Categoriearchief: Gepubliceerd

Waar is het lam?

 

Ik hoorde een paar maanden geleden iemand op de radio iets vertellen over een dichtbundel met een titel die klonk alsof ik werd geroepen: ‘Waar is het lam?’ “Hier ben ik!”, wilde ik antwoorden, maar praten tegen een radio heeft niet veel zin. Dankzij die aansprekende titel spitste de poëzieliefhebber in mij direct zijn oren. Het bleek om de nieuwste uitgave van Mustafa Stitou te gaan. Zijn vorige bundels heb ik met veel belangstelling en plezier gelezen, dus een paar dagen later schafte ik ook dit nieuwste werk aan.

 

De titel van de bundel verwijst naar een religieus verhaal dat zowel bij christenen, joden als moslims bekend en van grote betekenis is. Abraham (of Ibrahim) gaat op pad om zijn zoon (Izaäk, Ismaël) te offeren als teken van zijn geloof in God. De zoon ziet dat zijn vader vuur, hout en een mes heeft meegenomen, maar geen offerdier. “Waar is het lam?”, vraagt hij vervolgens. Abraham antwoordt geruststellend dat God voor een dier zal zorgen. Niet veel later bindt Abraham zijn zoon vast en pakt hij het mes. Op dat moment stuurt God een engel om hem tegen te houden. Abraham heeft laten zien dat hij zelfs zijn zoon zou willen offeren voor God. Hij heeft zijn beproeving doorstaan en mag zijn zoon losmaken. Ze vinden een ram die verstrikt zit in een struik en Abraham besluit dat beest te offeren.

 

Het is deze gebeurtenis die jaarlijks door moslims wordt gevierd tijdens het offerfeest. Ik schreef hier zeven jaar geleden al een keer een blogtekst over[1] waarin ik me afvraag waarom zo’n extreme beproeving nodig is. Toen ik als jongetje dit verhaal hoorde huiverde ik. Ik zag liever een God die het niet zo ver liet komen dat een vader met zijn zoon op stap ging terwijl hij een groot mes in zijn tas verborgen hield. Later leerde ik dat je ook anders naar dit verhaal kunt kijken. Wilde God inderdaad Abraham deze ultieme test voorleggen, of had Abraham zich dit ingebeeld? Had hij zichzelf wijsgemaakt dat hij alleen maar zijn vroomheid kon bewijzen door zijn eigen kind te slachten. Toen God zag dat Abraham dit huiveringwekkende plan daadwerkelijk wilde gaan uitvoeren stuurde hij een reddende engel om hem te stoppen. Deze interpretatie geeft aan dat je  geen extreme daden hoeft te verrichten om je geloof te tonen.

In zijn nieuwe bundel laat Mustafa Stitou zien hoe hij zich verhoudt tot geloof en ongeloof. Vrijwel alle gedichten gaan over religieuze thema’s: vasten, het besnijden van jongetjes, het dragen van een hoofddoek, bidden, offeren. Stitou beschrijft zijn ambivalente houding tegenover al deze uitingen. Ze zijn hem met de paplepel ingegoten; hij is er mee vertrouwd. Maar hij heeft er ook afstand van genomen. En daar worstelt hij mee. Hij beschrijft dat indringend in een aantal gedichten die aan zijn ouders zijn gewijd. Je voelt hoe hij van hen houdt en hen respecteert, maar ook dat er een kloof is ontstaan, omdat hij niet meer het geloof beleeft zoals zijn ouders dat doen. Het is een worsteling tussen omarming zoeken en je eigen vleugels uitslaan.

In eerdere gedichten laat Stitou al zien hoe zijn vader hem beschouwt: ‘spottend-medelijdend, zoals altijd’. Mustafa doet het in de ogen van zijn vader niet snel goed. Dat steekt. Ook in deze nieuwe bundel verwoordt hij de relatie met zijn vader pijnlijk-treffend:

Op een kleed zit hij, een bidkleed.

Je doet alsof er niets aan de hand is.

Het is bestoft, het kleed. Je klopt het

voor de voordeur uit, keert ermee

terug en hij bekijkt het aandachtig,

merkt misprijzend op dat een van

de hoeken nog bestoft is: je hebt

gefaald. Met weerzin neemt hij

het van je aan, gaat erop zitten,

mijdt nadrukkelijk de bestofte hoek.

De afkeuring zit je dwars, in de tuin

staat hij met zijn rug naar je toe,

draait zich om, ziet er plotseling

aangetast uit, de huid van zijn gezicht

mat, schilferig, lijkt te trillen

en in plaats van twee ogen heeft hij

er slechts een – een groot oog midden in zijn gezicht. Wat doe je hier,

stamel je, je kunt hier niet zijn.

Kalm kijkt hij je aan, zijn stem

kraakt: Laat me dan gaan.

 

In de relatie met zijn moeder keert de worsteling ook terug. Waar Stitou zich niet echt los kan maken van zijn misprijzende vader, hunkert hij naar de liefde zijn moeder (een fragment uit het gedicht ‘Mosque shaped alarm clock’).

Ze wordt geroepen om te bidden, trekt zich

in een hoek van de kamer stil terug. Engelen,

profeten, openbaringen, eeuwigheid – ze twijfelt niet,

je weet het zeker, getwijfeld heeft ze nooit.

 

Gebaard heeft ze je, opgevoed, een vreemde zien worden,

maar losgelaten nooit en jij haar evenmin; ongeduldig

blijf je wachten, kinderlijk, verongelijkt, haar overdeelde

aandacht wil je, overtuigd dat dood is dood.

 

Stitou denkt dat de dood het einde is, maar zijn ouders geloven in de eeuwigheid. Daarvoor brengen zij hun offers en onderhouden ze hun rituelen. Een offer is een teken van het verbond met God, met Allah. Als je geen offers brengt, geen rituelen uitvoert, dan breek je dat verbond. Zonder ‘believing’ ook geen ‘belonging’. Je bent dan een verrader, een outcast. Niet alleen in de ogen van anderen. Stitou laat zien dat hij ook zelf soms het gevoel heeft dat hij tekortschiet.

De leerlingen willen weten of je een moslim bent.

Nu antwoord je niet meteen. Je aarzelt. Waarom?

Waarom bevind je je ineens voor een tribunaal?

Een stuk of wat veertienjarige vmbo-scholieren

op een zwarte school, zoals dat heet – maar ineens

een rechtbank. Jouw gevoel dan hè. Ze willen weten

of je ze verraden hebt. Ze willen weten

of je je ouders verraden hebt. Ze willen weten

of je je voorouders verraden hebt. Of je jullie god

verraden hebt. Het is iets instinctiefs. Ze ruiken het.

