Categoriearchief: Politiek & maatschappij

Femke

Drie weken geleden krijg ik een alarmerend telefoontje.

Femke is slachtoffer geworden van een beroving op straat. Ze was gisterenmiddag met een vriendin naar de film van Herman Finkers geweest. Op de terugweg, vlakbij huis, had een jongen geprobeerd haar handtas te stelen terwijl hij haar voorbij fietste. Omdat Femke het hengsel van de tas om haar onderarm had geslagen, was dat niet gelukt, maar door de harde ruk was ze met een smak op de grond terecht gekomen. Ze ligt met een gebroken oogkas, een kapotte knieschijf en tal van kleinere verwondingen in het ziekenhuis.”

Het is de buurvrouw van Femke die me belt. Ze heeft van Femke een lijst gekregen met namen van mensen met wie ze contact moet opnemen.

Femke is een warme, intelligente, positieve, wereldwijze vrouw van 83 jaar. Ze was in de jaren ’70-’80 een goede vriendin van mijn moeder. Toen mijn moeder in 1988 overleed en ik met mijn jonge gezin net in Amstelveen was komen wonen, kwam Femke af en toe bij ons langs. Het toeval wilde dat zij ook in Amstelveen woonde; niet ver van ons vandaan. Het was fijn om met haar over mijn moeder te kunnen praten. Maar, zoals dit soort dingen gaan, na verloop van tijd verwaterde het contact en zagen we elkaar steeds minder. Totdat ik zes jaar geleden een rouwadvertentie in het Amstelveens Nieuwsblad zag staan. Femke’s man was overleden. Onderaan de rouwadvertentie stond een ander adres dan in ons adresboekje. Ze was kennelijk verhuisd en bleek nu nog dichterbij te wonen. Ik besloot bij haar langs te gaan en werd heel hartelijk ontvangen. Ondanks haar verdriet vond ze het heel fijn om bij te praten. Ze vertelde met veel warmte over haar man en over de moeilijke laatste weken. Maar al snel vroeg ze naar mij, mijn gezin, mijn werk, mijn broers en hadden we het over literatuur, politiek en de wereld om ons heen. Dat hield ze allemaal goed bij, zoals ook bleek uit de kranten, tijdschriften en boeken op haar leestafel.

Vanaf dat moment spraken we elke maand af. Soms kwam Femke bij ons langs, maar meestal ging ik naar haar toe. Vaak was het even puzzelen om een afspraak te kunnen maken, omdat haar dagen goed gevuld waren: bridgen, de wandelclub, etentjes, de leesgroep, museumbezoek, taalles aan vluchtelingen, uitstapjes met vriendinnen, naar de film. Als ik dan bij haar op de bank zat, kwam er altijd nog wel iemand langs. Een buurvrouw met een bloemetje, een vriendin die een boek had geleend, of een zwager die even een praatje kwam maken. We genoten allebei van het hernieuwde contact. Na enige tijd durfde ze me ook te vragen of ik een klein klusje voor haar kon doen. Nu ben ik niet de handigste, maar een lamp vervangen, de laptop verbinden met het internet of de stand van de watermeter aflezen gaat me nog prima af.

Een jaar geleden vertelde ik haar dat ik van Amstelveen naar Zeist zou gaan verhuizen. Ze schrok meer van deze mededeling dan ik had verwacht. Het deed haar zichtbaar verdriet, maar ze herpakte zich snel. Ze vertelde me dat zij haar jeugd in Zeist had doorgebracht. Ik beloofde dat ik haar na de verhuizing een keer zou komen ophalen voor een gezellig dagje Zeist. In februari ging ik weer even bij haar langs en we spraken af dat ze in april/mei naar Zeist zou komen. In het voorjaar, als het wat lekkerder weer zou zijn. Eerst even langs het huis rijden waar zij vroeger heeft gewoond en dan naar ons nieuwe huis.

 

Dan wordt Femke op straat overvallen.

Ze ligt een paar dagen in het ziekenhuis en moet daarna een paar maanden revalideren in een verpleeghuis. Ik ga op een woensdagmiddag bij haar langs. Haar broer en een goede vriendin van haar (ik herken haar, het is mijn vroegere huisarts) zijn er ook. En een paar minuten later stappen ook twee andere vriendinnen van Femke binnen. De kamer is vol met bloemen, kaarten en bezoek. Femke ziet er enorm gehavend uit, maar er komt geen woord van zelfbeklag of boosheid over haar lippen. Ze geniet van de aandacht en de afleiding.

Een paar dagen later kondigt de regering tal van beperkende maatregelen aan. De buurvrouw belt me om te vertellen dat het verpleeghuis ook zal worden vergrendeld. Femke mag geen bezoek meer ontvangen. Ze mag zelfs haar kamer niet uit. Ze heeft geen radio, geen televisie en ze weet even niet meer hoe haar mobieltje werkt. Na een paar dagen is ze de wanhoop nabij. Een paar vriendinnen geven bij de receptie een radio, een bos bloemen en wat lekkers af. Een verpleegkundige legt Femke uit hoe ze haar mobieltje aan de praat kan krijgen.

Om haar op te monteren stuur ik haar een grote envelop met wat lectuur en een vrolijke kaart. Een paar dagen later belt ze me op. Voor het eerst met haar mobiele telefoon. Ik ben verrast en blij. Ze klinkt monter, maar vertelt me ook dat de afgelopen week erg zwaar is geweest. Het dagenlang alleen op de kamer zitten heeft haar enorm aangegrepen. “Maar ik mag niet mopperen”, zegt ze, “er zijn mensen die het veel zwaarder hebben”. Daarna vertelt ze me dat ze binnenkort naar een ander verpleeghuis gaat, waar er iets meer bewegingsruimte zal zijn en waar ze in de tuin kan zitten.

Aan het einde van het gesprek vertrouwt ze me nog iets toe: “die jongen op die fiets was een blonde jongen, hoor. En toen hij wegreed en ik op de grond lag, keek hij nog even om. Het leek wel alsof hij sorry zei”.

Typisch Femke. Altijd uitgaan van het positieve, nooit klagen. Geen wonder dat ze met haar warme, belangstellende persoonlijkheid een grote, gemêleerde kring van familieleden, vrienden en kennissen om zich heen heeft verzameld. Nu alles op slot zit zal mijn dierbare vriendin voor onbepaalde tijd geen bezoek mogen ontvangen. Een enorme beproeving. Ze zal al haar positieve zeilen bij moeten zetten om deze tijd door te komen. Ik hoop van harte dat het goed komt. Die beloofde dag in Zeist zal dan nog mooier zijn.

 

 

 

(om privacy redenen heb ik de naam Femke gebruikt en niet de werkelijke naam van mijn dierbare vriendin)

Groeten uit Zeist deel 2. Hendrik Marsman: “Het nest is goed, maar het heelal is ruimer”

Ik woon sinds een half jaar in Zeist en heb me voorgenomen af en toe een blog over mijn nieuwe woonplaats te schrijven. Mijn eerste Zeist-verhaal handelde over Karin Bloemen.[1] Nu is het de beurt aan Hendrik Marsman, de bekende Zeister dichter. Ik kende meerdere gedichten van hem , maar zijn levensloop was mij vrijwel onbekend. Tot ik me voor dit blog in zijn leven en werk ging verdiepen. En ik bij mijn broer op bezoek ging.

