Alle berichten van Peter 't Lam

Roman Jakobson en zijn inspirerende kijk op taal en communicatie

 

“Jakobson leert ons dat we communicatie en taal daarbij niet als iets een-dimensionaals moeten zien. Er zijn juist allerlei schakeringen en betekenissen die te relateren zijn aan de verschillende factoren en actoren die we binnen een communicatieproces kunnen onderscheiden.”

 

Als je een tot voor kort onbekende naam onverwachts een paar keer achter elkaar tegenkomt, gaat er een belletje rinkelen. Je wil meer van die persoon weten, omdat hij opeens meerdere keren in beeld komt.

Dit overkwam me het afgelopen jaar met de naam Roman Jakobson, een van oorsprong Russische taalkundige die leefde van 1896 tot 1982. Ik had nog nooit van hem gehoord, totdat ik tot mijn verrassing binnen een paar maanden in een aantal uiteenlopende boeken op zijn naam stuitte. En toen daarbij bleek dat hij heel interessante inzichten heeft gepubliceerd over taal en communicatie was mijn interesse als communicatie-docent gewekt. Ik moest meer van die man weten.

 

Drie vindplaatsen

Een jaar geleden kocht ik, na het lezen van een lovende recensie, het boek De geest uit de fles van Ger Groot. Groot beschrijft hierin op beeldende en uitnodigende wijze de geschiedenis van de moderne filosofie. Een rijk geïllustreerd boek waarin de ontwikkeling van het moderne denken gerelateerd wordt aan ontwikkelingen in de muziek, de literatuur en de beeldende kunst. Een boeiend boek waar ik van tijd tot tijd een hoofdstuk uit lees. Zonde om zo’n bonbonschaal in een keer leeg te eten. Na enkele weken lees ik in een van zijn laatste hoofdstukken hoe Groot aangeeft dat denkers als Michel Foucault en Claude Lévi-Strauss sterk waren geïnspireerd door Roman Jakobson. Een mij volstrekt onbekende naam die mijn nieuwsgierigheid prikkelt. Groot legt uit dat Jakobson een wegbereider was in het denken over de ontwikkeling van betekenissystemen. Jakobson keek niet zozeer “naar de vraag hoe  tekens mogelijk zijn, als wel naar de wijze waarop ze onderling tot een betekenisvolle uiting worden verknoopt” (Groot, p. 297-298).  Ik maak een notitie achterin het boek, maar laat me al snel weer door andere zaken in beslag nemen.

Een paar maanden later kraait de haan voor de tweede keer. Ik lees het boek De zevende functie van de taal van Laurent Binet. Ik had dit boek gekocht omdat ik met fascinatie en bewondering Binet’s debuutroman HhhH had gelezen. Dat boek speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog en beschrijft de aanslag die Tsjechische verzetsstrijders plegen op nazi-chef Heydrich (Praag, 1942). Het boek biedt enorm veel informatie over de Tweede Wereldoorlog en werkt daarbinnen met een knap opgebouwde spanningsboog het verhaal van de aanslag uit. De schrijver deinst er niet voor terug om feitelijke gebeurtenissen af te wisselen met eigen interpretaties en stellingnames, waarbij hij ook openlijk zijn eigen vragen en onzekerheden op tafel legt.

Zijn tweede boek, De zevende functie van de taal, is al even complex en meerduidig. Dit keer speelt het verhaal zich af in de jaren ’80 van de vorige eeuw in het intellectuele milieu van bekende naoorlogse Franse denkers als Barthes, Foucault en Derrida. Ook dit boek bevat veel achtergrondinformatie (met name over de verschillende visies op de relatie tussen taal en werkelijkheid) en ook hier lopen feiten en fictie door elkaar. Het verhaal draait om een speurtocht naar een document van Roland Barthes dat bij zijn dood is verdwenen. Hierin zou de zevende functie van de taal zijn beschreven. De speurtocht levert een serie gebeurtenissen op die qua thriller-achtige beschrijving doet denken aan boeken als De naam van de roos van Umberto Eco (de bekende semioticus die zelf ook in dit boek figureert) of De Da Vinci code van Dan Brown.

Wat mij bij lezing van dit boek vooral treft is de toelichting van de auteur dat de mysterieuze zevende functie van de taal een toevoeging is aan de bekende lijst van zes taal-functies die Roman Jakobson heeft ontwikkeld. Weer die naam, denk ik. En waarom kende ik die lijst nog niet? In hoofdstuk 32 worden de taalfuncties van Jakobson uitgebreid besproken. Ik kende uit de verschillende handboeken Communicatieleer wel de vier kenmerken van een boodschap van Schultz van Thun (1992), maar Binet geeft aan dat Roman Jakobson al eerder en uitgebreider een aantal functies van talige boodschappen op een rij heeft gezet. Daar wil ik meer van weten. Ik maak een mapje over Jakobson aan op mijn laptop met verwijzingen naar de passages die ik bij Laurent Binet en Ger Groot ben tegengekomen. Maar mijn goede voornemen om nader studie te doen naar Roman Jakobson blijft uit.

Weer een paar weken later ben ik bezig met het schrijven van een blog over het bekende communicatiemodel van Shannon & Weaver (http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=1614) . Ik raadpleeg daarbij diverse bronnen, waaronder het in mijn ogen te weinig gewaardeerde boek Communicatiebeleid en communicatiestrategie van Henk Jan Rebel uit 2000. En ja hoor, ook hier kom ik de naam van Roman Jakobson tegen. Rebel voert hem op als een van de grondleggers van het betekenis-denken in de communicatiewetenschap. Waar het model van Shannon & Weaver technisch-procesmatig is en geen aandacht besteedt aan betekenis en effect, geeft Jakobson juist invulling aan de verschillende aspecten van een boodschap binnen de communicatie.

Roman Jakobson op jongere leeftijd

Ik kan nu niet meer om Roman Jakobson heen. Ik begin nadere informatie over hem te verzamelen. Tot mijn verbazing kom ik zijn naam in geen enkel communicatie-handboek tegen (met uitzondering dus van het boek van Rebel). Ik ga verder zoeken op het internet en download een van zijn bekendste publicaties, Linguistics and Poetics uit 1960. Die titel intrigeert me niet alleen als docent communicatie, maar ook als poëzie-liefhebber.

 

De kern: zes factoren en zes functies

In de kern komt de visie van Jakobson er op neer dat er zes ‘constitutive factors’ zijn te onderscheiden bij elke vorm van verbale communicatie:

The ADDRESSER sends a MESSAGE to the ADDRESSEE. To be operative the message requires a CONTEXT referred to (the “referent” in another, somewhat ambiguous, nomenclature), graspable by the addressee, and either verbal or capable of being verbalized; a CODE fully, or at least partially, common to the addresser and addressee (or in other words, to the encoder and decoder of the message); and, finally, a CONTACT, a physical channel and psychological connection between the addresser and the addressee, enabling both of them to enter and stay in communication.

Aan elk van die zes factoren koppelt Jakobson vervolgens zijn zes functies van taal.

  1. De kernfunctie die Jakobson plaatst bij de factor CONTEXT is de referentiële (of cognitieve of denotatieve) functie. Deze verwijst naar het onderwerp van de boodschap: waar gaat het over?
  2. Bij de ADDRESSER past de emotieve of expressieve functie. Een spreker/schrijver laat in zijn tekst altijd iets van zijn eigen mening of houding doorklinken.
  3. Bij de ADDRESSEE hoort de conatieve functie. De addressee wordt aangesproken, er wordt een beroep om hem gedaan.
  4. In het CONTACT is het van belang om de communicatie gaande te houden. De phatische functie heeft hierop betrekking. Bijvoorbeeld als de addresser zegt ’luister je’ en de addressee bevestigend ‘ja ja’ antwoordt. Het gaat vaak om stopwoordjes als ‘nietwaar’ of ‘hè’ of om korte klanken als ‘aahaa’ of ‘umm’.
  5. De metalinguïstische functie gaat een stap verder en past bij de factor CODE. Het gaat hier om de vraag of addresser en addressee elkaar begrijpen. Om dat na te gaan kan de addresser af en toe zeggen: ‘snap je wat ik zeg?’, of kan de addressee vragen: ‘wat bedoel je precies?’.
  6. De zesde functie wordt door Jakobson bij de MESSAGE geplaatst en wordt aangeduid als de poëtische Het gaat hierbij om de kwaliteit van boodschap op zichzelf. Om esthetiek, ritme en klank. Is het een goed lopende zin? Is de boodschap als zodanig fraai en aantrekkelijk. Jakobson gaat in zijn artikel Linguistics and Poetics uitgebreid en met veel voorbeelden op deze laatste functie in. Enkele ook voor ons bekende voorbeelden die hij aanhaalt zijn de uitspraak Veni, vidi, vici van Julius Caesar en de beroemde verkiezingsslogan van Eisenhower, I Like Ike. In Nederland zouden we Heerlijk Helder Heineken als voorbeeld kunnen nemen.

Jakobson voegt de zes factoren van taal en communicatie samen met de zes functies van de boodschap in het volgende schema.