Ze ruiken aan je dat je een verrader bent

——-

………..Maar je bent het zelf, het is je geweten

dat tot je spreekt. Je hebt de schuld het masker opgezet

van klas 2C zodat je niet in de spiegel hoeft te kijken.

 

Stitou’s gedichten gaan niet alleen over offers, verbond en verraad, maar ook over goden, beelden en relieken. Hij beschrijft hoe mensen beelden bewonderen (of juist vernielen), dieren prepareren en opzetten, relikwieën aanbidden. Goed beschouwd zijn dit  uiteenlopende symbolen van vereeuwiging, van pogingen om de dood te ontstijgen. Dood is dood, volgens Stitou, maar veel mensen hopen en geloven dat er meer is. Daarom brengen ze offers, of vereren ze beelden en koesteren ze relikwieën. Stitou roept daarbij vragen op. Wat is geloof en wat is bijgeloof? Waarom veroordelen we de rituelen van anderen, terwijl we zelf vasthouden aan onze eigen gebruiken? Waarom worden in sommige religies beelden aanbeden en zijn ze in andere juist verboden? Waarom houden we anderen een spiegel voor, maar durven we onszelf niet onder ogen te komen?

Nabij een afgelegen woestijndal

drongen we de tempel binnen, kapten

onder de geschilderde sterrenhemel

flikkerend in toortslicht

zijn armen, hakten

zijn oren af, sloegen

met houten hamer en koperen beitel

zijn neus stuk

                          zodat hij stikte

Bijgeloof noem jij het

maar je kunt zelf niet aanzien

(waar ben je bang voor?)

een afbeelding van de vriend

die jouw afgunst wekte, een foto

van de vrouw die jou

verruilde voor een ander

Ik ken Mustafa Stitou alleen via zijn gedichten. Hij is geen publiek figuur die graag de media opzoekt. Af en toe verschijnt er een interview met hem. De rode draad in zijn werk is zijn zoektocht tussen vroeger en nu, tussen hier en daar. Tussen Tétouan en Lelystad. Tussen het geloof van zijn ouders en zijn eigen seculiere opvattingen. Tussen vasthouden en loslaten. Hij is geen schreeuwer of wreker, maar een twijfelaar, een vragensteller. Een behoedzame worstelaar.

Hij is ook geen veelschrijver. Er liggen negen jaar tussen zijn vorige bundel en deze nieuwe. Dat wijst op iemand die bedachtzaam is, die wikt en weegt. “Kunst is demonteren en transformeren”, schrijft hij in zijn laatste gedicht. In het geval van Stitou gebeurt dat heel voorzichtig, stapje voor stapje. Die manier van kunst maken werkt kennelijk helend werkt voor Stitou. Dat blijkt uit het mooie, troostrijke gedicht ‘Talisman’ (met halverwege een knipoog naar Remco Campert) waarmee ik graag afsluit. Waar in het oer-verhaal van Abraham een engel de hand met het mes tegenhoudt, roept Stitou hier op om zelf je wapen neer te leggen en tot bezinning te komen.

Neem jezelf de gesel uit handen

Adem rustig de walging uit. Stap

doorheen die stolp van schaamte

en zet kalm de blik vanboven

het barse vadermasker af

 

Er is genade in het midden van het leven

blijkbaar, een grote langzame wending;

het hoeft niet vlekkeloos te zijn

om zijn werk te doen: bevestigen

dat je leeft, dat je niet alleen leeft

 

Vecht het noodwendige gevecht,

durf te vertrouwen, speel, haak aan

bij de helpende stemmen. Spreek

en stroom en vrees niet, vriend,

uit te monden in verlatenheid.

 

[1] http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=754

De termen believing en belonging heb ik ontleend aan een tekst van Grace Davie, aangehaald door Laura Michiels in een interessant artikel over het toneelstuk Heroes of the fourth Turning.

This bird has flown: ik ben van Twitter af

“The bird is freed”, zei Elon Musk toen hij Twitter had overgenomen.
“This bird has flown[1]”, was mijn eerste reactie. Ik ga van Twitter af.

Ik maakte acht jaar geleden mijn Twitter-account aan op advies van een vriendin die mijn blog-site had gebouwd. Ik wilde eigenlijk niet op Twitter, omdat ik juist verhalen wilde delen die meer dan 140 tekens lang waren. Maar ze zette me aan het denken door te zeggen: “hoe ga je straks duidelijk maken dat je een nieuwe blog hebt geschreven?” ”Via LinkedIn”, opperde ik. “Dat kan”, zei ze, “maar ik zou zeker ook Twitter erbij nemen; dan heb je meer bereik”. Zo kwam ik op Twitter terecht.

Ik heb jarenlang mijn account gebruikt om inderdaad mijn blogs onder de aandacht te brengen. En ik postte af en toe een reactie op een tweet en deelde soms een opmerkelijke ervaring of grappige inval. Maar ik was vooral een passieve Twitter gebruiker. Meer volgend dan leidend. Enkele keren per dag raadpleegde ik het platform en raakte gestaag steeds meer verslingerd aan de grote stroom nieuwsfeiten, weetjes, discussies, grappige filmpjes en reviews.

Mijn Twitter-consumptie nam door de jaren heen flink toe. Van een paar keer per dag naar een paar keer per uur. Tijdens huishoudelijke klusjes, tussen vergaderingen door, in de trein, bij het TV-kijken, op de WC, voor het slapen gaan. Het rare was dat ik de inhoud en toon van de berichten steeds vervelender ging vinden, zonder mijn Twitter-gedrag daarop aan te passen. Terwijl Twitter steeds meer een poel van haat, nepnieuws en ontwrichting werd, bleef ik de app maar aanklikken.

Het afgelopen jaar ging Twitter me echt tegenstaan. Het heeft zich niet ontwikkeld tot de gewenste ontmoetingsplaats waar vogels van allerlei pluimage vrijuit hun gezang kunnen laten horen. Het is steeds meer een broedplaats geworden van nestvervuilers die elkaars eieren kapot pikken, opponenten op hun kop schijten en andersdenkenden vleugellam proberen te maken.

De overname door Elon Musk was voor mij de spreekwoordelijke druppel. Musk is een onberekenbare multimiljardair die de toch al beperkte spelregels van Twitter nog verder wil oprekken. Hij pleit voor maximale vrijheid van meningsuiting waarbij hij als een autocraat de lakens uitdeelt. Een bizarre paradox. Macht zonder tegenmacht. Dat is geen vrijheid, maar monopolisering.

