Winterswijk

 

 

Ik ben geboren en getogen in Gelderland, maar was tot voor kort nog nooit in Winterswijk geweest. Ik denk dat het door de ligging van het plaatsje komt: in het uiterste oostpuntje van de provincie, omringd door Duits grondgebied. Eindhalte van het boemeltje van Arriva. Geen plaats waar je toevallig even langsrijdt of waar je gemakkelijk een tussenstop maakt. Je moet een gerichte reden hebben om Winterswijk te bezoeken. En die reden had ik onlangs. Mijn vrouw moest op een dag voor haar werk in Winterswijk zijn en ik wilde al enige tijd een kijkje nemen in Villa Mondriaan. Een voornemen dat ik in het Mondriaanjaar (2017) niet had kunnen verwezenlijken. Ook wilde ik graag rondlopen in de voetsporen van Gerrit Komrij, de bekende, veelzijdige schrijver die in 1944 in Winterswijk werd geboren. Ik draag Komrij een warm hart toe sinds hij een kinderversje uit het boekje Ondersteboven dat ik lang geleden publiceerde, opnam in zijn verzamelbundel ‘De Nederlandse Kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten’.

 

Toen ik dat nieuws zo’n tien jaar geleden hoorde ‘zwol mijn borst tot slagschiphoogte’, om Komrij te citeren.

Voldoende reden om deze mede-Gelderlander en zijn geboortedorp enige eer te bewijzen, en nu deed zich een goede gelegenheid voor.

 

Omdat ik in de ochtend nog een aantal verplichtingen had, spraken we af dat ik mijn vrouw in de loop van de middag per trein achterna zou reizen om na mijn Mondriaan-Komrij tour samen elders in de Achterhoek in een sfeervol hotel een hapje te eten en te overnachten. Een mooi plan om het nuttige en het aangename te combineren.

Dat plan werd al bij mijn vertrek vanuit Amsterdam overhoop gegooid. Ik strandde bij station Bijlmer. Het treinverkeer naar Utrecht was verstoord door wat de NS eufemistisch een ‘aanrijding met een persoon’ noemt. Ik moest rekening houden met een oponthoud van minstens twee uur. Ik besloot de metro naar station Duivendrecht te nemen en daar op de intercity naar Apeldoorn te stappen. Er leiden immers meer wegen naar Winterswijk. De intercity reed in Duivendrecht net voor mijn neus weg. Ik moest een half uur wachten op een kil station dat in niets deed denken aan het pittoreske dorpje waar Mondriaan honderd jaar geleden zo graag landschappen en boerderijen schilderde.

Toen ik uiteindelijk op de volgende intercity stapte lag ik inmiddels een uur achter op schema. Ik besloot mijn planning maar los te laten.

In Apeldoorn stapte in over op de stoptrein (door Arriva optimistisch ‘sprinter’ genoemd) naar Zutphen. Een klein half uur later stapte ik uit op het station waar ik als middelbare scholier drie jaar lang was uitgestapt. Ik woonde namelijk in Dieren en zat in Zutphen op het Baudartius College. Het was een plezierig weerzien met veel herkenningspunten. Ik was blij dat mijn omweg me naar deze vertrouwde plek had geleid. Maar veel tijd had ik niet. Ik moest al snel weer overstappen op een volgende sprinter die mij naar mijn plaats van bestemming zou brengen zou brengen.

Uiteindelijk stapte ik pas rond half 5 uit in Winterswijk. Met enige digitale hulp liep ik in tien minuten naar Villa Mondriaan. Om 5 uur zou het museum sluiten. Ik besloot toch een kaartje te kopen. Anders was alle moeite voor niets geweest. In een bovenzaal was een mooie tentoonstelling ingericht met vroeg werk van Piet Mondriaan, Jan Sluijters (een van mijn favoriete schilders) en de mij onbekende Cees Spoor. In 1909 had het Stedelijk Museum Amsterdam een tentoonstelling aan deze drie schilders gewijd en nu waren ze herenigd.

De vriendelijke medewerkers van het museum gaven me toestemming om rond sluitingstijd ook nog even het naastgelegen huis te bekijken waar Mondriaan een aantal jaren heeft gewoond. Maar om tien over 5 was het echt gedaan. Ik liep terug naar het gezellige centrum van Winterswijk voor een ijsje. En kwartier later haalde mijn vrouw me op en vertrokken we naar ons hotel in Bronkhorst.

Ik ben dus netto één uur in Winterswijk geweest. Een bliksembezoek. Hiermee heb ik deze plaats tekort gedaan. En Gerrit Komrij al helemaal. Ik ga zeker nog een keer terug. In de tussentijd moet ik het doen met dit mooie gedicht van Gerrit Komrij over zijn geboorteplaats.

Winterswijk

Soms droom ik, in de verre hete zon,

Dat ik mijn dorpje een bezoek ga brengen,

De school, het groen, de straat waar het begon –

Geen wegen lopen er naar toe maar navelstrengen.

 

Er gloeit en zingt iets aan de horizon.

Ik ben er bijna, in de holte van de kaart –

Ik zal weer samenvallen met mijn bron –

De zijlijn, maar voor mij een omweg waard –

 

De grijze Jacobskerk lijkt wel van goud.

Ik trap het Weurden op zijn staart

Dan, snel, zakt het fantoombeeld, zo vertrouwd,

 

In een diep gat, ik zal er nooit echt komen –

Toch is er iets hardnekkigs in mijn dromen,

Want steeds herhaal ik deze bedevaart.

 

(16 maart 2001; Ergens in de trein tussen Middelburg en Roosendaal)

Balinese bruiloft

 

 

 

 

Als een Balinees stel gaat trouwen, vindt de ceremonie doorgaans plaats in het dorp waar de vader van de bruidegom is geboren. Volgens de traditie behoort de bruid bij de familie van haar man te gaan wonen. Het jonge paar bouwt of krijgt een huisje op het erf van de familie. Bij grotere families is er een erf met meerdere huizen (kampung) waar, naast de ouders, ook ooms en tantes en neven en nichten wonen. Als de (schoon-)ouders oud en hulpbehoevend worden, moeten zoon en schoondochter voor hen zorgen. Tot zover de traditionele gang van zaken.

Het wordt een ander verhaal als de bruidegom van Nederlandse komaf is. Dit maakten wij van dichtbij mee toen onze oudste zoon Lucas begin mei ging trouwen met zijn Balinese vriendin Santie. Het werd een heel bijzondere ervaring. Soms sprookjesachtig en zinnenprikkelend, soms ook bevreemdend en  verwarrend. Maar hoe dan ook onvergetelijk.

 

De datum

Lucas en Santie hadden al een tijd lang 08-08-’18 in hun hoofd als mooie symbolische datum voor hun huwelijk. Deze datum kregen wij dan ook een half jaar geleden bij de huwelijksaankondiging van hen door. Voor ons heel handig, want het viel goed in te passen in onze zomervakantie. Maar anderhalve maand na de aankondiging bleek bij het ‘intake’-gesprek met de Hindoe-priester, dat de gewenste datum niet geschikt was. Van medio juli tot medio augustus kon je volgens diens vaste overtuiging beter niet trouwen: bad kharma. Begin mei zou wel geschikt zijn. Daarmee kwamen alle voorbereidingen onder druk te staan, want dat was drie maanden eerder dan gepland. En reken maar dat er ook op Bali rondom een huwelijk heel veel vooraf geregeld moet worden, zeker ook als er een buitenlandse bruidegom in het spel is. Ook wij moesten opeens snel handelen om vrije dagen op te vragen en tickets en overnachtingen te boeken.

 

De locatie

Omdat er geen Balinese bruidegom was, werd er gekozen voor een bruiloft in het geboortedorp van de ouders van de bruid. De ouders van Santie wonen bij de hoofdstad Denpasar, maar het geboortedorp van Santie’s vader is in een klein dorpje in een niet-toeristische regio van Bali. In dat dorp bevindt zich de kampung van de familie waar alleen nog Santie’s hoogbejaarde grootmoeder en een verzorgende tante permanent wonen. Santie’s vader heeft nog twee oudere broers voor wie dit ook het familie-erf is. De familie komt hier van tijd tot tijd samen als er bepaalde ceremonies zijn. Dan is ook de oudere broer van Santie met zijn gezin aanwezig. Kortom, de hele mannelijke lijn komt op dat erf bij elkaar. De keuze van de locatie betekent daarmee ook dat men Lucas toestaat om van die lijn deel uit te gaan maken. In plaats van het vertrek van een dochter, komt er dus een schoonzoon bij. Dat kan alleen als de direct betrokken mannen daarmee instemmen.

De kampung wordt in de dagen voorafgaand aan de bruiloft geheel versierd.

