Categoriearchief: Gepubliceerd

Je bent wat je draagt

Over gele hesjes, Roodkapje en cappuccino

 

Onlangs zijn in Parijs de gele hesjes weer met veel tam-tam de straat op gegaan. Ze waren even uit het nieuws verdwenen, maar hebben na een lange zomerpauze de draad weer opgepakt. Ook demonstranten hebben kennelijk behoefte aan vakantie. Ik vind het grappig dat deze activisten genoemd worden naar de kleding die ze dragen. Dat leidt tot koppen in nieuwsmedia als “gele hesjes stichten brand op de Champs Elysées”, of “geel hesje weigert Rutte een hand te geven”. Alsof hesjes brand kunnen stichten en handen kunnen schudden. En toch begrijpen we precies wat er bedoeld wordt.

Ik ben gaan kijken of er meer varianten op dit thema bestaan: mensen die genoemd worden naar de kleding die ze dragen en dan bij voorkeur met een aanduiding die bestaat uit een kleur en een kledingstuk, net zoals ‘gele hesjes’.

Ik ben tot de volgende reeks gekomen:

Zwarte kousen

Rode baretten

Witte boorden

Rode hoeden (‘Rode hoeden hebben geen zin om achter de geraniums te zitten’)

Blauwhelmen

Bruinhemden

Ook de wielerterm ‘gele trui’ (met de varianten ‘witte trui’ en ‘groene trui’) past wat mij betreft in dit rijtje. Denk aan een zin als: “de gele trui rijdt op 45 seconden van de kopgroep”.

En in zekere zin is Roodkapje ook een voorbeeld van dit soort kleur-kleding vernoemingen. Al is het in het geval van Roodkapje geen soortnaam, maar een eigennaam.

 

Een bijzondere variant op aanduidingen met kleding en kleur komt uit de koffie-wereld. In het Wenen van de 18e en 19e eeuw kende men variëteiten van koffie met verschillende hoeveelheden melk: van een klein scheutje melk tot een hele plens. De uiteindelijke kleur van de koffie (van donker- tot lichtbruin) koppelde men aan de kleuren van de habijten van bekende monnikenordes. Zo ging men koffie met flink veel melk aanduiden met de term Franziskaner; een term die correspondeerde met het lichtbruine habijt van de Franciscaner monniken.

Koffie met wat minder melk werd Kapuziner genoemd, een verwijzing naar de kapucijner monniken en hun donkerbruin gewaad. Behalve de warm-bruine kleur kende het habijt van de Kapucijners ook een monnikskap, die in het Italiaans een cappa of cappuccio heet, met als verkleinwoord: cappuccino. In sprookjestermen zouden we zeggen: Bruinkapje. Het cappuccino-verhaal laat zien dat een heilig boontje uiteindelijk een koffie-boontje is geworden.

 

Wie weet dat de naam ‘geel hesje’ in de toekomst nog verder evolueert en net als cappuccino ook de aanduiding wordt van een drankje. Ik stel me daarbij een cocktail voor van Cointreau, granaatappel, jus d’orange en peper. Pittig en explosief.

Stel je voor dat je straks een bar binnenloopt en zegt: “Ober, mag ik een geel hesje? En doe er ook maar een portie vlammetjes bij!”

Het Lada-effect

 

Mijn eerste auto was een Lada. Een appeltjes-groen exemplaar dat er uitzag zoals kinderen een auto tekenen: een rechthoekig koekblik op wielen. Ik was een jonge vader en had een part-time baantje in het onderwijs. Ik kon me niets anders veroorloven dan deze vierdehands bak van Russische makelij. De vele roestplekken en het gebrek aan comfort nam ik voor lief. Hij bracht mij en ons kleine gezin van A naar B en daar ging het om. De auto had één groot pluspunt. Hij startte moeiteloos bij 10 graden onder nul. Het was de Elfstedenwinter van ’84-’85 en ik was de enige in de straat die elke ochtend zonder problemen zijn auto aan de praat kreeg.

Ik had voor de aanschaf van deze wagen vagelijk van het merk Lada gehoord, maar toen ik er eenmaal zelf eentje bezat, zag ik overal Lada’s op de weg. Dit verschijnsel noemden mijn vrouw en ik het Lada-effect: iets is er al, maar jij bent er nog nooit echt, bewust mee in aanraking geweest. Zodra je ermee te maken krijgt, zie je er opeens overal voorbeelden van.

Van onbewust/nauwelijks waargenomen naar bewust/gericht waargenomen via een onverwachte confrontatie. In de psychologie zal er vast een wetenschappelijke term voor bestaan, maar voor mij voldoet de term Lada-effect. Door dit verschijnsel zo te typeren ben ik me er sindsdien bewuster van als me dit weer overkomt: “hé, een Lada-effect!”.

Een paar voorbeelden.

Een van onze kinderen zag vlak na de geboorte nogal geel. We hoorden dat zijn bilirubine-gehalte te hoog was. Hij moest zelfs even een tijdje in het ziekenhuis onder een speciale lamp liggen. Ik had nog nooit van bilirubine gehoord, maar vanaf dat moment was het een term die ik te pas en te onpas hoorde als er over pasgeborenen werd gepraat. (Dit gold in die tijd voor mij als jonge vader ook voor termen als bekkeninstabiliteit, striae en spruw).

Mijn dochter kwam op een bepaald moment thuis met Uggs die ze net had gekocht. Ik wist niet van het bestaan van dergelijke schoeisel af. “Ach pap”, zei ze, “die zijn al heel lang in de mode.” Het was mij nooit opgevallen, maar de weken daarna zag ik allemaal jonge meiden met Uggs lopen.

Toen Geert Wilders 10 jaar geleden in de Tweede Kamer het dragen van hoofddoekjes ter discussie stelde en de term ‘kopvoddentaks’ introduceerde, was ik de weken daarna ongewild alert op studentes met een hoofddoek op mijn hogeschool. Ze waren me al die jaren daarvoor niet specifiek opgevallen, maar sinds dat politieke debat trokken zij toch onwillekeurig mijn aandacht. Ik vond dat vervelend, maar het was alsof iemand had geroepen dat ik niet aan een roze olifant mocht denken.

Mijn zoon besloot een paar jaar geleden op Bali te gaan wonen (ik schreef daar eerder enkele blogs over). Sinds hij daar woont heeft mijn brein een soort radar ontwikkeld voor alle berichten over Bali die ik in de media of in verhalen van anderen tegenkom. Ik pik al het nieuws over Bali er direct uit, terwijl ik tot vier jaar geleden totaal geen aandacht voor dat eiland had. Dit Lada-effect strekt zich overigens ook uit tot onze familie- en vriendenkring, want ik krijg de afgelopen jaren uit mijn omgeving regelmatig berichten in de trant van: heb je al gehoord dat er op Bali ….. .

In de tuin van onze nieuwe woning staat een prachtige struik waarvan ik de naam niet wist. Een goede vriendin vertelde me dat het een hibiscus is. Vanaf dat moment zie ik overal hibiscussen staan. Als ik langs tuinen loop let ik er speciaal op en kan ik ze zonder enige moeite herkennen, terwijl ze me daarvoor nooit waren opgevallen.

Ik dacht aanvankelijk dat het Lada-effect minder zou worden bij het ouder worden, omdat ik dan meer levenservaring zou hebben. De praktijk wijst anders uit. Ik blijf vatbaar voor Lada-effecten. Ik ben er zelfs extra attent op: ‘alweer een Lada-effect’. Een soort verdubbeld bewustzijn; het valt me op dat het me opvalt. Je zou dat zelfs een Lada-Lada-effect kunnen noemen.

Ik denk dat ik hier nooit meer vanaf kom. Dat is geen ramp. Het is alleen jammer dat je tegenwoordig haast geen Lada’s meer ziet rijden. Want als ik andere mensen over dit soort ervaringen vertel krijg ik steeds vaker de vraag: wat is een Lada?

Communiceren over communicatie

Hoe knoop je met eerstejaars studenten het gesprek over Communicatie aan? Over vak, visie en onderwijs.