 

Een half jaar geleden kreeg ik van mijn oudste broer een rijmprent die ooit van onze vader is geweest. Mijn broer hield grote schoonmaak met het oog op de verkoop van zijn huis en hij wilde van een aantal spullen af. Deze prent moest natuurlijk in de familie blijven en gezien mijn belangstelling voor poëzie kreeg ik hem aangeboden. Het is een prent met het beroemde gedicht Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman. Marsman is een geboren Zeistenaar en dat maakte me extra enthousiast. Ik stond namelijk op het punt om te gaan verhuizen naar Zeist. Ik pakte de rijmprent goed in en enkele maanden geleden kwam hij weer tevoorschijn bij het uitpakken van de laatste verhuisdozen. Mijn vrouw en ik gaven de prent een mooi plekje in ons nieuwe huis. Marsman was terug in Zeist.

Marsman, leven en werk

Hendrik Marsman wordt in 1899 in Zeist geboren. Zijn vader heeft een boek- en kunsthandel in de 2e Dorpsstraat, zijn moeder is onderwijzeres. Marsman (roepnaam: Hennie) bezoekt de lagere school van de Evangelische Broedergemeente (de Hernhutter gemeenschap) vlakbij Slot Zeist. Een andere leerling van die school is Arthur Lehning, met wie Marsman later goed bevriend zal raken.

In Zeist is een straat naar Marsman vernoemd

Marsman is niet onverdeeld positief over zijn geboorteplaats. De opgroeiende Hennie krijgt het al gauw benauwd in het burgerlijke, bezadigde Zeist:

 “Mijn dorp, ik ben u dorre tucht

en d’ onoprechtheid van uw vale straten

 in wrok, in langverzuurden wrok ontvlucht…”.

 

Zo hoort dat ook bij een jonge kunstenaar. Die wil groots en meeslepend leven, zoals Marsman het zelf beschrijft in de eerste regels van zijn beroemde gedicht ‘De grijsaard en de jongeling’. Scheppen is voor de jonge Marsman van levensbelang. Hij trekt de aandacht met zijn vitalistische gedichten en wordt al snel gezien als de aanvoerder van een nieuwe generatie dichters.

Als er één woord is dat het leven en werken van Hendrik Marsman typeert is het wat mij betreft het woord ‘worsteling’. Marsman zoekt met vallen en opstaan zijn plaats en weg in de wereld. En die wereld is compleet op z’n kop gezet. Europa ligt in puin na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Marsman vreest de ondergang van de Europese beschaving en zoekt naar een uitweg voor zijn eigen scheppingsdrang. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de twee polen van culturele ondergang en creatieve dadendrang. Net als veel intellectuele tijdgenoten hoopt hij houvast te vinden bij een groot verhaal, een ‘bezield’ verband.

“ik sta alleen, geen God of maatschappij

Die mijn bestaan betrekt in een bezield verband”

Marsman is wat dat betreft echt een kind van het interbellum. Alles gonst en gist. Communisten, fascisten, anarchisten en kosmopolieten roeren zich. In zijn jonge jaren is Marsman gecharmeerd van het fascisme en later zal hij interesse tonen voor het rooms-katholicisme. (Als je over die jaren leest denk je dat Thierry Baudet zich uitstekend thuis zou hebben gevoeld in die tijd).

In zijn werk als dichter, redacteur en vertaler klinken de worsteling en de zoektocht van Marsman door. Dat levert paradoxale beelden op. Hij wil het leven ten volle vieren, maar weet zich ook belast en geremd door christelijke noties als zonde en schuld en door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Hij wil in internationale artistieke kringen verkeren, maar kiest ook voor een degelijke baan als advocaat en voor een huwelijk met Rien Barendregt waarin hij zich flink laat bemoederen. Hij kent periodes van genialiteit en scheppingsdrift, maar ook van vertwijfeling en faalangst.

Halverwege de jaren ’30 lijkt Marsman meer rust en balans te vinden. In 1936 nemen Marsman en zijn vrouw het besluit om Nederland te verlaten. Zij hebben in de jaren daarvoor al een paar reizen door Zuid-Europa en Noord-Afrika gemaakt. Marsman wordt positief getroffen door de vele overblijfselen van de klassieke (Griekse) cultuur, het alomtegenwoordige christendom en het mediterrane leven. Hij voelt zich bevrijd.

“hij rees op en dacht aan de zee

Zijn gang had de veerkracht hervonden

Die hem voortdreef naar zuidlijker stranden”

 

Ongetwijfeld zal ook zijn gezondheid een rol hebben gespeeld. Hij kampt van jongst af aan met longkwalen; het zuidelijke klimaat zal hem goed hebben gedaan. Juist door zijn lange verblijven in het buitenland ontstaat er bij Marsman een hernieuwde waardering voor het typische Nederlandse landschap. Nu hij steeds meer afstand neemt van Nederland, is er kennelijk ruimte om ook zijn liefde voor z’n geboorteland onder woorden te brengen. Tijdens een verblijf in Frankrijk schrijft hij het gedicht dat in 2000 werd gekozen tot gedicht van de eeuw: Herinnering aan Holland.

“Denkend aan Holland

zie ik breede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hooge pluimen

aan den einder staan…..”

 

 

Na een serie buitenlandse reizen volgt in 1936 het definitieve vertrek uit Nederland. Het echtpaar Marsman gaat op diverse locaties in Zwitserland en Frankrijk wonen. Het is een bewuste keuze die samenvalt met het besluit om zijn Verzameld Werk te gaan samenstellen. Misschien wat merkwaardig voor iemand die nog geen 40 jaar is, maar Marsman wil de balans opmaken en ruimte creëren om nieuwe wegen in te slaan: ‘…dat ik een eerste tijdperk achter mij heb, dat gevoel bezielt me met volledige zekerheid…’.

In 1939, als de oorlogsdreiging vanuit Duitsland overal voelbaar is, is Marsman druk aan de slag met een nieuwe bundel die de titel Tempel en Kruis zal krijgen. Hij zit in een creatieve flow. Hij verwoordt met deze nieuwe teksten zijn visie op de manier waarop de westerse beschaving zou moeten overleven. Hij zoekt naar een combinatie van christelijke waarden en hellenistische cultuur. Als aanhanger van Nietzsche wil Marsman afrekenen met het schuld- en zondebesef van het christendom en daarvoor in de plaats ruimte bieden aan de positieve, instinctieve levenskracht van de Griekse oudheid.

“…en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.”

Kort na publicatie vallen de nazi’s hun buurlanden binnen. Het echtpaar Marsman slaat op de vlucht en weet in Bordeaux een plek op een schip te bemachtigen dat hen naar Engeland zal brengen. Het schip gaat in de nacht door een explosie ten onder. Jarenlang dacht men dat de ramp werd veroorzaakt door een Duitse torpedo, maar uit later onderzoek bleek daarvoor geen bewijs te vinden. Marsman komt bij deze scheepsramp om. Hij is de derde grote Nederlandse schrijver die in de meidagen van 1940 overlijdt. Zijn goede vrienden Menno ter Braak (zelfmoord) en Eddy du Perron (hartaanval) gaan hem een paar weken voor. Rien Barendregt en de kapitein zijn de enigen die de ramp overleven. Rien zal later een naaste medewerkster worden van Koningin Wilhelmina in Londen.

 

Terug naar Zeist

Nieuwsgierig geworden naar zijn geboortehuis heb ik onlangs de 2e Dorpsstraat bezocht. Marsman werd geboren op nummer 48 en verhuisde als 6-jarige naar nummer 34. Op dat adres tref ik naast de voordeur een bescheiden, slecht leesbare plaquette aan.

De tekst wordt half aan het gezicht onttrokken door een witte brievenbus die erboven is opgehangen. Misschien wel tekenend voor de haat-liefde verhouding die Marsman met Zeist heeft gehad. Je zou toch verwachten dat de gemeente Zeist deze ‘grote zoon’ wat meer eer zou aandoen.

Bij mij thuis komt Marsman er minder bekaaid van af. Hij krijgt een mooi plekje in de gang. Als ik met hamer en spijker aan de slag ga, valt het me op dat er nog iets op de achterkant staat.