Bij vrije uitwisseling kun je niet zonder regels. Zonder verkeersregels wordt het een chaos op de wegen. Soms moet je iemand anders voorrang verlenen of remmen voor een rood stoplicht. Dat is doodnormaal gedrag. Waarom zouden we dat ook niet doen op sociale media?

Maar regels moeten geen dwangbuis worden. In het maatschappelijke verkeer hebben we allerlei media en platforms nodig om gedachten, nieuwsberichten en opinies te ventileren en te delen. Dat vormt een gezonde voedingsbodem voor een pluriforme samenleving. Daarbij mag het knetteren en schuren, maar wel binnen bepaalde marges. Het is niet aan mensen als Musk om de spelregels te bepalen. Dat moeten we samen doen; met de Grondwet als referentiekader.

En dus heb ik heb na een extra nachtje slapen besloten de Twitter-stekker er daadwerkelijk uit te trekken. Ik geef toe dat ik een paar dagen moest afkicken. Niet meer om de haverklap op mijn smartphone zoeken naar nieuwe tweets. Niet meer continu mezelf voeden met berichten over actuele gebeurtenissen en discussies. Niet meer in staat zijn om bepaalde interessante personen en organisaties op de voet te volgen. Maar ook geen ergernissen meer over nepnieuws en verwensingen.

Vrienden en collega’s wijzen mij inmiddels op Mastodon. Een alternatief platform zonder winstoogmerk. Zonder ruimte voor haat en bedreigingen. Dat klinkt interessant, maar ik wil me niet direct in de armen van een nieuwe liefde storten. De vogel niet meteen inruilen voor een mammoet. Eerst even rust. Nadenken of en waarom ik eigenlijk gebruik zou willen maken van bepaalde media en platforms.

In de tussentijd hoop ik stiekem dat LinkedIn in zijn huidige vorm gewoon blijft bestaan. Hoe moet ik jou anders vertellen dat ik niet meer op Twitter zit?

 

[1] Met dank aan Norwegian Wood van The Beatles

Morgen weer naar Bob Dylan

 

Morgen ga ik weer naar een concert van Bob Dylan. Als trouwe fan heb ik hem een keer of zes live zien optreden. De laatste concerten waren edities van zijn ‘Never Ending Tour’, maar dit keer is de titel van zijn concertreeks ontleend aan zijn in 2020 verschenen album: ‘Rough and Rowdy Ways’.

Dit album is vooral in de VS een enorm succes geworden. Het bereikte een nummer 1 positie in verschillende charts. En ook enkele singles van het album behaalden hoge noteringen in de hitparades. Het lied ‘Murder Most Foul’ stond wekenlang op 1. Zelfs voor een befaamde artiest als Bob Dylan een ongekend succes. Hij had in zijn lange loopbaan nog nooit een nummer 1 hit in Amerika gehad.

Er is dus wat bijzonders aan de hand. Dylan heeft twee jaar geleden, aan de vooravond van zijn 80e verjaardag, een meesterwerk afgeleverd. Een totaal-album waarin hij ons mee terugneemt naar belangrijke mijlpalen in de naoorlogse geschiedenis en in de muziek. De moord op Kennedy, de opkomst van de Beatles, de radioprogramma’s van Wolfman Jack, Woodstock, Indiana Jones, Martin Luther King. Lange songs, verhalend, meer gezegd dan gezongen, repeterend en bezwerend.

En nu komt hij bijna al die songs uitvoeren in Amsterdam. Daar moet ik bij zijn. Ik kijk daarbij vooral uit naar het lied ‘I Contain Multitudes’. Het lied spreekt me aan omdat het de kern raakt van ons bestaan: de ontwikkeling van ons leven. De eerste regel luidt dan ook:  “Today and tomorrow and yesterday too”. De titel van de song is ontleend aan een gedicht (‘Song of Myself, 51’) van de bekende 19e eeuwse Amerikaanse dichter Walt Whitman. Iedereen heeft meerdere kanten, verschillende lagen. En in de loop van je leven neemt die veelzijdigheid en veelkleurigheid alleen maar verder toe. Niet alleen de tijden veranderen, maar de mensen ook.

Het is een motto van Dylan’s eigen leven. Hij wil zelf ook niet in een hokje geduwd worden. Hij haat het wanneer hij als protestzanger wordt bestempeld. Hij was en is zoveel meer. Dat blijkt ook tijdens zijn concerten. Naast zijn nieuwe werk zingt hij natuurlijk ook een paar klassiekers. Maar die steekt hij dan altijd in een nieuw jasje. Niet de plaat grijsdraaien, maar steeds nieuwe invalshoeken zoeken.

Die verrassende veelzijdigheid laat Bob Dylan ook nu weer zien met dit prachtige nieuwe album. Hij vertelt over de wegen die hij heeft afgelegd en nog gaat inslaan. Over zijn inspiratiebronnen en zijn vijanden. Over leven en dood. Over muzes en valse profeten. Zolang hij blijft schrijven, spelen en optreden ben ik er graag bij. Nog één nachtje slapen.

 

 

Groeten uit Zeist #7: Eikels

Sinds ik een paar jaar geleden in Zeist ben komen wonen, schrijf ik af en toe een blog over mijn nieuwe woonplaats. Deze keer een luchtige bijdrage. Een waargebeurde anekdote.

 

Toen ik een paar jaar geleden aan een collega vertelde dat ik in Zeist ging wonen, reageerde hij enthousiast. “Het is daar prachtig”, zei hij, “ik ga er vaak met mijn vrienden fietsen: soms met de racefiets en soms lekker mountainbiken”.

Ik had tot die tijd Zeist nooit geassocieerd met fietsen. Wel met voetballen dankzij het feit dat de KNVB hier ‘in de bossen van Zeist’ zijn hoofdkwartier heeft. Nee, bij fietsen dacht ik altijd aan Zuid-Limburg, waar mijn oudste broer al decennia woont. Bij ieder familiebezoek zie je daar altijd vele groepen wielrenners die het mooie heuvelige landschap doorkruisen.

Maar sinds ik in Zeist woon merk ik dat dit geen exclusief Limburgs fenomeen is. Ook in en rond Zeist wemelt het, vooral in de weekeinden, van de fietsende sportievelingen. De Utrechtse Heuvelrug lijkt wel net zo populair als het Limburgse Heuvelland.

Honderden wielrenners razen en racen hier in strakke lycrapakken over fietspaden en bostrajecten. Soms is het zo druk dat je er als zondagsrijder (want dat ben ik) nauwelijks aan te pas komt. Sterker nog, ze snijden je de pas af.

