Categoriearchief: Gepubliceerd

Doelgroepen en Deelgroepen

“Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep”

 

Mede onder invloed van maatschappelijke trends en technologische ontwikkelingen ondergaat het vakgebied van professionele communicatie flinke veranderingen. We leven in een tijd van globalisering, digitalisering, duurzaamheid, social media, diversiteit en individualisering. Dat alles laat ook z’n sporen na in de communicatie-wereld. Eenzijdig zenden maakt steeds meer plaats voor interactie en participatie; planmatig communicatiebeleid wordt vervangen door meer flexibele werkwijzen; marketingdoelen worden aangevuld met maatschappelijke ambities. Kortom, het speelveld is flink aan het veranderen. Dat is terug te zien aan de nieuwerwetse vaktermen die tegenwoordig in het professionele communicatie-circuit volop worden gebezigd. Woorden als agile, co-creatie, purpose, big data en conversation zijn niet van de lucht. Vaak Engelstalige termen, om het extra vlot en indrukwekkend te laten klinken. Jeukwoorden-expert Japke-d. Bouma heeft er een dagtaak aan om het allemaal bij te houden.[1]

Ik kijk daar als communicatie-docent met veel belangstelling naar. Ik probeer door de modieuze terminologie heen te prikken om te kijken of er een zinvolle kern overblijft. In nogal wat gevallen blijf ik met een lege huls zitten, maar het komt ook regelmatig voor dat achter zo’n nieuwe term een verdienstelijke poging zit om veranderende omstandigheden te duiden. Want de tijden veranderen snel en dat vergt nieuwe vormen van denken en benoemen.

Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep. Op de werkvloer, in studieboeken, op conferenties en in onderzoeksrapporten wordt de term doelgroep nog volop gebruikt. Ik vind dat opvallend, omdat het wat mij betreft een term is die voor een belangrijk deel niet meer de lading dekt. Om dat toe te lichten, moet eerst de term nader worden verklaard.

Doelgroep is een vertaling van de Amerikaanse marketing-term target group. De oorspronkelijke betekenis van het woord target verwijst naar een rond schild. In vroeger eeuwen gebruikten boogschutters die term voor een ‘mark to shoot at’, een mikpunt. Een target-group zou je dus kunnen opvatten als een groep mensen die je wilt raken/treffen, of -in wat vredelievender termen- mensen die je wilt bereiken. In de communicatie-wereld kun je het woord doelgroep op twee manieren opvatten. Er wordt òf een groep mensen mee aangeduid bij wie je een doel wilt realiseren (bijvoorbeeld rokers die moeten stoppen met roken of consumenten die jouw product moeten gaan kopen), òf het gaat om de mensen die je met je communicatie wilt bereiken. De eerste categorie zou je de gewenst-effect-doelgroep kunnen noemen en de tweede de communicatie-doelgroep. In veel gevallen is de communicatie-doelgroep ook de gewenste-effect-doelgroep, maar soms spreekt je groep A aan in de hoop dat zij groep B gaan bewegen iets te veranderen. A is dan de communicatie-doelgroep die optreedt als intermediair voor de gewenst-effect-doelgroep B.  In beide gevallen gaat het om planmatige, eenzijdige communicatie. Doel en doelgroep zijn door de boodschapper vooraf vastgesteld. Als hij de doelgroep in het vizier heeft, legt hij aan en haalt hij de trekker over. Geen wonder dat een van de oudste communicatie-effecttheorieën de ‘magic bullet’ theorie werd genoemd. We hebben deze theorie allang afgezworen, maar de bijbehorende terminologie blijft rondzingen.

Iedereen zal begrijpen dat deze opvatting van communicatie niet meer van deze tijd is. We leven in een tijd van interactie, social media en participatie. Iedereen communiceert met iedereen. Op allerlei niveaus en met alle mogelijke middelen. Vast is vloeibaar geworden. En toch blijven we het woord doelgroep gebruiken. Laatst kaartte ik dit aan tijdens een zeer interessante presentatie van Sander Hermsen van de Hogeschool Utrecht.[2] Toen ik hem vroeg waarom hij (en anderen) nog steeds het woord doelgroep gebruikte, gaf hij toe dat de term niet meer toereikend was, maar dat er nu eenmaal geen beter woord bestaat. Hij nodigde ons uit om met een betere aanduiding te komen.

Die handschoen heb ik opgepakt en dit verhaal is daar het bewijs van. Sommigen kiezen voor het woord stakeholders, maar dat vind ik niet specifiek genoeg voor communicatie. In het boek Kernbegrippen van professionele communicatie dat Paula Zweekhorst en ik hebben geschreven[3] , kiezen we voor de term Publieksgroepen: heel breed, heel algemeen. Die zijn er in allerlei soorten en maten. Een veilige keuze.

 

 

 

Maar als ik wat verder nadenk zou ik nu een onderscheid willen maken tussen situaties waarin je BIJ anderen iets wilt bereiken en situaties waarin je MET anderen  iets wilt bereiken;  onderscheid tussen een groep mensen als ‘lijdend voorwerp’ en een groep mensen als ‘meewerkend voorwerp’. In het eerste geval mag je wat mij betreft over doelgroepen blijven spreken. We zien nog steeds veel campagnes en acties waarbij organisaties alle touwtjes in handen houden en eenzijdig hun boodschappen over de hoofden van het publiek uitstorten. Roeptoeteren naar doelgroepen.

In het tweede geval is een organisatie met mensen in gesprek. Doelen, wensen en belangen worden uitgewisseld. Er worden geluisterd, overlegd, afgestemd. Bij het voeren van een gesprek heb je het over deelnemers of gesprekspartners. Het woord partner, weer zo’n Engels woord, betekent eigenlijk ook deelnemer (part = deel; denk ook aan het woord participeren wat letterlijk betekent: deelnemen). Het woord doelgroep is in een dergelijke situatie misplaatst. Met het wijzigen van één letter hebben we een veel treffender woord te pakken: deelgroep. Ik stel hierbij voor om deze term te gaan gebruiken bij alle vormen van interactieve, participatieve communicatie. Bijkomende voordeel: het is een Nederlandstalig term. En nu maar hopen dat Japke-d. Douma er geen jeuk van krijgt.

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/16/het-ergste-jargon-in-de-communicatie-a1588555?utm_source=NRC&utm_medium=banner&utm_campaign=Paywall&utm_content=paywall-november-2019A

[2] https://www.sander-hermsen.nl/

[3] https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-8477_Kernbegrippen-van-professionele-communicatie-tweede-druk

Het is oké.

“Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden”

 

Kennelijk is het leuk om aan het einde van een jaar op allerlei fronten de balans op te maken en uitzonderlijke personen, prestaties of verschijnselen te nomineren als de beste, leukste, of opvallendste van het jaar. Zo zijn de gouden handbalsters verkozen tot beste sportploeg van het jaar, leverden de kamerleden Renske Leijten en Pieter Omtzigt de ‘politieke prestatie van het jaar’, zijn de nieuwe stations van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam verkozen tot gebouw van het jaar en is PSV toch nog in de prijzen gevallen omdat de Eindhovenaren de beste website van het jaar blijken te hebben.