Dat was me niet eerder opgevallen. Er staat een gedrukte tekst onderaan met de handtekening van mijn vader erboven. De tekst geeft aan dat de is prent gedrukt in 1944 bij een drukkerij die clandestiene uitgaven verzorgde. Op internet vind ik een bron die deze publicatie beschrijft.[2] Het was dus eigenlijk een verzetsprent. Een prent om de mensen tijdens de oorlog een hart onder de riem te steken. Het a-typische heimwee-gedicht van Marsman die niet langer in Nederland wilde leven, is dus postuum in de oorlog gebruikt als een tekst om de vaderlandse moed erin te houden. En mijn vader, die in 1944 ondergedoken zat, had kennelijk een van de 100 gedrukte exemplaren weten te bemachtigen. Hij zal het gedicht ongetwijfeld uit zijn hoofd hebben geleerd in dat laatste oorlogsjaar. En nu, 76 jaar later, hangt de prent bij mij in Zeist. Een wonderbaarlijk gegeven dat goed past bij het wonderbaarlijke leven van Hendrik Marsman. En ook bij het leven van mijn vader. Wat mij betreft is de cirkel in dubbel opzicht rond. Dat geeft een enorm goed gevoel.

 

 

Ik heb voor het schrijven van dit blog dankbaar gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Barnard, Benno (2006). Dichters van het avondland. Amsterdam/Antwerpen: Atlas.

Goedegebuure, Jaap (1999). Zee, Berg, rivier. Het leven van H. Marsman. Amsterdam: Arbeiderspers.

Goedegebuure, Jaap. (2019). Groots en meeslepend. Een keuze uit de gedichten. Nijmegen: Vanthilt.

Lam, Anton B. (1966). De laatste actie is aan de gang. Thema’s in de poëzie van H. Marsman. Ad Fontes, jaargang 13, nr. 7, pp. 147-163. Assen: Born.

 

 

Een greep uit zijn gedichten

 

Phoenix

Vlam in mij, laai weer op;

hart in mij, heb geduld,

verdubbel het vertrouwen –

vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen

de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;

en laat den moed en uwe vaart niet zakken

het nest is goed, maar het heelal is ruimer

 

 

 

Heimwee

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichten doortocht verloren,
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar den Dood –
en die een krijgsman had willen zijn
in de hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
– duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen. –

 

 

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland

zie ik breede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hooge pluimen

aan den einder staan;

en in de geweldige

ruimte verzonken

de boerderijen

verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,

geknotte torens,

kerken en olmen

in een grootsch verband.

De lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

wordt de stem van het water

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.

 

 

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

 

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

 

een held’re, verruk-lijk-meeslepende wijs:

 

‘Het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

 

 

XLVIII

– De hemel is leeg,

de oneindigheid bloedt.

in het nachtlijk gewelf

niets dan sintels en roet;

 

en de transen gescheurd

van den brandenden schreeuw

en de sneeuw weer besmeurd

met het bloed dezer eeuw.

 

– alle duister en gloed

van ’t beroofd firmament

wordt een brandend ferment

in het menschelijk bloed.

 

zie, de aarde is rood

van den tragischen wijn;

’t paradijs een woestijn,

maar het schepsel wordt groot.

 

 

 

L

 

De zon hing laag.
tussen de witte muren
verbloedde goud en zwart
het avondrood.
hij, van zijn hoog terras,
volgde de lange strepen,
het vluchtig zog
van nooit geziene
nooit gedroomde schepen
door het gemarmerd
zilver van de zee.

de huiveringen
van ’t geschubd metaal,
door ’t stijgend maanlicht
rimpelend beschenen,
waren die nacht op zee
het enig teken,
dat twintig eeuwen
ademloos verstreken
en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.

[1] Zie: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2052

[2] Zie https://www.dbnl.org/tekst/lewi001clan01_01/lewi001clan01_01_0023.php

Ik-dingen

 

Kan een ding een ik zijn? Ik stel deze vraag omdat ik de laatste tijd regelmatig tegen dingen aanloop die zich presenteren in de ik-vorm. Een paar voorbeelden van wat ik Ik-dingen noem:

“ik word beschermd”

 

“ik rijd elektrisch”

 

Al deze mededelingen zijn op zich heel duidelijk, maar ze maken door de ik-vorm toch een merkwaardige indruk. Vandaar de vraag: kan een ding een ik zijn?

Natuurlijk niet, zeggen taalkundigen. Ik is een persoonlijk voornaamwoord. Het verwijst naar de eerste persoon enkelvoud die onderwerp van de zin is. Het gaat om een persoon die iets over zichzelf meldt, bijvoorbeeld ‘ik loop’, of  ‘ik ben boos’. Een ding is geen eerste persoon enkelvoud, maar is een ‘het’ en valt net als de woorden hij en zij onder de categorie derde persoon enkelvoud. Een ding heeft niet het vermogen om als een bewust wezen iets over zichzelf te vertellen.

Ook het cultureel woordenboek laat geen twijfel over mijn vraag bestaan. Bij het lemma ‘ik’ wordt gemeld dat het gaat om een ‘uitdrukking waarmee de denkende mens de eenheid van lichaam, denken en doelen aanduidt. Door de voorstelling van het ik onderscheidt de mens zich van alle andere levende wezens’. En nog meer van niet-levende zaken, zoals dingen, zou ik daar aan willen toevoegen.

Dieren, bomen, auto’s, huizen en fluitketels kunnen alleen in sprookjes, kinderboeken en tekenfilms praten. Maar in het echte leven gebeurt dat natuurlijk niet. Daarom doen al die ikkerige postbode-karretjes en supermarktproducten zo potsierlijk aan.

Vraag beantwoord, discussie gesloten, zou je zeggen. Maar toch denk ik dat we dergelijke Ik-dingen steeds vaker gaan tegenkomen. En in veel intelligentere varianten. De strakke scheiding tussen mensen en dingen, tussen ikken en hetten zal in de toekomst niet meer houdbaar zijn. Door de komst van Kunstmatige Intelligentie, chatbots, cyborgs e.d. zal bewust handelen, zelfstandig beslissingen nemen en gericht communiceren niet langer het exclusieve domein van mensen zijn. Ik ontvang mails van Dennis van Kwikfit en van Willy van Weekendjeweg. Als ik op internet vragen heb over een dienst of een bestelling meldt Billie van Bol.com of Roel van de Postcodeloterij zich met de vraag: ‘kan ik iets voor je doen?’.

Billie doet inmiddels 45% van het klantcontact van Bol.com: https://www.emerce.nl/nieuws/billie-van-bol-com-doet-45-klantcontact

Aanvankelijk dacht ik nog dat het om echte Willy’s en Billie’s ging, maar dat was natuurlijk niet zo. Menselijke taken en vormen van dienstverlening worden overgenomen door voorgeprogrammeerde technologieën die zich niet als een ding/een ‘het’ presenteren, maar als een menselijk wezen/een ‘ik’. En die ontwikkeling zal uiteraard steeds verder gaan: pratende auto’s, communicerende koelkasten, multifunctionele zorgrobots, virtuele assistenten. Dat is nog eens andere koek dan een pot pindakaas met een ‘ik ben biologisch’ sticker.

Kortom, wij mensen gaan steeds verder in het creëren van dingen die menselijke functies hebben en zich presenteren als menselijke wezens. Wat vroeger science fiction was, lijkt langzamerhand realiteit te worden. De vraag is of dat ook zal leiden tot het bekende scenario dat je in veel SF boeken en films tegenkomt, namelijk dat de robots uiteindelijk de macht overnemen. Dat de mens iets heeft gemaakt wat hij uiteindelijk niet meer kan beheersen, maar waardoor hij beheerst gaat worden.