 

Binnenkort beginnen overal in het land weer vele kersverse studenten aan hun opleiding HBO Communicatie. Ook op mijn hogeschool. Dat is altijd weer een bijzonder moment. Nieuwe gezichten, nieuwe ontmoetingen, nieuwe gesprekken. Vol dromen en verwachtingen stappen deze nieuwelingen ons gebouw binnen, maar ook met de nodige vragen en onzekerheden. De ervaring leert dat veel van deze studenten moeilijk kunnen verwoorden waarom ze voor de opleiding Communicatie hebben gekozen en wat je er precies mee kunt worden. Ondanks alle voorlichtingsdagen, video’s en informatieboekjes is het communicatie-vak voor de beginneling kennelijk nog moeilijk te vatten. Dat zal voor studenten die naar de Pabo gaan of verpleegkunde studeren heel anders zijn.

 

 

 

 

Het is ook niet vreemd, want de beroepspraktijk is volop in beweging en je komt er de meest uiteenlopende functies en rollen tegen. Van webdesigner tot brandmanager en van lobbyist tot social media specialist. Als je de deskundigen binnen het beroepenveld raadpleegt om grip op het vak te krijgen, merk je dat zij er heel verschillende visies en opvattingen op nahouden. In de ruim 30 jaar dat ik voor de klas sta is er één constante factor: de permanente discussie onder professionals over de waarde en de essentie van het communicatievak. Vaak hebben die discussies een ondertoon van zich miskend of onbegrepen voelen: “Wat is ons bestaansrecht?”, “Waar zijn wij van?”, “Wat is onze bijdrage?”. Om vervolgens met pakkende termen en aanduidingen (dat kun je wel aan communicatiemensen overlaten) stelling te nemen: “communicatie is een vak apart”, “communicatie is Factor C”, “communicatie gaat over beeldvorming (je imago is je beste amigo)”, “goede communicatie is disruptief”, “de kern van communicatie is storytelling”, “bij communicatie gaat het draait om purpose”, “het fundament van communicatie is reputatie”, etc. Daarbij heb ik door de jaren heen allerlei tegengestelde opvattingen voorbij zien komen: er moeten schotten tussen werkterreinen (bijv. extern-intern; concerncommunicatie-marketingcommunicatie) worden aangebracht of juist worden weggehaald; communicatie moet in het hart van het beleid terecht komen of zich er juist uit terugtrekken[1]; communicatie moet strak gepland en accountable zijn of juist agile en flexibel; communicatie heeft eigenlijk geen bestaansrecht meer of communicatie moet minder bescheiden zijn en meer aan zijn eigen PR werken[2].

Dit alles laat zien dat men het binnen het vakgebied zelf moeilijk eens kan worden over wat de kern van communicatie is. Als de profs zoveel verschillende geluiden laten horen, is het niet eenvoudig om binnen het onderwijs het aanstormende talent enige richting en houvast te bieden.

 

Bovenop dit alles is er de enorme ontwikkeling die de digitalisering met zich mee heeft gebracht. Nieuwe media hebben het medialandschap de afgelopen tien jaar op z’n kop gezet. Jongeren lezen geen kranten meer en kijken nauwelijks nog televisie. Ouderwets zenden kan niet meer. Iedereen is permanent online en druk in de weer met apps, posts en games. Bloggers en influencers zetten op veel terreinen de toon. Het wordt steeds moeilijker om te onderscheiden wat waar en niet waar is.  Autoriteiten en instituties worden ter discussie gesteld. Kortom, we zitten middenin een enorme storm. Alles wat vast was, lijkt vloeibaar te zijn geworden.[3]

Daar sta je dan als goedbedoelende docent met 30 frisse, verwachtingsvolle gezichten voor je neus. Het heeft geen zin om de eerste weken te beginnen met alle discussies over het vak en de bijbehorende termen als purpose, accountability of reputatie. Dat gaat deze studenten ver boven hun pet. Wij proberen, zeker aan het begin van jaar 1, vooral aan te sluiten bij hun eigen belevingswereld: hun gebruik van media en hun ervaringen met communicatie. Wie zit er (nog) op Facebook, en waarom? Wie is er naar welk festival geweest en welke sponsors heb je daar gezien? De website van welke organisatie vind je klantvriendelijk? Wat is je favoriete merk, en waarom? Wie is er zelf actief met het posten van teksten en beelden? Dergelijke verkennende vragen leiden vaak tot boeiende antwoorden die het gesprek over communicatie op gang brengen. Daarna vragen we de studenten om trefwoorden op te schrijven die typerend zijn voor communicatie. Die trefwoorden koppelen we dan aan begrippen die uit de vakliteratuur afkomstig zijn.

Op grond van deze ervaringen hebben Paula Zweekhorst en ik drie jaar geleden een boek samengesteld dat Kiezen voor Communicatie heet. Speciaal geschreven voor startende studenten en/of beginnende professionals. Het boek is opgebouwd aan de hand van een aantal kernbegrippen die elke communicatiestudent of -professional tegen zal komen, ongeacht zijn niveau, functie of werkterrein. Generieke begrippen, dus. Wij hebben de volgende begrippen benoemd: organisatie, publieksgroepen, content, connect, context, aanpak en visie. Inmiddels is het boek aan een nieuwe druk toe. We hebben de inhoud geactualiseerd en op basis van reacties van gebruikers de titel aangepast. Het heet nu Kernbegrippen van professionele communicatie.[4] De uitgever heeft het boek ook in een nieuw jasje gestoken. De zeven kernbegrippen hebben we gehandhaafd. Maar we hebben in tegenstelling tot de eerste druk dit keer bij het begrip Visie ook onze eigen visie op communicatie geformuleerd. We vonden dat dat moest. Juist omdat er vanuit het veld zoveel uiteenlopende geluiden te horen zijn. We wilden niet een in beton gegoten statement schrijven, maar in begrijpelijke taal aangeven wat wij de essentie van communicatie vinden. Het is bedoeld als uitnodiging om er verder over na te denken en over door te praten. Dat gaan we zeker ook in de klas doen.

Voor mij geldt dat het communicatie-onderwijs zo boeiend blijft omdat het vak volop meebeweegt met allerlei maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Iedere generatie studenten draagt de kenmerken van die ontwikkelingen met zich mee. De studenten van nu zijn in veel opzichten echt anders dan hun voorgangers van 10 of 20 jaar geleden. Je kunt als communicatie-docent daarom niet indutten of op de automatische piloot vliegen. Je moet alert zijn en bijblijven. En met elke nieuwe generatie in gesprek gaan. Dat maakt het communicatie-onderwijs ieder jaar weer spannend, maar vooral heel interessant en leuk.

 

 

De visie-tekst staat in beknopte vorm hieronder. Reacties zijn van harte welkom. Via LinkedIn of via peter.tlam@inholland.nl

Mensen kunnen niet goed zonder elkaar. Ze hebben anderen nodig en dat kan niet zonder communicatie. Door communicatie worden we eigenlijk pas mens. Communicatie betekent letterlijk: gemeenschappelijk maken. We kunnen ook zeggen: samen delen. Dat maakt communicatie tot een interactief verschijnsel, gericht op begrips- en relatievorming. Er is sprake van minstens twee partijen die samen iets (proberen te) delen. In je eentje valt er immers weinig te delen; dat kan alleen als er anderen zijn. Iedereen probeert zich op een bepaalde manier tot andere mensen te verhouden en een beetje zicht en grip op de wereld te krijgen. Door het onderling uiten en betekenis geven aan signalen kun je je plaats bepalen, overleggen, verschijnselen duiden en begrijpen, gevoelens tonen, afspraken maken.

Communiceren is geen exclusief menselijke competentie. Ook dieren kunnen signalen uiten en ontvangen. Dit gebeurt doorgaans op basis van instinct en overlevingsdrang, maar sommige dieren kunnen zo (door mensen) getraind worden dat ze leren geconditioneerd te communiceren. Denk aan een hond die op commando kan blaffen, een papegaai die roept dat het ‘lekker weer’ is of een mensaap die via allerlei gebaren met zijn verzorgers kan ‘praten’. Toch blijven dit beperkte vormen van communicatie.

Het zijn de mensen die communiceren op een ‘hoger niveau’ hebben gebracht. Zij hebben met hun verstandelijke vermogens allerlei talen (beeldtaal, muziek, gesproken en geschreven woord, gebaren, programmeertaal, braille, emoji’s) en kanalen/instrumenten/ontmoetingsvormen (drukwerk, vergaderingen, radio, events, televisie, social media) ontwikkeld om op de meest uiteenlopende manieren met elkaar te kunnen communiceren. Zo beschikken mensen over een enorm arsenaal aan mogelijkheden om met elkaar in contact te komen en te communiceren. En dat doen ze dan ook de hele dag, bewust en onbewust, bedoeld en onbedoeld, al dan niet effectief, bij elkaar aan tafel of via de computer, in kleine kring of met miljoenen tegelijk, in jip-en-janneketaal of aan de hand van abstracte formules.