In datzelfde rijtje past ook de bekendmaking van het woord van het jaar. Woordenboekenuitgever Van Dale is de initiatiefnemer van deze verkiezing.[1] Dit jaar kon het publiek uit 19 genomineerde woorden kiezen en kwam het woord ‘boomer’ afgetekend als winnaar uit de bus. Op het gevaar af dat ik nu word weggezet als oude zeurpiet: ik vind dit een ongelukkige keuze.

Het woord is dit jaar namelijk vooral populair geworden in combinatie met het woordje ‘ok’ dat ervoor moet worden geplaatst. De term ‘ok boomer’ is onder jongere generaties een grote hit (oftewel trending)[2] en wordt gebruikt om een zeurende, behoudzuchtige oudere op z’n plek te zetten. In het Nederlands zouden we zeggen: ‘genoeg gekletst, ouwe’. De kracht van deze kreet zit in de combinatie van het woord boomer met het woordje ok. Bovendien bestaat het woord boomer al jarenlang (ook als de variant baby-boomer). Allemaal redenen waarom deze verkiezing heel merkwaardig aanvoelt.

Als je je dan toch door de uitdrukking ’ok boomer’ wilt laten inspireren, dan is het woordje ‘ok’ een veel betere keuze. Het is namelijk een enorm veelzijdig woord dat allerlei gedaantes kan aannemen. Zelfs koning Willem-Alexander gebruikte het in zijn kersttoespraak met de inmiddels al vaak herhaalde woorden ‘Trek het je niet teveel aan als het eens tegenzit. Geef jezelf wat ruimte. Het is okee.’[3] Zou de koning zich hierbij hebben laten inspireren door de 50 jaar oude bestseller Ik ben o.k., jij bent o.k. van Thomas Harris?

 

De oorsprong van het woordje ‘ok’ (formeel is het een tussenwerpsel) is niet voor honderd procent duidelijk, maar meerdere bronnen verwijzen naar de Amerikaanse president Martin van Buren.[4] Zijn aanhangers richtten in 1840 de ‘Democratic O.K. Club’ op. De letters O.K. waren de afkorting van Old Kinderhook, een door Nederlandse immigranten gestichte plaats waar van Buren ooit ter wereld kwam. Later kreeg OK de betekenis van Oll Korrekt (alles is correct/in orde). Het woordje OK heeft dus Nederlandse wortels en is een succesvol export-product geworden dat de hele wereld heeft veroverd. Dat is al op zich een reden om het woord in het zonnetje te zetten.

Een andere reden is de veelzijdige schrijfwijze. Je komt de term met en zonder puntjes tegen en in hoofdletters en in kleine letters (ok, o.k., OK, O.K.). Daarnaast wordt het ook vaak geschreven als ‘okay’. In het Nederlands is merkwaardig genoeg het Frans aandoende ‘oké’ de correcte spelling. Onze koning heeft zich duidelijk niet aan die spellingsregel gehouden. In de gepubliceerde tekst van zijn kersttoespraak staat ‘okee’. Al die verschillende manieren waarop je het kunt schrijven, onderstrepen het bijzondere karakter van dit woord.

Ten slotte kent het woordje enorm veel betekenissen. De oorspronkelijke betekenis staat hierboven al weergegeven. Het betekent: in orde, akkoord. Maar sinds de tijd van Martin van Buren heeft oké een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Toen mijn dochter mij laatst een appje stuurde met een voorstel om langs te komen antwoordde ik met ‘OK’. Ik bedoelde dat positief, maar zij vatte het anders op, want ze appte terug: ‘dat klinkt ook niet enthousiast’. Voor mij was het een bevestigende oké, maar voor haar was het een ‘vooruit dan maar’-oké.

Met oké kun je heel veel kanten op. Het kan bemoedigend of afremmend zijn, positief of negatief, vragend of dwingend. Volgens taal-expert Pauline Cornelisse is er sprake van een enorme opmars van het woord, waarbij met name de wijze van uitspreken verraadt wat men met ‘oké’ wil zeggen.[5]

Met simpele stembuigingen kun je eenvoudig de meest uiteenlopende betekenissen aan oké  geven:

die is gek!

meen je dat echt?

kappen nou!

geweldig idee!

ik begrijp het

nu even wat anders

mwah

wat een verrassing!

 

Oké is dus een veel interessanter woord dan boomer. Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden. Het woord is niet verrassend of vernieuwend. Het een import-woord zonder band met het Nederlands. Over een paar dagen begint 2020. Een nieuw jaar met nieuwe kansen. Laten we hopen dat het een oké jaar wordt en dat iedereen zich oké voelt. Ook als het even tegenzit. En laten we proberen om volgend jaar een beter woord van het jaar te kiezen. Oké?

 

P.S. 15 januari 2020

Inmiddels heb ik als reactie op dit verhaal enkele alternatieve verklaringen voor de oorsprong van de term oké ontvangen:

  • het zou komen van het Griekse όλα καλά,  oftewel alles goed!
  • het zou een verbastering zijn van het Franse woord au quai, een uitroep die werd gedaan als schepen, bv. houtschepen in toen nog Franstalig Louisiana goed aangemeerd lagen, dus ‘au quai’, aan de kade, waren gemeerd.
  • In de film Silver Linings Playbook die ik een paar dagen geleden zag wordt de oorsprong van de term OK ook gekoppeld aan Martin van Buren en Old Kinderhook.
  • Volgens Allan Metcalf (die een boek over de term OK heeft geschreven) is de term afkomstig uit 1839 toen een redacteur van een krant in Boston het introduceerde als afkorting voor ‘all correct’.

 

 

 

 

 

https://www.cbsnews.com/news/time-for-a-little-word-history-ok/

 

 

 

[1] https://woordvanhetjaar.vandale.nl/nl;

Eerdere woorden van het jaar: blokkeerfries (2018), appongeluk (2017), treitervlogger (2016), sjoemel-software (2015), dagobertduck-taks (2014), selfie (2013), project X-feest (2012), tuigdorp (2011), gedoogregering (2010),  ontvrienden (2009), swaffelen (2008) en bokitoproof (2007).

 

[2] https://www.thebestsocial.media/nl/dit-is-waarom-het-internet-momenteel-vol-staat-met-ok-boomer/#

 

[3] https://www.koninklijkhuis.nl/documenten/toespraken/2019/12/25/kersttoespraak-van-de-koning-25-december-2019

 

[4] Opmerkelijk genoeg is de naam van Buren ook verbonden aan ons Koningshuis. Het is een van de erfelijke titels van de Oranjes. Willem-Alexander nam in 1996 als W.A. van Buren deel aan de Friese Elfstedentocht.