 

Hij benadrukt dat we in teksten doorgaans meerdere van deze functies zullen aantreffen en dat een boodschap zelden slechts één aspect bevat: Although we distinguish six basic aspects of language, we could, however, hardly find verbal messages that would fulfill only one function.

(Ik doe het gehele werk van Roman Jakobson met deze samenvatting tekort, maar wil me voor deze blogtekst hiertoe beperken)

 

Relevantie

In de professionele wereld van communicatie en media zijn termen als storytelling en content aan de orde van de dag. Alles draait om het juiste verhaal en om goede content. Dat betekent dat professionals doordrongen moeten zijn van de verschillende lagen en functies die boodschappen kunnen hebben. Jakobson leert ons dat we communicatie en taal daarbij niet als iets eendimensionaals moeten zien. Er zijn juist allerlei schakeringen en betekenissen die te relateren zijn aan de verschillende factoren en actoren die we binnen een communicatieproces kunnen onderscheiden. Goede content en een pakkende verhalen moeten daar op inspelen door iets van de addresser te laten zien, door de addressee aan te spreken, door duidelijk en relevant te zijn, door het contact te versterken en ook door aantrekkelijk en fraai te zijn.

Deze veelzijdige kijk op communicatie spreekt mij enorm aan. Sommige communicatie-professionals hebben de neiging om communicatie te reduceren tot één kernfunctie of opdracht. In hun ogen draait het in de communicatie bijvoorbeeld om reputatie, of om verbinding of om gedragsverandering. Ik hou niet zo van dergelijke eenzijdige opvattingen. Ik kijk liever naar de vele, rijke mogelijkheden van communicatie. Ik voel me daarbij geïnspireerd door denkers als Jakobson. Als je zijn opvatting over meerlagige tekst-boodschappen doortrekt naar communicatie in het algemeen, moet je concluderen dat communicatie dus ook nooit één functie kan hebben.

Ik durf daarbij de stelling aan dat wat Jakobson beweert over taal ook van toepassing is op niet-talige communicatievormen als beeld, muziek en gebaren. Ik volg hiermee Laurent Binet die aangeeft dat we sinds Roland Barthes ons niet hoeven te bepreken tot communicatiesystemen, maar breder moeten kijken naar betekenissystemen. Hoewel taal volgens Umberto Eco perfect is voor de communicatie, zegt taal niet alles. Mensen communiceren ook via hun kleding, meubilair, eetgewoontes, de manier van lachen, etc. “Sinds Barthes hoeven tekens geen signalen meer te zijn, het zijn aanwijzingen geworden.” (Binet, p. 17).

Voor het onderwijs betekent dit dat communicatiestudenten inzicht zouden moeten krijgen in de brede, veelzijdige mogelijkheden van taal en betekenissystemen zoals geschetst door Jakobson en Barthes. Daar past ook het lezen van poëzie of songteksten bij en het bezoeken van musea, films, modeshows en festivals. Er zijn namelijk naast literatuur en casuïstiek uit het communicatie vakgebied ook talloze artistieke inspiratiebronnen en eigentijdse trends die je als student kunt gebruiken om ervaringen en inzichten op te doen. Het is de kunst om te leren dat alles om te zetten in mooie content, betekenisvolle conversaties en pakkende verhalen.

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Huishoudtrapje

 

 

 

Door een ongelukkige val van een huishoudtrapje beland ik op de Eerste Hulp van ziekenhuis Amstelland. Ik heb erg veel pijn en voel me hondsberoerd. De eerste onderzoeken wijzen uit dat ik mijn linkernier heb gescheurd. Voor een verdere behandeling moet in naar het VUmc of het AMC, afhankelijk van wie er plaats heeft. Het maakt mij niet uit. Beide ziekenhuizen zijn relatief dichtbij. Er schiet even door mijn hoofd dat ik onlangs heb gelezen dat deze twee academische ziekenhuizen bestuurlijk zijn gefuseerd en de komende jaren steeds meer als één organisatie zullen gaan optrekken.

 

Maar de pijn die ik voel overwoekert al snel dit soort gedachten. Uiteindelijk word ik per ambulance overgebracht naar het AMC. Sinds het knippen van mijn keelamandelen rond mijn 13e jaar is dit voor het eerst dat ik in een ziekenhuis word opgenomen.

De eerste 24 uur breng ik (in een roes) door op de Intensive Care afdeling. Ik krijg veel pijnmedicatie toegediend en ook vocht en zuurstof. Ik word opnieuw grondig onderzocht. Na enige tijd krijg ik een scan van mijn nier te zien. Hij is inderdaad door de val in twee stukken verdeeld. De cruciale vraag is of de inwendige bloeding bij mijn gescheurde nier zal gaan stoppen. Als dit op kortere termijn niet gaat gebeuren zal men moeten ingrijpen en de bloedtoevoer naar de nier moeten stoppen. Daarbij zal ik mijn linkernier verliezen.

Na een dag verhuis ik van de IC naar de afdeling Trauma Chirurgie. Ik kom daar weer een beetje bij mijn positieven. Ik voel me enorm gesteund door mijn vrouw en de kinderen. Ook het medeleven van familieleden, vrienden en collega’s doet me enorm goed. Ik heb dat hard nodig want de week die volgt kent de nodige zware momenten. De inwendige bloeding houdt aan, ik heb overal pijn (zowel rond mijn nier als door de vele blauwe plekken die ik heb opgelopen), kan niet goed slapen, houd achter beide longen vocht vast en krijg op een nacht een nare hyperventilatie-aanval. Na een dag of vier keert het tij. Het vocht achter mijn longen is weggehaald, de inwendige bloeding is gestopt (ik kan de helft van mijn nier behouden) en ik word wat mobieler.

Al die tijd verwonder ik me over de manier waarop dingen binnen het AMC op rolletjes lopen. Zo’n grote organisatie en toch zoveel flexibiliteit en persoonlijke aandacht. En met zoveel verschillende rangen en standen en culturele achtergronden. Fascinerend hoe dat allemaal functioneert. Ik heb een vast team van verpleegkundigen en artsen. Het helpt enorm om steeds bekende gezichten te zien. Er is tijd voor een praatje en er wordt met me meegedacht. Bezoek is van 10 uur tot 22 uur welkom. Ik kan elke dag kiezen uit vijf opties voor het avondeten (ook al heb ik weinig trek). Op meerdere momenten per dag krijg ik drinken aangeboden. Als er een scan moet worden gemaakt of een drain moet worden aangelegd staat binnen vijf minuten iemand klaar om me naar de betreffende afdeling te brengen. En dan is er nog de centrale hal met allerlei winkels en koffietentjes. In de laatste dagen ga ik daar graag even naartoe om een uurtje in een andere omgeving te zitten.

Kortom, ik ben tijdens mijn 8-daagse verblijf fan van het AMC geworden. Ik voelde steeds dat ik in goede handen was en dat heeft me enorm geholpen.

Nu gaat dit mooie ziekenhuis fuseren. Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Het is een enorm complex organisatievraagstuk. Ik heb er met verschillende medewerkers over gesproken en proefde geen grote afkeer, maar ook geen groot enthousiasme. De twee ziekenhuizen liggen zeven kilometer van elkaar verwijderd en doen in grote lijnen hetzelfde. Men wil nu na de fusie dat elke locatie zich op bepaalde thema’s gaat toeleggen (bijv. Oncologie op de locatie VUmc en Moeder & Kind op de locatie AMC). Ik kan niet overzien of de voordelen van een fusie opwegen tegen eventuele nadelen. Ik wens alle toekomstige patiënten wel toe dat het niveau van behandeling en verpleging net zo hoog blijft als ik heb ervaren.

En dan ten slotte nog dat huishoudtrapje. Volgens het Centraal Bureau van de Statistiek neemt het aantal valpartijen in huiselijke sfeer toe. Vooral bij senioren stijgen de cijfers exponentieel. Ik ben sinds een paar maanden 60-plusser. Ik ben gewaarschuwd. Ik zal steeds meer moeten gaan oppassen met wat ik doe. Want hoe goed de behandeling ook was, ik heb geen zin om weer in het ziekenhuis te belanden.

Winterswijk

 

 

Ik ben geboren en getogen in Gelderland, maar was tot voor kort nog nooit in Winterswijk geweest. Ik denk dat het door de ligging van het plaatsje komt: in het uiterste oostpuntje van de provincie, omringd door Duits grondgebied. Eindhalte van het boemeltje van Arriva. Geen plaats waar je toevallig even langsrijdt of waar je gemakkelijk een tussenstop maakt. Je moet een gerichte reden hebben om Winterswijk te bezoeken. En die reden had ik onlangs. Mijn vrouw moest op een dag voor haar werk in Winterswijk zijn en ik wilde al enige tijd een kijkje nemen in Villa Mondriaan. Een voornemen dat ik in het Mondriaanjaar (2017) niet had kunnen verwezenlijken. Ook wilde ik graag rondlopen in de voetsporen van Gerrit Komrij, de bekende, veelzijdige schrijver die in 1944 in Winterswijk werd geboren. Ik draag Komrij een warm hart toe sinds hij een kinderversje uit het boekje Ondersteboven dat ik lang geleden publiceerde, opnam in zijn verzamelbundel ‘De Nederlandse Kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten’.