Om het hek aan de doorgaande weg wordt een kleurrijke ingangspoort geplaatst. Het kan niet missen: hier gaat de bruiloft plaatsvinden. Op de binnenplaats van het erf bouwt men een altaar voor de priester, een podium voor de muzikanten, een foto-hoek en een ruimte voor het buffet. Er worden meerdere ronde tafels en tientallen stoelen geplaatst en aangekleed. Kortom, een festivalterrein in miniatuur-formaat. In de laatste dagen voor de bruiloft begint men met het voorbereiden van het eten. Enorme zakken pepers, uien, knoflook en kruiden worden aangevoerd, schoongemaakt en verwerkt tot boemboes voor de meest heerlijke gerechten. Ondertussen komen de hele dag door buren en kennissen bij wijze van huwelijksgift manden vol rijst en suiker (symbolisch voor vruchtbaarheid en voorspoed) langs brengen.

 

Lucas en Santie mogen het terrein dan niet meer verlaten. Dat zou maar ongeluk brengen. Als ik vraag waar ze slapen zegt Lucas: ‘op de kamer bij mijn schoonouders’. Hij laat me het huisje zien dat bestaat uit een keuken en een klein slaap-/woonvertrek. Overige familieleden die op bezoek komen, slapen elders op het erf in de open lucht.

Op de dag voor de bruiloft wordt Lucas om 4 uur ’s nachts gewekt om aanwezig te zijn bij het slachten van een varken. Gewoon op de grond van het erf. In een mum van tijd wordt dit ‘feestvarken’ ontdaan van zijn kop en ingewanden. Daarna wordt het beest in stukken gehakt en uitgebeend. We zullen er later tijdens de bruiloft heel smakelijk van eten.

 

De kleding

Op de dag van het huwelijk ogen de bruid en de bruidegom als een koninklijk paar uit een Oosters sprookje. In veelkleurige gewaden, met goudkleurige kronen en allerlei sieraden en accessoires. Santie kreunt af en toe onder het gewicht van haar kroon. Haar gezicht is zwaar opgemaakt. Wij kijken naar onze zoon die we al in heel wat outfits hebben zien rondlopen, maar nog nooit in zo iets bijzonders. Alle directe familieleden zijn traditioneel gekleed (sarong en kebaya voor de vrouwen, sarong en jasje voor de mannen).

Wij hebben drie maanden geleden al onze kledingmaten moeten doorsturen en bij aankomst op Bali hebben we alles moeten passen onder toeziend oog van de kleermaakster. Dankzij deze kleding weten alle bruiloftsgasten wie de ouders en broers en zussen van het bruidspaar zijn. ’s Avonds kleden Santie en Lucas zich om en verschijnen ze wederom in prachtige feestkleding, maar dit keer met wat minder uitbundige hoofdtooien.

 

Hindoe rituelen

De bevolking van Bali hangt een eigen vorm van hindoeïsme aan. Het leven op Bali is vol van  gebruiken en rituelen. Balinezen besteden veel tijd, aandacht en geld aan al deze religieuze handelingen. Voor buitenstaanders is het vaak mooi om te ervaren: de offertjes, de tempels en de toewijding. Sommigen vinden Bali daarom heel inspirerend, anderen ervaren het meer als naïef bijgeloof. Hoe dan ook, wie op Bali woont en werkt, en zich wil voegen naar het Balinese leven, moet ook de levenswijze van de hindoes aannemen. Daar heeft Lucas ook voor gekozen. Op de dag van zijn huwelijk moet hij ook zijn toetreding tot het hindoe-geloof afronden. Hij heeft de maanden daarvoor al stappen gezet en nu wachten de laatste rituelen. Op de huwelijksdag moet hij ’s ochtends om half 4 opstaan om in de plaatselijke tempel zijn hoektanden te laten vijlen. Daarin huizen namelijk kwade geesten. Wij willen daar getuige van zijn, dus ook wij staan voor dag en dauw op. Uiteindelijk begint de ceremonie pas om 5 uur. Bij het kraaien van de haan worden er gezangen voorgedragen en Lucas wordt op een  hoogbed gelegd, waarna een traditioneel geklede man met een vijl aan de slag gaat.

Het is geen prettig gezicht, ook al schijnt het geen pijn te doen. Ook een neef en een nicht van Santie ondergaan dit lot. Nu er toch een priester is ingehuurd voor deze dag, kunnen zij tegen groepstarief hun laatste toetredingsrituelen ondergaan. Drie voor de prijs van één. Rond zes uur is alles klaar en gaan wij terug naar het hotel om ons op te frissen en aan te kleden. De dames in ons Nederlandse gezelschap schuiven één voor één aan bij de ingehuurde Balinese ‘make up artist’. Tegen 9 uur vertrekken we passend gekleed en gekapt met auto’s en scooters naar de bruiloft.

 

Op de foto

Als we op het erf aankomen loopt Lucas al in vol ornaat rond. Santie wordt nog opgemaakt. We krijgen een kop koffie en wachten de komst van de bruid af. Even later komt ze, oogverblindend,  tevoorschijn.

Daarna volgen een paar fotomomenten. Iedereen gaat met het stralende bruidspaar op de foto: ons gezin, Santie’s gezin, de twee gezinnen samen, een dozijn overgekomen Nederlandse vrienden, buren, ooms en tantes. Daarna gebeurt er even niets bijzonders. We drinken nog maar wat koffie of thee, terwijl er meer en meer dorpsgenoten en andere gasten het erf opkomen.

 

Mannenpraatgroep

Op een gegeven moment zitten zo’n vijftien mannen in een kring op de grond bij elkaar. Ik vraag een Balinese vriend van Lucas wat er gaande is. Hij legt me uit dat de vader van Santie nu in bespreking is met zijn oudere broers en enkele gezaghebbende dorpsgenoten. Het gaat om de vraag of zij Lucas willen accepteren in de familie en in de dorpsgemeenschap.

Bij toerbeurt nemen enkele mannen het woord en houden daarbij stevige monologen. Ook gaan er verschillende formele documenten rond. Ik herken daarbij ook een kopie van een Nederlands document dat ik een paar maanden geleden naar Lucas had opgestuurd.

Opeens komt er een doosje tevoorschijn. Het doosje gaat open en er zitten twee ringen in. Wij grijpen snel naar onze fototoestellen, omdat we begrijpen dat dit plotseling een belangrijk moment wordt. Santie en Lucas schuiven de ringen om elkaars vinger en daarmee eindigt het gespreksritueel. ‘Zijn jullie nu formeel getrouwd?’, vragen wij. Ze geloven van wel, maar ze moeten ook nog een Hindoe-ritueel ondergaan. Voor de zekerheid feliciteren we hen alvast en wachten af wat er verder gaat komen.

Priester en artiesten

De plaats van handeling verschuift naar een ander deel van het erf waar een verhoogde stellage voor de priester is gebouwd (we zijn deze eerbiedwaardige man daarom ook ‘hogepriester’ gaan noemen). Lucas en de neef en nicht bij wie ’s ochtends ook de hoektanden zijn gevijld, ondergaan een laatste inwijdingsritueel. Santie heeft hierdoor even rust. Dat mag ook wel want de afgelopen dagen waren erg (in-)spannend voor haar. Het ritueel bestaat uit meerdere onderdelen en zal uiteindelijk zeker een uur duren. Het duurt zo lang omdat Lucas in één keer een aantal handelingen moet ondergaan die alle fasen uit zijn leven omvatten, terwijl Balinezen dit in de loop van hun leven stapsgewijs via meerdere rituelen doen.

Er worden stukjes van Lucas’ haar geknipt, hij wordt besprenkeld met heilig water, er wordt wierook gebrand, etc. De priester laat voortdurend een schel belletje rinkelen en op de achtergrond speelt een driekoppig gamelan-orkestje. Al onze zintuigen worden volop geprikkeld. Ook beginnen we het behoorlijk warm te krijgen omdat dit deel van de kampung minder beschutting kent.

Als het inwijdingsritueel is afgerond, volgt de ceremoniële inzegening van het huwelijk. Wij hebben hierbij als ouders ook een rol. Samen met de ouders van Santie lopen we achter het bruidspaar aan dat een paar rondjes maakt rondom een aantal offers die op de grond liggen. Lucas moet op een paar offers stampen met zijn voet en met een kleine kris moet hij een gevlochten matje doorboren dat Santie voor haar buik houdt. Deze symbolische handeling laat weinig te raden over.

Daarna lopen we met hen naar het huis van Santie’s ouders. Lucas krijgt van zijn schoonvader een soort bamboe-juk op zijn schouder waarmee hij de zorg voor Santie symbolisch van hem overneemt. Bij het huis staan twee takken tegen de deurposten geplaatst met een touwtje ertussen. Santie moet nu het huis binnenlopen en het touwtje met haar buik wegduwen. Alsof ze een lintje doorknipt. Daarna keren we terug naar de centrale binnenplaats waar al die tijd meerdere artiesten aan het optreden zijn: twee traditionele Balinese danseressen, twee stand up comedians met beschilderde gezichten en een als vrouw verklede man die (ondeugende) liedjes zingt.