Zo maakte ik een paar maanden geleden met mijn vrouw een tochtje met de fiets om van de mooie, bosrijke omgeving te genieten. Een plezierig ritje, waarbij we af en toe moesten oppassen voor groepjes voorbijflitsende en tegemoetkomende racefietsers. Op een gegeven moment werd ik zelfs zo afgesneden dat ik in de berm belandde. Maar voordat ik er wat van kon zeggen was de groep al weer uit het oog verdwenen.

Nu het herfst is, geniet ik tijdens mijn ritjes van de prachtige najaarskleuren. Ik merk dat ik daarbij niet alleen moet oppassen voor fanatieke wielrenners maar ook voor de enorme hoeveelheden afgevallen eikels, kastanjes en beukennootjes op de fietspaden. Op sommige plekken ligt er zoveel ‘strooigoed’ dat je je stuur goed moet vasthouden.

Dat overkwam me laatst ook tijdens een fietstocht. Op enkele gedeeltes van mijn traject lagen zoveel eikels dat het voelde alsof ik over een grindpad aan het ploegen was. Toen ik na dat ritje thuiskwam vroeg mijn vrouw hoe het was geweest. “Het was heerlijk”, zei ik, “maar niet te geloven, zoveel eikels op het fietspad!”. Waarop zij bezorgd uitriep: “hebben die racefietsers je nu weer van de sokken gereden?”

Vlagvertoon

 

We hebben bij ons thuis nooit een vlag gehad. Toen onze kinderen slaagden hingen we hun schooltassen uit het slaapkamerraam bij gebrek aan een vlaggenstok. Bij ons dus ook nooit rood-wit-blauw op Koningsdag. En geen oranjevlag aan de voorgevel bij een WK voetbal. Voor mij hoeft al dat gevlag niet. Terwijl ik veel van ons land houd en ook graag naar voetbal kijk. Ik heb alleen niet de behoefte om dat te uiten door middel van uniforme uitingen als vlaggen en groepssymbolen.

Ik associeer vlaggen met massa’s, met uiterlijk vertoon, met opgeklopt nationalisme en georganiseerd vermaak. Een duidelijk, recent voorbeeld van dat vlagvertoon was het feestje dat Poetin op het Kremlin organiseerde om de illegale inlijving van vier Oekraïense provincies te vieren. Honderden jongeren waren als klapvee naar Moskou gebracht. Gratis vervoer, gratis eten en drinken en gratis vlaggen. Na afloop werden die vlaggen in prullenbakken gedumpt. Zo diep ging de vaderlandsliefde.

Ik vrees dat ik als niet-vlagger tot een steeds kleiner wordende minderheid behoor. Ik zie overal vlaggen om me heen. De inwoners van Zandvoort hadden tijdens het Formule 1 weekend massaal zwart-wit geblokte vlaggen buiten hangen. LHBTIQ+-ers hebben hun eigen vlag waaraan iedere jaar weer een nieuwe kleur en lijn lijkt te worden toegevoegd. Uit solidariteit met Oekraïne zie je op veel plekken de blauw-gele vlag van dat land hangen. Bij Turkse bruiloften bij mij in de buurt wordt er vanuit luid toeterende auto’s enthousiast met Turkse vlaggen gezwaaid. En in corona-tijd zag je overal vlaggen hangen om mensen uit de zorg een hart onder de riem te steken.

 

 

 

 

 

Allemaal tekenen van verbondenheid, groepsgevoel en steun. Op zich niets mis mee, en soms zelfs sympathiek.

Dat wordt een ander verhaal bij al die omgekeerde vlaggen die je sinds een paar maanden overal ziet hangen. Daar krijg ik geen warme gevoelens bij. Integendeel, ik vind het ronduit zorgwekkend. De Nederlandse driekleur, symbool van nationale eenheid, wordt gekaapt en omgedraaid als protest-uiting van een groep boze mensen. Ze willen de maatschappij op z’n kop zetten. Langs de A12 hangt in een weiland een grote omgekeerde vlag met in de witte baan de tekst NO GREAT RESET. Maar het ophangen van die vlag is juist een teken dat je zelf streeft naar een soort Great Reset. Je wil af van de manier waarop we in Nederland de dingen met elkaar regelen. En dankzij onze vrijheid van meningsuiting en pluriforme samenleving mag je dat nog uitdragen ook.

En er is meer aan de hand. Boerenprotest is vermengd geraakt met complottheorieën, desinformatie en aanvallen op de rechtstaat. Moeten we maar hopen dat het overwaait? De afgelopen maanden laten zien dat die opstelling niet werkt. De vlagomdraaiers worden steeds brutaler. Ongehoord Nederland verspreidt als omroep binnen het publieke bestel uitzendingen vol leugens en discriminatie. Ons land wordt afgeschilderd als een dictatuur. Willem-Alexander wordt op Prinsjesdag voor landverrader uitgemaakt. Ministers worden op gemanipuleerde foto’s afgebeeld met de nazivlag. Allemaal tekenen van een zorgwekkende, ontwrichtende trend.

Ik denk dat er een steviger tegengeluid nodig is. Juist met een beroep op onze democratische rechtstaat moeten we scherp zijn tegen organisaties en hun uitingen die de grens opzoeken of daar zelfs overheen gaan. In een democratie moet er natuurlijk ruimte zijn voor tegengeluid. Dat is het mooie, maar ook het kwetsbare van open samenlevingen. Je gaat niet zo maar politieke partijen of media verbieden. Dat gebeurt in dictaturen. De paradox is dat juist vanuit extreem-rechtse hoek een beroep wordt gedaan op de vrijheid van meningsuiting die men gebruikt (of misbruikt) om bewondering uit te spreken voor autoritaire leiders als Poetin, Trump of Orban. De vrijheid wordt gebruikt om onvrijheid te propageren. Precies hetzelfde mechanisme als het omkeren van de vlag. Zo is de omgekeerde vlag in mijn ogen het symbool van de aanval op de manier waarop we ons systeem van democratische besluitvorming en openbaar bestuur hebben ingericht. Een opgestoken middelvinger naar de samenleving.

Eerlijk is eerlijk, de zogenaamde constructieve politieke partijen hebben de afgelopen jaren niet een beeld neergezet dat veel vertrouwen opwekt. We hobbelen van incident naar incident en van crisis naar crisis. Er is daarbij weinig oog voor de wensen en noden van veel Nederlanders. Extreem-rechts spint hier garen bij door ontevreden kiezers te vangen met de bekende zondebok-truc. Het komt door de vluchtelingen, de joden, de moslims, het World Economic Forum of Bill Gates. Gevaarlijke, verwerpelijke standpunten, maar ze gaan erin als koek. Kijk naar de verkiezingswinsten van extreem-rechts in Zweden en Italië. En dichter bij huis: ook in onze Tweede Kamer zitten momenteel meerdere partijen die je als extreem-rechts zou kunnen bestempelen.