Het doet me denken aan de bekende film I Robot. De film is gebaseerd op een serie verhalen van Isaac Asimov uit de jaren ’40. De titel spreekt boekdelen: het ding is een ik.

In de film die speelt in 2035 geeft een hyperintelligente computer de opdracht aan robots om in te grijpen in het leven van de mensheid, omdat de wereld ten onder dreigt te gaan door criminaliteit en milieuverontreiniging.  Door alle hedendaagse verhalen over klimaatverandering lijkt de film actueler dan ooit. Als je het zo bekijkt zouden we zelfs blij moeten zijn dat er intelligentere wezens zijn dan mensen. Een robot als ‘mijn beter ik’. Maar dat is misschien iets te optimistisch gedacht. En zo optimistisch ben ik eerlijk gezegd ook weer niet. Ik zie robots niet als monsters, maar ook niet als reddende engelen. Het is handig dat machines en robots bepaalde werkzaamheden van ons overnemen. Maar ik wil me wel blijven realiseren dat het dingen zijn, ook al is dat onderscheid in sommige situaties steeds moeilijker te maken. Ik heb liever contact met echte mensen dan met dingen, hoe slim ze ook zijn. Er is namelijk geen rijkere vorm van interactie dan menselijk contact.

 

Geraadpleegde bronnen:

https://onzetaal.nl/taaladvies/persoonlijk-voornaamwoord/

https://www.cultureelwoordenboek.nl/filosofie/ik

https://nl.wikipedia.org/wiki/I,_Robot_(film)

 

P.S. In het werk van de kunstenaar Jan van Munster neemt het woord Ik een belangrijke plaats in (https://janvanmunster.nl/ ).

Kunstwerk van Jan van Munster op kantoorgebouw bij Utrecht Centraal.

Ik-bank van Jan van Munster in Apeldoorn

Doelgroepen en Deelgroepen

“Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep”

 

Mede onder invloed van maatschappelijke trends en technologische ontwikkelingen ondergaat het vakgebied van professionele communicatie flinke veranderingen. We leven in een tijd van globalisering, digitalisering, duurzaamheid, social media, diversiteit en individualisering. Dat alles laat ook z’n sporen na in de communicatie-wereld. Eenzijdig zenden maakt steeds meer plaats voor interactie en participatie; planmatig communicatiebeleid wordt vervangen door meer flexibele werkwijzen; marketingdoelen worden aangevuld met maatschappelijke ambities. Kortom, het speelveld is flink aan het veranderen. Dat is terug te zien aan de nieuwerwetse vaktermen die tegenwoordig in het professionele communicatie-circuit volop worden gebezigd. Woorden als agile, co-creatie, purpose, big data en conversation zijn niet van de lucht. Vaak Engelstalige termen, om het extra vlot en indrukwekkend te laten klinken. Jeukwoorden-expert Japke-d. Bouma heeft er een dagtaak aan om het allemaal bij te houden.[1]

Ik kijk daar als communicatie-docent met veel belangstelling naar. Ik probeer door de modieuze terminologie heen te prikken om te kijken of er een zinvolle kern overblijft. In nogal wat gevallen blijf ik met een lege huls zitten, maar het komt ook regelmatig voor dat achter zo’n nieuwe term een verdienstelijke poging zit om veranderende omstandigheden te duiden. Want de tijden veranderen snel en dat vergt nieuwe vormen van denken en benoemen.

Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep. Op de werkvloer, in studieboeken, op conferenties en in onderzoeksrapporten wordt de term doelgroep nog volop gebruikt. Ik vind dat opvallend, omdat het wat mij betreft een term is die voor een belangrijk deel niet meer de lading dekt. Om dat toe te lichten, moet eerst de term nader worden verklaard.

Doelgroep is een vertaling van de Amerikaanse marketing-term target group. De oorspronkelijke betekenis van het woord target verwijst naar een rond schild. In vroeger eeuwen gebruikten boogschutters die term voor een ‘mark to shoot at’, een mikpunt. Een target-group zou je dus kunnen opvatten als een groep mensen die je wilt raken/treffen, of -in wat vredelievender termen- mensen die je wilt bereiken. In de communicatie-wereld kun je het woord doelgroep op twee manieren opvatten. Er wordt òf een groep mensen mee aangeduid bij wie je een doel wilt realiseren (bijvoorbeeld rokers die moeten stoppen met roken of consumenten die jouw product moeten gaan kopen), òf het gaat om de mensen die je met je communicatie wilt bereiken. De eerste categorie zou je de gewenst-effect-doelgroep kunnen noemen en de tweede de communicatie-doelgroep. In veel gevallen is de communicatie-doelgroep ook de gewenste-effect-doelgroep, maar soms spreekt je groep A aan in de hoop dat zij groep B gaan bewegen iets te veranderen. A is dan de communicatie-doelgroep die optreedt als intermediair voor de gewenst-effect-doelgroep B.  In beide gevallen gaat het om planmatige, eenzijdige communicatie. Doel en doelgroep zijn door de boodschapper vooraf vastgesteld. Als hij de doelgroep in het vizier heeft, legt hij aan en haalt hij de trekker over. Geen wonder dat een van de oudste communicatie-effecttheorieën de ‘magic bullet’ theorie werd genoemd. We hebben deze theorie allang afgezworen, maar de bijbehorende terminologie blijft rondzingen.

Iedereen zal begrijpen dat deze opvatting van communicatie niet meer van deze tijd is. We leven in een tijd van interactie, social media en participatie. Iedereen communiceert met iedereen. Op allerlei niveaus en met alle mogelijke middelen. Vast is vloeibaar geworden. En toch blijven we het woord doelgroep gebruiken. Laatst kaartte ik dit aan tijdens een zeer interessante presentatie van Sander Hermsen van de Hogeschool Utrecht.[2] Toen ik hem vroeg waarom hij (en anderen) nog steeds het woord doelgroep gebruikte, gaf hij toe dat de term niet meer toereikend was, maar dat er nu eenmaal geen beter woord bestaat. Hij nodigde ons uit om met een betere aanduiding te komen.

Die handschoen heb ik opgepakt en dit verhaal is daar het bewijs van. Sommigen kiezen voor het woord stakeholders, maar dat vind ik niet specifiek genoeg voor communicatie. In het boek Kernbegrippen van professionele communicatie dat Paula Zweekhorst en ik hebben geschreven[3] , kiezen we voor de term Publieksgroepen: heel breed, heel algemeen. Die zijn er in allerlei soorten en maten. Een veilige keuze.

 

 

 

Maar als ik wat verder nadenk zou ik nu een onderscheid willen maken tussen situaties waarin je BIJ anderen iets wilt bereiken en situaties waarin je MET anderen  iets wilt bereiken;  onderscheid tussen een groep mensen als ‘lijdend voorwerp’ en een groep mensen als ‘meewerkend voorwerp’. In het eerste geval mag je wat mij betreft over doelgroepen blijven spreken. We zien nog steeds veel campagnes en acties waarbij organisaties alle touwtjes in handen houden en eenzijdig hun boodschappen over de hoofden van het publiek uitstorten. Roeptoeteren naar doelgroepen.

In het tweede geval is een organisatie met mensen in gesprek. Doelen, wensen en belangen worden uitgewisseld. Er worden geluisterd, overlegd, afgestemd. Bij het voeren van een gesprek heb je het over deelnemers of gesprekspartners. Het woord partner, weer zo’n Engels woord, betekent eigenlijk ook deelnemer (part = deel; denk ook aan het woord participeren wat letterlijk betekent: deelnemen). Het woord doelgroep is in een dergelijke situatie misplaatst. Met het wijzigen van één letter hebben we een veel treffender woord te pakken: deelgroep. Ik stel hierbij voor om deze term te gaan gebruiken bij alle vormen van interactieve, participatieve communicatie. Bijkomende voordeel: het is een Nederlandstalig term. En nu maar hopen dat Japke-d. Douma er geen jeuk van krijgt.

