestal was Victor als eerste op en voederde hij de beesten. Deze dag had niks goeds in het verschiet. Ze konden het bij het krieken al in hun oude, stijve lichamen voelen.

 Toen ik bij de lijkbaar ging staan zochten mijn ogen het gezicht van Victor. Het litteken was witter dan ooit en verdeelde zijn gezicht nog meer dan vroeger….en ik moest denken aan een tekening van een hofnar uit mijn ridderboek… Maar grootvader Victor was geen nar geweest. Met hem viel destijds niet te spotten, zoveel was zeker. In zijn jonge jaren was hij de beste soldaat van Elverdinge en ook nog eens de enige buitenwipper van café ’t Pompkot geweest. Vaders woorden.  

Het is heerlijk om dergelijke passages te lezen. Toch past bij dit boek ook een kritische kanttekening. Vantoortelboom rekt het geheel nogal lang uit. Daarmee verliest het verhaal soms wat vaart en spanning. Misschien komt dat ook omdat je als lezer op een gegeven moment wel aanvoelt in welke richting je het mysterie moet zoeken. Het had dus iets compacter en verrassender gemogen.

Bijzonder is dat dit boek niet eindigt met een voorspelling van voortdurende rampspoed voor de familie, maar met een optimistische vooruitblik. De jonge hoofdpersoon neemt zich voor, gesteund door de dorpspastoor, om zich niet te laten gijzelen door het familiedrama: Maar ik was er nú, op déze aardbol, in dít land, in dít dorp, en kijk ‘ns wat ik was: een schone, slimme rostekop met een lieve vriendin en een verbeelding zonder plafond…. Mijn echte geschiedenis begint morgen, en wat voor één!

Met deze eindtekst bezweert Vantoortelboom het noodlot en kan de lezer het boek met een glimlach dichtslaan. En bij gelegenheid een volgend boek van Jan Vantoortelboom kopen. Hij zit namelijk niet stil. Sinds zijn debuut heeft hij twee nieuwe boeken geschreven: Meester Mitraillette (2014; aangeprezen door het boekenkwartet van DWDD) en De man die haast had (2015).

Matthias Antonie

 

 

 

Vannacht logeert onze kleindochter bij ons. Er is een zusje of broertje op komst. Mijn zoon en schoondochter willen wat rust en ruimte om de bevalling goed op gang te laten komen. ‘s Ochtends vroeg belt mijn zoon met de mededeling dat alles voorspoedig verloopt. Het zal niet lang meer duren. Hij vraagt hoe het met zijn dochter is. Ze slaapt nog als een roos. Terwijl mijn vrouw met hem aan de lijn is, zit ik wat rond te snuffelen op mijn smartphone. Mijn blik blijft hangen bij een berichtje dat Bob Dylan, mijn muzikale held, vandaag 75 jaar wordt. Zo weet ik dat het een heel mooie dag kan gaan worden.

Twee uur later ben ik onderweg naar een bijeenkomst in Utrecht. Ik sta in een volle ochtendspitstrein op een lawaaierig tussenbalkon. Mijn zoon belt. Hij zegt: ‘Gefeliciteerd, je bent weer opa geworden!’, maar door de slechte verbinding en de herrie van de trein kan ik hem verder nauwelijks verstaan. De details ontgaan me. Is alles goed gegaan? Is het een jongen of een meisje? Een heel vervreemdende ervaring. Dan hoor ik door al het kabaal heen dat alles voorspoedig is gegaan, dat het een jongetje is, met twee prachtige voornamen. Een originele, eigenzinnige eerste voornaam en een tweede naam die hem verbindt met 150 jaar familiegeschiedenis. Dat raakt me. Het tussenbalkon staat vol met mensen, maar er is niemand om mijn emoties mee te delen. Ik slik de brok in mijn keel weg en kijk naar buiten. In de verte zie ik de Domtoren. Ook weer zo symbolisch. Mijn hele familie (ouders, grootouders en overgrootouders) komt uit Utrecht; mijn zoon woont sinds een paar jaar ook in Utrecht en nu dus ook deze nieuwe generatie.

De verleiding is groot om niet te gaan vergaderen, maar meteen op kraamvisite te gaan. Maar dat zou iets te snel zijn. We worden uitgenodigd om later die dag onze kleinzoon te komen bewonderen. Hij is prachtig en wat zijn onze zoon en schoondochter gelukkig. Onze kleindochter hobbelt vrolijk door de kamer.

