Minder, minder, minder

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden.

 

In maart 2014 veroorzaakte Geert Wilders de nodige opschudding (daar is hij goed in) door op de uitslagavond van de Gemeenteraadsverkiezingen tijdens een bijeenkomst van PVV-aanhangers in Den Haag aan de zaal te vragen of men meer of minder Marokkanen in de stad en in het land wilde hebben.  In antwoord op die vraag scandeerde de PVV-aanhang: “minder, minder, minder”, waarop Wilders riep: ”nou, dan gaan we dat regelen”.

Wat mij destijds bij alle commotie opviel was de betekenis van het woord ‘minder’. Op het eerste gehoor of gezicht denk je daarbij aan een kwantitatieve aanduiding, aan hoeveelheden. Als er van iets te veel is, wil je dat het minder wordt. Te veel regen, te veel belasting, te veel huiswerk: dat mag wel wat minder.

Maar er zit ook een kwalitatief aspect aan het woord ‘minder’. Die betekenis ligt dichtbij de aanduiding ‘minderwaardig’. Ik heb het idee dat het bij Wilders en zijn aanhang vooral over die kwalitatieve kant ging en gaat. Marokkanen en moslims als een mindere soort. En daar wil je er dan natuurlijk ook kwantitatief minder van in je omgeving hebben. Als dat aspect niet zou meespelen, zou je er ook niet minder van willen hebben. Anders gezegd, de ‘minder, minder, minder’-mantra lijkt een kwantitatieve oproep, maar er zit een diskwalificerende kwalitatieve laag onder. Die diskwalificatie gaat in de kern niet om wat bepaalde mensen doen, stemmen, produceren of voortbrengen, maar om wie die mensen zijn en waar ze vandaan komen.

Langs precies diezelfde lijn riep Wilders in 2012 het meldpunt Polen, Roemenen en Bulgaren in het leven. Iedereen die last had van mensen van deze komaf kon bij het PVV-meldpunt aangifte doen. Het meldpunt werd dus niet ingericht op basis van gedragingen van mensen of van specifieke maatschappelijk problemen (bijv. autodiefstal, illegale hennepteelt, kindermisbruik), maar op basis van de afkomst van mensen. In sporttermen gezegd: Wilders speelt op de man en niet op de bal. Dat geldt in de sport als een overtreding en verdient een gele kaart. Net als bij de ‘minder, minder, minder’-uitspraak ging het bij dit meldpunt primair om wie mensen zijn en waar ze vandaan komen. Zo worden groepen mensen op basis van hun afkomst bij voorbaat verdacht gemaakt. Stel je voor dat we een meldpunt-Brabanders zouden instellen en elke misstap en overtreding zouden registreren die door Brabanders worden veroorzaakt. Dan zouden we binnen een week ook een hele waslijst kunnen opstellen. Of wat te denken van een meldpunt-roodharigen, een meldpunt-katholieken of een meldpunt-lesbiënnes?

Nu zou je verwachten dat door het gebrek aan succes van het Polen-meldpunt de PVV op andere manieren actie zou gaan voeren. Maar nee hoor, er is nu ook door de PVV een Meldpunt Asielzoekers ingesteld. Opnieuw wordt hiermee een groep door de PVV bijvoorbaat als verdacht aangemerkt. De azc’s zouden vol zitten met criminelen, verkrachters en terrorristen. Kortom, asielzoekers zijn minderwaardige mensen en daar willen we er minder, minder, minder van in ons land hebben.

Als we de moeilijke, complexe discussie over asielzoekers op deze manier gaan voeren en Wilders de boventoon laten voeren, gaat het de verkeerde kant op. Laten we beginnen in kwalitatieve zin vast te stellen dat asielzoekers mensen zijn, niet slechter of beter dan wijzelf. Laten we aan de andere kant ook signaleren dan we in korte tijd in Europa met enorm grote aantallen asielzoekers en migranten te maken hebben. Een groot kwantitatief vraagstuk. Als we allerlei emotionele kwalificaties weten te parkeren, komen we toe aan de meer praktische kant van deze omvangrijke problematiek. Laten we daarbij nuchter en eerlijk een aantal vragen aan de orde stellen. Wat is in kwantitatieve zin een redelijke verdeling van asielzoekers over plaatsen en wijken? Hoeveel migranten kunnen we de komende jaren nog verwachten? Wat vergt dit op het gebied van huisvesting, onderwijs en werk? Hoeveel geld gaat dit allemaal kosten? Wat kan Europa doen? En wat moet er in de regio’s gebeuren? Hoe maken we onderscheid tussen echte noodgevallen en minder urgente asielaanvragen? En hoe weren we criminelen en terrorristen?[1]

Deze vragen zijn niet gebaseerd op vooringenomen diskwalificaties van mensen, maar op reële knelpunten en uitdagingen die de huidige stroom asielzoekers en migranten met zich mee brengen. In mijn visie (en op het gevaar af in cliché’s te praten) kunnen we mensen niet hulpeloos laten verdrinken in de Middellandse Zee (in de afgelopen maand september ging het om ruim 300 dodelijke slachtoffers; tien per dag), maar aan de andere kant kunnen we ook niet alle mensen die om wat voor reden ook op drift zijn geraakt een goed onderdak in ons land of binnen ons continent bieden.

Tussen helpen in nood en de grens sluiten zitten allerlei beleidsgradaties en opties. Het vergt een goed maatschappelijk debat en wijs beleid om hier uitwegen in te vinden. We hebben realistische, standvastige maatschappelijke en politieke leiders nodig om het voortouw te nemen in dit debat. Mensen die zich niet laten leiden door onderbuikgevoelens en diskwalificaties, maar die ook niet allerlei ongemakkelijke vragen en problemen uit de weg gaan.

Helaas staan dergelijke leiders binnen het maatschappelijke en politieke krachtenveld van Nederland niet op en laten we Wilders het vuur verder opstoken.

 

[1] Ik heb me met deze opsomming mede laten leiden door de column van René Cuperus in De Volkskrant van 5 oktober j.l.