[5] Paulien Cornelisse (2010): Taal is zeg maar echt mijn ding.

Kinderen voor Kinderen

 

Ik ben erg trots op mijn kinderen en het werk dat zij doen. Zij zijn kinderen voor kinderen. Ik wens hun toe dat politiek en samenleving nu echt prioriteit gaan geven aan het ruimhartig faciliteren van goed onderwijs en goede jeugdzorg

 

Kinderen voor Kinderen heeft de middelbare leeftijd van 40 jaar bereikt. Onlangs werd dit jubileum groots gevierd in het Rotterdamse Ahoy’. De media besteedden veel aandacht aan deze bijzondere verjaardag. Al die berichten riepen bij mij veel nostalgische gevoelens op naar de tijd dat onze vier kinderen klein waren. Het kijken naar de jaarlijkse TV-uitzending was bij ons thuis een vast en vrolijk ritueel. Natuurlijk kochten we daarna ook de LP/cassetteband/CD (de techniek vorderde flink in die jaren) om alle liedjes nog wekenlang te kunnen beluisteren en luidkeels mee te zingen.

Die tijd ligt inmiddels ver achter ons. Onze kinderen zijn al lang uitgevlogen en hebben hun eigen nesten gebouwd. Ze leiden volwassen levens en hebben volwassen banen. Opvallend genoeg zijn ze allemaal na hun studie aan het werk gegaan in de wereld van opvoeding, onderwijs en jeugdzorg. Dat is des te opmerkelijker omdat ze aanvankelijk alle vier een studie hadden gekozen die in een andere richting wees: communicatie, econometrie, bestuurskunde en Japanologie. Om allerlei redenen braken ze stuk voor stuk na enige tijd hun studie af. Mijn vrouw en ik begonnen aan onszelf te twijfelen. Dit kon toch geen toeval zijn. Hadden wij wellicht fouten gemaakt bij het begeleiden van de studiekeuze van onze kinderen? Je zoekt als ouders al gauw de schuld bij jezelf. Maar de redenen en omstandigheden waren bij ieder kind verschillend. Dat bleek ook uit hun zoektocht naar een nieuwe opleiding. Ieder koos op eigen wijze een nieuw pad, maar de gekozen opleidingen bleken uiteindelijk behoorlijk bij elkaar in de buurt te liggen: psychologie, pedagogiek en de lerarenopleiding. Tot onze grote geruststelling en vreugde werden deze studies afgerond. Ze behaalden allemaal hun master.

Na hun studie is ieder op het gebied van zijn/haar studie aan het werk gegaan: als leraar Nederlands, als ontwikkelingspsycholoog, als jeugdbeschermer en als onderwijsadviseur. Een van de gevolgen is dat het bij ons op verjaardagen en bij familie-etentjes gonst van de verhalen over kinderen. Over zwaardere thema’s als armoede, autisme, taalachterstand, mishandeling en pleegzorg. Maar ook over vrolijke gebeurtenissen en bijzondere situaties waarin je als professional net het verschil kunt maken.

Een rode draad in al die verhalen is de permanente zorg om organisatorische knelpunten: er is altijd gebrek aan tijd, aan menskracht, aan voorzieningen, aan geld. Met lange wachtlijsten, volle klassen en hoge werkdruk tot gevolg. Het werk kan daardoor niet naar behoren worden gedaan. En uiteindelijk zijn de kinderen het kind van de rekening.

Het is daarom in ons gezin voor niemand een verrassing dat leraren de straat op gaan om te staken voor beter onderwijs en dat nota bene overheidsinspecties zelf de noodklok luiden over de jeugdzorg in een rapport met de veelzeggende titel ‘kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’. De overheid krijgt er van de eigen inspecteurs flink van langs:

De overheid neemt op dit moment onvoldoende haar verantwoordelijkheid om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het gaat hier om kinderen bij wie sprake is van mishandeling of verwaarlozing. Deze kwetsbare kinderen moeten zonder vertraging de hulp krijgen die ze nodig hebben. Daarom moeten  direct stappen worden gezet die ertoe leiden dat de jeugdbescherming voor deze kinderen beter functioneert. 

Ik ben erg trots op mijn kinderen en het werk dat zij doen. Zij zijn kinderen voor kinderen. Ik wens hun toe dat politiek en samenleving nu echt prioriteit gaan geven aan het ruimhartig faciliteren van goed onderwijs en goede jeugdzorg. De kinderen in Nederland zijn dat waard. En het zal ervoor zorgen dat mijn kinderen en hun collega’s dan nog beter hun belangrijke en onmisbare werk kunnen doen.

 

https://www.bnnvara.nl/kinderenvoorkinderen/artikelen/kinderen-voor-kinderen-40-de-grote-show-in-ahoy

 

https://www.igj.nl/actueel/nieuws/2019/11/08/inspecties-kwetsbare-kinderen-onvoldoende-beschermd

 

https://nos.nl/artikel/2309507-vernietigend-inspectierapport-over-jeugdzorg-kabinet-grijpt-in.html

 

Elastiekjes op straat

 

Ik weet niet meer wanneer het precies begon, maar sinds een paar jaar trekken elastiekjes op straat mijn aandacht. En dan met name de exemplaren die zo in elkaar gedraaid zijn dat je er een bepaald figuurtje in kunt ontdekken. Soms is het figuurtje meteen te herkennen. Je loopt er tegenaan en denkt:

‘Kijk, een hartje’

Of: ‘een piemel’   (zoals je die op de middelbare school in elke jongens-wc op de wand getekend ziet)

Of: ‘een ampersand’ (het ‘en’-teken)

Soms zie ik het niet direct en moet ik er even omheen lopen om te ontdekken of er een speciaal figuurtje in te herkennen is. Ik maak voor de zekerheid van elk elastiekje een of meer foto’s, zodat ik er thuis ook nog even goed vanuit verschillende hoeken naar kan kijken.

Met enige fantasie kan ik er dan vaak toch iets in herkennen:

‘een slakje’

‘een slapende vrouw à la Picasso’

‘Epke Zonderland in kruishang’

‘een zwaantje’

In sommige gekringelde elastiekjes kan ik geen figuur ontdekken, maar dat maakt hen niet minder interessant. Die voeg ik naamloos toe aan mijn verzameling

Ik realiseer me dat mijn speciale interesse voor elastiekjes op straat voor omstanders een raar beeld moet opleveren. Een man van middelbare leeftijd die midden op de stoep gaat stilstaan, gebiologeerd naar een plek op de straat staart en dan in een cirkeltje rondloopt; die vervolgens zijn smartphone pakt, door z’n knieën gaat en op 30 centimeter hoogte een foto maakt. Er zijn mensen in mijn omgeving die zich zorgen maken en zich afvragen of wel goed met me gaat. Dat vraag ik mezelf ook wel eens af, maar ja, als je eenmaal door iets gegrepen bent, is het moeilijk om het los te laten.