Die avond kom ik thuis weer het bericht tegen dat Bob Dylan vandaag 75 jaar is geworden. Gevoed door de emoties van de dag schiet me zijn lied Forever Young te binnen. Een prachtig lied dat hij schreef voor zijn zoon Jesse. Het staat op zijn album Planet Waves (1974) in twee versies: in verstilde vorm en in een rock-uitvoering. Mijn kleinzoon hoeft niet eeuwig jong te blijven en ik ben niet gelovig, maar verder wens ik hem en zijn ouders alles toe wat in dit lied staat:

May God bless and keep you always
May your wishes all come true
May you always do for others
And let others do for you
May you build a ladder to the stars
And climb on every rung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May you grow up to be righteous
May you grow up to be true
May you always know the truth
And see the lights surrounding you
May you always be courageous
Stand upright and be strong
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

May your hands always be busy
May your feet always be swift
May you have a strong foundation
When the winds of changes shift
May your heart always be joyful
May your song always be sung
May you stay forever young
Forever young, forever young
May you stay forever young

Gastdocent in Litouwen

Dankzij een Erasmus-samenwerkingsverband van mijn hogeschool met een zuster-instelling in Litouwen, mag ik een paar dagen naar Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, om daar enkele gastcolleges te verzorgen.

Litouwen is de zuidelijkste van de drie Baltische staten, grofweg gelegen langs de oostkust van de Oostzee; ingeklemd tussen Rusland, Wit-Rusland en Polen. Voor ons een verre uithoek van Europa, maar er zijn mensen die claimen dat het exacte geografische middelpunt van Europa zich in Litouwen bevindt.[1]  Litouwen is zowel gezien het aantal inwoners (3, 5 miljoen) als qua oppervlakte een klein land. Eén op de zes Litouwers woont in Vilnius, een levendige, relatief moderne stad met een aantrekkelijk oud centrum. Je vindt hier geen wereldberoemde monumenten, maar voor een paar dagen is er voldoende te doen en te zien. Mooie kerken, schilderachtige straatjes, interessante musea, een oude burcht, etc. De stad is moeilijk te plaatsen. Je zou een mix van Scandinavisch en Oost-Europees verwachten, maar dat is het niet echt. Het heeft een heel eigen sfeer die zich moeilijk laat beschrijven. Door de kleding, auto’s en winkels doet het eerder westers dan Oostblok-achtig aan. Er moet sinds de val van de Muur en de Litouwse onafhankelijkheid veel veranderd zijn. Hoe zou het er hier 50 of 100 jaar geleden hebben uitgezien? Opvallend zijn de vele trolleybussen in het straatbeeld. En er is overal graffiti. Naast compleet nieuwe huizen zie je oude bouwvallen staan en het plaveisel heeft nogal wat gaten en hobbels. Veel huizenblokken hebben een binnenplaats met ruimte voor tuinen of geparkeerde auto’s.

DSC05499

DSC05506

DSC05476

 

 

 

 

 

 

 

 

De mensen zijn behulpzaam en bescheiden. Het voelt volledig veilig op straat. De mensen die ik heb gesproken zijn trots op de eigenheid van de Litouwse taal en cultuur (Litouws is geen Russisch dialect, maar een geheel zelfstandige taal met een eigen alfabet. En volslagen onbegrijpelijk). De geschiedenis van Litouwen is getekend door vele eeuwen van vreemde overheersing. Meest recentelijk de inlijving door de Sovjet-Unie vanaf de Tweede Wereldoorlog (met een onderbreking van een paar jaar door de nazi-bezetting). Het genocide-museum laat op indrukwekkende wijze zien tot welke uitwassen eerst de Duitse en later de Sovjet-overheersing heeft geleid.

DSC05565

Tekst op de muur van het “Genocide Museum’

De meeste Litouwers zijn blij dat die tijd achter de rug is en dat Litouwen sinds de val van de muur onafhankelijk is. Men kijkt dan ook met argusogen naar de huidige politiek van Poetin. “Na de Krim kunnen wij het volgende slachtoffer zijn”, wordt mij met grote zorg gezegd. Je bespeurt in dit land om die reden dan ook meer enthousiasme voor het EU- en NAVO-lidmaatschap dan in de meeste West-Europese landen.