Communicatieprofessionals zijn de deskundigen bij uitstek die weten welke vormen van interactie in bepaalde situaties het meest geschikt zijn. Ze brengen mensen bij elkaar, kunnen ordening aanbrengen in het enorme informatieaanbod, kunnen anderen adviseren en kunnen ook zelf vormen van interactie ontwerpen.

Dat is de kern van professionele communicatie: het helpen realiseren van betekenisvolle ontmoetingen, direct en gemedieerd, gericht op begrips- en relatievorming. Maar communicatie blijft mensenwerk, je kunt het niet zomaar inzetten en naar je hand zetten. Er zijn anderen bij betrokken en die bepalen zelf wat ze ermee doen.

[1] https://www.overheidincontact.nl/communicatiecollega-trek-je-terug-uit-het-hart-van-beleid/

[2] https://www.adformatie.nl/pr/het-communicatievak-moet-hard-aan-zijn-pr-gaan-werken

[3] Zie o.a. het boek Liquid Times van Zygmunt Bauman (2007).

[4] https://www.kernbegrippenvanprofessionelecommunicatie.nl/

Van A naar Z

 

Van A naar Z

Van 020 naar 030

Van veen naar zand

Van rij naar vrij

 

Deze zomer staat geheel in het teken van onze verhuizing. Eind 2018 hebben we een huis gevonden dat alle kenmerken heeft waarvan we al jaren dromen: jaren ’30, vrijstaand, sfeervol, ruime tuin, centraal gelegen en niet ‘in the middle of nowhere’. Dat huis bleek in Zeist te staan. Op steenworp afstand van het huis waar ik tussen mijn 16e en 18e jaar heb gewoond. Puur toeval. Ik moet er op weg naar school honderden keren langs zijn gefietst zonder me te realiseren dat ik er ruim veertig jaar later zou gaan wonen. Heel bijzonder dat een leven dit soort wendingen kan nemen. Jeugdsentiment is echter niet de reden dat ik naar deze plek terugkeer. Het huis had ook in Amersfoort of Driebergen kunnen staan.

Ik heb gemerkt dat Zeist niet bij iedereen duidelijke associaties oproept. Vooral jongere mensen hebben geen idee waar Zeist ligt (“dat klinkt als verweggistan”) en hoeveel mensen daar wonen (“zal wel een klein gat zijn”). Ze zijn verbaasd als ik hen vertel dat Zeist heel centraal ligt en dat er ruim 60.000 mensen wonen.  Andere mensen kennen Zeist van de KNVB en roepen daar het daar mooi en groen is. Dat is allemaal waar. Ik denk dat ik dit blog nog wel eens ga gebruiken om wat aan Zeist-promotie te doen.

Op ons oude adres in Amstelveen hebben we de afgelopen maanden alles wat we daar gedurende 33 jaar hebben binnengesleept uitgezocht, gesorteerd, ingepakt dan wel afgevoerd. De afgelopen week hebben we afscheid genoten van onze buren en van de winkeliers op het pleintje waar we al zoveel jaren onze boodschappen doen. Met enige weemoed, maar zonder te twijfelen over onze overstap naar Zeist.

Op ons nieuwe adres is een aannemer aan de slag die fraai werk levert maar ook gaandeweg op onvoorziene zaken stuit die extra aandacht en tijd vergen. Wij helpen af een toe een amateuristisch handje mee. Daarnaast hebben we het nodige te regelen met de notaris, de bank, de energieleverancier, de verzekeraar, de internetprovider, de verhuizer en de vloerenlegger.

 

De afgelopen tijd is het duidelijk geworden dat de verbouwing uit gaat lopen. De verhuizing vanuit Amstelveen was niet meer tegen te houden en ook de verhuiskaart (met de woorden die bovenaan dit blog staan) was al gedrukt en verstuurd. De verhuizer zal onze spullen enige tijd opslaan totdat alles klaar is. Wij proberen van de nood een deugd te maken door in de tussentijd  ons te vermaken in een vakantiehuisje in Wijk bij Duurstede. Een schilderachtig, rustig stadje. Vlakbij de pont over de Lek staat een gedenksteen met het bekende gedicht van Hendrik Marsman: “Denkend aan Holland zie ik brede rivieren….”.

 

Ik ken het gedicht goed. In een van mijn verhuisdozen zit een fraaie, ingelijste rijmprent van dit gedicht. De prent was van mijn vader die hem in de oorlog van een illegale drukker heeft gekregen. Hij krijgt een ereplaatsje in ons nieuwe huis. Heel passend want Marsman is geboren en getogen in Zeist.

 

De rijmprent blijft nog even met vele andere dozen in de opslag. We zijn onderweg van A naar Z, maar zitten voorlopig in W.

WP, weg of mee?

 

 

Als je gaat verhuizen sta je voor de keuze of je al je bezittingen mee wil nemen naar de nieuwe woning, of dat dit nu juist het moment is om van bepaalde zaken afscheid te nemen. Wij hebben besloten om onze aanstaande verhuizing aan te grijpen om een grote opruimactie te houden. We gaan voor het eerst in 33 jaar verhuizen en dan is het de hoogste tijd om afstand te doen van oud kinderspeelgoed, roestig tuingereedschap, overtollige ovenschalen en gedateerde prullaria. Niet dat we nooit eerder hebben opgeruimd, maar over het algemeen hebben we de afgelopen decennia meer naar binnen gesleept dan naar buiten gewerkt. Daarom zijn we al weken bezig om alles nog een keer door onze handen te laten gaan en te kiezen: ‘mee’ of ‘weg’. Dat is op zich een nuttig ritueel waarbij weemoed, plezier en verbazing elkaar afwisselen. Van bepaalde spullen weet je niet eens meer dat je ze nog had. Dat levert soms een dierbare herontdekking op, maar meestal vraag je je af waarom je dat in hemelsnaam al die tijd hebt bewaard.  Andere zaken zijn leuk om nog eens te bekijken, maar niet om mee te nemen naar het nieuwe huis. Ook zijn er spullen die destijds handig en bruikbaar waren (videobanden, diaprojector, schrijfmachine, handmixer) maar die nu door de moderne technologie volkomen achterhaald zijn. Geen wonder dat we tegenwoordig regelmatig naar de kringloopwinkel en het afvalstation gaan, of advertenties plaatsen op Marktplaats.

Er zijn natuurlijk ook twijfelgevallen. Zo worstel ik momenteel het meest met de 20-delige Winkler Prins encyclopedie. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er al jarenlang geen blik in heb geworpen en dat de 20 rode banden bovenin de boekenkast op mijn studeerkamer alleen maar stof staan te vangen. Maar het imposante geheel vertegenwoordigt iets wat mij na aan het hart ligt. Ik ben namelijk zo lang als ik me kan herinneren verslingerd aan naslagwerken, woordenboeken, atlassen, jaarboeken en dus ook aan encyclopedieën.

Standbeeld van Denis Diderot in Langres. Hij geldt als de initiatiefnemer van de 18e eeuwse ‘Encyclopédie’, een door meerdere auteurs samengestelde reeks boeken waarin men probeerde alle destijds beschikbare kennis van wetenschappen en kunsten vast te leggen. (eigen foto)

 

In de 6e klas van de lagere school (voor de jongere lezers: dat is groep 8 van de basisschool) mocht ik van de meester iets voor mezelf doen als ik klaar was met een opdracht. Ik liep dan altijd naar een grote kast aan de zijkant van het lokaal waarin een encyclopedie stond. Ik pakte er willekeurig een band uit en begon lekker te grasduinen: bladeren, plaatjes kijken, teksten lezen. Daar kon ik eindeloos mee doorgaan. Mijn oudere broer kreeg in die tijd voor zijn verjaardag een 12-delige kinderencyclopedie waaraan ik meer plezier beleefde dan hijzelf. Die interesse is nooit overgegaan.