 

Toen ik dat nieuws zo’n tien jaar geleden hoorde ‘zwol mijn borst tot slagschiphoogte’, om Komrij te citeren.

Voldoende reden om deze mede-Gelderlander en zijn geboortedorp enige eer te bewijzen, en nu deed zich een goede gelegenheid voor.

 

Omdat ik in de ochtend nog een aantal verplichtingen had, spraken we af dat ik mijn vrouw in de loop van de middag per trein achterna zou reizen om na mijn Mondriaan-Komrij tour samen elders in de Achterhoek in een sfeervol hotel een hapje te eten en te overnachten. Een mooi plan om het nuttige en het aangename te combineren.

Dat plan werd al bij mijn vertrek vanuit Amsterdam overhoop gegooid. Ik strandde bij station Bijlmer. Het treinverkeer naar Utrecht was verstoord door wat de NS eufemistisch een ‘aanrijding met een persoon’ noemt. Ik moest rekening houden met een oponthoud van minstens twee uur. Ik besloot de metro naar station Duivendrecht te nemen en daar op de intercity naar Apeldoorn te stappen. Er leiden immers meer wegen naar Winterswijk. De intercity reed in Duivendrecht net voor mijn neus weg. Ik moest een half uur wachten op een kil station dat in niets deed denken aan het pittoreske dorpje waar Mondriaan honderd jaar geleden zo graag landschappen en boerderijen schilderde.

Toen ik uiteindelijk op de volgende intercity stapte lag ik inmiddels een uur achter op schema. Ik besloot mijn planning maar los te laten.

In Apeldoorn stapte in over op de stoptrein (door NS en Arriva optimistisch ‘sprinter’ genoemd) naar Zutphen. Een klein half uur later stapte ik uit op het station waar ik als middelbare scholier drie jaar lang was uitgestapt. Ik woonde namelijk in Dieren en zat in Zutphen op het Baudartius College. Het was een plezierig weerzien met veel herkenningspunten. Ik was blij dat mijn omweg me naar deze vertrouwde plek had geleid. Maar veel tijd had ik niet. Ik moest al snel weer overstappen op een volgende sprinter die mij naar mijn plaats van bestemming zou brengen zou brengen.

Uiteindelijk stapte ik pas rond half 5 uit in Winterswijk. Met enige digitale hulp liep ik in tien minuten naar Villa Mondriaan. Om 5 uur zou het museum sluiten. Ik besloot toch een kaartje te kopen. Anders was alle moeite voor niets geweest. In een bovenzaal was een mooie tentoonstelling ingericht met vroeg werk van Piet Mondriaan, Jan Sluijters (een van mijn favoriete schilders) en de mij onbekende Cees Spoor. In 1909 had het Stedelijk Museum Amsterdam een tentoonstelling aan deze drie schilders gewijd en nu waren ze herenigd.

De vriendelijke medewerkers van het museum gaven me toestemming om rond sluitingstijd ook nog even het naastgelegen huis te bekijken waar Mondriaan een aantal jaren heeft gewoond. Maar om tien over 5 was het echt gedaan. Ik liep terug naar het gezellige centrum van Winterswijk voor een ijsje. En kwartier later haalde mijn vrouw me op en vertrokken we naar ons hotel in Bronkhorst.

Ik ben dus netto één uur in Winterswijk geweest. Een bliksembezoek. Hiermee heb ik deze plaats tekort gedaan. En Gerrit Komrij al helemaal. Ik ga zeker nog een keer terug. In de tussentijd moet ik het doen met dit mooie gedicht van Gerrit Komrij over zijn geboorteplaats.

Winterswijk

Soms droom ik, in de verre hete zon,

Dat ik mijn dorpje een bezoek ga brengen,

De school, het groen, de straat waar het begon –

Geen wegen lopen er naar toe maar navelstrengen.

 

Er gloeit en zingt iets aan de horizon.

Ik ben er bijna, in de holte van de kaart –

Ik zal weer samenvallen met mijn bron –

De zijlijn, maar voor mij een omweg waard –

 

De grijze Jacobskerk lijkt wel van goud.

Ik trap het Weurden op zijn staart

Dan, snel, zakt het fantoombeeld, zo vertrouwd,

 

In een diep gat, ik zal er nooit echt komen –

Toch is er iets hardnekkigs in mijn dromen,

Want steeds herhaal ik deze bedevaart.

 

(16 maart 2001; Ergens in de trein tussen Middelburg en Roosendaal)

Balinese bruiloft

 

 

 

 

Als een Balinees stel gaat trouwen, vindt de ceremonie doorgaans plaats in het dorp waar de vader van de bruidegom is geboren. Volgens de traditie behoort de bruid bij de familie van haar man te gaan wonen. Het jonge paar bouwt of krijgt een huisje op het erf van de familie. Bij grotere families is er een erf met meerdere huizen (kampung) waar, naast de ouders, ook ooms en tantes en neven en nichten wonen. Als de (schoon-)ouders oud en hulpbehoevend worden, moeten zoon en schoondochter voor hen zorgen. Tot zover de traditionele gang van zaken.

Het wordt een ander verhaal als de bruidegom van Nederlandse komaf is. Dit maakten wij van dichtbij mee toen onze oudste zoon Lucas begin mei ging trouwen met zijn Balinese vriendin Santie. Het werd een heel bijzondere ervaring. Soms sprookjesachtig en zinnenprikkelend, soms ook bevreemdend en  verwarrend. Maar hoe dan ook onvergetelijk.

 

De datum

Lucas en Santie hadden al een tijd lang 08-08-’18 in hun hoofd als mooie symbolische datum voor hun huwelijk. Deze datum kregen wij dan ook een half jaar geleden bij de huwelijksaankondiging van hen door. Voor ons heel handig, want het viel goed in te passen in onze zomervakantie. Maar anderhalve maand na de aankondiging bleek bij het ‘intake’-gesprek met de Hindoe-priester, dat de gewenste datum niet geschikt was. Van medio juli tot medio augustus kon je volgens diens vaste overtuiging beter niet trouwen: bad kharma. Begin mei zou wel geschikt zijn. Daarmee kwamen alle voorbereidingen onder druk te staan, want dat was drie maanden eerder dan gepland. En reken maar dat er ook op Bali rondom een huwelijk heel veel vooraf geregeld moet worden, zeker ook als er een buitenlandse bruidegom in het spel is. Ook wij moesten opeens snel handelen om vrije dagen op te vragen en tickets en overnachtingen te boeken.

 

De locatie

Omdat er geen Balinese bruidegom was, werd er gekozen voor een bruiloft in het geboortedorp van de ouders van de bruid. De ouders van Santie wonen bij de hoofdstad Denpasar, maar het geboortedorp van Santie’s vader is in een klein dorpje in een niet-toeristische regio van Bali. In dat dorp bevindt zich de kampung van de familie waar alleen nog Santie’s hoogbejaarde grootmoeder en een verzorgende tante permanent wonen. Santie’s vader heeft nog twee oudere broers voor wie dit ook het familie-erf is. De familie komt hier van tijd tot tijd samen als er bepaalde ceremonies zijn. Dan is ook de oudere broer van Santie met zijn gezin aanwezig. Kortom, de hele mannelijke lijn komt op dat erf bij elkaar. De keuze van de locatie betekent daarmee ook dat men Lucas toestaat om van die lijn deel uit te gaan maken. In plaats van het vertrek van een dochter, komt er dus een schoonzoon bij. Dat kan alleen als de direct betrokken mannen daarmee instemmen.

De kampung wordt in de dagen voorafgaand aan de bruiloft geheel versierd.

Om het hek aan de doorgaande weg wordt een kleurrijke ingangspoort geplaatst. Het kan niet missen: hier gaat de bruiloft plaatsvinden. Op de binnenplaats van het erf bouwt men een altaar voor de priester, een podium voor de muzikanten, een foto-hoek en een ruimte voor het buffet. Er worden meerdere ronde tafels en tientallen stoelen geplaatst en aangekleed. Kortom, een festivalterrein in miniatuur-formaat. In de laatste dagen voor de bruiloft begint men met het voorbereiden van het eten. Enorme zakken pepers, uien, knoflook en kruiden worden aangevoerd, schoongemaakt en verwerkt tot boemboes voor de meest heerlijke gerechten. Ondertussen komen de hele dag door buren en kennissen bij wijze van huwelijksgift manden vol rijst en suiker (symbolisch voor vruchtbaarheid en voorspoed) langs brengen.

 

Lucas en Santie mogen het terrein dan niet meer verlaten. Dat zou maar ongeluk brengen. Als ik vraag waar ze slapen zegt Lucas: ‘op de kamer bij mijn schoonouders’. Hij laat me het huisje zien dat bestaat uit een keuken en een klein slaap-/woonvertrek. Overige familieleden die op bezoek komen, slapen elders op het erf in de open lucht.

Op de dag voor de bruiloft wordt Lucas om 4 uur ’s nachts gewekt om aanwezig te zijn bij het slachten van een varken. Gewoon op de grond van het erf. In een mum van tijd wordt dit ‘feestvarken’ ontdaan van zijn kop en ingewanden. Daarna wordt het beest in stukken gehakt en uitgebeend. We zullen er later tijdens de bruiloft heel smakelijk van eten.