Vilnius heeft twee grote universiteiten. De stadsuniversiteit en de Technische Universiteit (Vilnius Gediminas Technical University; onze zuster-instelling). De meeste faculteiten van beide universiteiten bevinden zich een kleine tien kilometer ten noordoosten van het stadscentrum in een bosrijke omgeving. Het doet een beetje denken aan de campus van de Universiteit Twente.

DSC05550

DSC05555

 

 

 

 

 

 

Tussen de bomen staan diverse oudere en nieuwe gebouwen. De meeste zijn zes, zeven verdiepingen hoog. In de oude panden zie je nog granieten trapportalen, geschilderde portretten van vroegere hoogwaardigheidsbekleders en krijtjesborden. De nieuwe zien er up-to-date en 21e eeuws uit. Op deze campus zijn ook de ‘dormatories’ voor de studenten en tal van voorzieningen, zoals sporthallen, cafetaria’s en bibliotheken.

De colleges zijn op verschillende dagen, in verschillende gebouwen en voor verschillende groepen. Het is dus even puzzelen om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. De onderwerpen zijn ook uiteenlopend. Ik had vooraf een aantal suggesties doorgegeven en men vond al de aangereikte thema’s interessant: van Reputatiemanagement en kanttekeningen bij Kennis-Houding-Gedrag tot een toelichting op mijn promotie-onderzoek naar EU-berichtgeving in Europese dagbladen. De studenten komen vrolijk pratend en op hun mobieltjes turend binnenlopen. Qua kleding hadden het ook Nederlandse studenten kunnen zijn. Ze zijn nieuwsgierig omdat er iemand uit een ver land voor de klas staat. Er wordt beleefd geluisterd, voorzichtig gelachen en wat terughoudend gereageerd op vragen. Je vraagt je daardoor af of en in hoeverre het college doel heeft getroffen. Maar gelukkig is er elke keer na afloop, tijdens een informeel nagesprek, wat meer persoonlijk contact en blijkt men zeer geïnteresseerd. Een groep vraagt zelfs of ik nog wat meer wil vertellen als het formele college voorbij is. Dat maak je in Nederland niet vaak mee.

Buiten de colleges om is er nog voldoende tijd voor sightseeing en afspraken met Litouwse collega’s. Ik heb vooral contact met een vice-decaan van de faculteit Creative Industries (hij staat in het midden van de fotocollage bovenaan). Hij heeft het programma voor me uitgestippeld en maakt me wegwijs. Een jonge, energieke man die me een avond uitnodigt voor een traditioneel Litouws gerecht. Geen haute cuisine, maar een stevig maal met haring, bieten, aardappelen en een soort spekpannenkoekjes. Op de laatste avond word ik uitgenodigd voor een barbecue die is georganiseerd door een studentenvereniging. Gelukkig is dit bij een faculteitsgebouw in het oude centrum, zodat ik niet weer de rit naar de campus in het bos hoef te maken.

DSC05594

Tijdens de barbecue krijg ik de kans om met nog wat Litouwse collega’s te spreken. De sfeer is vriendelijk en informeel. We praten over curriculumvernieuwing, didactische werkvormen, samenwerking tussen studierichtingen, internationalisering en de rol van het internet in het onderwijs. Interessant om te ervaren dat we met vergelijkbare problemen en uitdagingen te maken hebben. Maar er komen ook luchtiger onderwerpen voorbij, zoals het songfestival en de populariteit van Facebook. Van tijd tot tijd word ik begroet door studenten die ik bij de colleges heb ontmoet.

Dan valt me opeens iets bijzonders op: er wordt geen alcohol geschonken en gedronken. In Nederland zou er op een studentenfeest non-stop bier getapt worden, maar hier zijn alleen flesjes water en blikjes cola verkrijgbaar. Als ik aan een van de Litouwse docenten vraag waarom er geen alcohol wordt geschonken zegt hij: ‘we can also have parties without alcohol, and this way we don’t get any problems’. Een verfrissende reactie. Rond negen uur haken de meeste docenten af en ga ik ook terug naar mijn hotel.

De volgende ochtend vertrek ik vroeg naar de luchthaven voor mijn terugreis. Veel bijzondere ervaringen rijker.

