Februaristaking

 

 

In mijn jonge jaren ging ik niet vaak de straat op om te demonstreren, laat staan dat ik gebouwen ging bezetten. Ik was als student wel actief (in raden en overleggen), maar niet activistisch. Ik behoorde niet tot de gestaalde kaders van de studentenbeweging, de vredesbeweging, de kraakbeweging  of de milieubeweging. Ik kan me wel herinneren dat ik paar demonstraties heb bijgewoond: in 1975 in Utrecht tegen het Franco-regime in Spanje dat de wurgpaal gebruikte om doodstraffen uit te voeren, in 1980 tegen het beleid van het kabinet Van Agt-Wiegel (waarbij Herman Bode in de RAI de legendarische woorden sprak: “Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam”), in 1981 in Amsterdam tegen de plaatsing van kruisraketten.

In die vroege jaren ’80 ben ik ook een keer bij de herdenking van de Februaristaking geweest. Ik had geen uitgesproken motief om te gaan; ik werd vooral gedreven door nieuwsgierigheid. Er staat me nu niet veel meer van bij. Ik weet nog dat het miezerig weer was en dat de toen onder studenten populaire CPN (Communistische Partij Nederland) prominent aanwezig was. Ik was wel links georiënteerd, maar geen aanhanger van de CPN. De CPN was de drijvende kracht geweest achter de Februaristaking van 1941. In die zin had die partij alle reden om nadrukkelijk aanwezig te zijn en deze staking als een mijlpaal te herdenken. De staking was een directe reactie op de eerste razzia’s die in de toenmalige Amsterdamse Jodenbuurt werden gehouden. Het was ook de eerste openlijke demonstratie tegen de toenemende vernedering en vervolging van Joden door de Duitse bezetter en de NSB. Pas later las ik dat veel van de stakingsleiders van toen al snel door de Duitsers werden opgepakt. Enkelen werden direct gefusilleerd, anderen werden gevangen gezet. Jan Campert (de vader van Remco Campert) schreef naar aanleiding hiervan zijn bekende gedicht ‘De achttien dooden’, misschien wel het bekendste Nederlandse oorlogsgedicht.

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed,

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien,

wij waren achttien in getal,

geen zal den avond zien

 

Gisteren woonde ik voor het eerst in 35 jaar weer de jaarlijkse herdenking van de Februaristaking bij. Het weer was even miezerig als destijds. De opkomst was groter dan ik me van de jaren ’80 kon herinneren. Ik zag dit keer geen CPN-symbolen. De sprekers benadrukten de link tussen toen en nu. Dat was ook de reden van mijn komst. De recente moordpartijen op joodse mensen in Brussel, Parijs en Kopenhagen dreunen hard na. Het afgelopen jaar heeft laten zien dat joodse mensen in ons midden op hun hoede moeten zijn. Ik vind dat we met hen op onze hoede moeten zijn. Zoals we dat ook moeten zijn met andere groeperingen die beschimpt of bedreigd worden.

We zien om ons heen allerlei dreigende uitingen van een onrustige wereld, waarbij de strijd van ver weg heel dichtbij is gekomen. In onze steden vermengen werelden zich met elkaar. Mensen uit Afrika, het Midden-Oosten en Oekraïne wonen om de hoek.

Gelukkig zijn er gedenkwaardige oude en hoopvolle nieuwe initiatieven waarbij mensen even met elkaar stilstaan of samen de straat op gaan om bedreiging en uitsluiting tegen te gaan.

Laten we wel hopen dat we de komende tijd niet te vaak hoeven te demonstreren. Ik ben niet zo’n activist.