 

 

Toen ik rond mijn 20e jaar (eind jaren ’70) voor het eerst bij de ouders van mijn toenmalige vriendin (nu vrouw) over de vloer kwam viel mij meteen op dat zij een Winkler Prins in de kast hadden staan. Mijn schoonvader vertelde dat er op een dag een colporteur aan de deur was geweest die hem had weten te overtuigen dat een encyclopedie in geen gezin mocht ontbreken. Zeker niet als er schoolgaande kinderen waren. Mijn schoonvader wilde zich niet laten kennen en zette zijn handtekening op een formulier dat hem op gezette tijden een nieuw deel beloofde waarvoor hij in termijnen zou gaan betalen. Uiteindelijk kostte deze ‘alomvattende kennisverzameling’ hem enkele duizenden guldens en bleek het een investering waarvan nauwelijks gebruik werd gemaakt. Totdat de toekomstige schoonzoon zijn intrede deed. Net als destijds op school pakte ik met regelmaat een WP-deel uit de kast van mijn schoonouders om met plezier in rond te neuzen. Vanaf die tijd hoopte ik dat die encyclopedie ooit nog eens in mijn bezit zou komen.

Dertien jaar geleden was het moment daar. Mijn schoonmoeder overleed in 2006 en iedereen in de familie gunde mij de encyclopedie. Ik ontruimde een plank in mijn boekenkast en installeerde daar trots mijn trofee. Maar het bleek een Pyrrhus-overwinning. In de tussenliggende jaren had de digitale revolutie zich voltrokken. Computer en internet bleken beter en sneller in staat om mij allerhande informatie te bieden. Ik had in de jaren ’90 voor een paar tientjes een encyclopedie op CD-rom aangeschaft die ook geluiden en bewegende beelden bevatte. Daar kon de oude, papieren kennis-reus niet tegenop. Het resultaat van dit alles is dat ik in de afgelopen dertien jaar hooguit een enkele keer in de Winkler Prins heb gekeken.

Dus, wat moet ik nu? Omdat mijn hoofd ‘weg’ zegt en mijn hart ‘mee’, zoek ik naar een uitweg. Zomaar weggooien vind ik zonde. Zou ik iemand anders er een plezier mee kunnen doen? Ik ben nu al een tijdje aan het leuren, maar ik heb nog steeds niemand weten te strikken. Ik ben kennelijk niet geschikt als colporteur. Ik heb twee basisscholen benaderd, maar daar werd ik aangekeken alsof ik uit het stenen tijdperk kwam. Op Marktplaats aanbieden heeft geen zin als ik kijk naar de grote aantallen encyclopedieën die daar tegen bodemprijzen worden aangeboden. Ook de kringloopwinkel heeft geen interesse.  De uitbater vertelde me vriendelijk dat hij al drie encyclopedieën heeft staan die hij aan de straatstenen niet kwijt raakt. ‘Wat raad je me dan aan?’, vroeg ik hem bijna wanhopig. ‘Gewoon naar het afvalstation brengen en in de oud papier container kieperen’, was zijn kordate antwoord. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen, maar meenemen naar mijn nieuwe huis heeft ook geen zin.

Ik ga over vijf weken verhuizen. De tijd dringt en de vertwijfeling groeit. De encyclopedie heeft helaas geen lemma dat me helpt met mijn dilemma. Ik hoop stiekem dat een van de lezers van dit blog mij verder kan helpen. Ik doe mijn encyclopedie met liefde in de aanbieding. Gratis af te halen. Desgewenst kom ik hem persoonlijk afleveren. Met twee supplementen en de tweedelige Winkler Prins voor de Vrouw erbij!

Sleutels

Vorige week kregen we de sleutels van ons nieuwe huis. Een uur voordat we officieel gingen tekenen bij de notaris vond de zogenaamde inspectie plaats. Samen met de makelaar en de eigenaren liepen we door het huis dat nog heel even van hen was. We hadden het huis al een paar keer gezien, maar nog nooit in compleet lege staat. Alle ruimtes leken groter.

Onbewust waren we toch een beetje bang geweest dat zo’n kaal huis ons zou tegenvallen, maar de rondgang maakte ons alleen maar enthousiaster. De eigenaren legden ons uitvoerig de bijzonderheden van het huis uit. Waar het lichtknopje in de kelder zat, hoe de oven werkte, dat de schuurdeur wat klemde, hoe het water afgesloten kon worden, etc. Een bijzonder ritueel waarmee zij met enige moeite hun vertrouwde, dierbare huis loslieten. Ze hadden hier ruim 11 jaar met veel plezier gewoond. Hun kinderen waren hier geboren. Nu was het tijd voor een nieuw huis met meer leef- en werkruimte. Als laatste onderdeel van de inspectie kregen we uitleg over de sleutels. Deze zaten keurig gesorteerd in een mooi blauw doosje.

Een half uur later zaten we met elkaar bij de notaris. Daar werd de akte doorgenomen en door alle aanwezigen getekend. De koop was nu formeel rond en de overdracht bezegeld. We kregen het blauwe doosje met de sleutels overhandigd. Het enige tastbare bewijs dat het huis nu van ons was. De rest was alleen maar papierwerk en daar krijg je geen deuren mee open.

Binnen een uur waren huidige eigenaren vorige eigenaren geworden, en wij nieuwe eigenaren. Gewapend met de blauwe sleuteldoos gingen we opnieuw naar het huis. Voor het eerst maakten we zelf de voordeur open. Blij maar ook wat onwennig liepen we nog een keer uitgebreid het hele huis door. Het was nu ons huis, maar zo voelde het nog niet echt. De sleutels pasten in ieder geval allemaal.

Over ruim twee maanden zal er nog een keer een inspectie zijn. Maar dan van het huis waar wij de afgelopen 33 jaar met veel plezier hebben gewoond. Waar onze kinderen zijn geboren. Waar we heel veel hebben beleefd. Dan zullen wij op onze beurt de nieuwe eigenaren wegwijs maken. Dat zal ook voor ons even slikken worden. We zijn toe aan een nieuwe stek, maar dat betekent niet dat we makkelijk afscheid nemen van onze huidige vertrouwde omgeving. Gelukkig hebben we nog de hele zomer om aan het idee te wennen. Om het nieuwe huis ons meer eigen te maken en om het oude huis langzaam los te laten. Dat biedt ook voldoende tijd om ons oude sleutelbakje een keer grondig uit te vlooien. Wij hebben namelijk ook zo’n verzamelbakje, alleen niet zo netjes geordend.

Er zitten courante sleutels in, maar ook oude fietssleutels, sleutels van buren die al lang verhuisd zijn en de sleutel van de oude keukendeur die twintig jaar geleden is vervangen door een schuifpui. Daarnaast nog een dozijn sleutels die ik niet direct kan thuisbrengen. Het gedicht Wisselgeld van Ingmar Heytze schiet me te binnen. Het sluit mooi aan op wat wij nu beleven:

 

 Wisselgeld

Voor K. Schippers

 

Zoals in de buitenste vuilniszak

van een verse rol altijd eerst de verpakking

van die rol gaat – scheuren, uitslaan, frommelen,

 

klep dicht, klaar – zo vind je bij elke verhuizing

weer hetzelfde blik met sleutels. Je hebt geen

flauw idee of ze nog passen, op welk slot.

 

Wie weet welke deur of kast, wat voor postvak,

fiets van vroeger voorgoed vergrendeld werd.

De laatste doos is ingeladen, ieder gat gevuld,

 

vloeren en muren laten zien waar alles stond,

alleen aan jou. Jij moet verder, iets

Of iemand drijft je voort, je denkt opnieuw

 

ik wil dit niet maar blijkbaar trek je nooit

een lijn zonder eroverheen te gaan. Je pakt

het blik en loopt nog één keer alle kamers door.

 

Zo komt hier en daar een sleutel thuis waarvan

je niet meer wist wat ermee openging, maar

meer, veel meer nog hou je over, het blik

 

gaat als wisselgeld in je tas en straks weer

onder in een nieuwe kast. Ergens, denk je,

staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past.

 

 

(uit: De man die ophield te bestaan, 2015)

Verkiezingen voor het Europees Parlement: waar gaat het over?