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Geografisch_middelpunt_van_Europa

 

Mijn houvast-huis

“En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland”

 

Mijn geboortehuis is verdwenen. Ik deed deze ontdekking een paar weken geleden toen ik de streek bezocht waar in ben opgegroeid: Velp-Dieren-Zutphen. In woon al 40 jaar in de Randstad en kom slechts af en toe in het mooie gebied tussen Veluwe en IJssel. De laatste keer zal een jaar of vier geleden zijn geweest. En nu stond ik wat beduusd te kijken naar een groot nieuw pand dat was neergezet op de plek waar ik de eerste anderhalf jaar van mijn leven heb doorgebracht.

De drang om naar mijn geboortehuis in Velp te gaan was opgekomen toen ik eerder die dag het Museum Arnhem had bezocht. Dit museum is gelegen in een parkachtig omgeving en biedt een prachtig uitzicht over de Rijn. De topstukken van de vaste collectie (“moderne en hedendaagse kunst… met als rode draad: realisme”) hangen in een paar ruimtes dicht op elkaar aan grote wandrekken. Een fraaie collage van 20e eeuwse Nederlandse schilders: Toorop, Ket, Sluijters, Koch. Ik werd het meest getroffen door Het gele huis van Carel Willink. En dat terwijl ik niet specifiek een liefhebber van zijn magisch realisme ben. Ik kende het schilderij van reproducties en foto’s, maar nu ik oog in oog met dit werk stond, merkte ik dat het iets met me deed. Maar ik wist niet precies wat. De titel deed me onmiddellijk denken aan het andere bekende schilderij met een geel huis: dat van van Gogh. Jaren geleden heb ik het originele huis in Arles gezien en gefotografeerd. Ook Willink schilderde bestaande gebouwen. In de jaren ’30 liet hij zich graag inspireren door de monumentale panden die hij in Amsterdam-Zuid tegenkwam. Het gebouw dat model stond voor Het gele huis is nog steeds te zien. Liefhebbers kunnen terecht op het volgende adres: Vossiusstraat 52-53. Er is nu een hotel in gevestigd.

img_2736

Waar Willink zich liet inspireren door de realiteit en daar een eigen magische laag aan toevoegde, lieten andere kunstenaars zich weer inspireren door Willink’s werk. In 1939 schreef Bordewijk een verhaal gebaseerd op Het gele huis. H.J. Smeding schreef daarop ook een verhaal, omdat hij juist iets anders in het schilderij zag. En zo volgden er, als bij een estafette, nog acht schrijvers (o.a. Anna Blaman, Jef Last, Gerard Walschap); ieder met een eigen verhaal over Het gele huis. Deze tien verhalen zijn gebundeld onder de titel Het gele huis te huur. Prachtig om te lezen hoe één schilderij tot tien geheel verschillende verhalen kan leiden.

Het schilderij van Willink deed me ook denken aan Edward Hopper. Joost Zwagerman wijdt in het vlak na zijn zelfmoord verschenen boek De stilte van het licht een heel hoofdstuk aan Hopper. Ook Hopper schilderde huizen, maar dan niet ‘arcadisch en magisch’, maar als ‘je reinste suspense’. Fantasiehuizen in de dubbele betekenis van het woord. Geen exacte kopie van een bestaand huis, maar mysterieus en aansprekend. Zwagerman illustreert dat door te vertellen dat Alfred Hitchcock het schilderij House by the railroad van Hopper als model gebruikte voor het huis in de film Psycho.

hopper.railroad

House by the railroad Edward Hopper

Het huis van Hopper en Hitchcock blijft tot de verbeelding spreken. Een artiest heeft onlangs een kopie van dit huis op het dak van het Metropolitan Museum van New York geplaatst: http://www.geek.com/news/the-house-from-psycho-is-on-a-new-york-city-roof-now-1652813/

Terwijl ik zo stond te mijmeren over Willink en Hopper en hun fascinerende huizen, hoorde ik dat het museum ging sluiten. Ik merkte dat ik zin had om naar mijn geboortehuis te gaan. Ik was er al jaren niet geweest en Velp was niet ver weg. Bovendien had ik nog een uurtje de tijd voordat ik naar mijn diner-afspraak toe moest.