Een bijzondere ontdekking deed ik pas onlangs. In een verzamelbundel kwam ik twee gedichten van Cees Buddingh’ over elastiekjes tegen.

geen schaartje

‘hé, dat lijkt wel een schaartje,
wat daar op de grond ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig, grijsgroen schaartje’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen schaartje was,
maar een elastiekje, ineengekringeld
in de vorm van een schaartje

 

geen brilmontuurtje

‘hé, dat lijkt wel een brilmontuurtje,
wat daar op tafel ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig brilmontuurtje,
zo eentje als bernlef wel draagt.’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen brilmontuur was,
maar het grijsgroene elastiekje,
nu ineengekringeld
in de vorm van een brilmontuurtje

Ik kende deze gedichten niet, terwijl ik toch een poëzie-liefhebber ben en zelfs een keer een blog over Buddingh’ heb geschreven (http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=739). Deze aardige gedichtjes hebben me enorm gerustgesteld. Ik ben dus niet gek. Of in ieder geval niet de enige gek. Cees Buddingh’ met zijn oog voor ‘objets trouvés’, was ook gefascineerd door elastiekjes. Ik bevind me in goed gezelschap.

Je bent wat je draagt

Over gele hesjes, Roodkapje en cappuccino

 

Onlangs zijn in Parijs de gele hesjes weer met veel tam-tam de straat op gegaan. Ze waren even uit het nieuws verdwenen, maar hebben na een lange zomerpauze de draad weer opgepakt. Ook demonstranten hebben kennelijk behoefte aan vakantie. Ik vind het grappig dat deze activisten genoemd worden naar de kleding die ze dragen. Dat leidt tot koppen in nieuwsmedia als “gele hesjes stichten brand op de Champs Elysées”, of “geel hesje weigert Rutte een hand te geven”. Alsof hesjes brand kunnen stichten en handen kunnen schudden. En toch begrijpen we precies wat er bedoeld wordt.

Ik ben gaan kijken of er meer varianten op dit thema bestaan: mensen die genoemd worden naar de kleding die ze dragen en dan bij voorkeur met een aanduiding die bestaat uit een kleur en een kledingstuk, net zoals ‘gele hesjes’.

Ik ben tot de volgende reeks gekomen:

Zwarte kousen

Rode baretten

Witte boorden

Rode hoeden (‘Rode hoeden hebben geen zin om achter de geraniums te zitten’)

Blauwhelmen

Bruinhemden

Ook de wielerterm ‘gele trui’ (met de varianten ‘witte trui’ en ‘groene trui’) past wat mij betreft in dit rijtje. Denk aan een zin als: “de gele trui rijdt op 45 seconden van de kopgroep”.

En in zekere zin is Roodkapje ook een voorbeeld van dit soort kleur-kleding vernoemingen. Al is het in het geval van Roodkapje geen soortnaam, maar een eigennaam.

 

Een bijzondere variant op aanduidingen met kleding en kleur komt uit de koffie-wereld. In het Wenen van de 18e en 19e eeuw kende men variëteiten van koffie met verschillende hoeveelheden melk: van een klein scheutje melk tot een hele plens. De uiteindelijke kleur van de koffie (van donker- tot lichtbruin) koppelde men aan de kleuren van de habijten van bekende monnikenordes. Zo ging men koffie met flink veel melk aanduiden met de term Franziskaner; een term die correspondeerde met het lichtbruine habijt van de Franciscaner monniken.

Koffie met wat minder melk werd Kapuziner genoemd, een verwijzing naar de kapucijner monniken en hun donkerbruin gewaad. Behalve de warm-bruine kleur kende het habijt van de Kapucijners ook een monnikskap, die in het Italiaans een cappa of cappuccio heet, met als verkleinwoord: cappuccino. In sprookjestermen zouden we zeggen: Bruinkapje. Het cappuccino-verhaal laat zien dat een heilig boontje uiteindelijk een koffie-boontje is geworden.

 

Wie weet dat de naam ‘geel hesje’ in de toekomst nog verder evolueert en net als cappuccino ook de aanduiding wordt van een drankje. Ik stel me daarbij een cocktail voor van Cointreau, granaatappel, jus d’orange en peper. Pittig en explosief.

Stel je voor dat je straks een bar binnenloopt en zegt: “Ober, mag ik een geel hesje? En doe er ook maar een portie vlammetjes bij!”

Het Lada-effect

 

Mijn eerste auto was een Lada. Een appeltjes-groen exemplaar dat er uitzag zoals kinderen een auto tekenen: een rechthoekig koekblik op wielen. Ik was een jonge vader en had een part-time baantje in het onderwijs. Ik kon me niets anders veroorloven dan deze vierdehands bak van Russische makelij. De vele roestplekken en het gebrek aan comfort nam ik voor lief. Hij bracht mij en ons kleine gezin van A naar B en daar ging het om. De auto had één groot pluspunt. Hij startte moeiteloos bij 10 graden onder nul. Het was de Elfstedenwinter van ’84-’85 en ik was de enige in de straat die elke ochtend zonder problemen zijn auto aan de praat kreeg.

Ik had voor de aanschaf van deze wagen vagelijk van het merk Lada gehoord, maar toen ik er eenmaal zelf eentje bezat, zag ik overal Lada’s op de weg. Dit verschijnsel noemden mijn vrouw en ik het Lada-effect: iets is er al, maar jij bent er nog nooit echt, bewust mee in aanraking geweest. Zodra je ermee te maken krijgt, zie je er opeens overal voorbeelden van.

Van onbewust/nauwelijks waargenomen naar bewust/gericht waargenomen via een onverwachte confrontatie. In de psychologie zal er vast een wetenschappelijke term voor bestaan, maar voor mij voldoet de term Lada-effect. Door dit verschijnsel zo te typeren ben ik me er sindsdien bewuster van als me dit weer overkomt: “hé, een Lada-effect!”.

Een paar voorbeelden.

Een van onze kinderen zag vlak na de geboorte nogal geel. We hoorden dat zijn bilirubine-gehalte te hoog was. Hij moest zelfs even een tijdje in het ziekenhuis onder een speciale lamp liggen. Ik had nog nooit van bilirubine gehoord, maar vanaf dat moment was het een term die ik te pas en te onpas hoorde als er over pasgeborenen werd gepraat. (Dit gold in die tijd voor mij als jonge vader ook voor termen als bekkeninstabiliteit, striae en spruw).

Mijn dochter kwam op een bepaald moment thuis met Uggs die ze net had gekocht. Ik wist niet van het bestaan van dergelijke schoeisel af. “Ach pap”, zei ze, “die zijn al heel lang in de mode.” Het was mij nooit opgevallen, maar de weken daarna zag ik allemaal jonge meiden met Uggs lopen.