 

Het publiek is door het dolle heen. Wij begrijpen er nauwelijks iets van. Ook begrijpen we niet waarom dit gedurende de huwelijksceremonie van de priester al is begonnen. Later horen we dat Balinezen zo vaak huwelijksceremonies meemaken, dat ze graag wat aanvullend entertainment willen hebben tijdens de gebeurtenis.

Als dit onderdeel helemaal is afgerond zien we dat Lucas en Santie van alle kanten worden gefeliciteerd, dus dat doen wij ook nog maar een keer.

 

Eten en drinken

Na alle plechtigheden en het amusement is het tijd voor eten en drinken. Er staat een heerlijk buffet klaar en iedereen gaat met een bord vol lekkers aan de ronde tafels zitten. Daarna willen mensen met Lucas en Santie (en met ons) op de foto.

Langzaam maar zeker stroomt het erf leeg. Lucas en Santie zijn opeens ook verdwenen en wij zitten wat rond te kijken. Wat zullen we gaan doen? We willen dolgraag terug naar het hotel om ons wat op te frissen, maar kan dat wel? Is dat niet onbeleefd? Als we van Ita, de schoonzus van Santie, begrijpen dat het geen probleem is, gaan we een paar uur terug naar ons hotel voor een verkoelende duik in het zwembad.

 

Avondprogramma

Vanaf een uur of 6 ’s avonds stroomt de kampung weer vol. Dit keer zijn het vooral vrienden van Lucas en Santie. Het ochtendprogramma was kennelijk vooral voor de dorpsgenoten en directe familie. Lucas en Santie dragen prachtige groene gewaden. Een keyboardspeler en een zangeres zorgen voor moderne muziek en er wordt gedanst. Dit is een onderdeel dat het Nederlandse contingent goed begrijpt, dus we gaan allemaal de dansvloer op. Er treden diverse zangers op, waaronder Bari, de broer van Santie. Ook Lucas zingt een Balinees duet met zijn vriend Putu Marlen. Veel hilariteit ontstaat bij het optreden van twee ‘boum boum’-danseressen. Tot groot vermaak van het publiek worden mannen de dansvloer op getrokken om te dansen met deze verleidelijke, heupwiegende dames. Dan is het de beurt aan een grote muziek- en dansgroep (gencek) van wel 25 mannen. Ze zitten in een vierkant op de grond en zingen en bewegen op de opzwepende muziek. De rest van de avond is er tijd voor lekkere dansmuziek en gaan de benen weer van de vloer.

Op een gegeven moment pakken de vrienden van Lucas de microfoon en een gitaar om twee liedjes van Acda en De Munnik te zingen die zij bij Lucas vinden passen: ‘Het regent zonnestralen’ en ‘De stad Amsterdam’. Lucas en wij zingen uit volle borst mee en de Indonesische vrienden kijken geamuseerd toe. Ik neem aansluitend de microfoon over. Niet om te zingen, maar om wat te zeggen. We hebben toespraken voorbereid, maar merken dat dit niet echt een goede setting daarvoor is. Toch wil ik graag de ouders en broer en schoonzus van Santie bedanken voor hun gastvrijheid, hun inzet bij alle voorbereidingen en voor het opnemen van Lucas in hun familie. De taal blijft een probleem, want zij spreken geen Engels. Maar de boodschap komt gelukkig goed over en wordt met vriendelijke gebaren in dank aanvaard.

Rond 22.00 uur is het feest over z’n hoogtepunt heen en vertrekken de meeste gasten. Velen moeten nog een heel eind door het donker terugreizen. Ook wij gaan terug naar ons hotel. We hebben voor deze nacht een extra kamer geboekt voor Lucas en Santie en geven hen de sleutel. Zij moeten nog wachten tot de laatste gasten weg zijn; wij gaan alvast. We spreken af om morgen samen te ontbijten. Bij het hotel zitten we nog even met de hele Nederlandse club bij elkaar voor het uitwisselen van ervaringen en een laatste drankje. Iedereen is onder de indruk van de dag en vond het een heel bijzondere ervaring, al was het vooral in de ochtend soms lastig om te volgen wat er op bepaalde momenten precies gebeurde. Dat maakte ons af en toe meer toeschouwer dan deelnemer. Een mengeling van verrassing, verbinding en verwondering.

 

Nog even onder elkaar

De volgende ochtend verzamelen we ons voor het ontbijt op het grote hotelterras dat prachtig uitzicht biedt op de belangrijkste berg van Bali: de vulkaan Gunung Agung. Lucas en Santie schuiven als laatsten aan.
Na het ontbijt is het een goed moment om Santie en Lucas toe te spreken. We delen woorden en emoties met elkaar. Iets wat op de dag van de bruiloft zelf minder goed in te passen was. Dan neemt Lucas het woord en vertelt hoeveel steun hij heeft gehad aan de aanwezigheid van zijn familie en vrienden.

Hij maakt geëmotioneerd duidelijk hoe zeer hij ons mist, maar ook hoe graag hij zijn Balinese droom wil realiseren. Hij laat zijn hart spreken en weet iedereen te raken. Daarmee vullen we met elkaar in wat nog oningevuld was gebleven. Zo wordt deze ochtend de perfecte afronding van een onvergetelijk bruiloftsfeest.

 

 

 

 

Leestip: Van bacterie tot Bach en terug

 

Ik heb de afgelopen weken met veel belangstelling het boek ‘Van bacterie tot Bach en terug’ van Daniel Dennett gelezen. Een pittig boek over taal, communicatie, bewustzijn en begrip.  Ik vind er veel zaken in terug die samenhangen met het vakgebied Communicatie waar ik me als docent al jarenlang mee bezighoud. Ik deel hieronder wat inzichten en interpretaties. Gebaseerd op dit boek, maar wel ‘vertaald’ in eigen woorden.

Mensen zijn tot elkaar veroordeeld. Ze slaan de handen ineen of vliegen elkaar in de haren. Ze leren door imitatie en herhaling van ouderen die het destijds als jongeren ook weer door imitatie en herhaling hebben geleerd. Alles volgens een darwinistisch principe: aanpassing aan omstandigheden door te kijken wat wel werkt en wat niet. Dit mechanisme noemt Dennett: competentie zonder begrip. Je doet iets (of je doet iets na) en dan blijkt of het werkt of niet. Als het niet werkt loop je schade op of ga je dood. Als het wel werkt overleef je en geef je het door. Niet omdat je dat van tevoren zo had uitgedokterd, maar omdat je er mee verder komt.

Uit de recensie van Hendrik Spiering (NRC, 12 januari 2018):

“de kern van zijn (Dennett’s) theorie over de oorsprong van het menselijke bewustzijn is simpel. Wij danken ons bewustzijn aan taal. Ons bewustzijn ontstond omdat het evolutionair nut had als controle-instrument voor onderlinge communicatie. En dankzij die ontwikkeling kunnen wij mensen nu als enige dieren op deze wereld abstract denken, poëzie scheppen én filosofische boeken schrijven.”

 

Communicatie helpt om de menselijke samenwerking (of competitie) te versterken. We gebruiken zintuiglijk waarneembare (te onderscheiden) uitingen (gebaren, woorden, geluiden, aanrakingen en beelden) om informatie met anderen uit te wisselen. Bewust of onbewust. Bedoeld of onbedoeld.

Vanuit de ‘zendende’ mens gezien: waar mensen bewust communiceren ontstaat de ontwikkeling van bewustzijn om de uitgaande communicatie te controleren. Om toe te zien op wat we wel en niet willen zeggen en delen. Met dat bewustzijn ontstaat ook het menselijke begrip. Snappen waarom en waartoe. Niet meer puur vanuit instinct, maar op basis van een redenering, een gedachte, een bedoeling.

Vanuit de ‘ontvangende’ mens gezien: informatie is afhankelijk van wat ‘de ontvanger’ al weet. Semantische informatie is betekenisvol. Door te kunnen onderscheiden wat betekenisvol is kun je je situatie verbeteren.

Voor beide partijen is onderscheiden een sleutelwoord. De zender moet zich met zijn uiting weten te onderscheiden, de ontvanger moet het geuite kunnen onderscheiden.

De gebruikte uitingen hebben een bepaalde betekenis die vooral door imitatie en herhaling tot ontwikkeling komt. Die uiting is een uitdrukking of vertaling van een concept in het hoofd van de ene persoon die hij probeert over te brengen op een ander persoon. Dat concept heeft betrekking op een al dan niet waarneembaar stoffelijk voorwerp (hand, kat, boom, huis) of geestelijk idee (warmte, liefde, respect). Zo heb je drie elementen:

  1. het voorwerp of idee,
  2. het daarop betrekking hebbende concept in het hoofd van een persoon
  3. de vertaling van dit concept over een bepaald voorwerp of idee in de vorm van een uiting.