 

De kleding

Op de dag van het huwelijk ogen de bruid en de bruidegom als een koninklijk paar uit een Oosters sprookje. In veelkleurige gewaden, met goudkleurige kronen en allerlei sieraden en accessoires. Santie kreunt af en toe onder het gewicht van haar kroon. Haar gezicht is zwaar opgemaakt. Wij kijken naar onze zoon die we al in heel wat outfits hebben zien rondlopen, maar nog nooit in zo iets bijzonders. Alle directe familieleden zijn traditioneel gekleed (sarong en kebaya voor de vrouwen, sarong en jasje voor de mannen).

Wij hebben drie maanden geleden al onze kledingmaten moeten doorsturen en bij aankomst op Bali hebben we alles moeten passen onder toeziend oog van de kleermaakster. Dankzij deze kleding weten alle bruiloftsgasten wie de ouders en broers en zussen van het bruidspaar zijn. ’s Avonds kleden Santie en Lucas zich om en verschijnen ze wederom in prachtige feestkleding, maar dit keer met wat minder uitbundige hoofdtooien.

 

Hindoe rituelen

De bevolking van Bali hangt een eigen vorm van hindoeïsme aan. Het leven op Bali is vol van  gebruiken en rituelen. Balinezen besteden veel tijd, aandacht en geld aan al deze religieuze handelingen. Voor buitenstaanders is het vaak mooi om te ervaren: de offertjes, de tempels en de toewijding. Sommigen vinden Bali daarom heel inspirerend, anderen ervaren het meer als naïef bijgeloof. Hoe dan ook, wie op Bali woont en werkt, en zich wil voegen naar het Balinese leven, moet ook de levenswijze van de hindoes aannemen. Daar heeft Lucas ook voor gekozen. Op de dag van zijn huwelijk moet hij ook zijn toetreding tot het hindoe-geloof afronden. Hij heeft de maanden daarvoor al stappen gezet en nu wachten de laatste rituelen. Op de huwelijksdag moet hij ’s ochtends om half 4 opstaan om in de plaatselijke tempel zijn hoektanden te laten vijlen. Daarin huizen namelijk kwade geesten. Wij willen daar getuige van zijn, dus ook wij staan voor dag en dauw op. Uiteindelijk begint de ceremonie pas om 5 uur. Bij het kraaien van de haan worden er gezangen voorgedragen en Lucas wordt op een  hoogbed gelegd, waarna een traditioneel geklede man met een vijl aan de slag gaat.

Het is geen prettig gezicht, ook al schijnt het geen pijn te doen. Ook een neef en een nicht van Santie ondergaan dit lot. Nu er toch een priester is ingehuurd voor deze dag, kunnen zij tegen groepstarief hun laatste toetredingsrituelen ondergaan. Drie voor de prijs van één. Rond zes uur is alles klaar en gaan wij terug naar het hotel om ons op te frissen en aan te kleden. De dames in ons Nederlandse gezelschap schuiven één voor één aan bij de ingehuurde Balinese ‘make up artist’. Tegen 9 uur vertrekken we passend gekleed en gekapt met auto’s en scooters naar de bruiloft.

 

Op de foto

Als we op het erf aankomen loopt Lucas al in vol ornaat rond. Santie wordt nog opgemaakt. We krijgen een kop koffie en wachten de komst van de bruid af. Even later komt ze, oogverblindend,  tevoorschijn.

Daarna volgen een paar fotomomenten. Iedereen gaat met het stralende bruidspaar op de foto: ons gezin, Santie’s gezin, de twee gezinnen samen, een dozijn overgekomen Nederlandse vrienden, buren, ooms en tantes. Daarna gebeurt er even niets bijzonders. We drinken nog maar wat koffie of thee, terwijl er meer en meer dorpsgenoten en andere gasten het erf opkomen.

 

Mannenpraatgroep

Op een gegeven moment zitten zo’n vijftien mannen in een kring op de grond bij elkaar. Ik vraag een Balinese vriend van Lucas wat er gaande is. Hij legt me uit dat de vader van Santie nu in bespreking is met zijn oudere broers en enkele gezaghebbende dorpsgenoten. Het gaat om de vraag of zij Lucas willen accepteren in de familie en in de dorpsgemeenschap.

Bij toerbeurt nemen enkele mannen het woord en houden daarbij stevige monologen. Ook gaan er verschillende formele documenten rond. Ik herken daarbij ook een kopie van een Nederlands document dat ik een paar maanden geleden naar Lucas had opgestuurd.

Opeens komt er een doosje tevoorschijn. Het doosje gaat open en er zitten twee ringen in. Wij grijpen snel naar onze fototoestellen, omdat we begrijpen dat dit plotseling een belangrijk moment wordt. Santie en Lucas schuiven de ringen om elkaars vinger en daarmee eindigt het gespreksritueel. ‘Zijn jullie nu formeel getrouwd?’, vragen wij. Ze geloven van wel, maar ze moeten ook nog een Hindoe-ritueel ondergaan. Voor de zekerheid feliciteren we hen alvast en wachten af wat er verder gaat komen.

Priester en artiesten

De plaats van handeling verschuift naar een ander deel van het erf waar een verhoogde stellage voor de priester is gebouwd (we zijn deze eerbiedwaardige man daarom ook ‘hogepriester’ gaan noemen). Lucas en de neef en nicht bij wie ’s ochtends ook de hoektanden zijn gevijld, ondergaan een laatste inwijdingsritueel. Santie heeft hierdoor even rust. Dat mag ook wel want de afgelopen dagen waren erg (in-)spannend voor haar. Het ritueel bestaat uit meerdere onderdelen en zal uiteindelijk zeker een uur duren. Het duurt zo lang omdat Lucas in één keer een aantal handelingen moet ondergaan die alle fasen uit zijn leven omvatten, terwijl Balinezen dit in de loop van hun leven stapsgewijs via meerdere rituelen doen.

Er worden stukjes van Lucas’ haar geknipt, hij wordt besprenkeld met heilig water, er wordt wierook gebrand, etc. De priester laat voortdurend een schel belletje rinkelen en op de achtergrond speelt een driekoppig gamelan-orkestje. Al onze zintuigen worden volop geprikkeld. Ook beginnen we het behoorlijk warm te krijgen omdat dit deel van de kampung minder beschutting kent.

Als het inwijdingsritueel is afgerond, volgt de ceremoniële inzegening van het huwelijk. Wij hebben hierbij als ouders ook een rol. Samen met de ouders van Santie lopen we achter het bruidspaar aan dat een paar rondjes maakt rondom een aantal offers die op de grond liggen. Lucas moet op een paar offers stampen met zijn voet en met een kleine kris moet hij een gevlochten matje doorboren dat Santie voor haar buik houdt. Deze symbolische handeling laat weinig te raden over.

Daarna lopen we met hen naar het huis van Santie’s ouders. Lucas krijgt van zijn schoonvader een soort bamboe-juk op zijn schouder waarmee hij de zorg voor Santie symbolisch van hem overneemt. Bij het huis staan twee takken tegen de deurposten geplaatst met een touwtje ertussen. Santie moet nu het huis binnenlopen en het touwtje met haar buik wegduwen. Alsof ze een lintje doorknipt. Daarna keren we terug naar de centrale binnenplaats waar al die tijd meerdere artiesten aan het optreden zijn: twee traditionele Balinese danseressen, twee stand up comedians met beschilderde gezichten en een als vrouw verklede man die (ondeugende) liedjes zingt.

 

Het publiek is door het dolle heen. Wij begrijpen er nauwelijks iets van. Ook begrijpen we niet waarom dit gedurende de huwelijksceremonie van de priester al is begonnen. Later horen we dat Balinezen zo vaak huwelijksceremonies meemaken, dat ze graag wat aanvullend entertainment willen hebben tijdens de gebeurtenis.

Als dit onderdeel helemaal is afgerond zien we dat Lucas en Santie van alle kanten worden gefeliciteerd, dus dat doen wij ook nog maar een keer.

 

Eten en drinken

Na alle plechtigheden en het amusement is het tijd voor eten en drinken. Er staat een heerlijk buffet klaar en iedereen gaat met een bord vol lekkers aan de ronde tafels zitten. Daarna willen mensen met Lucas en Santie (en met ons) op de foto.

Langzaam maar zeker stroomt het erf leeg. Lucas en Santie zijn opeens ook verdwenen en wij zitten wat rond te kijken. Wat zullen we gaan doen? We willen dolgraag terug naar het hotel om ons wat op te frissen, maar kan dat wel? Is dat niet onbeleefd? Als we van Ita, de schoonzus van Santie, begrijpen dat het geen probleem is, gaan we een paar uur terug naar ons hotel voor een verkoelende duik in het zwembad.