Hoe nu verder? Ik heb geen panklare oplossing. Je hoort mij niet zeggen dat we pal achter de Nederlandse vlag moeten gaan  staan. Ik zal ook geen vlag gaan kopen (al heb ik daar voor het eerst van mijn leven over nagedacht). Maar ik vind wel dat we ons hard moeten maken voor de waarden van onze democratische samenleving. Dat we ons moeten laten zien en horen. We kunnen met een kleine stap beginnen: het verwijderen van omgekeerde vlaggen op de openbare weg. Ook zo’n voorbeeld van georganiseerd vlagvertoon. Die vlaggen hangen daar al veel te lang. Wat iemand in zijn eigen weiland of voortuin doet is zijn zaak, maar de openbare weg is publieke ruimte. Het is onbegrijpelijk dat gemeentelijke en provinciale overheden daar zo weinig tegen hebben gedaan. Misschien moeten dan zelf maar in actie komen en die vlaggen weghalen. De ervaring leert dat je slechts een nagelschaartje nodig hebt om touwtjes en tie-wraps door te knippen.

A Camping Flight to Lowlands’ Paradise

 

Onze tweejarige kleindochter logeert dit weekend bij ons. Papa en mama zijn naar Lowlands. Na twee corona-jaren kunnen ze eindelijk weer met hun vaste vriendengroep naar Biddinghuizen. Alleen hebben ze als jonge ouders dit keer een oppas-probleem. Voor corona waren er nog geen kinderen in de Lowlandsgroep, maar dit jaar moeten meerdere stellen een beroep doen op opa’s en oma’s. Ook wij ontvingen zo’n verzoek en met plezier zegden we toe.

Dankzij deze logeerpartij moet ik terugdenken aan die ene keer dat mijn oudste broer naar Lowlands ging. Dat was eind 1968. Lowlands was toen nog een eendaags festival dat in de Jaarbeurs in Utrecht werd gehouden. Mijn broer, amper 15 jaar, had moeten praten als Brugman om toestemming van mijn ouders te krijgen. Gelukkig wilde een oom die in Utrecht woonde hem wel brengen en halen. Dat trok mijn ouders over de streep. Nog maanden daarna hing de kleurrijke festival-poster als een trotse trofee aan de buitenkant van zijn slaapkamerdeur.

Lowlands heette toen voluit ‘A Flight to Lowlands’ Paradise’. Tegenwoordig is het een driedaags festival en is de volledige naam: ‘A Camping Flight to Lowlands’ Paradise’.  Een begrijpelijke aanpassing van de naam, want nu het een meerdaags festival is moeten de bezoekers in tentjes op het terrein overnachten.

 

 

Dat laatste gegeven staat deze zomer in schril contrast met de mensen die in Ter Apel ook in tenten verblijven. Of zelfs in de buitenlucht moeten overnachten. Kamperen is leuk als het voor een paar nachten is en je daarna weer je comfortabele leventje kunt oppakken. Maar als slapen in tenten het gevolg is van falend vluchtelingenbeleid, dan is het een heel ander verhaal. Daar kunnen de festivalgangers niets aan doen, maar wij als samenleving wel.

Asielzoekers in tenten

De vergelijking laat zien dat, als we in staat zijn om grootschalige festivals en evenementen te organiseren, we ook in staat zouden moeten zijn om statushouders en vluchtelingen beter op te vangen en zogenaamde ‘veiligelanders’ effectiever te weren. Daar is politieke wil, maatschappelijke gastvrijheid en organisatorische daadkracht voor nodig. Het is vooral een kwestie van willen.

Ik wens mijn kleindochter toe dat Lowlands over pakweg 18 jaar nog steeds bestaat en dat zij een derde generatie festivalganger kan worden.

Laten we hopen dat het niet nog 18 jaar duurt voordat we erkende vluchtelingen op een fatsoenlijke en vlotte manier een kans bieden om hier iets op te bouwen.

Minder camping flight en meer Lowlands paradise.

 

Naschrift (5 oktober 2022)

Kennelijk heeft de gemeente Dronten ook dezelfde gedachte gehad die ik hierboven heb beschreven. Het evenemententerrein van Lowlands gaat plaats bieden aan ruim duizend vluchtelingen.

Go to hell

 

De Hongaarse premier Viktor Orban sprak onlangs op een conventie van Amerikaanse conservatieven in Texas. Hij vond daar een gewillig oor voor zijn inmiddels bekende tirade tegen migranten, moslims, de EU en transgenders. Bij zijn afsluitende oneliner ‘globalists can all go to hell’ kreeg hij een staande ovatie.[1] Toen ik een nieuwsbericht hierover las moest ik grinniken. Was Orban’s optreden als Europees politicus op een politieke bijeenkomst in Texas ook niet een voorbeeld van globalisering?

Het toeval wilde dat ik op die dag net de laatste bladzijden uit de Hel van Dante Alighieri had gelezen. Ik probeer af en toe een klassiek boek te lezen en deze zomer is dat De goddelijke komedie van Dante.[2] Dante beschrijft in dit boek zijn pelgrimstocht naar de Hel, de Louteringsberg en het Paradijs. In het eerste deel daalt hij af naar de hel waarbij hij wordt begeleid door de Romeinse dichter Vergilius. Dante treedt hiermee in de voetsporen van de apostel Paulus en van Aeneas (de mythische stichter van de stad Rome), de enige andere mensen die ooit de hel hebben bezocht. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is de hel niet simpelweg een plek met vagevuur waar de zondaren eeuwig branden. Dante’s hel wordt beschreven als een ondergronds oord in trechtervorm met meerdere ringen, lagen en kloven.

Elke laag is bestemd voor een bepaald type zondaar die een bij de zonde passende eeuwigdurende straf krijgt. Hoe erger de zonde, hoe dieper de laag waarin je terecht komt en hoe heftiger de straf. Het begint met wellustigen, gulzigaards en verkwisters in de Bovenhel en het eindigt met dieven, bedriegers en verraders in de diepste regionen van de Benedenhel. De straffen variëren van (eeuwig) geplaagd worden door wespen of stormen en het dragen van zware lasten tot het verscheurd worden door honden of het verblijven in poelen van kokende pek. Per canto (met ritmische drieregelige verzen) beschrijft Dante een afdeling van de hel, met de daar verblijvende zondaars (vaak bekend uit de Bijbel, de mythologie of de toenmalige Italiaanse politiek) en de straffen die zij moeten ondergaan. Dit alles ter lering ende vermaak van de lezer.[3] De beschrijvingen van Dante zijn zo uitgesproken dat hij kunstenaars als Sandro Botticelli, Jheronimus Bosch en Gustave Doré heeft geïnspireerd om de hel met al zijn kringen, kloven en zondaars af te beelden. Geen wonder dat de beschrijvingen van Dante en de schilderijen en tekeningen die anderen hebben gemaakt onderdeel zijn geworden van ons collectieve bewustzijn.