Sommige uitingen (klanken, gebaren of tekens) hebben een duidelijke gelijkenis met het betreffende object. Denk aan het woord koekoek, aan hiëroglyfen, het mail-icoontje op een smartphone of een portrettekening. Andere klanken, gebaren of tekens zijn meer abstract en vergen meer ervaring in betekenisverlening en patroonherkenning. Een volgende generatie weet misschien niet meer dat het mail-icoontje een envelop afbeeldt, omdat ze geen ervaring hebben met papieren brieven en enveloppen.

Degene die de uitingen samenstelt ( de ‘zender’) kan heel doelbewust proberen bepaalde betekenissen op te roepen door voort te borduren op oudere routines en bestaande betekenisvormen. Scenaristen, schilders, tekstschrijvers, fotografen, muzikanten, PR-professionals en politici maken hier graag gebruik van. Denk aan de vaste vijf delen van de Griekse tragedies, de ideale beeldverhoudingen volgens de gulden snede, de veertien regels van het sonnet, de drie basisakkoorden van de blues, maar ook aan vaak gebruikte argumentatieschema’s en reclametechnieken. Er wordt eindeloos geïmiteerd, doorontwikkeld, geplagieerd, aangepast. Geen Beatles zonder Bach, geen West Side Story zonder Romeo en Julia, geen Jesse Klaver zonder Barack Obama, geen Santa Claus zonder Sint Nicolaas, geen …. Zo ontstaan clichés, pastiches, bewerkingen en verwijzingen. Soms regelrecht gekopieerd, soms in een nieuw jasje gestoken, soms compleet gerenoveerd met nog maar een heel klein restant van het oorspronkelijke patroon. Het levert een spanningsveld op van enerzijds voldoende betekenisvol zijn (bekende elementen gebruiken, anders snapt men wat ik wil overbrengen) en anderzijds voldoende onderscheidend zijn (anders ziet men mij niet, word ik niet waargenomen). Vergelijk het met het innovator’s dilemma en de ‘chasm’ (Geoffrey Moore, 1995).

Aan de kant van de ‘ontvangers’ zorgen herhaling, training en educatie voor versterking van de patroonherkenning. Oefening baart kunst. Wie die kunst verstaat heeft aan een half woord (of een half logo, of de eerste tonen van een melodie) al genoeg. Ook kan hij gehusselde letters omtoveren in normale woorden en herkent hij patronen in schijnbaar losse tekens (denk aan de Gestalt wetten).

Hoe meer mogelijkheden mensen ontwikkelen om informatie uit te wisselen (alfabetten, boeken, wiskunde, computers), hoe groter de cumulatie van betekenisvolle informatie. Ieder jaar verschijnen weer nieuwe boeken, nieuwe films, nieuwe auto’s, nieuwe robots, nieuwe apps. Slimmer, smarter, sneller. We kunnen hierdoor informatie gebruiken om nog beter te worden in het verwerken van informatie. Een cumulatief, zichzelf versterkend proces.

Dat vergt ook een accumulatie van competenties om informatie te ontvangen en te verwerken. Dat gaat velen goed af, maar velen ook niet. In Nederland zijn er momenteel 2,5 miljoen mensen die moeite hebben met lezen, schrijven en rekenen. Zij kunnen op tal van fronten minder goed meedoen. In termen van Dennett: zij hebben in dit informatietijdperk minder mogelijkheden om semantische informatie te benutten en daarmee hun situatie te verbeteren. Een soort nieuwe kenniskloof (Noelle-Neuman), of ‘digital divide’.

https://www.lezenenschrijven.nl/nieuws/laaggeletterden-lopen-jaarlijks-ruim-half-miljard-aan-inkomsten-mis/

Het oermodel van communicatie (van Shannon & Weaver) is 70 jaar oud. Reden voor een feestje?

 

 

 

 

 

De moeder van alle communicatiemodellen viert dit jaar haar 70e verjaardag. Is dit reden om groots feest te vieren of moeten we haar met zachte dwang de weg naar het rusthuis wijzen? Laten we het model eerst eens nader onder de loep nemen voordat we een oordeel vellen.

 

Shannon op zoek naar een meet-methode

In 1948 publiceerde Claude Shannon onder de titel A Mathematical Model of Communication een tweetal artikelen voor het Bell System Technical Journal. Dit was een wetenschappelijk tijdschrift van de American Telephone and Telegraph Company (AT&T). De titel van zijn teksten en het karakter van het vakblad verwijzen al naar de technisch-wiskundige grondslag van het model. Shannon, een wiskundig ingenieur, was vooral geïnteresseerd in het vervolmaken van de technische overdracht van informatie. Niet vreemd voor iemand die bij een telefoonmaatschappij in dienst was. In de inleiding van zijn artikel formuleert hij zijn studie-object als volgt:

The fundamental problem of communication is that of reproducing at one point either exactly or approximately a message selected at another point.

Shannon ontwikkelde voor zijn berekeningen een ‘general communication system’ dat uitgroeide tot hèt basismodel van communicatie. Dit basismodel is nog steeds terug te vinden in de handboeken van communicatiewetenschap en wordt doorgaans het Zender-Kanaal-Ontvanger model genoemd.

 

 

De essentie van dit ‘schematic diagram’ was het weergeven van het proces van overdracht van informatie, waarbij Shannon zocht naar manieren om de hoeveelheid informatie te meten en naar een berekeningswijze voor de capaciteit van een kanaal om informatie over te brengen. In feite maakte Shannon een soort werktekening, zoals je die bijvoorbeeld op de website van een bouwmarkt kunt vinden als je wilt weten hoe een elektrisch circuit in elkaar zit. In zijn publicatie van 1948 maakte Shannon onderscheid tussen drie soorten communicatie-systemen: discrete (bijv. morse-tekens bij telegrafie), continue (bijv. radio en televisie) en gemengde systemen (bijv. gesproken woord). Per systeem werkte Shannon grote series berekeningen uit. Wie zijn originele artikel bekijkt zal versteld staan van de vele wiskundige formules die pagina na pagina worden gepresenteerd. De meeste daarvan zullen menig communicatiekundige (inclusief mijzelf) boven de pet gaan.

Voorbeeld pagina’s

Weaver als promotor van het denken van Shannon

Een jaar later, in 1949, verzorgde Warren Weaver, een collega van Shannon, een heruitgave van de artikelen van Shannon en voorzag deze van een voor een breder publiek toegankelijke inleiding. Het kwam als boekje op de markt onder de titel The Mathematical Theory of Communication. De subtiele verandering van het woord ‘A’ in ‘The’ geeft aan dat Weaver en Shannon zelfbewust een algemeen geldend model wilden presenteren. Vanaf dat moment nam het Shannon & Weaver systeemmodel een enorme vlucht.

Weaver benadrukte dat het om een ‘information theory’ ging. Hierbij moest informatie niet verward worden met betekenis.

The word information, in this theory, is used in a special sense that must not be confused with its ordinary usage. In particular, information must not be confused with meaning.

Hij herhaalde met andere woorden een passage uit de inleiding van het artikel van Shannon uit 1948:   ‘These semantic aspects of communication are irrelevant to the engineering problem.’

Shannon en Weaver zijn in dit opzicht meer te beschouwen als tellers dan als noemers. Waar het Shannon en Weaver om ging was het bepalen van de mate van vrijheid om een boodschap te selecteren die je wilt verzenden. Simpel gezegd wordt de hoeveelheid informatie bepaald door het logaritme van het aantal beschikbare keuzes. In een heel eenvoudige situatie zou je de keuze hebben tussen twee boodschappen.

The transmitter might code these two messages so that “zero” is the signal for the first, and “one” the signal for the second; or so that a closed circuit (current flowing) is the signal for the first, and an open circuit (no current flowing) the signal for the second. Thus the two positions, closed and open, of a simple relay, might correspond to the two messages.

In dit citaat herkennen we de nullen en de enen van het binaire positiestelsel dat we zo goed kennen in ons digitale tijdperk. Shannon en Weaver spreken in dit verband letterlijk over bits (binairy digits), een term die zij toeschrijven aan J.W. Tukey.

 

Entropy, redundancy, noise

In het werk van Shannon en Weaver vervullen de termen ‘entropy’, ‘redundancy’ en ‘noise’ een belangrijke rol. Entropy (of entropie in het Nederlands) is de mate van onzekerheid, willekeur of desorganisatie van een situatie. Hoe meer entropie, hoe groter het aantal keuzes bij het samenstellen van een boodschap. De term redundantie verwijst juist naar het tegendeel: zekerheid of voorspelbaarheid. Redundantie heeft betrekking op dat deel van een boodschap dat wordt bepaald door vaste gebruiksregels van symbolen en niet wordt bepaald door de vrijheid van de zender. Zo kan een boodschap die een paar taalfouten bevat toch goed ontvangen worden door een ontvanger, omdat hij de spelregels van de grammatica kent. Er is sprake van ‘noise’ als er iets met het signaal gebeurt zonder dat de bron dat bedoelde. Denk aan een lawaaierige omgeving, een storing op TV, of een vervorming van een afbeelding. Daarom helpt het om een boodschap te herhalen (redundantie) om mogelijke misverstanden door ‘noise’ tegen te gaan.