 

Avondprogramma

Vanaf een uur of 6 ’s avonds stroomt de kampung weer vol. Dit keer zijn het vooral vrienden van Lucas en Santie. Het ochtendprogramma was kennelijk vooral voor de dorpsgenoten en directe familie. Lucas en Santie dragen prachtige groene gewaden. Een keyboardspeler en een zangeres zorgen voor moderne muziek en er wordt gedanst. Dit is een onderdeel dat het Nederlandse contingent goed begrijpt, dus we gaan allemaal de dansvloer op. Er treden diverse zangers op, waaronder Bari, de broer van Santie. Ook Lucas zingt een Balinees duet met zijn vriend Putu Marlen. Veel hilariteit ontstaat bij het optreden van twee ‘boum boum’-danseressen. Tot groot vermaak van het publiek worden mannen de dansvloer op getrokken om te dansen met deze verleidelijke, heupwiegende dames. Dan is het de beurt aan een grote muziek- en dansgroep (gencek) van wel 25 mannen. Ze zitten in een vierkant op de grond en zingen en bewegen op de opzwepende muziek. De rest van de avond is er tijd voor lekkere dansmuziek en gaan de benen weer van de vloer.

Op een gegeven moment pakken de vrienden van Lucas de microfoon en een gitaar om twee liedjes van Acda en De Munnik te zingen die zij bij Lucas vinden passen: ‘Het regent zonnestralen’ en ‘De stad Amsterdam’. Lucas en wij zingen uit volle borst mee en de Indonesische vrienden kijken geamuseerd toe. Ik neem aansluitend de microfoon over. Niet om te zingen, maar om wat te zeggen. We hebben toespraken voorbereid, maar merken dat dit niet echt een goede setting daarvoor is. Toch wil ik graag de ouders en broer en schoonzus van Santie bedanken voor hun gastvrijheid, hun inzet bij alle voorbereidingen en voor het opnemen van Lucas in hun familie. De taal blijft een probleem, want zij spreken geen Engels. Maar de boodschap komt gelukkig goed over en wordt met vriendelijke gebaren in dank aanvaard.

Rond 22.00 uur is het feest over z’n hoogtepunt heen en vertrekken de meeste gasten. Velen moeten nog een heel eind door het donker terugreizen. Ook wij gaan terug naar ons hotel. We hebben voor deze nacht een extra kamer geboekt voor Lucas en Santie en geven hen de sleutel. Zij moeten nog wachten tot de laatste gasten weg zijn; wij gaan alvast. We spreken af om morgen samen te ontbijten. Bij het hotel zitten we nog even met de hele Nederlandse club bij elkaar voor het uitwisselen van ervaringen en een laatste drankje. Iedereen is onder de indruk van de dag en vond het een heel bijzondere ervaring, al was het vooral in de ochtend soms lastig om te volgen wat er op bepaalde momenten precies gebeurde. Dat maakte ons af en toe meer toeschouwer dan deelnemer. Een mengeling van verrassing, verbinding en verwondering.

 

Nog even onder elkaar

De volgende ochtend verzamelen we ons voor het ontbijt op het grote hotelterras dat prachtig uitzicht biedt op de belangrijkste berg van Bali: de vulkaan Gunung Agung. Lucas en Santie schuiven als laatsten aan.
Na het ontbijt is het een goed moment om Santie en Lucas toe te spreken. We delen woorden en emoties met elkaar. Iets wat op de dag van de bruiloft zelf minder goed in te passen was. Dan neemt Lucas het woord en vertelt hoeveel steun hij heeft gehad aan de aanwezigheid van zijn familie en vrienden.

Hij maakt geëmotioneerd duidelijk hoe zeer hij ons mist, maar ook hoe graag hij zijn Balinese droom wil realiseren. Hij laat zijn hart spreken en weet iedereen te raken. Daarmee vullen we met elkaar in wat nog oningevuld was gebleven. Zo wordt deze ochtend de perfecte afronding van een onvergetelijk bruiloftsfeest.

 

 

 

 

Leestip: Van bacterie tot Bach en terug

 

Ik heb de afgelopen weken met veel belangstelling het boek ‘Van bacterie tot Bach en terug’ van Daniel Dennett gelezen. Een pittig boek over taal, communicatie, bewustzijn en begrip.  Ik vind er veel zaken in terug die samenhangen met het vakgebied Communicatie waarmee ik me als docent al jarenlang bezighoud. Ik deel hieronder wat inzichten en interpretaties. Gebaseerd op dit boek, maar wel ‘vertaald’ in eigen woorden.

 

Mensen zijn tot elkaar veroordeeld. Ze slaan de handen ineen of vliegen elkaar in de haren. Ze leren door imitatie en herhaling van ouderen die het destijds als jongeren ook weer door imitatie en herhaling hebben geleerd. Alles volgens een darwinistisch principe: aanpassing aan omstandigheden door te kijken wat wel werkt en wat niet. Dit mechanisme noemt Dennett: competentie zonder begrip. Je doet iets (of je doet iets na) en dan blijkt of het werkt of niet. Als het niet werkt loop je schade op of ga je dood. Als het wel werkt overleef je en geef je het door. Niet omdat je dat van tevoren zo had uitgedokterd, maar omdat je er mee verder bent gekomen.

Uit de recensie van Hendrik Spiering (NRC, 12 januari 2018):

“de kern van zijn (Dennett’s) theorie over de oorsprong van het menselijke bewustzijn is simpel. Wij danken ons bewustzijn aan taal. Ons bewustzijn ontstond omdat het evolutionair nut had als controle-instrument voor onderlinge communicatie. En dankzij die ontwikkeling kunnen wij mensen nu als enige dieren op deze wereld abstract denken, poëzie scheppen én filosofische boeken schrijven.”

Communicatie helpt om de menselijke samenwerking (of competitie) te versterken. We gebruiken zintuiglijk waarneembare (te onderscheiden) uitingen (gebaren, woorden, geluiden, aanrakingen en beelden) om informatie met anderen uit te wisselen. Bewust of onbewust. Bedoeld of onbedoeld.

Vanuit de ‘zendende’ mens gezien: er ontstaat een ontwikkeling van bewustzijn om de uitgaande communicatie te controleren. Om toe te zien op wat we wel en niet willen zeggen en delen. Met dat bewustzijn ontstaat ook het menselijke begrip. Snappen waarom en waartoe. Niet meer puur vanuit instinct, maar op basis van een redenering, een gedachte, een bedoeling.

Vanuit de ‘ontvangende’ mens gezien: informatie is afhankelijk van wat ‘de ontvanger’ al weet. Semantische informatie is betekenisvol. Door te kunnen onderscheiden wat betekenisvol is kun je je situatie verbeteren.

Voor beide partijen is onderscheiden een sleutelwoord. De zendende partij moet zich met zijn uiting weten te onderscheiden, de ontvangende partij moet het geuite kunnen onderscheiden.

De gebruikte uitingen hebben een bepaalde betekenis die vooral door imitatie en herhaling tot ontwikkeling komt. Die uiting is een uitdrukking of vertaling van een concept in het hoofd van de ene persoon die hij probeert over te brengen op een andere persoon. Dat concept heeft betrekking op een al dan niet waarneembaar stoffelijk voorwerp (hand, kat, boom, huis) of geestelijk idee (warmte, liefde, respect). Zo heb je drie elementen:

  1. het voorwerp of idee,
  2. het daarop betrekking hebbende concept in het hoofd van een persoon
  3. de vertaling van dit concept over een bepaald voorwerp of idee in de vorm van een uiting.

Sommige uitingen (klanken, gebaren of tekens) hebben een duidelijke gelijkenis met het betreffende object. Denk aan het woord koekoek, aan hiëroglyfen, het mail-icoontje op een smartphone of een portrettekening. Andere klanken, gebaren of tekens zijn meer abstract en vergen meer ervaring in betekenisverlening en patroonherkenning. Volgende generaties weten misschien niet meer dat het mail-icoontje een envelop afbeeldt, omdat ze geen ervaring hebben met papieren brieven en enveloppen.

Degene die de uitingen samenstelt ( de ‘zender’) kan heel doelbewust proberen bepaalde betekenissen op te roepen door voort te borduren op oudere routines en bestaande betekenisvormen. Scenaristen, schilders, tekstschrijvers, fotografen, muzikanten, PR-professionals en politici maken hier graag gebruik van. Denk aan de vaste vijf delen van de Griekse tragedies, de ideale beeldverhoudingen volgens de gulden snede, de veertien regels van het sonnet, de drie basisakkoorden van de blues, maar ook aan vaak gebruikte argumentatieschema’s en reclametechnieken. Er wordt eindeloos geïmiteerd, doorontwikkeld, geplagieerd, aangepast. Geen Beatles zonder Bach, geen West Side Story zonder Romeo en Julia, geen Jesse Klaver zonder Barack Obama, geen Santa Claus zonder Sint Nicolaas, geen …. Zo ontstaan clichés, pastiches, bewerkingen en verwijzingen. Soms regelrecht gekopieerd, soms in een nieuw jasje gestoken, soms compleet gerenoveerd met nog maar een heel klein restant van het oorspronkelijke patroon. Het levert een spanningsveld op van enerzijds voldoende betekenisvol zijn (bekende elementen gebruiken, anders snapt men wat ik wil overbrengen) en anderzijds voldoende onderscheidend zijn (anders ziet men mij niet, word ik niet waargenomen). Vergelijk het met het innovator’s dilemma en de ‘chasm’ (Geoffrey Moore, 1991: http://soloway.pbworks.com/w/file/fetch/46715502/Crossing-The-Chasm.pdf).