Gustave Doré: afbeelding van de straf voor verkwisters in de vierde kring van de hel.

In die zin is de oproep van Orban heel Dantelliaans. Hij lijkt De goddelijke komedie te kennen door de globalisten als categorie toe te voegen aan de groepen zondaars die een plek in de hel verdienen. Ik ben benieuwd in welke categorie Dante de globalisten zou hebben geplaatst.

Die vraag geldt ook voor een andere hedendaagse groepering die bekend is geworden door een uitspraak van een andere politicus. Madeleine Albright, de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, schreef niet alleen een boek met als titel Hell and other destinations, maar is ook beroemd geworden om de zin ‘There is a special place in hell for women who don’t help other women’. Ook deze uitspraak sluit goed aan bij het denken van Dante. Is het toeval dat Albright, net als Orban, geboren is in midden-Europa en wellicht daardoor het werk van Dante kende?

De quote van Albright is ook op T-shirts gedrukt

Je zou met al deze uitspraken een hedendaagse Jeroen Bosch of Gustave Doré nodig hebben om een moderne versie van de hel te schilderen of te tekenen. Maar het lijkt me een nog beter idee om het denken in termen van hel en verdoemenis helemaal af te schaffen. In de middeleeuwen werden mensen bang gemaakt met de vreselijkste teksten en beelden over de straffen die ze konden krijgen als ze zich zouden misdragen. Met God als leidsman en de duivel als boeman. Tegenwoordig zijn onze rechten en regels niet meer religieus gegrond, maar opgesteld binnen het kader van onze democratische rechtsstaat. Een zonde heet nu een overtreding. En als je die begaat krijg je een boete of een gevangenisstraf. Veel beter zo.

Gelukkig hebben we dan nog wel de mooie, betoverende verhalen en vertellingen over goed en kwaad uit religieuze boeken, de mythologie en de literatuur. Niet om letterlijk te nemen en om elkaar angst mee aan te jagen, maar om je aan het denken te zetten. Om je te helpen goede afwegingen te maken. Om te laten zien dat er wat te kiezen valt.

Het is fijn dat er naast de klassieke verhalen ook moderne verhalen zijn verschenen waarin andere beelden van de hel worden geschetst. Als scholier las ik het toneelstuk ‘Huis clos’ van Jean-Paul Sartre. De hel wordt daarin niet beschreven als een inferno, maar als een kamer waarin drie mensen verblijven. Ze zijn voor eeuwig tot elkaar veroordeeld. De bekendste zin uit dit toneelstuk luidt: ‘L’enfer, c’est les Autres’. De hel is wat je elkaar aandoet. Dit stuk, waarin geen druppel bloed vloeit, maakte veel meer indruk op mij dan de satanische verhalen die ik elders had gelezen.


LIeke Marsman, dichter

Foto: Merlijn Doomernik

 

Ik sluit deze ‘helletocht’ af met twee gedichten van Lieke Marsman[4], de huidige Dichter des Vaderlands. In haar nieuwste dichtbundel In mijn mand refereert Lieke Marsman ook aan de hel. In twee opeenvolgende gedichten beschrijft ze haar gevoel van ‘onttovering’. Met in de slotzin ook een verwijzing naar de anderen. Net als bij Sartre.

 

 

 

DE ONTTOVERING VAN DE WERELD

regen en ruzie
maar we worden beschermd
door de plastic blokken
van de McDonald’s speelplaats
in mijn broekzak heb ik
mijn meest kostbare bezit
tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck
die uit een roze doosje springt
zodra je het opent

twintig jaar later raak ik verstrikt
in de wachtwoorden
en patiëntnummers
die ik nodig heb
om toegang te krijgen tot mijzelf
en ik voel mij onttoverd
er is niets magisch aan dit leven
waarin een balie een schavot is
waarin de snelle achteruitgang
aan het eind een angst is
‘Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’
als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd

zeg me dat de mensheid
haar geloof verliest en ik antwoord
we waren altijd al achterdochtig
we knepen alleen nog een oogje dicht
hadden in een ver verleden ergens gelezen:

het is beter met één oog
het eeuwige leven binnen te gaan
dan met twee ogen
in het eeuwige vuur te worden gegooid

 

BIJ HET VORIGE GEDICHT

stel me de hel heel anders voor
geen eeuwigdurende hitte, wel een gebrek
aan koel briesje vandaag. zelden storm,
des te vaker windkracht zes, ongelegen:
in te krappe kleren naar een afspraak
waar men begeerteloos op je wacht.
niks theatraal vierendelen, in de hel
voortdurend venijnige schopjes
tegen de enkels. Wat had je dan gedacht?
zonder zelfverzonnen talismans
ligt je geluk er in andermans handen.

 

[1] Zie o.a. https://www.newsweek.com/viktor-orban-cpac-standing-ovation-globalists-go-hell-texas-1731042

[2] In een mooie vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen (2021)

[3] Dankzij de uitvoerige commentaren van de vertalers is dit ook voor eigentijdse lezers te volgen en te plaatsen.

[4] Lieke Marsman is ook te zien als Zomergast bij de VPRO op zondag 14 augustus.

Komijnsplitsers en Sjabloonhonger

Het ene moment word je internationaal gelauwerd, het andere moment ben je het middelpunt van een nationale controverse. Dat overkwam Marieke Lucas Rijneveld. In 2020 won hij[1], als eerste Nederlandse schrijver, de prestigieuze International Booker Prize voor zijn roman De avond is ongemak (The discomfort of evening). Een jaar later lag hij onder vuur vanwege een vertaalopdracht die hij had gekregen van uitgeverij Meulenhoff. Het ging om de tekst The hill we climb van ‘spoken word artist’ Amanda Gorman, uitgesproken bij de inauguratie van president Joe Biden in januari 2021.