Toen Geert Wilders 10 jaar geleden in de Tweede Kamer het dragen van hoofddoekjes ter discussie stelde en de term ‘kopvoddentaks’ introduceerde, was ik de weken daarna ongewild alert op studentes met een hoofddoek op mijn hogeschool. Ze waren me al die jaren daarvoor niet specifiek opgevallen, maar sinds dat politieke debat trokken zij toch onwillekeurig mijn aandacht. Ik vond dat vervelend, maar het was alsof iemand had geroepen dat ik niet aan een roze olifant mocht denken.

Mijn zoon besloot een paar jaar geleden op Bali te gaan wonen (ik schreef daar eerder enkele blogs over). Sinds hij daar woont heeft mijn brein een soort radar ontwikkeld voor alle berichten over Bali die ik in de media of in verhalen van anderen tegenkom. Ik pik al het nieuws over Bali er direct uit, terwijl ik tot vier jaar geleden totaal geen aandacht voor dat eiland had. Dit Lada-effect strekt zich overigens ook uit tot onze familie- en vriendenkring, want ik krijg de afgelopen jaren uit mijn omgeving regelmatig berichten in de trant van: heb je al gehoord dat er op Bali ….. .

In de tuin van onze nieuwe woning staat een prachtige struik waarvan ik de naam niet wist. Een goede vriendin vertelde me dat het een hibiscus is. Vanaf dat moment zie ik overal hibiscussen staan. Als ik langs tuinen loop let ik er speciaal op en kan ik ze zonder enige moeite herkennen, terwijl ze me daarvoor nooit waren opgevallen.

Ik dacht aanvankelijk dat het Lada-effect minder zou worden bij het ouder worden, omdat ik dan meer levenservaring zou hebben. De praktijk wijst anders uit. Ik blijf vatbaar voor Lada-effecten. Ik ben er zelfs extra attent op: ‘alweer een Lada-effect’. Een soort verdubbeld bewustzijn; het valt me op dat het me opvalt. Je zou dat zelfs een Lada-Lada-effect kunnen noemen.

Ik denk dat ik hier nooit meer vanaf kom. Dat is geen ramp. Het is alleen jammer dat je tegenwoordig haast geen Lada’s meer ziet rijden. Want als ik andere mensen over dit soort ervaringen vertel krijg ik steeds vaker de vraag: wat is een Lada?

Communiceren over communicatie

Hoe knoop je met eerstejaars studenten het gesprek over Communicatie aan? Over vak, visie en onderwijs.

 

Binnenkort beginnen overal in het land weer vele kersverse studenten aan hun opleiding HBO Communicatie. Ook op mijn hogeschool. Dat is altijd weer een bijzonder moment. Nieuwe gezichten, nieuwe ontmoetingen, nieuwe gesprekken. Vol dromen en verwachtingen stappen deze nieuwelingen ons gebouw binnen, maar ook met de nodige vragen en onzekerheden. De ervaring leert dat veel van deze studenten moeilijk kunnen verwoorden waarom ze voor de opleiding Communicatie hebben gekozen en wat je er precies mee kunt worden. Ondanks alle voorlichtingsdagen, video’s en informatieboekjes is het communicatie-vak voor de beginneling kennelijk nog moeilijk te vatten. Dat zal voor studenten die naar de Pabo gaan of verpleegkunde studeren heel anders zijn.

 

 

 

 

Het is ook niet vreemd, want de beroepspraktijk is volop in beweging en je komt er de meest uiteenlopende functies en rollen tegen. Van webdesigner tot brandmanager en van lobbyist tot social media specialist. Als je de deskundigen binnen het beroepenveld raadpleegt om grip op het vak te krijgen, merk je dat zij er heel verschillende visies en opvattingen op nahouden. In de ruim 30 jaar dat ik voor de klas sta is er één constante factor: de permanente discussie onder professionals over de waarde en de essentie van het communicatievak. Vaak hebben die discussies een ondertoon van zich miskend of onbegrepen voelen: “Wat is ons bestaansrecht?”, “Waar zijn wij van?”, “Wat is onze bijdrage?”. Om vervolgens met pakkende termen en aanduidingen (dat kun je wel aan communicatiemensen overlaten) stelling te nemen: “communicatie is een vak apart”, “communicatie is Factor C”, “communicatie gaat over beeldvorming (je imago is je beste amigo)”, “goede communicatie is disruptief”, “de kern van communicatie is storytelling”, “bij communicatie gaat het draait om purpose”, “het fundament van communicatie is reputatie”, etc. Daarbij heb ik door de jaren heen allerlei tegengestelde opvattingen voorbij zien komen: er moeten schotten tussen werkterreinen (bijv. extern-intern; concerncommunicatie-marketingcommunicatie) worden aangebracht of juist worden weggehaald; communicatie moet in het hart van het beleid terecht komen of zich er juist uit terugtrekken[1]; communicatie moet strak gepland en accountable zijn of juist agile en flexibel; communicatie heeft eigenlijk geen bestaansrecht meer of communicatie moet minder bescheiden zijn en meer aan zijn eigen PR werken[2].

Dit alles laat zien dat men het binnen het vakgebied zelf moeilijk eens kan worden over wat de kern van communicatie is. Als de profs zoveel verschillende geluiden laten horen, is het niet eenvoudig om binnen het onderwijs het aanstormende talent enige richting en houvast te bieden.

 

Bovenop dit alles is er de enorme ontwikkeling die de digitalisering met zich mee heeft gebracht. Nieuwe media hebben het medialandschap de afgelopen tien jaar op z’n kop gezet. Jongeren lezen geen kranten meer en kijken nauwelijks nog televisie. Ouderwets zenden kan niet meer. Iedereen is permanent online en druk in de weer met apps, posts en games. Bloggers en influencers zetten op veel terreinen de toon. Het wordt steeds moeilijker om te onderscheiden wat waar en niet waar is.  Autoriteiten en instituties worden ter discussie gesteld. Kortom, we zitten middenin een enorme storm. Alles wat vast was, lijkt vloeibaar te zijn geworden.[3]

Daar sta je dan als goedbedoelende docent met 30 frisse, verwachtingsvolle gezichten voor je neus. Het heeft geen zin om de eerste weken te beginnen met alle discussies over het vak en de bijbehorende termen als purpose, accountability of reputatie. Dat gaat deze studenten ver boven hun pet. Wij proberen, zeker aan het begin van jaar 1, vooral aan te sluiten bij hun eigen belevingswereld: hun gebruik van media en hun ervaringen met communicatie. Wie zit er (nog) op Facebook, en waarom? Wie is er naar welk festival geweest en welke sponsors heb je daar gezien? De website van welke organisatie vind je klantvriendelijk? Wat is je favoriete merk, en waarom? Wie is er zelf actief met het posten van teksten en beelden? Dergelijke verkennende vragen leiden vaak tot boeiende antwoorden die het gesprek over communicatie op gang brengen. Daarna vragen we de studenten om trefwoorden op te schrijven die typerend zijn voor communicatie. Die trefwoorden koppelen we dan aan begrippen die uit de vakliteratuur afkomstig zijn.