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/16/het-ergste-jargon-in-de-communicatie-a1588555?utm_source=NRC&utm_medium=banner&utm_campaign=Paywall&utm_content=paywall-november-2019A

[2] https://www.sander-hermsen.nl/

[3] https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-8477_Kernbegrippen-van-professionele-communicatie-tweede-druk

Groeten uit Zeist: Zeg het (niet) met Bloemen

Als kersverse inwoner van Zeist doe ik veel nieuwe indrukken op. Ik maak kennis met de lokale middenstand, ik tracht letterlijk wegwijs te worden en het stratenplan me eigen te maken, ik probeer horeca-gelegenheden uit, ik verken looproutes in de bossen, ik verdiep me in de geschiedenis van Zeist met z’n mooie slot, de bijzondere geloofsgemeenschap van de hernhutters en de overal aanwezige antroposofen, en ik speur naar sporen van bekende Zeistenaren van weleer zoals Hendrik Marsman, Arthur Lehning en Willem Pijper. Genoeg reden om op deze blog-site af en toe over mijn nieuwe woonplaats te gaan schrijven. Ik heb daarvoor de titel ‘Groeten uit Zeist’ bedacht. Misschien niet bijster origineel en opvallend, maar bij elk verhaal zal ik er een specifieke sub-titel aan toevoegen die de lading wat treffender zal dekken.

Mijn eerste Zeist-blog gaat over Karin Bloemen. Nu denk ik dat veel lezers zich zullen afvragen: wat heeft Karin Bloemen met Zeist te maken? Die gedachte had ik precies zo toen ik een paar maanden geleden in de lokale Nieuwsbode las dat Karin Bloemen het boegbeeld is van een campagne om het centrum van Zeist te promoten. De slogan van deze campagne is: Zie je in Zeist.

Ik wist niet dat Karin Bloemen Zeister roots heeft. Ik ken haar als een op-en-top Noord-Hollandse. Na kort google-onderzoek bleek dat zij inderdaad geen directe binding heeft met Zeist. Ze is in Alkmaar geboren en woont momenteel in Broek in Waterland. Volgens een lokale website komt Karin Bloemen weleens in Zeist en vindt ze het een aantrekkelijke plaats. Geen overtuigende redenering wat mij betreft. Het klinkt alsof ras-Rotterdammer Gerard Cox reclame gaat maken voor Sneek, omdat hij daar vorig jaar een keer gezellig een broodje heeft gegeten.

Het is op zich niet ongebruikelijk om een bekend iemand in te zetten bij een reclame-campagne. Het merk lift dan mee op de populariteit van de BN-er. Voeg daar een scheutje humor aan toe en je hebt al snel een succesformule. De bekende Amerikaanse psycholoog Cialdini zou zeggen dat het hier gaat om de invloedsfactor ‘liking’ (sympathie). Een legendarisch voorbeeld is de vroegere samenwerking tussen Hak en de onlangs overleden Martine Bijl. Zij was jarenlang het gezicht van Hak (‘uw moet de groente van Hak hebben’). Haar charmante uitstraling en spitsvondige teksten maakten de Hak-commercials enorm populair. Ondanks het feit dat zij zelf nauwelijks een band met Hak en groenten in glas had. Niemand zal in die jaren gedacht hebben dat Martine Bijl thuis elke avond een potje Hak leeg zat te lepelen. De enige link die ik zie is dat haar achternaam een leuke associatie met het woord Hak oplevert.

Zo bekeken hoeft het dus geen probleem te zijn dat Karin Bloemen reclame maakt voor Zeist ondanks het ontbreken van een duidelijke link. Ook Karin Bloemen staat bekend om haar positieve uitstraling en haar gevoel voor humor. En ook haar fleurige achternaam werkt mee. Maar toch ligt het hier anders. Zeist is geen potje doperwten en ook geen multifocaaaale bril. Als Zeist een levensmiddel, een fast moving consumer good was, zou dat de inzet van een vrolijke BN-er kunnen rechtvaardigen. Maar Zeist is van een andere orde. Zeist is een gemeente waar mensen wonen, werken, recreëren, winkelen en uitgaan. De verenigde ondernemers willen laten weten dat Zeist een aantrekkelijk centrum heeft met een keur aan winkels en horeca-gelegenheden. Voor wie zou die boodschap bestemd zijn? Niet voor alle Nederlanders. Ik denk vooral voor de Zeistenaren zelf en voor mensen in de omliggende gemeenten. Dat is de natuurlijke doelgroep van de ondernemersclub. Deze mensen wonen in of bij Zeist en zullen met wisselende frequentie in het centrum komen. Dat moeten ze vooral blijven doen en liever nog vaker dan tot nu toe. Zij hebben geen boodschap aan Karin Bloemen en aan haar slogan Zie je in Zeist. Ze komen er vaker dan La Bloemen zelf.

Dit bord werd onlangs in mijn straat opgehangen.

Het kernprobleem is dat veel steden kampen met toenemende leegstand in het centrum. Een belangrijke factor hierbij is het online winkelen. Zeist moet er voor gaan zorgen dat mensen in Zeist en omgeving niet hun heil gaan zoeken in het nabijgelegen Utrecht of Amersfoort en ook niet in laagdrempelige webshops. Men moet gaan winkelhieren (dit woord werd een paar weken geleden in Vlaanderen verkozen tot woord van het jaar 2019). Uit eigen ervaring weet ik dat het aanbod in Zeist gevarieerd en aantrekkelijk is. Er is voldoende reden om hier te shoppen en uit te gaan. Dat verhaal mag vol trots en zelfvertrouwen worden uitgedragen. Niet via de sympathie-troefkaart van een willekeurige BN-er, maar met de inzet van twee andere invloedsfactoren van Cialdini: authority en social proof.

De autoriteitsfactor betekent dat je mensen inzet die op basis van expertise en aanzien recht van spreken hebben. Denk aan een lokaal bekende ondernemer, een Zeister artiest, of een zakelijk deskundige. Je kunt ook denken aan een BN-er die in Zeist geboren is en nog steeds een goede band met Zeist heeft. Ik zag op Wikipedia een overzicht van bekende Nederlanders die hier geboren zijn,  met interessante namen als Marc Overmars, Mirella van Markus, Eva de Goede en Chris Zegers.

Social proof is een andere invloedsfactor die vaak goed werkt, zeker in deze tijd van sociale media waarmee mensen hun ervaringen en meningen eenvoudig en snel kunnen delen. Social proof wil zeggen dat ervaringsdeskundigen hun positieve reacties doorgeven aan anderen. Toen we hier kwamen wonen hebben we van buren en bekenden tal van tips gekregen over leuke winkels, gezellige café’s en goede restaurants. Je hoeft de locals niets te vertellen. Integendeel, zij vertellen het desgevraagd zelf. Maar ze moeten daartoe wel uitgenodigd worden. Je zou dus moeten proberen enthousiaste Zeistenaren in te schakelen om hun ervaringen met belangstellenden te delen.

Als de Zeister ondernemers bij mij zouden aankloppen zou ik zonder aarzelen en geheel belangeloos hieraan meewerken en mijn eerste positieve indrukken delen met wie het maar horen wil. Ook bied ik de promotieclub met plezier gratis en voor niks een hierbij passende slogan aan: ‘Zeist, zeg nou zelf’.

Het is oké.

“Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden”

 

Kennelijk is het leuk om aan het einde van een jaar op allerlei fronten de balans op te maken en uitzonderlijke personen, prestaties of verschijnselen te nomineren als de beste, leukste, of opvallendste van het jaar. Zo zijn de gouden handbalsters verkozen tot beste sportploeg van het jaar, leverden de kamerleden Renske Leijten en Pieter Omtzigt de ‘politieke prestatie van het jaar’, zijn de nieuwe stations van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam verkozen tot gebouw van het jaar en is PSV toch nog in de prijzen gevallen omdat de Eindhovenaren de beste website van het jaar blijken te hebben.

In datzelfde rijtje past ook de bekendmaking van het woord van het jaar. Woordenboekenuitgever Van Dale is de initiatiefnemer van deze verkiezing.[1] Dit jaar kon het publiek uit 19 genomineerde woorden kiezen en kwam het woord ‘boomer’ afgetekend als winnaar uit de bus. Op het gevaar af dat ik nu word weggezet als oude zeurpiet: ik vind dit een ongelukkige keuze.

Het woord is dit jaar namelijk vooral populair geworden in combinatie met het woordje ‘ok’ dat ervoor moet worden geplaatst. De term ‘ok boomer’ is onder jongere generaties een grote hit (oftewel trending)[2] en wordt gebruikt om een zeurende, behoudzuchtige oudere op z’n plek te zetten. In het Nederlands zouden we zeggen: ‘genoeg gekletst, ouwe’. De kracht van deze kreet zit in de combinatie van het woord boomer met het woordje ok. Bovendien bestaat het woord boomer al jarenlang (ook als de variant baby-boomer). Allemaal redenen waarom deze verkiezing heel merkwaardig aanvoelt.

Als je je dan toch door de uitdrukking ’ok boomer’ wilt laten inspireren, dan is het woordje ‘ok’ een veel betere keuze. Het is namelijk een enorm veelzijdig woord dat allerlei gedaantes kan aannemen. Zelfs koning Willem-Alexander gebruikte het in zijn kersttoespraak met de inmiddels al vaak herhaalde woorden ‘Trek het je niet teveel aan als het eens tegenzit. Geef jezelf wat ruimte. Het is okee.’[3] Zou de koning zich hierbij hebben laten inspireren door de 50 jaar oude bestseller Ik ben o.k., jij bent o.k. van Thomas Harris?

 

De oorsprong van het woordje ‘ok’ (formeel is het een tussenwerpsel) is niet voor honderd procent duidelijk, maar meerdere bronnen verwijzen naar de Amerikaanse president Martin van Buren.[4] Zijn aanhangers richtten in 1840 de ‘Democratic O.K. Club’ op. De letters O.K. waren de afkorting van Old Kinderhook, een door Nederlandse immigranten gestichte plaats waar van Buren ooit ter wereld kwam. Later kreeg OK de betekenis van Oll Korrekt (alles is correct/in orde). Het woordje OK heeft dus Nederlandse wortels en is een succesvol export-product geworden dat de hele wereld heeft veroverd. Dat is al op zich een reden om het woord in het zonnetje te zetten.

Een andere reden is de veelzijdige schrijfwijze. Je komt de term met en zonder puntjes tegen en in hoofdletters en in kleine letters (ok, o.k., OK, O.K.). Daarnaast wordt het ook vaak geschreven als ‘okay’. In het Nederlands is merkwaardig genoeg het Frans aandoende ‘oké’ de correcte spelling. Onze koning heeft zich duidelijk niet aan die spellingsregel gehouden. In de gepubliceerde tekst van zijn kersttoespraak staat ‘okee’. Al die verschillende manieren waarop je het kunt schrijven, onderstrepen het bijzondere karakter van dit woord.

Ten slotte kent het woordje enorm veel betekenissen. De oorspronkelijke betekenis staat hierboven al weergegeven. Het betekent: in orde, akkoord. Maar sinds de tijd van Martin van Buren heeft oké een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Toen mijn dochter mij laatst een appje stuurde met een voorstel om langs te komen antwoordde ik met ‘OK’. Ik bedoelde dat positief, maar zij vatte het anders op, want ze appte terug: ‘dat klinkt ook niet enthousiast’. Voor mij was het een bevestigende oké, maar voor haar was het een ‘vooruit dan maar’-oké.

Met oké kun je heel veel kanten op. Het kan bemoedigend of afremmend zijn, positief of negatief, vragend of dwingend. Volgens taal-expert Pauline Cornelisse is er sprake van een enorme opmars van het woord, waarbij met name de wijze van uitspreken verraadt wat men met ‘oké’ wil zeggen.[5]

Met simpele stembuigingen kun je eenvoudig de meest uiteenlopende betekenissen aan oké  geven:

die is gek!

meen je dat echt?

kappen nou!

geweldig idee!

ik begrijp het

nu even wat anders

mwah

wat een verrassing!

 

Oké is dus een veel interessanter woord dan boomer. Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden. Het woord is niet verrassend of vernieuwend. Het een import-woord zonder band met het Nederlands. Over een paar dagen begint 2020. Een nieuw jaar met nieuwe kansen. Laten we hopen dat het een oké jaar wordt en dat iedereen zich oké voelt. Ook als het even tegenzit. En laten we proberen om volgend jaar een beter woord van het jaar te kiezen. Oké?

 

P.S. 15 januari 2020

Inmiddels heb ik als reactie op dit verhaal enkele alternatieve verklaringen voor de oorsprong van de term oké ontvangen:

  • het zou komen van het Griekse όλα καλά,  oftewel alles goed!
  • het zou een verbastering zijn van het Franse woord au quai, een uitroep die werd gedaan als schepen, bv. houtschepen in toen nog Franstalig Louisiana goed aangemeerd lagen, dus ‘au quai’, aan de kade, waren gemeerd.
  • In de film Silver Linings Playbook die ik een paar dagen geleden zag wordt de oorsprong van de term OK ook gekoppeld aan Martin van Buren en Old Kinderhook.
  • Volgens Allan Metcalf (die een boek over de term OK heeft geschreven) is de term afkomstig uit 1839 toen een redacteur van een krant in Boston het introduceerde als afkorting voor ‘all correct’.

 

 

 

 

 

https://www.cbsnews.com/news/time-for-a-little-word-history-ok/

 

 

 

[1] https://woordvanhetjaar.vandale.nl/nl;

Eerdere woorden van het jaar: blokkeerfries (2018), appongeluk (2017), treitervlogger (2016), sjoemel-software (2015), dagobertduck-taks (2014), selfie (2013), project X-feest (2012), tuigdorp (2011), gedoogregering (2010),  ontvrienden (2009), swaffelen (2008) en bokitoproof (2007).

 

[2] https://www.thebestsocial.media/nl/dit-is-waarom-het-internet-momenteel-vol-staat-met-ok-boomer/#

 

[3] https://www.koninklijkhuis.nl/documenten/toespraken/2019/12/25/kersttoespraak-van-de-koning-25-december-2019

 

[4] Opmerkelijk genoeg is de naam van Buren ook verbonden aan ons Koningshuis. Het is een van de erfelijke titels van de Oranjes. Willem-Alexander nam in 1996 als W.A. van Buren deel aan de Friese Elfstedentocht.

[5] Paulien Cornelisse (2010): Taal is zeg maar echt mijn ding.