De gemiddelde Nederlander kampt met een enorm gebrek aan feitelijke kennis over de EU. Dat is niet zo vreemd, want de EU vormt een complex geheel van instellingen met ingewikkelde spelregels. De puntentelling bij het Eurovisie Songfestival is daarmee vergeleken een ABC-tje.
Op school leren we nauwelijks hoe de EU in elkaar steekt. Ook media en politici besteden niet veel aandacht aan het geven van tekst en uitleg. Zij belichten liever gekleurde, geprofileerde standpunten. Om het de burger makkelijk te maken worden daarbij schijnbaar eenvoudige keuze-opties voorgelegd: VOOR of TEGEN, Solidair of Superstaat, Samen Sterk of Eigen Baas, Loving of Leaving. Was het maar zo eenvoudig.
Ik schrijf iedere keer dat er verkiezingen zijn een tekst over het hoe en wat van de desbetreffende verkiezing voor mijn kinderen en hun vrienden. Niet om hun stemvoorkeuren te sturen, maar om achtergrondinformatie te geven. Op basis van mijn studie Politicologie en mijn promotie-onderzoek naar de EU (over de invloed van mediaberichtgeving op de publieke opinie) meen ik daar iets meer dan gemiddeld verstand van te hebben. Ik deel dit keer graag in blog-vorm de (wat bewerkte) tekst die ik eerder aan mijn kinderen stuurde.

 

Overal staan borden met posters die me oproepen om op donderdag 23 mei te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Sommige slogans nodigen me uit om VOOR of TEGEN Europa te stemmen. Dat is vreemd. Bij de Provinciale Staten verkiezingen van twee maanden geleden werd ik ook niet uitgenodigd om VOOR of TEGEN Noord-Holland te stemmen. We kiezen namelijk geen geografische eenheden, maar volksvertegenwoordigers. Dit keer zijn dat de mensen die namens ons in het Europees parlement gaan zitten en vanuit Brussel en Straatsburg een beetje mogen meepraten en bijsturen. Zij zitten niet echt aan de knoppen. De werkelijke beslissingsmacht ligt bij de gezamenlijke politieke leiders, de ministers en de regeringsleiders van de 28 lidstaten, die samen de grote besluiten nemen. Eigenlijk kunnen we deze politici veel effectiever aanspreken en ter verantwoording roepen via de nationale parlementen dan via het Europees Parlement. En daarmee hebben we meteen een kernprobleem te pakken: hoe zit het met het democratische gehalte van de EU en wat is nu precies de verhouding tussen burgers en Brussel?

 

Vooraf

Laten we bij het begin beginnen. Als er verkiezingen zijn, sta je voor twee keuzes: ga ik stemmen en zo ja, op wie/op welke partij ga ik dan stemmen? Dat geldt ook voor de verkiezing voor het Europees Parlement (EP) op 23/26 mei a.s.[1] Voor veel mensen zijn deze twee keuzes als het om Europa gaat des te moeilijker te maken: de EU is een soort ver-van-mijn-bed-show en weinigen hebben een goed beeld van wat er in Brussel en Straatsburg (in deze laatste plaats vergadert en stemt het EP een week per maand) gebeurt. En bovendien: we kennen de kandidaat Europarlementariërs nauwelijks van naam, laat staan dat we weten wat ze in Europa willen bereiken. Niet erg aantrekkelijk en uitdagend om daarvoor naar de stembus te gaan! Uit opiniepeilingen blijkt dat vooral partijen met een uitgesproken EU-profiel (sterk ’voor’ of ‘tegen’) het goed doen bij de respondenten. Dus in die zin zijn de slogans die op de posters staan goed te begrijpen.

 

Getallen en stemmen

In het Europese Parlement (EP) is plaats voor 26 Nederlandse leden op een totaal van 751.[2] Deze getallen laten zien dat de Nederlandse inbreng in het EP beperkt is. Het betekent ook dat alleen de grotere Nederlandse  partijen kans maken op meer dan 1 zetel. Ter vergelijking: in de Tweede Kamer zitten 150 volksvertegenwoordigers, dus in Den Haag is de kans dat ook kleine partijen een plekje krijgen veel groter.

Om toch invloed uit te kunnen oefenen zitten de Nederlandse Europarlementariërs in politieke groepen of fracties. Zo maken de PvdA-ers deel uit van de PES (sociaal-democraten) en de CDA-ers van de Europese Volkspartij (christen-democraten en conservatieven). Daarnaast is er ook nog een groene fractie, een liberale, een rechts-nationalistische, etc. Deze ordening brengt op zich al bijzondere combinaties met zich mee. Zo zitten de CDA-ers samen met de Italiaanse opvolgers van Berlusconi in één groep, hokken D66 en de VVD in dezelfde liberale fractie en opereert de SP in een groep waarin ook communisten zijn vertegenwoordigd. Het is interessant om te gaan volgen in welke politieke groep de Europarlementariërs van Forum voor Democratie willen gaan zitten. Deze nieuwe partij heeft nog geen vaste plek. Uit onderzoek (www.votewatch.eu) blijkt dat Europarlementariërs tijdens stemmingen vooral de fractie-lijn volgen. Nederlandse EP-leden vormen dus niet een gezamenlijk Nederlands blok, maar stemmen in het EP verdeeld, net als in Den Haag: ze volgen hun  politieke kleur.

 

Verkiezingen leiden niet to een nieuw bestuur

Een groot verschil tussen deze verkiezingen en die voor bijvoorbeeld de gemeenteraad, de provincie of de Tweede Kamer is dat in het geval van EU de verkiezing niet leidt tot een daaruit volgende samenstelling van een nieuw bestuur. Bij Nederlandse verkiezingen, op elk niveau, kiezen we vertegenwoordigers die op lijsten van politieke partijen staan. Daarna gaan die partijen kijken welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen op basis waarvan een college van Burgemeester en Wethouders (gemeente), Gedeputeerde Staten (provincie) of Regering (nationaal) samengesteld kan worden. Hoe meer mensen bij Tweede Kamer verkiezingen op de VVD stemmen, des te groter de kans dat de VVD ook in de regering komt. In Europa werkt dat niet zo. De EU heeft namelijk geen regering! In die zin is het wat merkwaardig dat sommige politici toch blijven roepen dat de EU een superstaat is. De EU is geen staat, laat staan een superstaat. De EU-lidstaten zijn vaak juist heel erg verdeeld. De EU kan daarom veel moeilijker een vuist maken dan echte superstaten, zoals de VS, China of Rusland. Er zijn dus ook geen regeringspartijen of oppositie-partijen in het Europees Parlement. Hoe meer Nederlanders op 23 mei op het CDA stemmen, des te meer CDA-ers in het Europees Parlement komen en dat is weer een zetje in de rug van de Europese Volkspartij, maar daarmee houdt het op. De Europese instelling die een beetje in de buurt komt van een regering/bestuur is de Europese Commissie. Iedere lidstaat levert één commissaris die zich met één beleidsterrein bezig houdt. Voor Nederland zit Frans Timmermans in de Commissie. De keuze voor Frans Timmermans stond destijds geheel los van de uitslag van de EP-verkiezing, maar had meer te maken met het verdelen van interessante banen tussen de grote politieke partijen in Nederland (Timmermans, prominent PvdA-man, werd benoemd door Rutte II, een coalitie van VVD en PvdA). Nieuw sinds 2014 is de afspraak dat de grootste fractie binnen het EP na de verkiezingen de kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie mag voordragen. Frans Timmermans is druk bezig als om als zogenaamde Spitzen-kandidaat van de Sociaal-democraten (PES) dat voorzitterschap te veroveren. De EVP (de fractie van christen-democratische en conservatieve partijen) hebben de Duitser Manfred Weber naar voren geschoven. Maar uiteindelijk besluit niet het EP hoe de Europese Commissie wordt samengesteld. Elke EU-lidstaat wijst zelf aan wie namens dat land commissaris wordt in Brussel. Frans Timmermans is kandidaat-lid van het EP, maar dat betekent niet dat hij automatisch weer Eurocommissaris wordt. Dat bepaalt de regering Rutte.