Op grond van deze ervaringen hebben Paula Zweekhorst en ik drie jaar geleden een boek samengesteld dat Kiezen voor Communicatie heet. Speciaal geschreven voor startende studenten en/of beginnende professionals. Het boek is opgebouwd aan de hand van een aantal kernbegrippen die elke communicatiestudent of -professional tegen zal komen, ongeacht zijn niveau, functie of werkterrein. Generieke begrippen, dus. Wij hebben de volgende begrippen benoemd: organisatie, publieksgroepen, content, connect, context, aanpak en visie. Inmiddels is het boek aan een nieuwe druk toe. We hebben de inhoud geactualiseerd en op basis van reacties van gebruikers de titel aangepast. Het heet nu Kernbegrippen van professionele communicatie.[4] De uitgever heeft het boek ook in een nieuw jasje gestoken. De zeven kernbegrippen hebben we gehandhaafd. Maar we hebben in tegenstelling tot de eerste druk dit keer bij het begrip Visie ook onze eigen visie op communicatie geformuleerd. We vonden dat dat moest. Juist omdat er vanuit het veld zoveel uiteenlopende geluiden te horen zijn. We wilden niet een in beton gegoten statement schrijven, maar in begrijpelijke taal aangeven wat wij de essentie van communicatie vinden. Het is bedoeld als uitnodiging om er verder over na te denken en over door te praten. Dat gaan we zeker ook in de klas doen.

Voor mij geldt dat het communicatie-onderwijs zo boeiend blijft omdat het vak volop meebeweegt met allerlei maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Iedere generatie studenten draagt de kenmerken van die ontwikkelingen met zich mee. De studenten van nu zijn in veel opzichten echt anders dan hun voorgangers van 10 of 20 jaar geleden. Je kunt als communicatie-docent daarom niet indutten of op de automatische piloot vliegen. Je moet alert zijn en bijblijven. En met elke nieuwe generatie in gesprek gaan. Dat maakt het communicatie-onderwijs ieder jaar weer spannend, maar vooral heel interessant en leuk.

 

 

De visie-tekst staat in beknopte vorm hieronder. Reacties zijn van harte welkom. Via LinkedIn of via peter.tlam@inholland.nl

Mensen kunnen niet goed zonder elkaar. Ze hebben anderen nodig en dat kan niet zonder communicatie. Door communicatie worden we eigenlijk pas mens. Communicatie betekent letterlijk: gemeenschappelijk maken. We kunnen ook zeggen: samen delen. Dat maakt communicatie tot een interactief verschijnsel, gericht op begrips- en relatievorming. Er is sprake van minstens twee partijen die samen iets (proberen te) delen. In je eentje valt er immers weinig te delen; dat kan alleen als er anderen zijn. Iedereen probeert zich op een bepaalde manier tot andere mensen te verhouden en een beetje zicht en grip op de wereld te krijgen. Door het onderling uiten en betekenis geven aan signalen kun je je plaats bepalen, overleggen, verschijnselen duiden en begrijpen, gevoelens tonen, afspraken maken.

Communiceren is geen exclusief menselijke competentie. Ook dieren kunnen signalen uiten en ontvangen. Dit gebeurt doorgaans op basis van instinct en overlevingsdrang, maar sommige dieren kunnen zo (door mensen) getraind worden dat ze leren geconditioneerd te communiceren. Denk aan een hond die op commando kan blaffen, een papegaai die roept dat het ‘lekker weer’ is of een mensaap die via allerlei gebaren met zijn verzorgers kan ‘praten’. Toch blijven dit beperkte vormen van communicatie.

Het zijn de mensen die communiceren op een ‘hoger niveau’ hebben gebracht. Zij hebben met hun verstandelijke vermogens allerlei talen (beeldtaal, muziek, gesproken en geschreven woord, gebaren, programmeertaal, braille, emoji’s) en kanalen/instrumenten/ontmoetingsvormen (drukwerk, vergaderingen, radio, events, televisie, social media) ontwikkeld om op de meest uiteenlopende manieren met elkaar te kunnen communiceren. Zo beschikken mensen over een enorm arsenaal aan mogelijkheden om met elkaar in contact te komen en te communiceren. En dat doen ze dan ook de hele dag, bewust en onbewust, bedoeld en onbedoeld, al dan niet effectief, bij elkaar aan tafel of via de computer, in kleine kring of met miljoenen tegelijk, in jip-en-janneketaal of aan de hand van abstracte formules.

Communicatieprofessionals zijn de deskundigen bij uitstek die weten welke vormen van interactie in bepaalde situaties het meest geschikt zijn. Ze brengen mensen bij elkaar, kunnen ordening aanbrengen in het enorme informatieaanbod, kunnen anderen adviseren en kunnen ook zelf vormen van interactie ontwerpen.

Dat is de kern van professionele communicatie: het helpen realiseren van betekenisvolle ontmoetingen, direct en gemedieerd, gericht op begrips- en relatievorming. Maar communicatie blijft mensenwerk, je kunt het niet zomaar inzetten en naar je hand zetten. Er zijn anderen bij betrokken en die bepalen zelf wat ze ermee doen.

[1] https://www.overheidincontact.nl/communicatiecollega-trek-je-terug-uit-het-hart-van-beleid/

[2] https://www.adformatie.nl/pr/het-communicatievak-moet-hard-aan-zijn-pr-gaan-werken

[3] Zie o.a. het boek Liquid Times van Zygmunt Bauman (2007).

[4] https://www.kernbegrippenvanprofessionelecommunicatie.nl/

Van A naar Z

 

Van A naar Z

Van 020 naar 030

Van veen naar zand

Van rij naar vrij

 

Deze zomer staat geheel in het teken van onze verhuizing. Eind 2018 hebben we een huis gevonden dat alle kenmerken heeft waarvan we al jaren dromen: jaren ’30, vrijstaand, sfeervol, ruime tuin, centraal gelegen en niet ‘in the middle of nowhere’. Dat huis bleek in Zeist te staan. Op steenworp afstand van het huis waar ik tussen mijn 16e en 18e jaar heb gewoond. Puur toeval. Ik moet er op weg naar school honderden keren langs zijn gefietst zonder me te realiseren dat ik er ruim veertig jaar later zou gaan wonen. Heel bijzonder dat een leven dit soort wendingen kan nemen. Jeugdsentiment is echter niet de reden dat ik naar deze plek terugkeer. Het huis had ook in Amersfoort of Driebergen kunnen staan.