Paradoxaal genoeg wil een boodschapper kunnen beschikken over veel vrijheidsgraden (veel entropie) om zijn boodschap te kunnen samenstellen. Dat levert rijkere informatie op. Aan de andere kant verhoogt rijke, complexe informatie de kans op ‘noise’ en misverstanden.

 

Wat is in 2018 nog de betekenis van het oer-model Shannon & Weaver?

Wie geïnteresseerd is in communicatie en wat wil leren over de betekenislagen van boodschappen,  over de invloed van de sociale omgeving, over mediumspecificiteit, over feedback en interactie, of over de impact van maatschappelijke ontwikkelingen, komt niet veel verder met het model van Shannon & Weaver. Daarvoor is het te mechanisch, te eenzijdig, te eendimensionaal.

Weaver erkende dit ook in zijn inleiding. Hij schetste drie vraagstukken:

LEVEL A. How accurately can the symbols of communication be transmitted? (The technical problem.)

LEVEL B. How precisely do the transmitted symbols convey the desired meaning? (The semantic problem.)

LEVEL C. How effectively does the received meaning affect conduct in the desired way? (The effectiveness problem.)

Hij gaf aan dat Shannon en hij zich vooral richtten op Level A: het technische vraagstuk van symbool-transmissie. Zeventig jaar geleden hadden beide wiskundigen dus niet de illusie om alle aspecten van menselijke communicatie te vangen in hun model en berekeningswijzen. Geen wonder dat communicatiewetenschappers en praktijkmensen in de afgelopen decennia het basismodel op allerlei manieren hebben aangevuld of aangepast. Opmerkelijk genoeg is men daarbij zelden helemaal los gekomen van het oorspronkelijke model. Shannon en Weaver blijven in die zin een moeilijk te omzeilen referentiepunt. Je kunt er als het ware niet om heen. Je kunt het denken over communicatie niet goed begrijpen als je dit model niet kent. Daarom blijf je het in allerlei boeken en beschouwingen tegenkomen. Het probleem daarbij is dat vooral het plaatje (de tekening) blijft hangen, maar de technisch-wiskundige intentie niet. Met als gevolg dat men 70 jaar na dato toch vaak simpelweg denkt dat communicatie zo verloopt als Shannon en Weaver het (met een andere bedoeling!) hebben geschetst.

De vaak niet opgemerkte waarde van het werk van Shannon en Weaver is het feit dat zij tot de grondleggers behoren van wat de information theory wordt genoemd. Zij zijn naast anderen de wegbereiders van de digitale revolutie geweest waarin technisch gesproken de mate van (noise-vrije) ongestoorde informatie-overdracht tot ongekende mogelijkheden heeft geleid. In de woorden van Daniel Dennett:

Door alle codes, ook woorden in gewone taal, te converteren naar binaire code (…) liet Shannon zien hoe ruisreductie onbeperkt verbeterd kon worden en hoe de kosten (in termen van coderen en decoderen en vertraging van transmissiesnelheid) exact gemeten konden worden, in bits.

 

Slingers of rusthuis

De moeder, of beter nog grootmoeder, van alle communicatiemodellen is jarig. Dat verdient een feestje, omdat Shannon en Weaver wezenlijk hebben bijgedragen aan het verbeteren van het technische aspect van informatie-overdracht; iets waar wij in het digitale tijdperk enorm van profiteren. Maar laten we stoppen hun model op te vatten als hèt universele model van menselijke communicatie. Ironisch genoeg hebben we als ontvangers te lang en hardnekkig de boodschap van de zenders Shannon & Weaver verkeerd opgevat.

Daarom dus taart voor Shannon & Weaver, maar onze foute interpretatie van hun model mag definitief naar het rusthuis.

 

 

Ik heb bij het schrijven van dit blog dankbaar gebruikt gemaakt van de volgende bronnen:

  • De originele teksten van Shannon (1948) en Shannon & Weaver (1949).
  • Communication Theories van Severin & Tankard.
  • Communicatiebeleid en communicatiestrategie van Henk-Jan Rebel (een boek dat in de vergetelheid is geraakt, maar 18 jaar na publicatie nog steeds een heel waardevolle bron is).
  • Van bacterie naar Bach en terug van Daniel Dennett (een fascinerend boek dat vorig jaar is verschenen en inzichten biedt in de ontwikkeling van ons denken; in Deel II veel aandacht voor informatie en taal)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Gepakt door SuitSupply

 

 

 

 

Pakkenzaak SuitSupply (‘businessmode voor mannen’) slaagt er geregeld in met controversiële reclamecampagnes een storm van reacties los te maken. Onder het motto sex sells vulde SuitSupply de afgelopen jaren in heel het land billboards en abri’s met royaal afgebeeld vrouwelijk naakt. Kennelijk moesten vrouwen uitgekleed worden om de jonge zakenman aangekleed te krijgen. De controversiële afbeeldingen zorgden voor bergen kritiek op social media en talloze klachten bij de Reclame Code Commissie. De teneur: vrouwonvriendelijk, platvloers, seksistisch. De mensen van SuitSupply zullen het geweldig hebben gevonden. Hoe meer rumour around the brand, hoe beter.

De meest recente campagne van SuitSuplly laat een geheel ander beeld zien. Dit keer is er geen vrouwenbil of -borst te zien, maar staan er zoenende mannen op de posters. Dat is andere koek.

Maar net als bij vorig campagnes zijn ook nu de reacties niet van de lucht. Niet alleen op social media, maar ook op de billboards zelf. Er zijn vele meldingen van beschadigingen en bekladdingen. Helaas zijn er nog hordes homofobe mensen in Nederland niet te beroerd een smerig spoor van vernieling aan te richten. Die incidenten leiden op hun beurt weer tot veel publieke en ook politieke verontwaardiging over zulke grove uitingen van homohaat. Ik heb echter het bange vermoeden, dat de mensen van SuitSupply zich wederom in hun handen wrijven.

SuitSupply is namelijk geen COC of uithangbord van de LHBT-beweging, maar een commercieel bedrijf dat graag veel pakken verkoopt. Daar is op zich niets mis mee. De vroegere campagnes laten zien dat SuitSupply doelbewust de grenzen opzoekt. Het doel heiligt de middelen. Dat geldt nu ook. Deze nieuwe  posters gaan helemaal niet over homo-emancipatie. Het is fikkie stoken rondom thema dat licht ontvlambaar is. Wie denkt dat SuitSupply zo begaan is met de homobeweging vergeet dat de organisatie op dit punt geen bewezen staat van dienst heeft. En zelfs als de mensen van SuitSupply een roze hart hebben, is het een slechte keuze om via posters campagne te voeren voor een maatschappelijke kwestie.

We weten dat van de discussie over de posters die de gemeente Rotterdam samen met Femmes for Freedom vorig jaar in de stad liet ophangen. Posters over vrije partner-keuze voor vrouwen met daarop uiteenlopende zoenende stellen: lesbische vrouwen, een moslima met een jood, etc.

Poster gemeente Rotterdam: In Nederland kies je je partner zelf

Ook die posters riepen veel reacties op. Vanuit communicatiewetenschappelijke hoek werd aangegeven dat  dergelijke campagnes (los van de wellicht beste bedoelingen) weinig zinvol zijn of zelfs contra-productief. Prominent gedragsdeskundige Reint-Jan Renes betoogde treffend dat de gemeente Rotterdam met deze postercampagne de plank missloeg:

In gesprekken, aangewakkerd door de campagne, wil (wethouder) Schneider mensen die niet zelf mogen kiezen en mensen die anderen belemmeren vrij te kiezen ‘overtuigen dat het normaal is dat vrouwen hun eigen partner mogen kiezen’. Klaarblijkelijk is de wethouder niet bekend met het fenomeen myside bias, de neiging van mensen om informatie in lijn met hun eigen mening te omarmen en alles wat ertegenin gaat af te wijzen. In een klassieke Stanford-studie bestudeerden voor- en tegenstanders van de doodstraf gelijkwaardige statistieken pro en contra de afschrikwekkende werking van de doodstraf. De voorstanders beoordeelden de pro-doodstraf feiten als zeer overtuigend en de contra-gegevens als ongeloofwaardig (vice versa voor de tegenstanders). Na het bestuderen van de statistieken waren bestaande meningen over de doodstraf significant sterker geworden. Eenmaal gevormd zijn opinies opmerkelijk hardnekkig. Een normatieve campagne (‘wij doen het goed en jullie doen het fout’) creëert weerstand, verhardt de tegenstellingen en maakt een goed gesprek bijna onmogelijk.[1]

Dus zelfs als de SuitSupply zou claimen een statement te willen maken ten gunste van homo’s, is er voor de verkeerde aanpak gekozen. Maar zo nobel is de pakkenzaak helemaal niet. SuitSupply wil met niemand een goed gesprek aangaan. SuitSupply trekt belletje en holt daarna hard weg. En wij zitten met de gebakken peren en mogen hopen dat deze campagne niet bijdraagt aan verdere verscherping en vervuiling van het debat. Terwijl wij daarover via commentaren, cartoons en columns (en blogs) onze zorgen uiten, zitten de mensen van SuitSupply vast weer te broeden op hun volgende campagne met een lekker nieuw controversieel thema: de bio-industrie, racisme, mishandeling…. Keuze genoeg om ons allemaal opnieuw te pakken te nemen.