Kinderen voor Kinderen

 

Ik ben erg trots op mijn kinderen en het werk dat zij doen. Zij zijn kinderen voor kinderen. Ik wens hun toe dat politiek en samenleving nu echt prioriteit gaan geven aan het ruimhartig faciliteren van goed onderwijs en goede jeugdzorg

 

Kinderen voor Kinderen heeft de middelbare leeftijd van 40 jaar bereikt. Onlangs werd dit jubileum groots gevierd in het Rotterdamse Ahoy’. De media besteedden veel aandacht aan deze bijzondere verjaardag. Al die berichten riepen bij mij veel nostalgische gevoelens op naar de tijd dat onze vier kinderen klein waren. Het kijken naar de jaarlijkse TV-uitzending was bij ons thuis een vast en vrolijk ritueel. Natuurlijk kochten we daarna ook de LP/cassetteband/CD (de techniek vorderde flink in die jaren) om alle liedjes nog wekenlang te kunnen beluisteren en luidkeels mee te zingen.

Die tijd ligt inmiddels ver achter ons. Onze kinderen zijn al lang uitgevlogen en hebben hun eigen nesten gebouwd. Ze leiden volwassen levens en hebben volwassen banen. Opvallend genoeg zijn ze allemaal na hun studie aan het werk gegaan in de wereld van opvoeding, onderwijs en jeugdzorg. Dat is des te opmerkelijker omdat ze aanvankelijk alle vier een studie hadden gekozen die in een andere richting wees: communicatie, econometrie, bestuurskunde en Japanologie. Om allerlei redenen braken ze stuk voor stuk na enige tijd hun studie af. Mijn vrouw en ik begonnen aan onszelf te twijfelen. Dit kon toch geen toeval zijn. Hadden wij wellicht fouten gemaakt bij het begeleiden van de studiekeuze van onze kinderen? Je zoekt als ouders al gauw de schuld bij jezelf. Maar de redenen en omstandigheden waren bij ieder kind verschillend. Dat bleek ook uit hun zoektocht naar een nieuwe opleiding. Ieder koos op eigen wijze een nieuw pad, maar de gekozen opleidingen bleken uiteindelijk behoorlijk bij elkaar in de buurt te liggen: psychologie, pedagogiek en de lerarenopleiding. Tot onze grote geruststelling en vreugde werden deze studies afgerond. Ze behaalden allemaal hun master.

Na hun studie is ieder op het gebied van zijn/haar studie aan het werk gegaan: als leraar Nederlands, als ontwikkelingspsycholoog, als jeugdbeschermer en als onderwijsadviseur. Een van de gevolgen is dat het bij ons op verjaardagen en bij familie-etentjes gonst van de verhalen over kinderen. Over zwaardere thema’s als armoede, autisme, taalachterstand, mishandeling en pleegzorg. Maar ook over vrolijke gebeurtenissen en bijzondere situaties waarin je als professional net het verschil kunt maken.

Een rode draad in al die verhalen is de permanente zorg om organisatorische knelpunten: er is altijd gebrek aan tijd, aan menskracht, aan voorzieningen, aan geld. Met lange wachtlijsten, volle klassen en hoge werkdruk tot gevolg. Het werk kan daardoor niet naar behoren worden gedaan. En uiteindelijk zijn de kinderen het kind van de rekening.

Het is daarom in ons gezin voor niemand een verrassing dat leraren de straat op gaan om te staken voor beter onderwijs en dat nota bene overheidsinspecties zelf de noodklok luiden over de jeugdzorg in een rapport met de veelzeggende titel ‘kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’. De overheid krijgt er van de eigen inspecteurs flink van langs:

De overheid neemt op dit moment onvoldoende haar verantwoordelijkheid om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het gaat hier om kinderen bij wie sprake is van mishandeling of verwaarlozing. Deze kwetsbare kinderen moeten zonder vertraging de hulp krijgen die ze nodig hebben. Daarom moeten  direct stappen worden gezet die ertoe leiden dat de jeugdbescherming voor deze kinderen beter functioneert. 

Ik ben erg trots op mijn kinderen en het werk dat zij doen. Zij zijn kinderen voor kinderen. Ik wens hun toe dat politiek en samenleving nu echt prioriteit gaan geven aan het ruimhartig faciliteren van goed onderwijs en goede jeugdzorg. De kinderen in Nederland zijn dat waard. En het zal ervoor zorgen dat mijn kinderen en hun collega’s dan nog beter hun belangrijke en onmisbare werk kunnen doen.

 

https://www.bnnvara.nl/kinderenvoorkinderen/artikelen/kinderen-voor-kinderen-40-de-grote-show-in-ahoy

 

https://www.igj.nl/actueel/nieuws/2019/11/08/inspecties-kwetsbare-kinderen-onvoldoende-beschermd

 

https://nos.nl/artikel/2309507-vernietigend-inspectierapport-over-jeugdzorg-kabinet-grijpt-in.html

 

Elastiekjes op straat

 

Ik weet niet meer wanneer het precies begon, maar sinds een paar jaar trekken elastiekjes op straat mijn aandacht. En dan met name de exemplaren die zo in elkaar gedraaid zijn dat je er een bepaald figuurtje in kunt ontdekken. Soms is het figuurtje meteen te herkennen. Je loopt er tegenaan en denkt:

‘Kijk, een hartje’

Of: ‘een piemel’   (zoals je die op de middelbare school in elke jongens-wc op de wand getekend ziet)

Of: ‘een ampersand’ (het ‘en’-teken)

Soms zie ik het niet direct en moet ik er even omheen lopen om te ontdekken of er een speciaal figuurtje in te herkennen is. Ik maak voor de zekerheid van elk elastiekje een of meer foto’s, zodat ik er thuis ook nog even goed vanuit verschillende hoeken naar kan kijken.

Met enige fantasie kan ik er dan vaak toch iets in herkennen:

‘een slakje’

‘een slapende vrouw à la Picasso’

‘Epke Zonderland in kruishang’

‘een zwaantje’

In sommige gekringelde elastiekjes kan ik geen figuur ontdekken, maar dat maakt hen niet minder interessant. Die voeg ik naamloos toe aan mijn verzameling

Ik realiseer me dat mijn speciale interesse voor elastiekjes op straat voor omstanders een raar beeld moet opleveren. Een man van middelbare leeftijd die midden op de stoep gaat stilstaan, gebiologeerd naar een plek op de straat staart en dan in een cirkeltje rondloopt; die vervolgens zijn smartphone pakt, door z’n knieën gaat en op 30 centimeter hoogte een foto maakt. Er zijn mensen in mijn omgeving die zich zorgen maken en zich afvragen of wel goed met me gaat. Dat vraag ik mezelf ook wel eens af, maar ja, als je eenmaal door iets gegrepen bent, is het moeilijk om het los te laten.

Een bijzondere ontdekking deed ik pas onlangs. In een verzamelbundel kwam ik twee gedichten van Cees Buddingh’ over elastiekjes tegen.

geen schaartje

‘hé, dat lijkt wel een schaartje,
wat daar op de grond ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig, grijsgroen schaartje’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen schaartje was,
maar een elastiekje, ineengekringeld
in de vorm van een schaartje

 

geen brilmontuurtje

‘hé, dat lijkt wel een brilmontuurtje,
wat daar op tafel ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig brilmontuurtje,
zo eentje als bernlef wel draagt.’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen brilmontuur was,
maar het grijsgroene elastiekje,
nu ineengekringeld
in de vorm van een brilmontuurtje

Ik kende deze gedichten niet, terwijl ik toch een poëzie-liefhebber ben en zelfs een keer een blog over Buddingh’ heb geschreven (http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=739). Deze aardige gedichtjes hebben me enorm gerustgesteld. Ik ben dus niet gek. Of in ieder geval niet de enige gek. Cees Buddingh’ met zijn oog voor ‘objets trouvés’, was ook gefascineerd door elastiekjes. Ik bevind me in goed gezelschap.