Ik heb gemerkt dat Zeist niet bij iedereen duidelijke associaties oproept. Vooral jongere mensen hebben geen idee waar Zeist ligt (“dat klinkt als verweggistan”) en hoeveel mensen daar wonen (“zal wel een klein gat zijn”). Ze zijn verbaasd als ik hen vertel dat Zeist heel centraal ligt en dat er ruim 60.000 mensen wonen.  Andere mensen kennen Zeist van de KNVB en roepen daar het daar mooi en groen is. Dat is allemaal waar. Ik denk dat ik dit blog nog wel eens ga gebruiken om wat aan Zeist-promotie te doen.

Op ons oude adres in Amstelveen hebben we de afgelopen maanden alles wat we daar gedurende 33 jaar hebben binnengesleept uitgezocht, gesorteerd, ingepakt dan wel afgevoerd. De afgelopen week hebben we afscheid genoten van onze buren en van de winkeliers op het pleintje waar we al zoveel jaren onze boodschappen doen. Met enige weemoed, maar zonder te twijfelen over onze overstap naar Zeist.

Op ons nieuwe adres is een aannemer aan de slag die fraai werk levert maar ook gaandeweg op onvoorziene zaken stuit die extra aandacht en tijd vergen. Wij helpen af een toe een amateuristisch handje mee. Daarnaast hebben we het nodige te regelen met de notaris, de bank, de energieleverancier, de verzekeraar, de internetprovider, de verhuizer en de vloerenlegger.

 

De afgelopen tijd is het duidelijk geworden dat de verbouwing uit gaat lopen. De verhuizing vanuit Amstelveen was niet meer tegen te houden en ook de verhuiskaart (met de woorden die bovenaan dit blog staan) was al gedrukt en verstuurd. De verhuizer zal onze spullen enige tijd opslaan totdat alles klaar is. Wij proberen van de nood een deugd te maken door in de tussentijd  ons te vermaken in een vakantiehuisje in Wijk bij Duurstede. Een schilderachtig, rustig stadje. Vlakbij de pont over de Lek staat een gedenksteen met het bekende gedicht van Hendrik Marsman: “Denkend aan Holland zie ik brede rivieren….”.

 

Ik ken het gedicht goed. In een van mijn verhuisdozen zit een fraaie, ingelijste rijmprent van dit gedicht. De prent was van mijn vader die hem in de oorlog van een illegale drukker heeft gekregen. Hij krijgt een ereplaatsje in ons nieuwe huis. Heel passend want Marsman is geboren en getogen in Zeist.

 

De rijmprent blijft nog even met vele andere dozen in de opslag. We zijn onderweg van A naar Z, maar zitten voorlopig in W.

WP, weg of mee?

 

 

Als je gaat verhuizen sta je voor de keuze of je al je bezittingen mee wil nemen naar de nieuwe woning, of dat dit nu juist het moment is om van bepaalde zaken afscheid te nemen. Wij hebben besloten om onze aanstaande verhuizing aan te grijpen om een grote opruimactie te houden. We gaan voor het eerst in 33 jaar verhuizen en dan is het de hoogste tijd om afstand te doen van oud kinderspeelgoed, roestig tuingereedschap, overtollige ovenschalen en gedateerde prullaria. Niet dat we nooit eerder hebben opgeruimd, maar over het algemeen hebben we de afgelopen decennia meer naar binnen gesleept dan naar buiten gewerkt. Daarom zijn we al weken bezig om alles nog een keer door onze handen te laten gaan en te kiezen: ‘mee’ of ‘weg’. Dat is op zich een nuttig ritueel waarbij weemoed, plezier en verbazing elkaar afwisselen. Van bepaalde spullen weet je niet eens meer dat je ze nog had. Dat levert soms een dierbare herontdekking op, maar meestal vraag je je af waarom je dat in hemelsnaam al die tijd hebt bewaard.  Andere zaken zijn leuk om nog eens te bekijken, maar niet om mee te nemen naar het nieuwe huis. Ook zijn er spullen die destijds handig en bruikbaar waren (videobanden, diaprojector, schrijfmachine, handmixer) maar die nu door de moderne technologie volkomen achterhaald zijn. Geen wonder dat we tegenwoordig regelmatig naar de kringloopwinkel en het afvalstation gaan, of advertenties plaatsen op Marktplaats.

Er zijn natuurlijk ook twijfelgevallen. Zo worstel ik momenteel het meest met de 20-delige Winkler Prins encyclopedie. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er al jarenlang geen blik in heb geworpen en dat de 20 rode banden bovenin de boekenkast op mijn studeerkamer alleen maar stof staan te vangen. Maar het imposante geheel vertegenwoordigt iets wat mij na aan het hart ligt. Ik ben namelijk zo lang als ik me kan herinneren verslingerd aan naslagwerken, woordenboeken, atlassen, jaarboeken en dus ook aan encyclopedieën.

Standbeeld van Denis Diderot in Langres. Hij geldt als de initiatiefnemer van de 18e eeuwse ‘Encyclopédie’, een door meerdere auteurs samengestelde reeks boeken waarin men probeerde alle destijds beschikbare kennis van wetenschappen en kunsten vast te leggen. (eigen foto)

 

In de 6e klas van de lagere school (voor de jongere lezers: dat is groep 8 van de basisschool) mocht ik van de meester iets voor mezelf doen als ik klaar was met een opdracht. Ik liep dan altijd naar een grote kast aan de zijkant van het lokaal waarin een encyclopedie stond. Ik pakte er willekeurig een band uit en begon lekker te grasduinen: bladeren, plaatjes kijken, teksten lezen. Daar kon ik eindeloos mee doorgaan. Mijn oudere broer kreeg in die tijd voor zijn verjaardag een 12-delige kinderencyclopedie waaraan ik meer plezier beleefde dan hijzelf. Die interesse is nooit overgegaan.

 

 

Toen ik rond mijn 20e jaar (eind jaren ’70) voor het eerst bij de ouders van mijn toenmalige vriendin (nu vrouw) over de vloer kwam viel mij meteen op dat zij een Winkler Prins in de kast hadden staan. Mijn schoonvader vertelde dat er op een dag een colporteur aan de deur was geweest die hem had weten te overtuigen dat een encyclopedie in geen gezin mocht ontbreken. Zeker niet als er schoolgaande kinderen waren. Mijn schoonvader wilde zich niet laten kennen en zette zijn handtekening op een formulier dat hem op gezette tijden een nieuw deel beloofde waarvoor hij in termijnen zou gaan betalen. Uiteindelijk kostte deze ‘alomvattende kennisverzameling’ hem enkele duizenden guldens en bleek het een investering waarvan nauwelijks gebruik werd gemaakt. Totdat de toekomstige schoonzoon zijn intrede deed. Net als destijds op school pakte ik met regelmaat een WP-deel uit de kast van mijn schoonouders om met plezier in rond te neuzen. Vanaf die tijd hoopte ik dat die encyclopedie ooit nog eens in mijn bezit zou komen.