Aan de kant van de ‘ontvangers’ zorgen herhaling, training en educatie voor versterking van de patroonherkenning. Oefening baart kunst. Wie die kunst verstaat heeft aan een half woord (of een half logo, of de eerste tonen van een melodie) al genoeg om het geheel te herkennen. Ook kan hij gehusselde letters omtoveren in normale woorden en herkent hij patronen in schijnbaar losse tekens (denk aan de Gestalt wetten).

Hoe meer mogelijkheden mensen ontwikkelen om informatie uit te wisselen (alfabetten, boeken, wiskunde, computers), hoe groter de cumulatie van betekenisvolle informatie. Ieder jaar verschijnen weer nieuwe boeken, nieuwe films, nieuwe auto’s, nieuwe robots, nieuwe apps. Slimmer, smarter, sneller. We kunnen hierdoor informatie gebruiken om nog beter te worden in het verwerken van informatie. Een cumulatief, zichzelf versterkend proces.

Dat vergt ook een accumulatie van competenties om informatie te ontvangen en te verwerken. Dat gaat velen goed af, maar velen ook niet. In Nederland zijn er momenteel 2,5 miljoen mensen die moeite hebben met lezen, schrijven en rekenen. Zij kunnen op tal van fronten minder goed meedoen. In termen van Dennett: zij hebben in dit informatietijdperk minder mogelijkheden om semantische informatie te benutten en daarmee hun situatie te verbeteren. Een soort nieuwe kenniskloof (Noelle-Neuman), of ‘digital divide’.

https://www.lezenenschrijven.nl/nieuws/laaggeletterden-lopen-jaarlijks-ruim-half-miljard-aan-inkomsten-mis/

Het oermodel van communicatie (van Shannon & Weaver) is 70 jaar oud. Reden voor een feestje?

 

 

 

 

 

De moeder van alle communicatiemodellen viert dit jaar haar 70e verjaardag. Is dit reden om groots feest te vieren of moeten we haar met zachte dwang de weg naar het rusthuis wijzen? Laten we het model eerst eens nader onder de loep nemen voordat we een oordeel vellen.

 

Shannon op zoek naar een meet-methode

In 1948 publiceerde Claude Shannon onder de titel A Mathematical Model of Communication een tweetal artikelen voor het Bell System Technical Journal. Dit was een wetenschappelijk tijdschrift van de American Telephone and Telegraph Company (AT&T). De titel van zijn teksten en het karakter van het vakblad verwijzen al naar de technisch-wiskundige grondslag van het model. Shannon, een wiskundig ingenieur, was vooral geïnteresseerd in het vervolmaken van de technische overdracht van informatie. Niet vreemd voor iemand die bij een telefoonmaatschappij in dienst was. In de inleiding van zijn artikel formuleert hij zijn studie-object als volgt:

The fundamental problem of communication is that of reproducing at one point either exactly or approximately a message selected at another point.

Shannon ontwikkelde voor zijn berekeningen een ‘general communication system’ dat uitgroeide tot hèt basismodel van communicatie. Dit basismodel is nog steeds terug te vinden in de handboeken van communicatiewetenschap en wordt doorgaans het Zender-Kanaal-Ontvanger model genoemd.

 

 

De essentie van dit ‘schematic diagram’ was het weergeven van het proces van overdracht van informatie, waarbij Shannon zocht naar manieren om de hoeveelheid informatie te meten en naar een berekeningswijze voor de capaciteit van een kanaal om informatie over te brengen. In feite maakte Shannon een soort werktekening, zoals je die bijvoorbeeld op de website van een bouwmarkt kunt vinden als je wilt weten hoe een elektrisch circuit in elkaar zit. In zijn publicatie van 1948 maakte Shannon onderscheid tussen drie soorten communicatie-systemen: discrete (bijv. morse-tekens bij telegrafie), continue (bijv. radio en televisie) en gemengde systemen (bijv. gesproken woord). Per systeem werkte Shannon grote series berekeningen uit. Wie zijn originele artikel bekijkt zal versteld staan van de vele wiskundige formules die pagina na pagina worden gepresenteerd. De meeste daarvan zullen menig communicatiekundige (inclusief mijzelf) boven de pet gaan.

Voorbeeld pagina’s

Weaver als promotor van het denken van Shannon

Een jaar later, in 1949, verzorgde Warren Weaver, een collega van Shannon, een heruitgave van de artikelen van Shannon en voorzag deze van een voor een breder publiek toegankelijke inleiding. Het kwam als boekje op de markt onder de titel The Mathematical Theory of Communication. De subtiele verandering van het woord ‘A’ in ‘The’ geeft aan dat Weaver en Shannon zelfbewust een algemeen geldend model wilden presenteren. Vanaf dat moment nam het Shannon & Weaver systeemmodel een enorme vlucht.

Weaver benadrukte dat het om een ‘information theory’ ging. Hierbij moest informatie niet verward worden met betekenis.

The word information, in this theory, is used in a special sense that must not be confused with its ordinary usage. In particular, information must not be confused with meaning.

Hij herhaalde met andere woorden een passage uit de inleiding van het artikel van Shannon uit 1948:   ‘These semantic aspects of communication are irrelevant to the engineering problem.’

Shannon en Weaver zijn in dit opzicht meer te beschouwen als tellers dan als noemers. Waar het Shannon en Weaver om ging was het bepalen van de mate van vrijheid om een boodschap te selecteren die je wilt verzenden. Simpel gezegd wordt de hoeveelheid informatie bepaald door het logaritme van het aantal beschikbare keuzes. In een heel eenvoudige situatie zou je de keuze hebben tussen twee boodschappen.

The transmitter might code these two messages so that “zero” is the signal for the first, and “one” the signal for the second; or so that a closed circuit (current flowing) is the signal for the first, and an open circuit (no current flowing) the signal for the second. Thus the two positions, closed and open, of a simple relay, might correspond to the two messages.

In dit citaat herkennen we de nullen en de enen van het binaire positiestelsel dat we zo goed kennen in ons digitale tijdperk. Shannon en Weaver spreken in dit verband letterlijk over bits (binairy digits), een term die zij toeschrijven aan J.W. Tukey.

 

Entropy, redundancy, noise

In het werk van Shannon en Weaver vervullen de termen ‘entropy’, ‘redundancy’ en ‘noise’ een belangrijke rol. Entropy (of entropie in het Nederlands) is de mate van onzekerheid, willekeur of desorganisatie van een situatie. Hoe meer entropie, hoe groter het aantal keuzes bij het samenstellen van een boodschap. De term redundantie verwijst juist naar het tegendeel: zekerheid of voorspelbaarheid. Redundantie heeft betrekking op dat deel van een boodschap dat wordt bepaald door vaste gebruiksregels van symbolen en niet wordt bepaald door de vrijheid van de zender. Zo kan een boodschap die een paar taalfouten bevat toch goed ontvangen worden door een ontvanger, omdat hij de spelregels van de grammatica kent. Er is sprake van ‘noise’ als er iets met het signaal gebeurt zonder dat de bron dat bedoelde. Denk aan een lawaaierige omgeving, een storing op TV, of een vervorming van een afbeelding. Daarom helpt het om een boodschap te herhalen (redundantie) om mogelijke misverstanden door ‘noise’ tegen te gaan.

Paradoxaal genoeg wil een boodschapper kunnen beschikken over veel vrijheidsgraden (veel entropie) om zijn boodschap te kunnen samenstellen. Dat levert rijkere informatie op. Aan de andere kant verhoogt rijke, complexe informatie de kans op ‘noise’ en misverstanden.

 

Wat is in 2018 nog de betekenis van het oer-model Shannon & Weaver?

Wie geïnteresseerd is in communicatie en wat wil leren over de betekenislagen van boodschappen,  over de invloed van de sociale omgeving, over mediumspecificiteit, over feedback en interactie, of over de impact van maatschappelijke ontwikkelingen, komt niet veel verder met het model van Shannon & Weaver. Daarvoor is het te mechanisch, te eenzijdig, te eendimensionaal.

Weaver erkende dit ook in zijn inleiding. Hij schetste drie vraagstukken:

LEVEL A. How accurately can the symbols of communication be transmitted? (The technical problem.)

LEVEL B. How precisely do the transmitted symbols convey the desired meaning? (The semantic problem.)

LEVEL C. How effectively does the received meaning affect conduct in the desired way? (The effectiveness problem.)