 

[1] http://www.trajectum.hu.nl/zoenende-moslimas/

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

De mensen van Maastricht

 

 

 

 

Jaren geleden gingen mijn vrouw en ik een paar dagen naar Londen. Op de eerste avond hielden we zo’n typisch Britse taxi aan. De chauffeur begroette ons allerhartelijkst. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en maakte een gezellig praatje met ons. Toen we bij ons hotel waren aangekomen en hadden betaald nam hij afscheid met de woorden: “we are very happy to have you here!” Door het woordje ‘we’ leek het alsof hij ons namens heel Londen welkom heette. Een echte ambassadeur van zijn stad.

Organisaties hopen dat hun medewerkers zich net als deze chauffeur gedragen: vriendelijk, service-gericht en representatief. Bij de afdeling Interne Communicatie hanteert men vaak de slogan “intern beginnen is extern winnen”. Stel je voor dat iedere medewerker zich als een ware ambassadeur zou gedragen; dat zou een enorme impuls geven aan de verkoopcijfers en de klanttevredenheid. Organisatie zetten om die reden dikwijls trainingsprogramma’s en instructiebijeenkomsten op om hun medewerkers zo ver te krijgen, met als boodschap: “je bent het visitekaartje van de organisatie”.

Ook steden krijgen hiervoor steeds meer oog. Geïnspireerd door vakgebieden als ‘city branding’ of ‘destination marketing’ probeert men niet alleen bedrijven, expats en toeristen aan te trekken, maar erkent men ook in toenemende mate de belangrijke rol die de eigen burgers spelen bij de beeldvorming en belevenis van de stad. Positieve en representatieve burgers zijn onmisbaar voor de profilering van een stad. Meer dan de bestuurders of de bedrijven zijn het juist de burgers, winkeliers en horeca-medewerkers die de belofte van een stad moeten waarmaken.

Als je wilt weten waar dat heel goed wordt ingevuld, moet je een paar dagen naar Maastricht gaan. Onlangs waren we een paar dagen in deze mooie stad aan de Maas. We kennen de stad redelijk goed, maar ons laatste bezoek was toch al weer een jaar of zes geleden. Het was een plezierig weerzien. Niet alleen vanwege de gezellige pleinen, de prachtige kerken, de fraaie winkels en de heerlijke restaurants, maar juist ook vanwege de gastvrijheid van de Maastrichtenaren.

 

Natuurlijk, dé Maastrichtenaar bestaat niet, maar we vonden het opvallend hoe we overal vriendelijk werden verwelkomd en geholpen. In ons hotel, in de boekhandel, op het terras, in het museum, in de winkel, op de markt. Meer dan we in andere steden hebben ervaren. Dat kan geen toeval zijn. Het is in ieder geval niet het resultaat van een collectieve motivatietraining die alle inwoners hebben moeten ondergaan. Volgens mij komt het omdat de Maastrichtenaren goed in hun Maastrichtse vel steken en dat met een natuurlijke vanzelfsprekendheid uitstralen. Zij voelen zich sterk verbonden voelt met de stad. Maastricht is hun stad. Een stad die niet alleen mooie gebouwen en pleinen heeft, maar ook vele tradities, een rijk verenigingsleven en een eigen dialect: Mestreechs. Dat geheel vormt een fijnmazige culturele voedingsbodem die niet zichtbaar is op Google maps, maar wel voelbaar in de omgang met Maastrichtenaren. Hun vriendelijkheid en gastvrijheid zijn niet gespeeld, niet aangeleerd, niet overdreven, niet kruiperig, maar heel naturel. De Maastrichtenaren spelen geen rol, maar spelen een thuiswedstrijd. In een stad waar zij zich thuis voelen en die zij graag tonen aan hun bezoekers. Daar kunnen andere steden (en organisaties die worstelen met ongemotiveerde medewerkers) veel van leren.

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Wat heeft W.F. Hermans met Heineken en Holleeder te maken? Meer dan je denkt!

Deze week is het mega-proces tegen Willem Holleeder begonnen. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij zes liquidaties. Holleeder komt hierdoor weer volop in de schijnwerpers te staan. Op een bepaalde manier oefent hij een enorme aantrekkingskracht uit op media en publieke opinie. Een soort haat-liefde verhouding die begon bij zijn eerste grote criminele daad waarmee hij zichzelf op de kaart zette: de geruchtmakende Heineken-ontvoering in 1983. Ondanks al die aandacht voor Holleeder is vrijwel niemand bekend met een opmerkelijk reeks van feiten en gebeurtenissen waarin niet alleen Willem Holleeder en Alfred Heineken een belangrijke rol spelen, maar ook de bekende schrijver W.F. Hermans. Feiten en  gebeurtenissen met bijzondere overeenkomsten.

 

W.F. Hermans en Alfred (Freddy) Heineken

In 1958 publiceert de schrijver W.F. Hermans zijn roman De donkere kamer van Damokles. Het verhaal speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog. De hoofdpersoon, Henri Osewoudt, komt in aanraking met een verzetsman die Dorbeck heet. De uiterlijke gelijkenis tussen de twee mannen is opvallend. Aangespoord door Dorbeck pleegt Osewoudt een aantal verzetsdaden. Na de oorlog wordt Osewoudt opgepakt. Hij wordt niet gezien als verzetsman, maar als iemand die voor de Duitsers werkte. Hij wil bewijzen dat hij een ‘goede vaderlander’ was, maar daarbij heeft hij Dorbeck als getuige nodig. Dorbeck is ‘de allesweter’; hij kan iedereen uitleggen dat Osewoudt aan de goede kant stond. Van Dorbeck is echter geen enkel spoor te vinden. Hij lijkt van de aardbodem verdwenen.

Hermans presenteert een hallucinerend verhaal waarin hij bewust een schemerzone creëert tussen goed en kwaad, tussen feit en fictie, tussen schuld en onschuld.

Het boek wordt een groot succes. Het groeit uit tot een van de bekendste boeken uit de moderne Nederlandse literatuur. Het wordt vaak herdrukt en in meerdere talen vertaald.

 

In 1963 wordt het boek verfilmd door regisseur Fons Rademakers. Hier komt Freddy Heineken in beeld. De biermagnaat financiert de productie en zijn toenmalige maîtresse Nan Los krijgt een belangrijke rol in de film.

Fons Rademakers met acteurs Nan Los en Lex Schoorel

In die tijd is Nan Los werkzaam op de reclame-afdeling van de firma Heineken en al enige tijd de vriendin van Freddy Heineken. Volgens sommigen is het toeval dat Nan Los die grote rol kreeg, anderen beweren dat Heineken de film alleen maar wilde financieren op voorwaarde dat zijn vriendin die rol kreeg.[1] Hoe dan ook, in 1969 loopt de relatie tussen Freddy Heineken en Nan Los stuk. Daarop besluit Heineken, als eigenaar-producent, dat de film nooit meer vertoond mag worden. Hoe gevoelig dit voor Freddy Heineken lag, blijkt als de Tros de film jaren later (in 1983) op televisie wil vertonen. Heineken dreigt de Tros met een rechtszaak en de Tros ziet op het laatste moment van vertoning af.[2]

 

Freddy Heineken en Willem Holleeder

In datzelfde jaar, 1983, ontvoert Willem Holleeder met zijn zwager Cor van Hout en twee andere handlangers de biermagnaat Freddy Heineken en diens chauffeur Ab Doderer.

De feiten van deze ontvoering en de nasleep ervan zijn voldoende bekend. Voor het bijzondere verband met het bovenstaande verhaal over Hermans en Heineken en de film Als twee druppels water moeten we kijken naar de film die over deze ontvoering is gemaakt. In 2011 verschijnt deze film onder de titel De Heineken ontvoering. Het scenario is deels gebaseerd op het boek De ontvoering van Alfred Heineken van Peter R. de Vries (1987). Opmerkelijk genoeg komt de naam Holleeder niet in de film voor. Juist voor hem heeft regisseur Maarten Treurniet het personage Rem Hubrechts in het leven geroepen. Sommige mensen beweren dat de regisseur dit heeft gedaan om mogelijke claims of wraakacties van Holleeder te voorkomen. Niettemin lijkt Hubrechts als twee druppels water op Holleeder, maar hij doet ook dingen die aantoonbaar niet door Holleeder zijn gedaan. Feit en fictie lopen in de film door elkaar. Omdat Holleeder bezwaar heeft tegen deze verfilming probeert hij, net als Heineken met de film Als twee druppels water, de vertoning van de film te verbieden. Hij spant een kort geding aan, maar de rechter wijst de eis af.