Dertien jaar geleden was het moment daar. Mijn schoonmoeder overleed in 2006 en iedereen in de familie gunde mij de encyclopedie. Ik ontruimde een plank in mijn boekenkast en installeerde daar trots mijn trofee. Maar het bleek een Pyrrhus-overwinning. In de tussenliggende jaren had de digitale revolutie zich voltrokken. Computer en internet bleken beter en sneller in staat om mij allerhande informatie te bieden. Ik had in de jaren ’90 voor een paar tientjes een encyclopedie op CD-rom aangeschaft die ook geluiden en bewegende beelden bevatte. Daar kon de oude, papieren kennis-reus niet tegenop. Het resultaat van dit alles is dat ik in de afgelopen dertien jaar hooguit een enkele keer in de Winkler Prins heb gekeken.

Dus, wat moet ik nu? Omdat mijn hoofd ‘weg’ zegt en mijn hart ‘mee’, zoek ik naar een uitweg. Zomaar weggooien vind ik zonde. Zou ik iemand anders er een plezier mee kunnen doen? Ik ben nu al een tijdje aan het leuren, maar ik heb nog steeds niemand weten te strikken. Ik ben kennelijk niet geschikt als colporteur. Ik heb twee basisscholen benaderd, maar daar werd ik aangekeken alsof ik uit het stenen tijdperk kwam. Op Marktplaats aanbieden heeft geen zin als ik kijk naar de grote aantallen encyclopedieën die daar tegen bodemprijzen worden aangeboden. Ook de kringloopwinkel heeft geen interesse.  De uitbater vertelde me vriendelijk dat hij al drie encyclopedieën heeft staan die hij aan de straatstenen niet kwijt raakt. ‘Wat raad je me dan aan?’, vroeg ik hem bijna wanhopig. ‘Gewoon naar het afvalstation brengen en in de oud papier container kieperen’, was zijn kordate antwoord. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen, maar meenemen naar mijn nieuwe huis heeft ook geen zin.

Ik ga over vijf weken verhuizen. De tijd dringt en de vertwijfeling groeit. De encyclopedie heeft helaas geen lemma dat me helpt met mijn dilemma. Ik hoop stiekem dat een van de lezers van dit blog mij verder kan helpen. Ik doe mijn encyclopedie met liefde in de aanbieding. Gratis af te halen. Desgewenst kom ik hem persoonlijk afleveren. Met twee supplementen en de tweedelige Winkler Prins voor de Vrouw erbij!

Sleutels

Vorige week kregen we de sleutels van ons nieuwe huis. Een uur voordat we officieel gingen tekenen bij de notaris vond de zogenaamde inspectie plaats. Samen met de makelaar en de eigenaren liepen we door het huis dat nog heel even van hen was. We hadden het huis al een paar keer gezien, maar nog nooit in compleet lege staat. Alle ruimtes leken groter.

Ongewild waren we toch een beetje bang geweest dat zo’n kaal huis ons zou tegenvallen, maar de rondgang maakte ons alleen maar enthousiaster. De eigenaren legden ons uitvoerig de bijzonderheden van het huis uit. Waar het lichtknopje in de kelder zat, hoe de oven werkte, dat de schuurdeur wat klemde, hoe het water afgesloten kon worden, etc. Een bijzonder ritueel waarmee zij met enige moeite hun vertrouwde, dierbare huis loslieten. Ze hadden hier ruim 11 jaar met veel plezier gewoond. Hun kinderen waren hier geboren. Nu was het tijd voor een nieuw huis met meer leef- en werkruimte. Als laatste onderdeel van de inspectie kregen we uitleg over de sleutels. Deze zaten keurig gesorteerd in een mooi blauw doosje.

Een half uur later zaten we met elkaar bij de notaris. Daar werd de akte doorgenomen en door alle aanwezigen getekend. De koop was nu formeel rond en de overdracht bezegeld. We kregen het blauwe doosje met de sleutels overhandigd. Het enige tastbare bewijs dat het huis nu van ons was. De rest was alleen maar papierwerk en daar krijg je geen deuren mee open.

Binnen een uur waren huidige eigenaren vorige eigenaren geworden, en wij nieuwe eigenaren. Gewapend met de blauwe sleuteldoos gingen we opnieuw naar het huis. Voor het eerst maakten we zelf de voordeur open. Blij maar ook wat onwennig liepen we nog een keer uitgebreid het hele huis door. Het was nu ons huis, maar zo voelde het nog niet echt. De sleutels pasten in ieder geval allemaal.

Over ruim twee maanden zal er nog een keer een inspectie zijn. Maar dan van het huis waar wij de afgelopen 33 jaar met veel plezier hebben gewoond. Waar onze kinderen zijn geboren. Waar we heel veel hebben beleefd. Dan zullen wij op onze beurt de nieuwe eigenaren wegwijs maken. Dat zal ook voor ons even slikken worden. We zijn toe aan een nieuwe stek, maar dat betekent niet dat we makkelijk afscheid nemen van onze huidige vertrouwde omgeving. Gelukkig hebben we nog de hele zomer om aan het idee te wennen. Om het nieuwe huis ons meer eigen te maken en om het oude huis langzaam los te laten. Dat biedt ook voldoende tijd om ons oude sleutelbakje een keer grondig uit te vlooien. Wij hebben namelijk ook zo’n verzamelbakje, alleen niet zo netjes geordend.

Er zitten courante sleutels in, maar ook oude fietssleutels, sleutels van buren die al lang verhuisd zijn en de sleutel van de oude keukendeur die twintig jaar geleden is vervangen door een schuifpui. Daarnaast nog een dozijn sleutels die ik niet direct kan thuisbrengen. Het gedicht Wisselgeld van Ingmar Heytze schiet me te binnen. Het sluit mooi aan op wat wij nu beleven:

 

 Wisselgeld

Voor K. Schippers

 

Zoals in de buitenste vuilniszak

van een verse rol altijd eerst de verpakking

van die rol gaat – scheuren, uitslaan, frommelen,

 

klep dicht, klaar – zo vind je bij elke verhuizing

weer hetzelfde blik met sleutels. Je hebt geen

flauw idee of ze nog passen, op welk slot.

 

Wie weet welke deur of kast, wat voor postvak,

fiets van vroeger voorgoed vergrendeld werd.

De laatste doos is ingeladen, ieder gat gevuld,

 

vloeren en muren laten zien waar alles stond,

alleen aan jou. Jij moet verder, iets

Of iemand drijft je voort, je denkt opnieuw

 

ik wil dit niet maar blijkbaar trek je nooit

een lijn zonder eroverheen te gaan. Je pakt

het blik en loopt nog één keer alle kamers door.

 

Zo komt hier en daar een sleutel thuis waarvan

je niet meer wist wat ermee openging, maar

meer, veel meer nog hou je over, het blik

 

gaat als wisselgeld in je tas en straks weer

onder in een nieuwe kast. Ergens, denk je,

staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past.

 

 

(uit: De man die ophield te bestaan, 2015)