Je bent wat je draagt

Over gele hesjes, Roodkapje en cappuccino

 

Onlangs zijn in Parijs de gele hesjes weer met veel tam-tam de straat op gegaan. Ze waren even uit het nieuws verdwenen, maar hebben na een lange zomerpauze de draad weer opgepakt. Ook demonstranten hebben kennelijk behoefte aan vakantie. Ik vind het grappig dat deze activisten genoemd worden naar de kleding die ze dragen. Dat leidt tot koppen in nieuwsmedia als “gele hesjes stichten brand op de Champs Elysées”, of “geel hesje weigert Rutte een hand te geven”. Alsof hesjes brand kunnen stichten en handen kunnen schudden. En toch begrijpen we precies wat er bedoeld wordt.

Ik ben gaan kijken of er meer varianten op dit thema bestaan: mensen die genoemd worden naar de kleding die ze dragen en dan bij voorkeur met een aanduiding die bestaat uit een kleur en een kledingstuk, net zoals ‘gele hesjes’.

Ik ben tot de volgende reeks gekomen:

Zwarte kousen

Rode baretten

Witte boorden

Rode hoeden (‘Rode hoeden hebben geen zin om achter de geraniums te zitten’)

Blauwhelmen

Bruinhemden

Ook de wielerterm ‘gele trui’ (met de varianten ‘witte trui’ en ‘groene trui’) past wat mij betreft in dit rijtje. Denk aan een zin als: “de gele trui rijdt op 45 seconden van de kopgroep”.

En in zekere zin is Roodkapje ook een voorbeeld van dit soort kleur-kleding vernoemingen. Al is het in het geval van Roodkapje geen soortnaam, maar een eigennaam.

 

Een bijzondere variant op aanduidingen met kleding en kleur komt uit de koffie-wereld. In het Wenen van de 18e en 19e eeuw kende men variëteiten van koffie met verschillende hoeveelheden melk: van een klein scheutje melk tot een hele plens. De uiteindelijke kleur van de koffie (van donker- tot lichtbruin) koppelde men aan de kleuren van de habijten van bekende monnikenordes. Zo ging men koffie met flink veel melk aanduiden met de term Franziskaner; een term die correspondeerde met het lichtbruine habijt van de Franciscaner monniken.

Koffie met wat minder melk werd Kapuziner genoemd, een verwijzing naar de kapucijner monniken en hun donkerbruin gewaad. Behalve de warm-bruine kleur kende het habijt van de Kapucijners ook een monnikskap, die in het Italiaans een cappa of cappuccio heet, met als verkleinwoord: cappuccino. In sprookjestermen zouden we zeggen: Bruinkapje. Het cappuccino-verhaal laat zien dat een heilig boontje uiteindelijk een koffie-boontje is geworden.

 

Wie weet dat de naam ‘geel hesje’ in de toekomst nog verder evolueert en net als cappuccino ook de aanduiding wordt van een drankje. Ik stel me daarbij een cocktail voor van Cointreau, granaatappel, jus d’orange en peper. Pittig en explosief.

Stel je voor dat je straks een bar binnenloopt en zegt: “Ober, mag ik een geel hesje? En doe er ook maar een portie vlammetjes bij!”

Het Lada-effect

 

Mijn eerste auto was een Lada. Een appeltjes-groen exemplaar dat er uitzag zoals kinderen een auto tekenen: een rechthoekig koekblik op wielen. Ik was een jonge vader en had een part-time baantje in het onderwijs. Ik kon me niets anders veroorloven dan deze vierdehands bak van Russische makelij. De vele roestplekken en het gebrek aan comfort nam ik voor lief. Hij bracht mij en ons kleine gezin van A naar B en daar ging het om. De auto had één groot pluspunt. Hij startte moeiteloos bij 10 graden onder nul. Het was de Elfstedenwinter van ’84-’85 en ik was de enige in de straat die elke ochtend zonder problemen zijn auto aan de praat kreeg.

Ik had voor de aanschaf van deze wagen vagelijk van het merk Lada gehoord, maar toen ik er eenmaal zelf eentje bezat, zag ik overal Lada’s op de weg. Dit verschijnsel noemden mijn vrouw en ik het Lada-effect: iets is er al, maar jij bent er nog nooit echt, bewust mee in aanraking geweest. Zodra je ermee te maken krijgt, zie je er opeens overal voorbeelden van.

Van onbewust/nauwelijks waargenomen naar bewust/gericht waargenomen via een onverwachte confrontatie. In de psychologie zal er vast een wetenschappelijke term voor bestaan, maar voor mij voldoet de term Lada-effect. Door dit verschijnsel zo te typeren ben ik me er sindsdien bewuster van als me dit weer overkomt: “hé, een Lada-effect!”.

Een paar voorbeelden.

Een van onze kinderen zag vlak na de geboorte nogal geel. We hoorden dat zijn bilirubine-gehalte te hoog was. Hij moest zelfs even een tijdje in het ziekenhuis onder een speciale lamp liggen. Ik had nog nooit van bilirubine gehoord, maar vanaf dat moment was het een term die ik te pas en te onpas hoorde als er over pasgeborenen werd gepraat. (Dit gold in die tijd voor mij als jonge vader ook voor termen als bekkeninstabiliteit, striae en spruw).

Mijn dochter kwam op een bepaald moment thuis met Uggs die ze net had gekocht. Ik wist niet van het bestaan van dergelijke schoeisel af. “Ach pap”, zei ze, “die zijn al heel lang in de mode.” Het was mij nooit opgevallen, maar de weken daarna zag ik allemaal jonge meiden met Uggs lopen.

Toen Geert Wilders 10 jaar geleden in de Tweede Kamer het dragen van hoofddoekjes ter discussie stelde en de term ‘kopvoddentaks’ introduceerde, was ik de weken daarna ongewild alert op studentes met een hoofddoek op mijn hogeschool. Ze waren me al die jaren daarvoor niet specifiek opgevallen, maar sinds dat politieke debat trokken zij toch onwillekeurig mijn aandacht. Ik vond dat vervelend, maar het was alsof iemand had geroepen dat ik niet aan een roze olifant mocht denken.

Mijn zoon besloot een paar jaar geleden op Bali te gaan wonen (ik schreef daar eerder enkele blogs over). Sinds hij daar woont heeft mijn brein een soort radar ontwikkeld voor alle berichten over Bali die ik in de media of in verhalen van anderen tegenkom. Ik pik al het nieuws over Bali er direct uit, terwijl ik tot vier jaar geleden totaal geen aandacht voor dat eiland had. Dit Lada-effect strekt zich overigens ook uit tot onze familie- en vriendenkring, want ik krijg de afgelopen jaren uit mijn omgeving regelmatig berichten in de trant van: heb je al gehoord dat er op Bali ….. .

In de tuin van onze nieuwe woning staat een prachtige struik waarvan ik de naam niet wist. Een goede vriendin vertelde me dat het een hibiscus is. Vanaf dat moment zie ik overal hibiscussen staan. Als ik langs tuinen loop let ik er speciaal op en kan ik ze zonder enige moeite herkennen, terwijl ze me daarvoor nooit waren opgevallen.

Ik dacht aanvankelijk dat het Lada-effect minder zou worden bij het ouder worden, omdat ik dan meer levenservaring zou hebben. De praktijk wijst anders uit. Ik blijf vatbaar voor Lada-effecten. Ik ben er zelfs extra attent op: ‘alweer een Lada-effect’. Een soort verdubbeld bewustzijn; het valt me op dat het me opvalt. Je zou dat zelfs een Lada-Lada-effect kunnen noemen.

Ik denk dat ik hier nooit meer vanaf kom. Dat is geen ramp. Het is alleen jammer dat je tegenwoordig haast geen Lada’s meer ziet rijden. Want als ik andere mensen over dit soort ervaringen vertel krijg ik steeds vaker de vraag: wat is een Lada?