Hij gaf aan dat Shannon en hij zich vooral richtten op Level A: het technische vraagstuk van symbool-transmissie. Zeventig jaar geleden hadden beide wiskundigen dus niet de illusie om alle aspecten van menselijke communicatie te vangen in hun model en berekeningswijzen. Geen wonder dat communicatiewetenschappers en praktijkmensen in de afgelopen decennia het basismodel op allerlei manieren hebben aangevuld of aangepast. Opmerkelijk genoeg is men daarbij zelden helemaal los gekomen van het oorspronkelijke model. Shannon en Weaver blijven in die zin een moeilijk te omzeilen referentiepunt. Je kunt er als het ware niet om heen. Je kunt het denken over communicatie niet goed begrijpen als je dit model niet kent. Daarom blijf je het in allerlei boeken en beschouwingen tegenkomen. Het probleem daarbij is dat vooral het plaatje (de tekening) blijft hangen, maar de technisch-wiskundige intentie niet. Met als gevolg dat men 70 jaar na dato toch vaak simpelweg denkt dat communicatie zo verloopt als Shannon en Weaver het (met een andere bedoeling!) hebben geschetst.

De vaak niet opgemerkte waarde van het werk van Shannon en Weaver is het feit dat zij tot de grondleggers behoren van wat de information theory wordt genoemd. Zij zijn naast anderen de wegbereiders van de digitale revolutie geweest waarin technisch gesproken de mate van (noise-vrije) ongestoorde informatie-overdracht tot ongekende mogelijkheden heeft geleid. In de woorden van Daniel Dennett:

Door alle codes, ook woorden in gewone taal, te converteren naar binaire code (…) liet Shannon zien hoe ruisreductie onbeperkt verbeterd kon worden en hoe de kosten (in termen van coderen en decoderen en vertraging van transmissiesnelheid) exact gemeten konden worden, in bits.

 

Slingers of rusthuis

De moeder, of beter nog grootmoeder, van alle communicatiemodellen is jarig. Dat verdient een feestje, omdat Shannon en Weaver wezenlijk hebben bijgedragen aan het verbeteren van het technische aspect van informatie-overdracht; iets waar wij in het digitale tijdperk enorm van profiteren. Maar laten we stoppen hun model op te vatten als hèt universele model van menselijke communicatie. Ironisch genoeg hebben we als ontvangers te lang en hardnekkig de boodschap van de zenders Shannon & Weaver verkeerd opgevat.

Daarom dus taart voor Shannon & Weaver, maar onze foute interpretatie van hun model mag definitief naar het rusthuis.

 

 

Ik heb bij het schrijven van dit blog dankbaar gebruikt gemaakt van de volgende bronnen:

  • De originele teksten van Shannon (1948) en Shannon & Weaver (1949).
  • Communication Theories van Severin & Tankard.
  • Communicatiebeleid en communicatiestrategie van Henk-Jan Rebel (een boek dat in de vergetelheid is geraakt, maar 18 jaar na publicatie nog steeds een heel waardevolle bron is).
  • Van bacterie naar Bach en terug van Daniel Dennett (een fascinerend boek dat vorig jaar is verschenen en inzichten biedt in de ontwikkeling van ons denken; in Deel II veel aandacht voor informatie en taal)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Gepakt door SuitSupply

 

 

 

 

Pakkenzaak SuitSupply (‘businessmode voor mannen’) slaagt er geregeld in met controversiële reclamecampagnes een storm van reacties los te maken. Onder het motto sex sells vulde SuitSupply de afgelopen jaren in heel het land billboards en abri’s met royaal afgebeeld vrouwelijk naakt. Kennelijk moesten vrouwen uitgekleed worden om de jonge zakenman aangekleed te krijgen. De controversiële afbeeldingen zorgden voor bergen kritiek op social media en talloze klachten bij de Reclame Code Commissie. De teneur: vrouwonvriendelijk, platvloers, seksistisch. De mensen van SuitSupply zullen het geweldig hebben gevonden. Hoe meer rumour around the brand, hoe beter.

De meest recente campagne van SuitSuplly laat een geheel ander beeld zien. Dit keer is er geen vrouwenbil of -borst te zien, maar staan er zoenende mannen op de posters. Dat is andere koek.

Maar net als bij vorig campagnes zijn ook nu de reacties niet van de lucht. Niet alleen op social media, maar ook op de billboards zelf. Er zijn vele meldingen van beschadigingen en bekladdingen. Helaas zijn er nog hordes homofobe mensen in Nederland niet te beroerd een smerig spoor van vernieling aan te richten. Die incidenten leiden op hun beurt weer tot veel publieke en ook politieke verontwaardiging over zulke grove uitingen van homohaat. Ik heb echter het bange vermoeden, dat de mensen van SuitSupply zich wederom in hun handen wrijven.

SuitSupply is namelijk geen COC of uithangbord van de LHBT-beweging, maar een commercieel bedrijf dat graag veel pakken verkoopt. Daar is op zich niets mis mee. De vroegere campagnes laten zien dat SuitSupply doelbewust de grenzen opzoekt. Het doel heiligt de middelen. Dat geldt nu ook. Deze nieuwe  posters gaan helemaal niet over homo-emancipatie. Het is fikkie stoken rondom thema dat licht ontvlambaar is. Wie denkt dat SuitSupply zo begaan is met de homobeweging vergeet dat de organisatie op dit punt geen bewezen staat van dienst heeft. En zelfs als de mensen van SuitSupply een roze hart hebben, is het een slechte keuze om via posters campagne te voeren voor een maatschappelijke kwestie.

We weten dat van de discussie over de posters die de gemeente Rotterdam samen met Femmes for Freedom vorig jaar in de stad liet ophangen. Posters over vrije partner-keuze voor vrouwen met daarop uiteenlopende zoenende stellen: lesbische vrouwen, een moslima met een jood, etc.

Poster gemeente Rotterdam: In Nederland kies je je partner zelf

Ook die posters riepen veel reacties op. Vanuit communicatiewetenschappelijke hoek werd aangegeven dat  dergelijke campagnes (los van de wellicht beste bedoelingen) weinig zinvol zijn of zelfs contra-productief. Prominent gedragsdeskundige Reint-Jan Renes betoogde treffend dat de gemeente Rotterdam met deze postercampagne de plank missloeg:

In gesprekken, aangewakkerd door de campagne, wil (wethouder) Schneider mensen die niet zelf mogen kiezen en mensen die anderen belemmeren vrij te kiezen ‘overtuigen dat het normaal is dat vrouwen hun eigen partner mogen kiezen’. Klaarblijkelijk is de wethouder niet bekend met het fenomeen myside bias, de neiging van mensen om informatie in lijn met hun eigen mening te omarmen en alles wat ertegenin gaat af te wijzen. In een klassieke Stanford-studie bestudeerden voor- en tegenstanders van de doodstraf gelijkwaardige statistieken pro en contra de afschrikwekkende werking van de doodstraf. De voorstanders beoordeelden de pro-doodstraf feiten als zeer overtuigend en de contra-gegevens als ongeloofwaardig (vice versa voor de tegenstanders). Na het bestuderen van de statistieken waren bestaande meningen over de doodstraf significant sterker geworden. Eenmaal gevormd zijn opinies opmerkelijk hardnekkig. Een normatieve campagne (‘wij doen het goed en jullie doen het fout’) creëert weerstand, verhardt de tegenstellingen en maakt een goed gesprek bijna onmogelijk.[1]

Dus zelfs als de SuitSupply zou claimen een statement te willen maken ten gunste van homo’s, is er voor de verkeerde aanpak gekozen. Maar zo nobel is de pakkenzaak helemaal niet. SuitSupply wil met niemand een goed gesprek aangaan. SuitSupply trekt belletje en holt daarna hard weg. En wij zitten met de gebakken peren en mogen hopen dat deze campagne niet bijdraagt aan verdere verscherping en vervuiling van het debat. Terwijl wij daarover via commentaren, cartoons en columns (en blogs) onze zorgen uiten, zitten de mensen van SuitSupply vast weer te broeden op hun volgende campagne met een lekker nieuw controversieel thema: de bio-industrie, racisme, mishandeling…. Keuze genoeg om ons allemaal opnieuw te pakken te nemen.

 

[1] http://www.trajectum.hu.nl/zoenende-moslimas/

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

De mensen van Maastricht

 

 

 

 

Jaren geleden gingen mijn vrouw en ik een paar dagen naar Londen. Op de eerste avond hielden we zo’n typisch Britse taxi aan. De chauffeur begroette ons allerhartelijkst. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en maakte een gezellig praatje met ons. Toen we bij ons hotel waren aangekomen en hadden betaald nam hij afscheid met de woorden: “we are very happy to have you here!” Door het woordje ‘we’ leek het alsof hij ons namens heel Londen welkom heette. Een echte ambassadeur van zijn stad.

Organisaties hopen dat hun medewerkers zich net als deze chauffeur gedragen: vriendelijk, service-gericht en representatief. Bij de afdeling Interne Communicatie hanteert men vaak de slogan “intern beginnen is extern winnen”. Stel je voor dat iedere medewerker zich als een ware ambassadeur zou gedragen; dat zou een enorme impuls geven aan de verkoopcijfers en de klanttevredenheid. Organisatie zetten om die reden dikwijls trainingsprogramma’s en instructiebijeenkomsten op om hun medewerkers zo ver te krijgen, met als boodschap: “je bent het visitekaartje van de organisatie”.