 

Invloed en macht

Hoe groot is de invloed van het Europees Parlement? Deze vraag is niet simpel te beantwoorden. Vast staat dat het EP door de jaren heen steeds meer invloed heeft gekregen. De leden van het EP mogen over steeds meer Europese onderwerpen meepraten en meebeslissen. Die rechten zijn vastgelegd in diverse verdragen die door lidstaten van de EU zijn gesloten (zoals het Verdrag van Amsterdam). In het in 2009 opgestelde EU-Hervormingsverdrag (Lissabon) zijn deze rechten weer verder vergroot. Het EP mag over een groot aantal zaken advies uitbrengen en over steeds meer zaken ook meebeslissen. Ook die meebeslis-onderwerpen zijn vastgelegd. Globaal genomen zijn dit alle onderwerpen waarvan de lidstaten hebben bepaald dat een gezamenlijk beleid wenselijk is en de invloed van de lidstaten beperkt kan worden: milieu, markt, consumentenzaken, landbouw, voedselveiligheid, transport, etc. Meer nationaal-gevoelige zaken als belasting, onderwijs, buitenlands beleid, cultuur, politie/justitie blijven vooral buiten de invloedssfeer van het Europees Parlement. De EU gaat dus niet over onze pensioenen, zoals je de mensen van 50Plus wel eens hoort roepen. Al met al heeft het EP duidelijk minder macht dan de nationale parlementen in de lidstaten.

In tegenstelling tot de Tweede Kamer (en andere parlementen) mag het Europees Parlement niet zelf met wetsvoorstellen komen. Alle wetsvoorstellen zijn afkomstig van de Europese Commissie. Vervolgens mag het EP (afhankelijk van het onderwerp) een advies uitbrengen of een besluit nemen en uiteindelijk wordt het voorstel besproken in de Raad van Ministers die een uiteindelijk besluit neemt. Die Raad van Ministers wisselt steeds van samenstelling, afhankelijk van het onderwerp. Als het om een milieu-voorstel gaat zijn het de 28 ministers van Milieuzaken van alle lidstaten. Gaat het om transport, dan komen alle 28 ministers van Verkeer bijeen (dus per lidstaat één minister). Zo moet Cora van Nieuwenhuizen, de Nederlandse minister van Infrastructuur, een paar keer per jaar met haar Europese collega’s stemmen over Europese verkeersvoorstellen. Over die voorstellen heeft dus het Europees Parlement mee mogen praten en meedenken. Maar natuurlijk kan ook de Tweede Kamer Cora van Nieuwenhuizen nog eens flink aan de tand voelen over wat zij allemaal bekokstooft met haar collega’s in Brussel. De praktijk laat zien dat leden van de Tweede Kamer die kans vaak laten lopen, of pas wakker worden, als de handtekeningen in Brussel zijn gezet. En dat terwijl het Verdrag van Lissabon voorziet in een gele kaart procedure. Als nationale parlementen vinden dat Europese voorstellen beter op nationaal niveau opgepakt en ingevuld kunnen worden kunnen zij de Europese Commissie een halt toeroepen.[3]

Dan is er tenslotte nog nog een speciale club die behoorlijk wat invloed heeft in de EU: dat is de vergadering van regeringsleiders en staatshoofden (de Europese Raad). Enkele keren per jaar komen Rutte, Macron, Merkel en alle andere politieke leiders van de lidstaten bijeen om over grote zaken te spreken: hoe gaan we de klimaatproblematiek te lijf, hoe staan we tegenover de Brexit, hoe gaan we om met de migratiestromen, etc. Tijdens dergelijke Top-bijeenkomsten worden vaak vergaande besluiten genomen. Het Europees Parlement heeft daar geen greep op. Dat gebeurt gewoon naast de standaard-procedures van Brussel en Straatsburg. Ook op dit punt heeft de Tweede Kamer eigenlijk meer invloed, omdat Rutte wel in Den Haag ter verantwoording geroepen kan worden, maar niet in Brussel of Straatsburg.

 

Waar gaan de verkiezingen van 23 mei over?

Strikt genomen (en zuinig gezegd) gaat het bij de EP-verkiezingen dus om de verdeling van 26 Nederlandse zetels waardoor het Europese Parlement een tikje socialer, christelijker, liberaler of rechts-nationaal kan worden. Daardoor worden de wetsvoorstellen van de nieuwe Europese Commissie met een iets meer sociale, christelijke, liberale of rechts-nationale blik bekeken en beoordeeld. Dat is dus niet heel wereldschokkend, maar aan de andere kant kun je zeggen dat het goed is dat de EU ook in toenemende mate door een democratisch orgaan als het EP wordt gecontroleerd en ingekleurd. Anders zouden de Europese Commissie en de Raden van Ministers zonder Europese, democratische toets hun werk doen. Nergens ter wereld opereert een soortgelijk parlement dat over landsgrenzen heen bepaalde rechten en machtsmiddelen heeft.

 

In bredere zin gaat het op 23 mei om wat wij eigenlijk met de Europese Unie willen. De kiezers kunnen een signaal afgeven over hoe zij de EU het liefst ingericht willen zien. Er bestaan daarbij grofweg drie opties:

Visie één: de EU is hard nodig om gezamenlijk internationale problemen aan te pakken. Milieu, de opkomst van China, de politiek van Poetin, migratie, energie: het vinden van juiste antwoorden daarop werkt alleen als lidstaten goed samenwerken en een deel van hun speelruimte opgeven aan de EU en daarmee ook het EP meer bevoegdheden geven. Kortom: intensieve samenwerking op een groot aantal terreinen.

De tweede visie is: de EU is in de kern een goed idee, maar het geheel moet niet verder groeien. Het moet beter, maar niet meer. Niet nog meer landen erbij en niet nog meer beleidsterreinen.

Visie drie: we moeten net als de Britten de EU verlaten. De EU is een te machtig, te bureaucratisch systeem; de lidstaten hebben te veel van hun soevereiniteit verloren en moeten weer baas in eigen huis worden.

Wat mij betreft gaat het Europese project niet om de vraag of begrotingstekorten een procentje meer of minder mogen bedragen. En ook niet om krappere of royalere visquota. Zelfs het berekenen van eventuele kosten van de euro of baten van Europese samenwerking gaan voorbij aan de essentie. Het wezen van Europese samenwerking is de vraag hoe Europese staten en burgers zich tot elkaar willen verhouden. Die vraag is niet met Ja of Nee te beantwoorden. Als we die vraag ontleden, komen we op drie sub-vragen uit:

–          Met wie willen we samenwerken (kwantitatief)

–          Op welke terreinen willen we samenwerken (kwalitatief)

–          Tot op welke hoogte willen we samenwerken (institutioneel)

Waar de EU zich bewijst en waar de EU relevant is, kan het een stapje steviger of verder. Waar de EU zich niet bewijst of geen toegevoegde waarde heeft, moet Europese samenwerking worden heroverwogen of teruggedraaid. Politieke partijen zouden zich vooral daarover moeten uitspreken. Daarbij moeten ze de feiten laten spreken en de stereotypen en de zwart-wit schema’s achter zich laten. We zijn ons in Nederland gaan realiseren dat de EU van invloed is, maar we moeten ook beseffen dat wij (als land, als provincie, als burgers) daarin een rol spelen. We zijn daar zelf bij, en we kunnen daar ook zelf (een beetje) over meepraten en meebeslissen. Op 23 mei, maar ook als er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn, of zelfs voor de Provinciale Staten.

 

Meer weten?

 

Ik kan iedereen die feitelijke informatie over de EU zoekt deze website aanbevelen:

www.europa-nu.nl

 

Verder heb ik vijf jaar geleden (in de aanloop naar de EP-verkiezingen van 2014) een aantal beschouwende blogs over de EU geschreven. Voor de liefhebber:

 

Kiezen voor Europa (serie): Introductie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=246
Kiezen voor Europa (serie): Proloog http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=248
Kiezen voor Europa (serie): Geografie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=293
Kiezen voor Europa (serie): Geschiedenis http://phaests.nl/phaestus.nl/?p=308
Kiezen voor Europa (serie): Economie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=319
Kiezen voor Europa (serie): Cultuur http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326
Kiezen voor Europa (serie): Politiek http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=332
Kiezen voor Europa (serie): Epiloog http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=337

 

[1] Opmerkelijk genoeg gaan niet alle inwoners van de 28 EU-lidstaten op dezelfde dag naar de stembus. Nederlanders stemmen op donderdag, terwijl in andere landen dat soms op vrijdag of op zaterdag of zondag gebeurt. Dus pas op zondag 26 mei krijgen we het totaalbeeld voor de hele EU.