Mijn ouders huurden in de tweede helft van de jaren ’50 een deel van de benedenverdieping in een grote stadsvilla. Het was er donker en vochtig, vertelde mijn moeder me later. Ik heb geen herinneringen aan mijn geboortehuis. We verhuisden van Velp naar het nabijgelegen Dieren toen ik nog geen twee jaar oud was. Ik heb ook geen foto van het huis. In mijn kinderalbum is slechts één foto waarop ik voor het huis in een trapauto zit.

 

De fotograaf (waarschijnlijk mijn vader) moet mijn zijn rug naar het huis hebben gestaan, want op de achtergrond op de foto is de overkant van de straat te zien met een mooi groot huis recht tegenover het onze. Dat is mijn houvast-huis.

Ik ben dat huis zo gaan noemen toen ik halverwege de jaren ’90 voor het eerst als volwassene terugkeerde naar Velp. Ik was samen met mijn oudste zoon op stap. Hij was brugpieper en ik nam hem een dagje mee naar Gelderland om hem de plekken van mijn jeugd te laten zien en over mijn jonge jaren te vertellen. Als je zelf kinderen hebt, neemt op een bepaalde manier ook weer de belangstelling voor je eigen jeugdervaringen toe. Mijn ouders leefden niet meer en ik woonde al jaren met mijn gezin in de Randstad, om de hoek bij mijn schoonouders. De biotoop van mijn gezin was die van mijn vrouw en haar familie. Ik had me daarom voorgenomen met elk kind een keer naar mijn geboortestreek te gaan.

Tijdens die eerste ‘roots’-reis met mijn oudste zoon had ik moeite om mijn geboortehuis te vinden. Ik had mijn foto-album voor de zekerheid meegenomen. Op het vergeelde geboortekaartje stond het adres: Arnhemsestraatweg 7a. Na enig zoeken vond ik een groot gebouw met allerlei erkers en uitbouwen. Er stond een bord van een zorginstelling in de voortuin met daarop de nummers 5 en 7. Maar welk deel is nu nummer 7? Ik liep iets door en zag rechts van het pand een oprit naar het naburige huis met daarop het huisnummer 9. De rechterhelft van de zorginstelling moest dus nummer 7 zijn. Ik liep een klein stukje terug en ging nu recht voor het rechter deel staan. “Dit is mijn geboortehuis”, zei ik wat aarzelend tegen mijn zoon. “Ergens op de benedenverdieping ben ik geboren”. Ik wilde mijn zoon graag laten delen in een gevoel van triomf, maar ik voelde dat ik zelf de overtuiging miste. Ik pakte het foto-album uit mijn tas en zocht de trapauto-foto. We liepen samen het pad op naar mijn geboortehuis en draaiden ons halverwege om. Mijn zoon wees naar de overkant en zei: ”Kijk papa, dat huis aan de overkant staat er nog steeds. Dit is dus echt je geboortehuis.” Hij dirigeerde mij naar de plek waar ik als dreumes in de trapauto had gezeten en bevestigde het beeld. Pas nu voelde ik me gerustgesteld en blij. Ik had mijn geboortehuis gevonden, dankzij het huis aan de overkant. Toen ik later met mijn andere kinderen hetzelfde Gelderland-reisje maakte, liet ik hun ook steeds de trapauto-foto zien en wees ik hen op het huis aan de overkant; het houvast-huis.

En nu ben ik na jaren via Willink en Hopper weer in Velp beland. Routinematig rij ik naar de parkeerplaats om de hoek van de Arnhemsestraatweg. Ik stap uit en leg trefzeker de vijftig meter naar mijn geboortehuis af. Tot mijn grote verbazing is het complete pand verdwenen. Op de plek van nummer 5 en 7 is een modern, zakelijk gebouw neergezet, zo mogelijk nog groter dan de statige dubbele stadsvilla waar ooit, in een donkere benedenkamer, mijn wieg heeft gestaan.

DSC05303

Ik ben even gedesoriënteerd, maar als ik me omdraai zie ik tot mijn opluchting dat het uitzicht van toen niet is veranderd: het huis aan de overkant staat er nog. Meer dan ooit voel ik dat mijn houvast-huis meer betekenis heeft dan mijn geboortehuis: magisch realisme.