(AP Photo/Patrick Semansky, Pool)

Critici vonden Rijneveld niet geschikt om deze tekst te vertalen: zijn Engels zou onder de maat zijn, hij was geen vertaler, maar bovenal zou Rijneveld zich als wit persoon onvoldoende kunnen inleven in de wereld van de Afro-Amerikaanse Gorman.[2] Het persoonlijke was politiek geworden zouden we in de jaren ’70 zeggen.  Hij gaf vervolgens de opdracht terug en liet na enige tijd op passende wijze weten hoe deze pijnlijke affaire hem had geraakt: in de vorm van een gedicht. Het gedicht heet ‘Alles bewoonbaar’.

Een fragment:

Nooit het verzet kwijtgeraakt, en toch inzien wanneer
het niet jouw plek is, wanneer je moet knielen voor een gedicht
omdat een ander het beter bewoonbaar maakt….

Het gedicht is ook opgenomen in zijn nieuwste bundel Komijnsplitsers. Ik kende het woord ‘komijnsplitser’ niet, maar volgens het woordenboek is het een equivalent van muggenzifter of vitter. Zo kom ik in bij het lezen van deze gedichten nog veel meer onbekende termen tegen, zoals tandheugel, klezoor, grauwvuur of scheluw. Alsof Marieke Lucas Rijneveld inspiratie heeft geput uit het Vergeetwoordenboek of uit de rubriek ‘Het vergeten woord’ van het radioprogramma De Taalstaat. Rijneveld bedrijft hiermee een vorm van taal-archeologie om te laten zien hoe rijk onze taal is. En hoe jammer het is dat veel woorden in onbruik zijn geraakt. Ook op een andere manier zijn deze gedichten verrijkend, omdat Marieke Lucas Rijneveld veel nieuwe woorden introduceert die hij zelf heeft geassembleerd. Deze woorden zijn in tegenstelling tot de vergeten woorden direct te herkennen en te begrijpen: sjabloonhonger, roestbenen, burchtverlies, marcheerstand of kanteldrift. Vaak weten deze samengestelde termen trefzeker een situatie of een gemoedstoestand te typeren, maar soms zijn ze wat ver gezocht en is er meer sprake van kunstelwoorden dan van knutselwoorden.

De bundel bevat ruim 60 paginalange gedichten met goedgevulde regels. In die zin krijg je als lezer waar voor je geld. Het is een royale, rijke bundel die je niet op een middagje door kunt akkeren. Het heeft mij, tussen de bedrijven door, meerdere weken gekost om de gedichten te lezen, te herlezen en naar verbanden te zoeken. Niet omdat de teksten ondoorgrondelijk zijn, maar juist omdat er in ieder gedicht veel gebeurt. Bovendien staan de gedichten niet op zichzelf. Rijneveld heeft zijn gedichten in acht thema’s onderverdeeld. Het gaat op het eerste gezicht om verschillende onderwerpen zoals liefde, natuur, verlies en de overgang van vrouw-zijn naar man-zijn. De gedichten kennen per thema een duidelijke samenhang. Maar er zit nog een diepere laag onder alle gedichten en alle thema’s. Hoe meer je leest, hoe meer dwarsverbanden je binnen de gehele bundel ontdekt. Slingerend door de verschillende thema’s duiken overal vaste typerende trefwoorden op: wonen (bewoonbaar/bouwen/renovatie), strijd  (soldaten/marcheren/krijgers/verzet), lichaam (zintuigen/man worden/vrijen) en vallen (verliezen/tuimelen/donderen).

Marieke Lucas Rijneveld (foto: Jouk Oosterhof)

Het totaalbeeld dat daarmee ontstaat is dat van een dichter die schrijft over zijn angst voor en strijd tegen verlies en verval. En de pogingen om door te bouwen en te reconstrueren een nieuw bestaan, een nieuwe plek te creëren (vandaar het oppoetsen van vergeetwoorden en het bedenken van nieuwe termen). Het is in wezen een klassiek thema: de hoofdpersoon die een beproeving moet doorstaan, de metamorfoses die hij tijdens zijn leven ondergaat, het gevecht om zijn eigen plek en  identiteit te ontwikkelen. Marieke Lucas Rijneveld laat zijn eigen worsteling zien en hij wil anderen hoop bieden. Niet voor niets luidt de opdracht van zijn boek: ‘Voor alle mensenkinderen’. Hij roept ons toe dat we er wat van kunnen maken. De slotwoorden van het eerder genoemde gedicht over de vertaal-affaire luiden:

kom na het knielen weer overeind en recht je rug.

Op een bijzondere manier sluit de controverse rondom de vertaal-opdracht precies aan op het kernthema van de hele bundel.  Aangevallen worden op de persoon die je bent, geconfronteerd worden met al die mensen die voor jou beslissen wat je wel en niet mag doen, je eigen wapens (taal/dichtregels) gebruiken om je positie te markeren. Rijneveld handelt in deze affaire precies in de geest van de andere gedichten in de bundel: worstelen, op zoek gaan naar een passende reactie, trouw blijven aan jezelf, er bovenop komen.  Dat is knap en overtuigend. Een waardig slotstuk van een rijke, originele, geloofwaardige en hecht samenhangende bundel.

 

Ter afsluiting deel ik graag het gedicht dat mij het meest heeft getroffen. Ik noteerde bij de eerste lezing direct een uitroepteken bovenaan de pagina. Pas bij herlezing van meerdere gedichten viel het mij op dat dit gedicht bij wijze van uitzondering in de ik-vorm is geschreven. Marieke Lucas Rijneveld kiest bijna overal voor de persoonsvorm je/jij. Juist door het hanteren van de ik-vorm is dit gedicht net wat persoonlijker en treffender. Ik wil geen komijnsplitser zijn, maar wat mij betreft gaat hij in het vervolg vaker in de ik-vorm schrijven.

SJABLOONHONGER
Figuurzaag me netjes langs de randen, schaaf
bij wat ik te veel ben geworden. Vervang het
zaagblad als je te snel gaat en kapot, als je
een bocht in mijn aanwezigheid misloopt.
Maak een sjabloon van me dat niet op het
vorige lijkt, want buiten is het stil, de bomen staan
stokstijf in foxtrothouding – als ik af ben, wil ik met je
dansen tot de sterren naar beneden donderen.
Wie de zaag ontsnapt, loopt zichzelf uiteindelijk
in de prak, echt waar, geloof me. Verspil zo veel
mogelijk metaalbladen, laat je nooit zeggen dat
een ontwerp een ontwerp blijft, alles is mogelijk.
Af en toe zou ik het andersom willen, jij het
hout, ik het gereedschap, maar ik heb nooit
een vaste hand gehad, ik heb nog nooit iemand
bijgevijld – scheefgroei zit in al mijn voorvaderen.
Er is zoveel ruis op de lijn en niemand die me
kan vertellen hoe ik het beste me kan ontplooien.
Al moet ik het goede ook benoemen, ik heb
twee armen waarmee ik kan wiegen.
Dus kom hier, leg het gereedschap ver weg
uit mijn kinderogen, en vertel me dat we het einde
naderen, dat het ontwerp bijna af is, dat ik kan
zeggen dat ik iemand en mooi ben geworden.