 

Willem Holleeder en W.F. Hermans

Op de eerste dag van het nu lopende liquidatie-proces beweert Holleeder dat niet hij maar de zogenaamde ‘Allesweter’ het brein achter de liquidaties is geweest. De Allesweter werd in 2007 geïntroduceerd door misdaadjournalist Bas van Hout[3]. Uit zijn uitvoerige gesprekken met diverse onderwereldfiguren was hem duidelijk geworden dat er achter de schermen een onbekend gebleven topcrimineel aan de touwtjes trok. Van Hout wilde zijn identiteit niet prijsgeven, maar maakte wel duidelijk dat niet Holleeder, maar deze zogenaamde Allesweter het criminele meesterbrein was. Holleeder zou volgens van Hout niet meer dan een bijrol vervullen. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wie die Allesweter is. Holleeder beroept zich natuurlijk graag op het verhaal van Bas van Hout, omdat dat hem vrijpleit, maar bestaat die Allesweter wel echt? Is hij verzonnen? Houdt hij zich schuil om Holleeder de prijs te laten betalen?

Zo is de Allesweter een hedendaagse Dorbeck. Je vraagt je af of Holleeder het boek van Hermans heeft gelezen. Of dat hij ooit de film Als twee druppels water met het liefje van Freddy Heineken heeft gezien.

Ik weet het niet. Maar er zijn in ieder geval nog twee opmerkelijke feiten te melden, toeval of niet.

Willem Holleeder wordt geboren in hetzelfde jaar waarin W.F. Hermans zijn boek De donkere kamer van Damokles publiceert: 1958.

De voornamen van Holleeder zijn dezelfde als die van Hermans: Willem Frederik. Als twee druppels water!

 

[1] https://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/741741/2003/08/23/Ach-zo-n-gerucht-doet-het-goed-voor-de-film.dhtml

 

[2] https://www.groene.nl/artikel/profiel-alfred-heineken

 

[3] https://www.parool.nl/amsterdam/holleeder-voert-de-allesweter-weer-ten-tonele-de-wie~a4567101/

Nepnieuws is geen nieuws

“Dubieuze berichten ontstaan meestal juist buiten de reguliere nieuwsmedia. We hebben daarom tegenwoordig de nieuwsmedia des te meer nodig om al deze rijpe en groene uitingen te controleren, te selecteren, te duiden en te becommentariëren.”

In 2017 was nepnieuws een van de opvallendste nieuwe woorden. Het Genootschap Onze Taal nomineerde de term, naast woorden als gifei en genderneutraal, voor de verkiezing van het woord van het jaar 2017. Uiteindelijk sleepte het woord appongeluk die prijs in de wacht. De Britse woordenboek-uitgever Collins riep in november 2017 de Engelstalige variant fake news uit tot woord van het jaar in het Verenigd Koninkrijk. De uitgever had op basis van onderzoek aangetoond dat met name sinds de verkiezingscampagne van Donald Trump in 2016 de term fake news in 2016 een enorme vlucht had genomen.

Wat is nep en wat is nieuws

Het is interessant om te kijken wat nu precies nepnieuws is. Volgens Van Dale staat het zelfstandig naamwoord nep gelijk aan bedrog en betekent het bijvoeglijk naamwoord nep vervalst, nagemaakt of onecht. Zo heb je nep-haar en echt haar, of een nep-bom en een echte bom. In die zin is nep-nieuws dus onecht nieuws of nagemaakt nieuws. Dat doet veronderstellen dat er ook echt, onvervalst nieuws is.

Om dat laatste te kunnen nagaan moeten we eerst weten wat nieuws is. Als we weer Van Dale raadplegen treffen we bij het woord nieuws de omschrijvingen tijding en bericht aan. Het gaat dus om een boodschap die wij ontvangen. Het woord nieuws is de genitivus (of 2e naamval) van het woord nieuw en betekent: van nieuw/van het nieuwe. Zoals Piets in de zin ‘Peggy is Piets dochter’ betekent dat Peggy de dochter van Piet is. In die zin heeft nieuws dus te maken met een bericht over een nieuwe (recente, actuele) gebeurtenis. Nep-nieuws is in die zin een nagemaakt, vervalst nieuwsbericht.

Strikt genomen zouden we van nepnieuws moeten spreken als iemand een namaak-nieuwsbericht produceert. Het ziet er echt uit, maar het is nonsense. Populaire voorbeeld hiervan zijn de nep-berichten van De Speld en de traditionele grappige 1 april berichten in de media.

In de praktijk wordt er echter met nepnieuws iets anders bedoeld. Het gaat dan niet om een knipoog-bericht à la De Speld, maar om een bericht waarmee het publiek bewust wordt misleid of gemanipuleerd. Het modewoord nepnieuws heeft daarmee vooral betrekking op de intentie en de kwaliteit van een bericht. Is het betrouwbaar? Welk belang is ermee gemoeid? In hoeverre strookt het met de werkelijkheid? Om dat te kunnen bepalen moeten we onderzoeken wat er in de werkelijkheid is gebeurd, hoe dat is omgezet in een nieuwsbericht en wie het bericht heeft verspreid.

Wat is werkelijk werkelijk?

Het eerste aspect, wat is werkelijkheid, is onderwerp van een eeuwenlang filosofisch debat. Van de grot van Plato via het middeleeuwse denken met God als universeel middelpunt tot de Verlichting (waarin getornd wordt aan het goddelijke ordeningsprincipe) en moderne denkers als Nietzsche en Foucault. Elk tijdperk heeft zo z’n eigen antwoorden op vragen als: is er een onomstotelijke werkelijkheid; zijn er meer werkelijkheden; is wat wij zien een afspiegeling van een werkelijke werkelijkheid? Er bestaat geen breed gedragen consensus over wat waarheid en werkelijkheid is.

Als er al discussie bestaat over de vraag wat werkelijkheid is, moeten we natuurlijk ook voorzichtig zijn met onze waarneming en interpretatie van verschijnselen uit de (zogenaamde) werkelijkheid.

Een voorbeeld. Als Ajax met 2-0 van PSV wint en ik ben zelf toeschouwer bij die wedstrijd (samen met 50.000 anderen) dan is er weinig reden om de feitelijke eindstand te bestempelen als niet echt of vervalst. Maar of het een terechte uitslag was, of de doelpuntenmaker bij de tweede goal buitenspel stond en of de uitslag bewijst dat Ajax terecht een nieuwe trainer heeft aangesteld, dat is minder zeker vast te stellen. Daar zal men bovendien in Eindhoven anders over denken dan in Amsterdam. Kortom, er zijn meer en minder feitelijke verschijnselen. Die verschijnselen nemen we per individu op verschillende manieren waar en voorts verwerken we die waarnemingen op onze eigen manier binnen ons eigen referentiekader met een geheel aan ervaringen, gedachten en gevoelens. Vijftigduizend toeschouwers zijn dus goed voor vijftigduizend verwerkingen van een voetbalwedstrijd.

Elk nieuwsbericht is een constructie

Dan de volgende stap. Er wordt een nieuwsbericht samengesteld over een bepaald onderwerp (een voetbalwedstrijd, een klimaatrapport, een oorlog, een politiek debat, een vulkaanuitbarsting). De samensteller van het bericht heeft iets in woorden en/of beelden openbaar gemaakt, gepubliceerd.  Hij heeft zijn waarnemingen, ervaringen, gedachten, gevoelens, interpretaties vertaald in taal: schrijftaal, beeldtaal, spreektaak, gebarentaal. Simpel gezegd, hij heeft zijn impressies omgezet in expressies. Hij voegt zo een schakel toe aan de keten werkelijkheid-waarneming-interpretatie. Die vertaling/expressie-schakel zou in principe totaal los kunnen staan van de werkelijkheid. Er is dan geen enkel verifieerbaar feitelijk aspect aan te ontdekken. Bij het hierboven gegeven voorbeeld van Ajax-PSV zou dat een bericht kunnen zijn dat de eindstand 1-1 was. In het dagelijks taalgebruik zouden we zeggen: dat slaat nergens op; het raakt kant noch wal. Een andere optie is dat er in een nieuwsbericht wel een verband bestaat met een feitelijke gebeurtenis of verschijnsel, maar dat juist de gekozen invalshoek of duiding ter discussie staat. Als 10 voetbaljournalisten een verslag schrijven van Ajax-PSV levert dat 10 verschillende reportages op. Dat kan ook niet anders, want iedere journalist heeft z’n eigen interpretatiekader, schrijfstijl, visie op voetbal, affiniteiten, etc. Met andere woorden, (nieuws-)berichten hebben altijd een bepaalde kleur, toon, visie, interpretatie of invalshoek. Binnen de journalistiek en de communicatiewetenschap spreekt men in dit verband van frames, representaties en media-agenda’s.