DSC05306

Mijn houvast-huis

 

P.S. (oktober 2016)

Dankzij een attente en welwillende reactie van dhr. van der Hoeven op mijn blog kreeg ik interessante informatie over mijn geboortehuis te horen. Hij stuurde me aansluitend het juni-nummer van het blad Ambt & Heerlijkheid met een artikel gewijd aan de historie van mijn geboortehuis dat Villa Paviljoen bleek te hebben geheten

villa-paviljoen-velp

Villa Pavillon of Paviljoen te Velp

Judas, de regisseur van Pasen

 “…zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof…”

Het is Pasen. De tijd van paaseitjes, lammetjes in de wei en voorjaar. Maar Pasen is ook het belangrijkste christelijke feest met Jezus, Judas en Pilatus als hoofdrolspelers. Jezus wordt verraden door Judas en ter dood veroordeeld door Pilatus. Na drie dagen staat Jezus op uit de dood. Die opstanding vormt de kern van het christelijke geloof en maakt Pasen het cruciale feest voor christenen. Als we dat al een beetje vergeten waren, frist The Passion van de EO ons steeds-minder-bijbelvaste geheugen weer op. En voor de meer klassiek georiënteerden is er natuurlijk de Mattheüs Passion.

In het christelijke milieu waarin ik opgroeide vertegenwoordigde Jezus het goede. Jezus als lichtend voorbeeld: hij gaf aan hoe je je leven moest inrichten. De trefwoorden die daarbij hoorden waren naastenliefde, vroomheid, trouw. Tegenover Jezus stond Judas, één van zijn twaalf volgers, die hem verraadde door hem aan te geven in ruil voor 30 zilverlingen.

14Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.

47En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks. 48En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. 49En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem.50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. (Mattheus, 26)

Jezus werd opgepakt om vervolgens te worden gekruisigd; Judas kreeg berouw en pleegde zelfmoord.

Dit bekende verhaal uit het Nieuwe Testament is diep verankerd in het collectieve geheugen van de christelijke wereld: Jezus, de verlosser en Judas, de verrader. Een eendimensionaal beeld van goed en fout. De literatuur en de beeldende kunst hebben deze beeldvorming versterkt. Dante geeft in zijn Divina Commedia Judas een plaats in de hel. Op het beroemde Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci is de Judas-figuur een grimmige man met een donker gelaat die krampachtig zijn buidel met bloedgeld vasthoudt.

Laatste Avondmaal Da Vinci

Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci

Ook grootheden als Giotto, Caravaggio, Rembrandt en van Dijck hebben het verraad van Judas geschilderd en vereeuwigd. De figuur Judas heeft bijgedragen aan eeuwenlang antisemitisme, doordat men de Joden als moordenaars van Jezus aanwees. Het woord ‘jood’ is afgeleid van het woord Juda. En Judas was een man uit de streek Judea; uit de stam van Juda. Dit antisemitische geluid werd  breed gedragen in het christelijke Europa, ook al klonken er tegengeluiden, zoals in het bekende gedicht ‘Hij droeg onze smerten’ van Jacob Revius uit de 17e eeuw:

’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten, 
noch die verradelijk u togen voor ’t gericht,
noch die versmadelijk u spogen in ’t gezicht,
noch die u knevelden, en stieten u vol puisten,

’t en zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten
den rietstok hebben of den hamer opgelicht,
of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
of over uwen rok t’saam dobbelden en tuisten :

ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan,
ik ben de zware boom die u had overlaân,
ik ben de taaie streng daarmee gij gingt gebonden,
de nagel en de speer, de gesel die u sloeg,
de bloedbedropen kroon die uwe schedel droeg :
want dit is al geschied, eilaas ! om mijne zonden.

Ook in de huidige tijd komen we de Judas-figuur tegen. Bob Dylan, zelf ooit voor ’Judas’ uitgemaakt toen hij zijn folk-gitaar inruilde voor een elekrische, wijdde in zijn bekende lied With God on our Side een couplet aan Judas:

In a many dark hour
I’ve been thinkin’ about this
That Jesus Christ
Was betrayed by a kiss
But I can’t think for you
You’ll have to decide
Whether Judas Iscariot
Had God on his side.