Ook steden krijgen hiervoor steeds meer oog. Geïnspireerd door vakgebieden als ‘city branding’ of ‘destination marketing’ probeert men niet alleen bedrijven, expats en toeristen aan te trekken, maar erkent men ook in toenemende mate de belangrijke rol die de eigen burgers spelen bij de beeldvorming en belevenis van de stad. Positieve en representatieve burgers zijn onmisbaar voor de profilering van een stad. Meer dan de bestuurders of de bedrijven zijn het juist de burgers, winkeliers en horeca-medewerkers die de belofte van een stad moeten waarmaken.

Als je wilt weten waar dat heel goed wordt ingevuld, moet je een paar dagen naar Maastricht gaan. Onlangs waren we een paar dagen in deze mooie stad aan de Maas. We kennen de stad redelijk goed, maar ons laatste bezoek was toch al weer een jaar of zes geleden. Het was een plezierig weerzien. Niet alleen vanwege de gezellige pleinen, de prachtige kerken, de fraaie winkels en de heerlijke restaurants, maar juist ook vanwege de gastvrijheid van de Maastrichtenaren.

 

Natuurlijk, dé Maastrichtenaar bestaat niet, maar we vonden het opvallend hoe we overal vriendelijk werden verwelkomd en geholpen. In ons hotel, in de boekhandel, op het terras, in het museum, in de winkel, op de markt. Meer dan we in andere steden hebben ervaren. Dat kan geen toeval zijn. Het is in ieder geval niet het resultaat van een collectieve motivatietraining die alle inwoners hebben moeten ondergaan. Volgens mij komt het omdat de Maastrichtenaren goed in hun Maastrichtse vel steken en dat met een natuurlijke vanzelfsprekendheid uitstralen. Zij voelen zich sterk verbonden voelt met de stad. Maastricht is hun stad. Een stad die niet alleen mooie gebouwen en pleinen heeft, maar ook vele tradities, een rijk verenigingsleven en een eigen dialect: Mestreechs. Dat geheel vormt een fijnmazige culturele voedingsbodem die niet zichtbaar is op Google maps, maar wel voelbaar in de omgang met Maastrichtenaren. Hun vriendelijkheid en gastvrijheid zijn niet gespeeld, niet aangeleerd, niet overdreven, niet kruiperig, maar heel naturel. De Maastrichtenaren spelen geen rol, maar spelen een thuiswedstrijd. In een stad waar zij zich thuis voelen en die zij graag tonen aan hun bezoekers. Daar kunnen andere steden (en organisaties die worstelen met ongemotiveerde medewerkers) veel van leren.

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Wat heeft W.F. Hermans met Heineken en Holleeder te maken? Meer dan je denkt!

Deze week is het mega-proces tegen Willem Holleeder begonnen. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij zes liquidaties. Holleeder komt hierdoor weer volop in de schijnwerpers te staan. Op een bepaalde manier oefent hij een enorme aantrekkingskracht uit op media en publieke opinie. Een soort haat-liefde verhouding die begon bij zijn eerste grote criminele daad waarmee hij zichzelf op de kaart zette: de geruchtmakende Heineken-ontvoering in 1983. Ondanks al die aandacht voor Holleeder is vrijwel niemand bekend met een opmerkelijk reeks van feiten en gebeurtenissen waarin niet alleen Willem Holleeder en Alfred Heineken een belangrijke rol spelen, maar ook de bekende schrijver W.F. Hermans. Feiten en  gebeurtenissen met bijzondere overeenkomsten.

 

W.F. Hermans en Alfred (Freddy) Heineken

In 1958 publiceert de schrijver W.F. Hermans zijn roman De donkere kamer van Damokles. Het verhaal speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog. De hoofdpersoon, Henri Osewoudt, komt in aanraking met een verzetsman die Dorbeck heet. De uiterlijke gelijkenis tussen de twee mannen is opvallend. Aangespoord door Dorbeck pleegt Osewoudt een aantal verzetsdaden. Na de oorlog wordt Osewoudt opgepakt. Hij wordt niet gezien als verzetsman, maar als iemand die voor de Duitsers werkte. Hij wil bewijzen dat hij een ‘goede vaderlander’ was, maar daarbij heeft hij Dorbeck als getuige nodig. Dorbeck is ‘de allesweter’; hij kan iedereen uitleggen dat Osewoudt aan de goede kant stond. Van Dorbeck is echter geen enkel spoor te vinden. Hij lijkt van de aardbodem verdwenen.

Hermans presenteert een hallucinerend verhaal waarin hij bewust een schemerzone creëert tussen goed en kwaad, tussen feit en fictie, tussen schuld en onschuld.

Het boek wordt een groot succes. Het groeit uit tot een van de bekendste boeken uit de moderne Nederlandse literatuur. Het wordt vaak herdrukt en in meerdere talen vertaald.

 

In 1963 wordt het boek verfilmd door regisseur Fons Rademakers. Hier komt Freddy Heineken in beeld. De biermagnaat financiert de productie en zijn toenmalige maîtresse Nan Los krijgt een belangrijke rol in de film.

Fons Rademakers met acteurs Nan Los en Lex Schoorel

In die tijd is Nan Los werkzaam op de reclame-afdeling van de firma Heineken en al enige tijd de vriendin van Freddy Heineken. Volgens sommigen is het toeval dat Nan Los die grote rol kreeg, anderen beweren dat Heineken de film alleen maar wilde financieren op voorwaarde dat zijn vriendin die rol kreeg.[1] Hoe dan ook, in 1969 loopt de relatie tussen Freddy Heineken en Nan Los stuk. Daarop besluit Heineken, als eigenaar-producent, dat de film nooit meer vertoond mag worden. Hoe gevoelig dit voor Freddy Heineken lag, blijkt als de Tros de film jaren later (in 1983) op televisie wil vertonen. Heineken dreigt de Tros met een rechtszaak en de Tros ziet op het laatste moment van vertoning af.[2]

 

Freddy Heineken en Willem Holleeder

In datzelfde jaar, 1983, ontvoert Willem Holleeder met zijn zwager Cor van Hout en twee andere handlangers de biermagnaat Freddy Heineken en diens chauffeur Ab Doderer.

De feiten van deze ontvoering en de nasleep ervan zijn voldoende bekend. Voor het bijzondere verband met het bovenstaande verhaal over Hermans en Heineken en de film Als twee druppels water moeten we kijken naar de film die over deze ontvoering is gemaakt. In 2011 verschijnt deze film onder de titel De Heineken ontvoering. Het scenario is deels gebaseerd op het boek De ontvoering van Alfred Heineken van Peter R. de Vries (1987). Opmerkelijk genoeg komt de naam Holleeder niet in de film voor. Juist voor hem heeft regisseur Maarten Treurniet het personage Rem Hubrechts in het leven geroepen. Sommige mensen beweren dat de regisseur dit heeft gedaan om mogelijke claims of wraakacties van Holleeder te voorkomen. Niettemin lijkt Hubrechts als twee druppels water op Holleeder, maar hij doet ook dingen die aantoonbaar niet door Holleeder zijn gedaan. Feit en fictie lopen in de film door elkaar. Omdat Holleeder bezwaar heeft tegen deze verfilming probeert hij, net als Heineken met de film Als twee druppels water, de vertoning van de film te verbieden. Hij spant een kort geding aan, maar de rechter wijst de eis af.

 

Willem Holleeder en W.F. Hermans

Op de eerste dag van het nu lopende liquidatie-proces beweert Holleeder dat niet hij maar de zogenaamde ‘Allesweter’ het brein achter de liquidaties is geweest. De Allesweter werd in 2007 geïntroduceerd door misdaadjournalist Bas van Hout[3]. Uit zijn uitvoerige gesprekken met diverse onderwereldfiguren was hem duidelijk geworden dat er achter de schermen een onbekend gebleven topcrimineel aan de touwtjes trok. Van Hout wilde zijn identiteit niet prijsgeven, maar maakte wel duidelijk dat niet Holleeder, maar deze zogenaamde Allesweter het criminele meesterbrein was. Holleeder zou volgens van Hout niet meer dan een bijrol vervullen. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wie die Allesweter is. Holleeder beroept zich natuurlijk graag op het verhaal van Bas van Hout, omdat dat hem vrijpleit, maar bestaat die Allesweter wel echt? Is hij verzonnen? Houdt hij zich schuil om Holleeder de prijs te laten betalen?

Zo is de Allesweter een hedendaagse Dorbeck. Je vraagt je af of Holleeder het boek van Hermans heeft gelezen. Of dat hij ooit de film Als twee druppels water met het liefje van Freddy Heineken heeft gezien.

Ik weet het niet. Maar er zijn in ieder geval nog twee opmerkelijke feiten te melden, toeval of niet.

Willem Holleeder wordt geboren in hetzelfde jaar waarin W.F. Hermans zijn boek De donkere kamer van Damokles publiceert: 1958.

De voornamen van Holleeder zijn dezelfde als die van Hermans: Willem Frederik. Als twee druppels water!

 

[1] https://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/741741/2003/08/23/Ach-zo-n-gerucht-doet-het-goed-voor-de-film.dhtml

 

[2] https://www.groene.nl/artikel/profiel-alfred-heineken

 

[3] https://www.parool.nl/amsterdam/holleeder-voert-de-allesweter-weer-ten-tonele-de-wie~a4567101/