[2] Ook opmerkelijk: in Groot-Brittannië is de regering van Theresia May er niet in geslaagd de Brexit binnen het vastgestelde tijdpad (en voor de EP-verkiezingen) te realiseren. De Britten doen dus ook mee aan de verkiezingen voor het EP, terwijl de kans bestaat dat ze over een paar maanden uit de EU treden. Als dat gebeurt vertrekken alle Britse leden uit het Europees Parlement en krijgen alle overige lidstaten en dus ook Nederland er een paar zetels bij.

[3] Hangt samen met het zgn. subsidiariteitsbeginsel.

Communiceren luistert nauw

Deze tekst heb ik geschreven op uitnodiging van Nederland Luistert.

 

Samen met een collega begeleid ik een afstudeerkring waarin acht tot tien studenten (HBO-communicatie) om de twee weken de voortgang van hun afstudeerwerk bespreken. Het voordeel van deze bijeenkomsten is dat we op vaste tijden bij elkaar komen om vragen en zorgen, successen en frustraties met elkaar te delen. De afstudeerfase is een lang, individueel traject, maar dankzij de kring hebben alle studenten toch een gemeenschappelijke thuisbasis.

Een van de deelnemers is Suzy. Zij doet onderzoek naar uitkeringsgerechtigden in een middelgrote gemeente. De gemeente stuurt deze mensen elke maand een flyer met informatie en tips. De gemeente het idee heeft dat deze flyers slecht gelezen worden. Uitkeringsgerechtigden blijken vaak niet goed op de hoogte van allerlei regelingen en activiteiten, terwijl hierover wel via de flyers met hen is gecommuniceerd. Aan Suzy de opdracht dit nader te onderzoeken en met voorstellen te komen om de communicatie te verbeteren.

Suzy is twee maanden geleden met deze opdracht begonnen. Tijdens een kringbijeenkomst vertelt ze dat ze worstelt met haar onderzoek. Ze heeft een enquête uitgezet onder haar doelgroep, maar ze heeft slechts twee ingevulde vragenlijsten retour ontvangen. Al snel komen de kringgenoten met suggesties om de respons te verhogen: door Facebook in te zetten, of door vragenlijsten uit te delen op de wekelijkse markt. Dan zegt opeens een student: “volgens mij moet je geen enquête gebruiken;  je moet met die mensen gaan praten. Zij zitten kennelijk niet te wachten op de flyers van de gemeente en klaarblijkelijk ook niet op vragenlijsten. Maar ze zullen ongetwijfeld heel wat op- en aan te merken hebben op de gemeente. Dat kom je het beste te weten door met ze aan tafel te gaan zitten”. Suzy vindt het een goed idee en zegt dat ze ermee aan de slag zal gaan.

Twee weken later vertelt Suzy tijdens de kringbijeenkomst enthousiast dat ze met meerdere uitkeringsgerechtigden heeft gesproken. Ze had in samenspraak met de gemeente bij de servicebalies op het gemeentehuis een tafel ingericht waar wachtende uitkeringsgerechtigden een kopje koffie konden komen drinken. Diverse mensen waren bij haar aangeschoven en er was niet veel nodig om hen aan het praten te krijgen. Ze vonden het fijn dat er iemand was aan wie zij hun verhaal kwijt konden. Voor Suzy gingen er werelden open. Zij had zelf eigenlijk geen goed beeld van uitkeringsgerechtigden, maar na deze gesprekken snapte ze veel beter welke verschillende zaken er bij deze mensen spelen. De belangrijkste conclusie was dat elke uitkeringsgerechtigde zijn eigen verhaal heeft, zijn eigen wensen en problemen. Mensen willen gehoord worden en ze hebben maatwerk nodig, geen uniforme flyer.

De kringgenoten luisteren geboeid naar Suzy’s ervaringen. Dan zegt een student iets opmerkelijks: “in feite is jouw onderzoek al het begin van de oplossing. Jouw enquête werkte niet, omdat dat niet bij deze mensen past. De gesprekvorm werkte wel, omdat het mensen de kans bood om hun verhaal te vertellen”.

Deze ervaring leerde mij dat wij doorgaans te strikt een grens aanbrengen tussen de onderzoeksfase en de oplossingsfase. Het bijzondere daarbij is dat we oplossingen zoeken om in de toekomst beter te communiceren met een doelgroep, maar dat we vaak de kans laten liggen om ook al te communiceren met de doelgroep in de onderzoeksfase. Ook de onderzoeksfase biedt communicatie-kansen. Ook dan passen we vormen van communicatie toe (vragenlijst, koffie-gesprek, interview). De vakliteratuur geeft aan dat in de oplossingsfase rijkere vormen van communicatie de voorkeur verdienen: interactie, authenticiteit, verbinding. Waarom passen we die rijkere vormen dan ook niet in de onderzoeksfase toe? Waarom sturen we mensen enquêtes, terwijl we ook in gesprekken kunnen luisteren naar wat ze te vertellen hebben?

Als we de waarde van communicatie ook goed weten toe te passen in de onderzoeksfase, wordt communicatie een doorlopend proces van luisteren, waarnemen en uitwisselen, in plaats van een opgeleverd product dat de output is van een non-communicatief voortraject.

Zie ook:

https://nederland-luistert.nl/portfolio-item/communiceren-luistert-nauw/

Stop de verengelsing!

 

Bij alle commotie rondom de Brexit is één aspect onderbelicht gebleven. Het is een kwestie die grote gevolgen zal hebben voor Nederland, en dan met name voor een aantal gemeenten. Het is een zaak die geregeld moet worden voordat er een definitieve Brexit-regeling tot stand komt. De kwestie heeft bovendien een bredere context: de toenemende zorg om de verengelsing van onze maatschappij. In sommige bedrijfstakken is Engels de voertaal, op social media overheerst het Engels, jongeren kunnen geen zin uitspreken zonder woorden als ‘awkward’, ‘shit’ of ‘oh my God’ en ook in het hoger onderwijs wordt het Nederlands verdrongen door het Engels. Onlangs publiceerde een grote groep hoogleraren een brief waarin leden van de Tweede Kamer worden opgeroepen de verengelsing van het hoger onderwijs terug te dringen (zie: https://www.beteronderwijsnederland.nl/nieuws/2019/03/oproep-tk-nederlands-volledig/ )

Vanwege de naderende Brexit en de toenemende verengelsing van onze samenleving wil ik het vraagstuk van Engelstalige plaatsnamen onder de aandacht brengen. In Nederland hebben meerdere gemeenten een Engelse naam. Daar moet een einde aan komen. Plaatsen als Goes en Made moeten herdoopt worden en Nederlandse namen krijgen. Dat versterkt ons nationale bewustzijn en is een goed medicijn tegen de oprukkende oikofobie.

Als de Britten niet meer met ons willen samenwerken in EU-verband, maar wel hun taal aan ons opdringen, moeten wij paal en perk stellen.

Ik heb een inventarisatie gemaakt van alle Engelstalige plaatsnamen in Nederland: Bath, Bathmen, Born, Enter, Goes, Grave, Loo, Made, Mill, Nutter en Well.

Daarnaast zijn er nog plaatsnamen die zo maar als Engelstalig opgevat zouden kunnen worden: America, Best, Erica en Monster

Laten we deze plaatsen een nieuwe, Nederlandse naam geven. Om het de regering en de betrokken gemeentebesturen makkelijk te maken heb ik al bedacht welke welluidende Nederlandse namen deze plaatsen zouden kunnen krijgen.

America > Steeds

Bath > Badplaats

Bathmen > Zwemmersdam

Best > Bovenal

Born > Geboorteplaats

Enter > Nieuwe Regel

Erica > Terpstra

Goes > Gaandekerke

Grave > Begraafplaats

Loo > Watergat

Made > Werkplaats

Mill > Malingen

Monster > Schrikke

Nutter > Kierewiet

Well > Bron

Mooie Nederlandse namen die passen bij onze nationale waarden. Namen waar we trots op mogen zijn.

Ik zal de minister van Cultuur een brief sturen met het dringende verzoek tot wijziging van deze plaatsnamen over te gaan. Ik geef haar daarbij ook ter overweging haar eigen naam te veranderen. Van Engelshoven: een ongepaste naam voor een lid van de Nederlandse regering.

 

 

 

P.S. 1: opmerkelijk duo’s bij de Engelstalige plaatsnamen:

Enter en Goes  (een variant op Remain en Leave)

Born en Grave (van de wieg tot het graf)

 

P.S. 2: ik ben het overigens inhoudelijk zeer met de oproep van Beter Onderwijs Nederland eens.