Judas Amos OzEn sinds vorig jaar is er het boek Judas van Amos Oz. Deze Israëlische schrijver, van wie ik eerder met heel veel plezier en belangstelling het boek Een verhaal van liefde en duisternis las, beschrijft de bijzondere ervaringen van een uitgerangeerde student in het Jeruzalem van 1959. Deze Sjmoeël, worstelend met een scriptie over de rol van Judas, raakt in korte tijd zijn vriendin en de financiële steun van zijn ouders kwijt. Hij wordt gedwongen zijn studie te staken en accepteert een baantje bij een hulpbehoevende oude man en diens schoondochter in ruil voor kost en inwoning. Vanuit dit uitgangspunt vlecht Oz op fraaie wijze een paar verhaallijnen door elkaar met als hoofdingrediënten: de verhoudingen tussen de hoofdpersonages in het boek, het conflict tussen de Joden en de Arabieren en de verschillende visies op de figuur van Judas. In al die verhaallijnen gaat hem om de keuzes die mensen maken en de wijze waarop die keuzes worden gewaardeerd: als verraad of als heldendaad.

De hoofdpersonen uit het boek hebben allemaal een dierbare verloren in de strijd rondom de vorming van de staat Israël. De opa van Sjmoeël werkte voor het Britse gezag en werd door de Joodse ondergrondse vermoord omdat ze hem een verrader vonden. De hulpbehoevende oudere man Gersjom Wald verloor zijn zoon Micha in de strijd tegen de Arabieren. Zijn schoondochter en medebewoonster Atalja is de weduwe van Micha en de dochter van Sjealtiël Abarbanel. Deze man was bevriend met de Arabieren en verzette zich tegen de vorming van een Joodse staat. Hij was door die goede contacten onder de indruk geraakt van de Arabische vrees voor de vestiging van een Joodse staat die zou uitgroeien tot een expansionistisch, westers georiënteerd bolwerk. Daarom pleitte Abarbanel voor een open en welwillende houding tegenover de Arabieren en voor samenwerking. Door die stellingname werd Abarbanel in zionistische kringen uitgemaakt voor verrader en uit het bestuur van de Zionistische Wereldorganisatie en de Jewish Agency gegooid. Verbitterd trok Abarbanel zich terug in zijn huis waar ook Micha en Atalja na hun huwelijk kwamen wonen. Diezelfde Abarbanel nodigde Gersjom Wald ook uit om in dat huis zijn intrek te nemen (p. 261). Gesjom aanvaardde de uitnodiging, ook al deelde hij niet diens visie over het samengaan van Joden en Arabieren. De twee mannen slaagden er tot de dood van Abarbanel niet in om tot een goed gesprek te komen: de afstand was te groot (p. 261).

Oz verbindt de lotgevallen van deze hoofdpersonen direct met de strijd rondom de stichting van de staat Israël. Het huis staat in die zin symbool voor de staat Israël. De inwoners vertegenwoordigen de uiteenlopende visies ten aanzien van de vorming en de inrichting van de staat. De strijd om de staat Israël is niet alleen een gevecht van woorden en visies, maar ook een fysieke strijd op leven en dood. Iedere hoofdpersoon heeft een naaste verloren. Een harde strijd met slachtoffers, helden en verraders. Het lukt niet om tot een gezond, gezamenlijk huishouden te komen. De meningen lopen te ver uiteen, de persoonlijke trauma’s zijn te groot. Dit laatste blijkt ook uit de enkele romantische contacten tussen Sjmoeël en de oudere Atalja[1]. Zij is al te veel beschadigd om zich te kunnen binden.

Amos Oz geeft het thema verraad een extra dimensie door naast de hoofdpersonen en de historische context van Israël halverwege de twintigste eeuw nog een derde laag aan te brengen: de studie van Sjmoeël naar de rol van Judas. Meerdere verwijzingen naar onderzoeksteksten van Sjmoeël en zijn gesprekken hierover met Gersjom Wald geven nog meer diepgang aan dit boek. De meningsverschillen en de wederzijdse beschuldigingen van verraad tussen Joden onderling rond 1959 worden gerelateerd aan interpretaties van de verhouding tussen twee Joodse mannen die tweeduizend jaar eerder leefden, Judas en Jezus. Daarbij wordt ook besproken hoe de beeldvorming van die verhouding zich heeft vastgezet in de hoofden van niet-Joden zoals christenen en Arabieren: Judas als moordenaar van God (“om een godheid te doden moet de doder nog sterker zijn dan de god en hij moet ook oneindig kwaadaardig en slecht zijn”) (p. 55).