[1] Ik hanteer de hij-vorm, omdat de dichter in zijn nieuwste publicaties als een hij wordt gepresenteerd.

[2] Zie bijv. https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-een-witte-vertaler-voor-poezie-van-amanda-gorman onbegrijpelijk~bf128ae4/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free

Over verhitting

 

Terwijl de gevolgen van de klimaatcrisis en de opwarming van onze aarde steeds manifester worden, krijgen we sluipenderwijs ook te maken met een ander soort klimaatcrisis: de verhitting van ons maatschappelijke klimaat. Er is sprake van een toenemende hitte waarin we steeds minder naar elkaar luisteren. Waarin we iemand met een andere mening wegzetten als wappie, wokie, deugneus of gekkie, zodat we die ander niet serieus hoeven te nemen. Waarin haat en hetze steeds luider doorklinken. Een hitte die steeds meer kapot maakt.

We zullen allemaal een bijdrage moeten leveren om de hitte te bestrijden en de temperatuur omlaag te krijgen. Minder op de man/vrouw spelen. Oren open zetten. Minder uitdelen. Niet alleen naar ons eigen belang kijken. Ons toetsenbord niet als mitrailleur gebruiken. Meer ventileren, ramen en deuren openzetten. Onze boosheid een paar weken op vakantie sturen.

Onderstaande regels vatten mijn gedachten en zorgen samen.

 

 

We ketenen onszelf vast aan de hekken van ons eigen gelijk

We blokkeren wegen waardoor we niet meer met anderen kunnen verkeren

We zetten onszelf onwrikbaar klem in de loopgraven van de sociale media

We beschimpen wetenschappers om een eigen draai aan de feiten te kunnen geven

We bedreigen de politici die zijn gekozen om ons te vertegenwoordigen

We vallen vandaag de mensen aan die we morgen weer nodig hebben voor onze veiligheid, onze gezondheid en ons onderwijs

We verspreiden zoveel desinformatie dat we verstrikt raken in een web van leugens

We stoppen tegenstanders in vakjes en maken daarmee een karikatuur van onszelf

We beweren luidkeels dat we in een dictatuur leven en demonstreren daarmee dat dat niet zo is

 

We, we, we…

We vergeten vaak dat ‘we’ hetzelfde is als ‘wij’

Dat ‘wij’ betekent: jij en ik, samen

Dat wij het samen moeten zien te rooien

Dat wij spelregels hebben om ons samen-leven zo fatsoenlijk mogelijk in te richten

Dat wij daarvoor een rechtstaat en een parlementaire democratie hebben ingericht

Dat wij niet altijd onze zin kunnen krijgen

Dat het vaak niet eerlijk verdeeld is

Dat het niet ideaal is, maar dat we het niet lelijker moeten maken dan het is

Dat elke bedreiging van een ambulancebroeder, een politieagent, een docent, een journalist of een politicus een aanval is op onszelf en onze manier van leven

Dat we de openbare ruimte, de publieke zaak, de gemeenschappelijkheid, moeten bewaren en bewaken

Het is immers onze samenleving

Mannentas

 

Ik heb er lang tegen aangehikt, maar twee maanden geleden ben ik toch voor de bijl gegaan. Ik heb een mannentas gekocht. De directe aanleiding was de reis die we zouden gaan maken naar Bali; op kraamvisite bij onze oudste zoon en zijn vrouw[1]. De ervaring leert dat je op Bali elke dag in korte broek en polo of T-shirt rondloopt, dus je komt in feite zakken tekort om al je spullen in te doen. Tijdens eerdere vakanties redde ik me altijd met een rugzak, maar die is weer onnodig groot en bovendien bij tropische temperaturen al snel warm en plakkerig.

Bij mij gaat het in concreto om de volgende zaken die ik altijd bij me wil hebben: mijn portemonnee, mijn smartphone, mijn zonnebril (op sterkte), een pakje kauwgom en een plat klein blikje vaseline. Dat laatste is voor mij een onmisbaar vakantie-item. Vaseline komt altijd van pas: bij droge lippen, kleine wondjes, piepende deuren, slecht lopende ritssluitingen, etc. Die vijf dingen passen niet fijn in de zakken van een korte broek, maar zijn samen ook weer niet genoeg om een rugzak mee te vullen. Ik heb in het verleden regelmatig een paar van mijn spullen in de handtas van mijn vrouw gestopt, maar dat vond zij niet altijd even geslaagd. Dan liep zij mijn zaken mee te zeulen en moest ik haar om de haverklap lastig vallen als ik mijn zonnebril of portemonnee nodig had.

Vandaar dat een mannentas de beste oplossing leek. De enige hindernis die ik daarbij moest nemen was het accepteren van deze accessoire. Het zijn vaak onhandige polstasjes of weinig charmante buik-buidels. Vandaar dat ik altijd wat terughoudend ben geweest. Het helpt dan ook niet als Arjen Lubach er op televisie de draak mee steekt.

Toch heb ik de stap gezet. Mede onder invloed van mijn studenten. Tegenwoordig zie ik op mijn hogeschool veel jonge knullen met allerlei tasjes rondlopen. Dat heeft voor mij het laatste beetje aarzeling weggenomen. De meesten dragen hun tas diagonaal over hun borst. Zo hip ben ik ook weer niet. Ik draag hem als heuptas; een beetje aan de zijkant.

Na vier weken Bali kan ik zeggen dat het me goed is bevallen. Ik had altijd mijn handen vrij en hoefde niet met een warme rugzak rond te lopen. Mijn mannentas leverde een onverwacht groot voordeel op tijdens de lange heen- en terugvlucht. Ik hoefde voor mijn persoonlijke spullen niet steeds onder mijn stoel te duiken of in een ‘overhead locker’ te kijken.

 

Ook mijn vrouw was blij, omdat ik mijn spullen niet meer in haar tas hoefde te stallen. Ik ben door mijn eigen tas eens gaan rondkijken hoe vaak het gebeurt dat een man/vriend zijn vrouw/vriendin met zijn spullen opzadelt door die in haar tas te parkeren.  Als je er op gaat letten zie je dat het heel vaak gebeurt. In die zin is het hebben van een mannentas zelfs een teken van emancipatie. Van de man, welteverstaan!

[1] Zie ook de tekst dat ik bij de geboorte van onze kleindochter schreef: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2400