Kortom, nieuwsberichten zijn altijd constructies. Ieder nieuwsbericht is door een keten van selectie, verwerking, interpretatie, vertaling en kleuring gegaan voordat ik het onder ogen krijg. Hoe meer feitelijk, verifieerbaar en evenwichtig het bericht, des te kleiner de kans op inhoudelijke controverse en nepnieuws-beschuldigingen. Daarom zal een wedstrijdverslag van een ervaren sportjournalist normaliter een betrouwbaarder beeld geven van de gespeelde wedstrijd, dan een bericht over diezelfde wedstrijd van de hand van een Ajax-supporter of een PSV-bobo.

Oude en nieuwe media

Dat brengt ons bij de brenger van het nieuwsbericht. We zijn in de 20e eeuw gewend geraakt aan de situatie waarin de nieuwsvoorziening vooral in handen is van geïnstitutionaliseerde nieuwsmedia. Professionele uitgevers en redacties voorzien het publiek via dagbladen, tijdschriften, radio en televisie van nieuwsberichten. In principe moeten ze daarbij voldoen aan afspraken en codes zoals feiten controleren, bronnen beschermen, hoor- en wederhoor toepassen, etc. Als nieuwsconsument kun je daarbij kiezen voor media die qua profiel goed aansluiten bij jouw interesses en smaak (serieuze of populaire pers, publiek omroep of commerciële zenders, zwaar-informatief of veel entertainment). Deze nieuwsmedia worden daarbij door sommigen gezien als schoothondjes van de heersende macht en door anderen als waakhonden van de democratische samenleving. Media als sluiswachters (gate keepers) of manipulatoren, als vierde macht of als leugenmachines.

Sinds een jaar of tien is er een nieuwe categorie aanbieders bijgekomen: de sociale media. Iedereen, van president tot uitkeringsgerechtigde, kan berichten op social media plaatsen.

Selectie, vertaling en kleuring gebeurt niet door professionele journalisten, maar door iedereen die wat wil openbaren. Berichten die ook nog eens met een druk op de knop door volgers kunnen worden gedeeld en potentieel viral kunnen gaan. De professionele nieuwsmedia worden gepasseerd. De president die vroeger interviews of persconferenties moest geven om iets kenbaar te maken en daarbij afhankelijk bleef van de weergave van de journalist kan zijn publiek nu direct bereiken, wanneer en hoe hij maar wil. Daarmee wordt de media-tussenschakel, die selecteert, controleert en interpreteert, overgeslagen. Opgeruimd staat netjes, zullen mensen zeggen die weinig op hebben met nieuwsorganisaties.

Social media als bron van nieuws

In toenemende mate lijken mensen meer waarde te hechten aan opmerkingen van online amateurs of aan gezagsdragers die via Twitter hun eigen gelijk proberen te halen, dan aan meer afgewogen berichtgeving door professionele journalisten en nieuwsorganisaties. Steeds minder mensen kloppen voor hun nieuwsvoorziening aan bij nieuwsorganisaties. Ze laten zich vooral informeren via sociale media.[1] Toegegeven, op sociale media wordt regelmatig verwezen naar nieuwsberichten van traditionele media, maar er zijn ook talloze andere uitingen en opvattingen op sociale media te vinden. Op social media staat alles rijp en groen door elkaar.

De overstap van nieuwsconsumenten naar sociale media is zorgwekkend. Laten we duidelijk en eerlijk zijn: oproepen van ongeruste ouders op Facebook, mails van belangengroeperingen, oprispingen van boze burgers op Twitter, mijn blog dat je nu leest, en tweets van presidenten zijn geen nieuwsberichten. Het zijn gewoon berichten, die al dan niet betrouwbaar zijn.

Kop van NRC Next van vandaag, 29 januari 2018. Het nepnieuws betreft hier berichten van een actie-comité. Dat is wat mij betreft geen nepnieuws, maar eenzijdige informatie uit particuliere hoek.

Ook meer conventionele documenten als jaarverslagen, lobbybrieven, partijprogramma’s en onderzoeksrapporten zijn geen nieuwsberichten. Los van de vraag of hun inhoud wel of niet deugt zijn dergelijke uitingen, net als nieuwsberichten, constructies. Maar in deze gevallen vanuit een eenzijdig, particulier belang opgesteld. Daar is niets nieuws aan. Sinds het begin van de mensheid wordt er voor eigen parochie gepreekt, worden er drogredenen gebruikt, wordt er al dan niet bewust twijfel gezaaid. Dat hebben we nooit nepnieuws genoemd, maar propaganda, bedrog, misleiding of een eenzijdige voorstelling van zaken.

De noodzaak van gedegen nieuwsorganisaties

In het digitale tijdperk hebben we nieuwe media waarmee ieder individu ongebreideld zijn verhalen, opmerkingen, kritiek of zorgen publiekelijk kan spuien. Het is daarom vreemd dat men in deze tijd met een beschuldigende vinger naar de reguliere nieuwsorganisaties wijst en hen beticht van het fabriceren van nepnieuws. Dubieuze berichten ontstaan meestal juist buiten de reguliere nieuwsmedia. We hebben daarom tegenwoordig de nieuwsmedia des te meer nodig om al deze rijpe en groene uitingen te controleren, te selecteren, te duiden en te becommentariëren. Daar heb je gezonde, professionele, pluriforme nieuwsmedia voor nodig. Met vakmensen die machthebbers kritisch volgen, gebeurtenissen in een context plaatsen, voors en tegens op een rij zetten en het publiek op evenwichtige wijze voorzien van feiten, inzichten en meningen. Met journalisten die als zodanig herkenbaar en aanspreekbaar zijn, en ook verantwoording afleggen.

Tenslotte

We kunnen eindeloos filosoferen over het bestaan van een ware werkelijkheid en we moeten ons realiseren dat ieder nieuwsbericht geconstrueerd is, maar laten we alleen spreken van een nieuwsbericht als het gepubliceerd is door een nieuwsorganisatie en de maker van dat bericht een professional is. En als de journalist zijn/haar vak goed verstaat is de kans op betrouwbare nieuwsvoorziening groot en de kans op nepnieuws klein.

 

 

[1] http://www.journalism.org/2016/05/26/news-use-across-social-media-platforms-2016/

https://www.volkskrant.nl/tech/jongeren-verkiezen-sociale-media-boven-traditionele-media~a4320782/

 

Reclame voor reclame: het etaleren van eigen onvermogen.

 

In mijn laptop heb ik een mapje met de titel ‘reclame voor reclame’. In dat mapje bewaar ik afbeeldingen van reclame-uitingen die aanbieders van advertentieruimte voor zichzelf maken.

Enkele voorbeelden:

 

 

 

 

Mijn nieuwste aanwinst voor dit mapje scoorde ik twee dagen geleden. Deze week hangen de abri’s op Amsterdamse metrohaltes namelijk vol met posters met de tekst ‘Ontwijk mij maar eens  :- ) ‘.

Het gaat om een campagne die duidelijk moet maken dat outdoor-reclame aantrekkelijk en effectief is. Het is dus reclame voor reclame. Nu vind ik dat verschijnsel altijd al wat merkwaardig, maar bij deze campagne heb ik helemaal mijn twijfels.

In de eerste plaats vanwege de slogan. Ontwijken is wat iedereen doet in de metro. Nergens op letten is het devies. Je wilt niet dat andere mensen je aanstaren of tegen je aan gaan staan. Iedereen zit op z’n mobieltje te turen. Iedereen zit in z’n eigen cocon. Niemand besteedt aandacht aan medereizigers of abri’s. De posters zijn dus heel makkelijk te ontwijken. Het doet me denken aan een oude slogan van de gemeente Oosterhout (iets ten noorden van Breda). Langs de snelweg had de gemeente jaren geleden een bord staan met de tekst ‘Niemand kan aan Oosterhout voorbij’, terwijl iedereen juist met 100 kilometer langs Oosterhout raasde.

Een tweede bezwaar is de locatie-doelgroep combinatie. In de metro zitten studenten, forenzen en toeristen. Dat zijn consumenten, afnemers. Metro-passagiers zijn niet mensen die een bedrijf runnen en verleid moeten worden om de producten van hun bedrijf via outdoor reclame onder de aandacht te brengen. De potentiële adverteerder zit niet in de metro. Die moet je elders zoeken.

In de derde plaats zijn het doorgaans niet de bedrijven/opdrachtgevers zelf die bepalen waar het beste reclame gemaakt kan worden. Daar heb je mediabureaus voor.

Maar mijn grootste bezwaar is vooral het feit dat je met deze campagne je eigen onvermogen om voldoende adverteerders te vinden toont. De posters hangen namelijk op plekken waarvoor geen reguliere adverteerders zijn gevonden. Het zijn dus gatenvullers. Bij gebrek aan betalende klanten, hang je maar je eigen advertentie op. Zo laat Clear Channel (de organisatie achter deze campagne) zien dat outdoor reclame juist niet goed werkt.

Een cartoon uit een oud moppenboekje van mijn vader illustreert dit etaleren van je eigen tekortkomingen feilloos.

 

 

 

Blogsite van Peter 't Lam