De dominante visie op Judas die Sjmoeël stap voor stap prijsgeeft in het boek is die van een vurige gelovige. Judas werd aanvankelijk door de priesters uit Jeruzalem ingehuurd om Jezus te bespioneren. De religieuze kaste wantrouwde Jezus en men zocht iemand om hem van dichtbij in de gaten te houden. Judas was de enige apostel die niet uit Galilea kwam. De enige ook die goed opgeleid en geletterd was. Judas de penningmeester. Van relatieve buitenstaander groeide hij uit tot vertrouwensman van Jezus en één van zijn vurigste apostelen. (p. 188, 189). Hij komt tot de overtuiging dat Jezus waarlijk goddelijk is en wil dit aan de hele wereld openbaren.

Judas legt Jezus het plan voor om naar Jeruzalem te gaan om daar in het centrum van Israël tijdens het joodse Pesach-feest een ongekend wonder te verrichten waardoor iedereen overtuigd zal worden van zijn goddelijkheid. Judas begint op Jezus in te praten om hem van deze strategie te overtuigen, maar Jezus twijfelt hevig. Uiteindelijk weet Judas hem te overtuigen en gaat Jezus met zijn discipelen op weg naar Jeruzalem waar hem een dramatische confrontatie met het Romeinse en Joods-religieuze gezag wacht. Judas, die Jezus eerst aanspoort en hem daarna aangeeft, speelt een sleutelrol. Zo wordt Judas “de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging” (p. 193).
Als Judas ontdekt dat Jezus als gewone sterveling bezwijkt aan het kruis raakt hij buiten zinnen. Zijn plan en zijn geloof vallen in duigen. In hoofdstuk 47 beschrijft Oz op indringende wijze de wanhoop en desillusie van Judas. Zijn vurige wens en verwachting gingen niet in vervulling. Integendeel, zijn grote leermeester stierf een gruwelijke dood. Pasen zonder wederopstanding. Judas ziet geen uitweg meer. Hij vlucht en verhangt zich.

Deze visie op Judas laat een heel ander beeld zien dan wij gewend zijn. Als Judas nog twee dagen geduld had gehad, had hij mee kunnen maken hoe Jezus uit de dood was opgestaan en was hij misschien wel gevierd als de wegbereider van de Messias. Jezus zou hem ongetwijfeld vergeven hebben.

Er zijn dus meerdere visies op Judas mogelijk. Judas de Jood, Judas de spion, Judas de leerling, Judas de strateeg, Judas de gelovige, Judas de geldwolf, Judas de vertrouwenspersoon.  Bij al deze uiteenlopende visies op Judas blijft toch vooral dit paradoxale beeld hangen: zonder Judas geen kruisiging en zonder kruisiging geen christelijk geloof.

Aan het einde van het boek van Oz verlaat Judas-onderzoeker Sjmoeël het huis om een eigen bestaan op te gaan bouwen. Een onzeker bestaan in een jonge staat vol haviken en duiven, vol geweld en idealen, vol mensen die in de ogen van sommigen helden zijn en in de ogen van anderen verraders. Hopelijk heeft Sjmoeël de wijze les van Gersjom Wald in zijn oren geknoopt dat hij moet oppassen voor fanatieke wereldverbeteraars die beloven dat ze ons komen verlossen, maar “binnen de kortste tijd ons bloed vergieten”.

 

[1] Dit thema van de jongeman en de oudere vrouw is ook terug te vinden in Oz’ autobiografische boek Een verhaal van liefde en duisternis.

 

P.S. 1  Een dag na het plaatsen van dit blog staat er in de NRC een boekbespreking van het boek Judas van Peter Stanford. Een studie naar de verschillende visies op de persoon van Judas. Alsof het boek van Sjmoeël  50 jaar na dato alsnog is uitgekomen.

 

P.S. 2  Op 18 maart 2019 woon ik de première bij van de Judas Passie in Haarlem. De componiste is de 17 jarige scholiere Hesce Mourits.  Het is haar profielwerkstuk. Ze heeft zich laten inspireren door het boek van Amos Oz.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/14/ze-beleeft-haar-judas-passie-graag-vanuit-de-zaal-a3953271