Openbare klapsigaren, luizenmoeders en fundamentalisten

 

“Zou er dan alleen openbaar onderwijs moeten bestaan? Ik neig daar steeds meer toe.”

 

Als kind van Nederlands-Hervormde ouders ging ik begin jaren ’60 naar een lagere school met een protestants-christelijke signatuur. Een school-met-de-bijbel. Katholieke kinderen (door ons aangeduid als ‘katholieke elastieken’) gingen naar RK-scholen. Niet-gelovigen gingen naar het openbaar onderwijs; wij noemden die kinderen ‘openbare klapsigaren’. We leefden in gescheiden werelden, want niet alleen de scholen, maar ook de winkels, sportclubs en maatschappelijke organisaties in het dorp van mijn jeugd kenden levensbeschouwelijke scheidslijnen. Pas toen ik ging studeren begon ik om te gaan met leeftijdsgenoten met een andere achtergrond. Die elastieken en klapsigaren bleken reuze mee te vallen.

Nu, ruim vijftig jaar later, kijk ik met de nodige verwondering op die tijd terug. Wat een verkokering, wat een hokjesgeest. Natuurlijk, binnen je eigen hokje was er saamhorigheid en herkenning, maar het was ook benauwend; alles wat anders was stuitte op onbegrip of werd ronduit verketterd. Het was toen vanzelfsprekend, maar de tijden zijn veranderd. De verzuiling lijkt voorbij. Volgens het CBS is minder dan de helft van de Nederlanders nog gelovig.[1] Maar toch hebben de meeste gemeenten nog altijd een aanbod van openbare, katholieke en protestantse scholen. Is dat nog wel van deze tijd?

Zo nu en dan laait de discussie op of we als samenleving nog wel ruimte moeten bieden aan scholen met een levensbeschouwelijke grondslag. Vaak als reactie op een specifiek incident: een streng-christelijke school die geen homo-docent wil aanstellen, een orthodox-joods school die een misbruik-affaire in de doofpot wil stoppen, een bijzondere school die bepaalde kinderen niet wil toelaten of een islamitische school die verdacht wordt van banden met fundamentalisten.

Om dergelijke uitwassen tegen te gaan zouden we simpelweg alle scholen voor confessioneel bijzonder onderwijs kunnen sluiten. Die gedachte borrelt de laatste jaren steeds vaker bij mij op, maar ik weet ook dat  je daarmee een fundamentele vaderlandse kwestie oprakelt die al twee eeuwen oud is. De 19e eeuwse schoolstrijd is in hoge mate bepalend geweest voor de vormgeving van de sociale, culturele en politieke verhoudingen in Nederland. De Franse tijd (1795-1813) had een scheiding van kerk en staat met zich meegebracht. Onderwijs werd gezien als een principieel openbare kwestie. Voor bijzonder onderwijs werd geen geld beschikbaar gesteld. In de loop van de 19e eeuw groeide het verzet tegen deze achterstelling. In protestantse en katholieke kringen werden verenigingen opgericht om naast openbaar onderwijs ook vormen van bijzonder onderwijs mogelijk te maken. Deze verenigingen groeiden geleidelijk uit tot politieke partijen die de strijd aanbonden met de liberalen en socialisten die voorstanders waren van openbaar onderwijs. Uiteindelijk werd in 1917 het bijzonder onderwijs grondwettelijk gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs en kregen bijzondere scholen evenveel overheidsfinanciering als openbare scholen. Er was hierbij echt sprake van een polder-oplossing: de confessionele partijen kregen eindelijk hun zwaar bevochten vrijheid van onderwijs en de socialistische zuil sleepte de invoering van het fel begeerde algemeen kiesrecht uit het vuur. Deze deal ging de geschiedenisboeken in als ‘de Pacificatie’.

Als je nu een verbod zou invoeren op confessioneel onderwijs grijp je in op verhoudingen die diep in de Nederlandse samenleving zijn geworteld. Daarmee vergeleken is de zwarte-pieten-kwestie slechts kinderspel.

Toch denk ik dat we het gesprek hierover niet uit de weg moeten gaan.

Hoe ver mag de vrijheid van onderwijs gaan? De besturen van die bijzondere scholen bestaan uit mensen die meestal nog wel een band hebben met de levensbeschouwelijke grondslag van de school, maar veel ouders en hun kinderen niet. Die besturen hebben de mogelijkheid om naar eigen inzicht leerlingen al dan niet toe te laten, om leerkrachten en schoolleiders met een andere achtergrond te weren, om een bepaalde levensvisie uit te dragen. Die keuzes worden vaak weloverwogen en integer gemaakt, maar ze kunnen soms ook ingaan tegen wat wij breed-maatschappelijk aanvaardbaar vinden en in enkele gevallen zelfs strijdig met de grondwet zijn. Dan blijken er eigenlijk geen wezenlijke machtsmiddelen bestaan om die besturen aan te pakken en die scholen te sluiten. Want er bestaat nu eenmaal vrijheid van onderwijs. En die vrijheid is ook vastgelegd in de grondwet. Ruim honderd jaar geleden. Dat is nu precies waarom het af en toe zo wringt.

Het staat ouders natuurlijk vrij om hun kinderen religieus op te voeden en te vormen. Maar dat is een privé kwestie. Daar heb je geen regulier onderwijs voor nodig. Buiten schooluren kunnen ouders hun kinderen meenemen naar de kerk en de zondagsschool, naar een koranschool sturen of op Joodse les doen. Zoals kinderen ook buiten schooltijd vioolles hebben of bij een club gaan voetballen. Dat zijn allemaal keuzes die ouders en hun kinderen in volle vrijheid (en voor eigen rekening) mogen maken. Onderwijs is van een andere orde. Onderwijs dient een algemeen belang. Dat vinden we met elkaar zo belangrijk dat er voor leerlingen een leerplicht bestaat en dat we het betalen uit algemene middelen.

Zou er dan alleen openbaar onderwijs moeten bestaan[2]? Ik neig daar steeds meer toe. Het is tijd om het scholen op levensbeschouwelijke grondslag af te gaan bouwen.  Een onderwijstransitie zoals we nu ook een energie-transitie hebben. Dat zal niet alle problemen oplossen. Ook aan strikt openbaar onderwijs kunnen nadelen kleven. Als openbare scholen een soort bleke, neutrale eenheidsworst-instituten worden, wordt het moeilijk om je daar als ouders en kinderen mee verbonden te voelen. En als men op die scholen angstvallig elke verwijzing naar religie of levensbeschouwing uit de weg gaat, krijg je onwezenlijke en ongemakkelijke situaties zoals die in de recente aflevering van De Luizenmoeder over het vieren van het Kerstfeest pijnlijk werden getoond. (https://www.npo3.nl/de-luizenmoeder/03-03-2019/AT_2116135 ).

Maar dat moet ons er niet van weerhouden om de weeffout die de vrijheid van onderwijs nu kent aan te gaan pakken.

Ik eindig met het slotwoord uit de scriptie van mijn vader die hij ruim vijftig jaar geleden schreef over openbaar en bijzonder onderwijs. Hij was als betrokken gelovige een warm voorstander van bijzonder onderwijs, maar zocht ook naar wegen om de kloof tussen bijzonder en openbaar onderwijs te verkleinen.

 

“De Nederlandse schoolstrijd is wel eens onze tweede tachtigjarige oorlog genoemd. Het verdrietige is echter, dat het in deze strijd niet in de eerste plaats ging om opvoedingsidealen, maar om kerkelijk-politieke belangen. De schoolstrijd werd een machtsstrijd, die onze samenleving gestempeld en vele onderlinge verhoudingen vergiftigd heeft. Goddank, er zijn tekenen, die er op wijzen dat men over en weer in de kringen van onderwijs bezig is met een diepgaande bezinning op de eigen grondslagen, en dat men in een groeiend besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid veel meer oog heeft voor wat ons verbindt, dan voor dat wat ons gescheiden houdt”.

 

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/43/meer-dan-de-helft-nederlanders-niet-religieus

[2] Ik weet dat er ook algemeen bijzonder onderwijs bestaat, niet op levensbeschouwelijke basis, maar gebaseerd op onderwijskundige-pedagogische inzichten. Denk aan montessori- en dalton scholen. Ik laat deze scholen hier buiten beschouwing.