Happy

 

Ik krijg de laatste jaren steeds minder kerst- en nieuwjaarskaarten. Dat kan aan mij liggen. Misschien ben ik niet meer zo geliefd als vroeger, maar ik denk dat er wat anders aan de hand is. Ik ontvang namelijk in toenemende mate ‘beste wensen’ via digitale kanalen: mailtjes, filmpjes, apps, etc. Grofweg de helft daarvan is afkomstig van uiteenlopende commerciële organisaties die hopen met hun gelukwensen een wit voetje bij me te halen. In sommige gevallen, zoals bij Wehkamp, leidt de wens tot kromme tenen.

De andere helft van de digitale nieuwjaarspost komt van familieleden, vrienden en collega’s. Het valt me op dat hun gelukwensen steeds creatiever en professioneler worden: grappige video’s, bewerkte foto’s met tekst, ingenieuze collages.

Bij alle digitale wensen springen er twee zaken uit. Het gebruik van emoji’s en van Engelse termen. De meest gebruikte emoji’s zijn de smiley, de kerstboom en de champagneglazen. De klassieke wens ‘prettige kerstdagen en gelukkig nieuwjaar’ kan tegenwoordig worden overgebracht met drie of vier symbooltjes. Lekker makkelijk.

Het meest gebruikte Engels woord is zonder twijfel ‘happy’. Het bijzondere van het woord happy vind ik dat het niet alleen vrolijk betekent, maar ook vrolijk klinkt. Maar het heeft ook iets oppervlakkigs.  Als je kijkt naar de oorspronkelijke betekenis van het woord happy, stuit je op het oud-Noorse woord ‘hap’ wat staat voor ‘fortune’, of ‘lucky’. Die oorspronkelijke betekenis lijkt meer te verwijzen naar geluk hebben, dan naar gelukkig zijn. Het Nederlandse woord geluk heeft beide aspecten in zich. Zowel het fortuinlijk zijn als het gevoel van welbevinden en tevredenheid. Ik heb het idee dat we met de term ‘gelukkig nieuwjaar’ toch vooral dat laatste bedoelen. Je wenst je dierbaren en vrienden een goed en voorspoedig jaar toe, meer dan dat ze ‘in de prijzen vallen’.

Wat dat laatste betreft is het wel weer opvallend dat er juist met Oud en Nieuw een ware wedloop is op de loterijen. Kennelijk hebben we aan al die gelukwensen van familieleden, vrienden en bedrijven niet genoeg. We proberen het geluk een handje te helpen door massaal loten te kopen. Het zou toch mooi zijn als je het nieuwe jaar kon beginnen met een hoofdprijs, een fortuin. Het oude gezegde leert ons dat geld niet gelukkig maakt, maar ja, het is natuurlijk wel heel plezierig om het nieuwe jaar te kunnen starten met een goed gevulde bankrekening.

Dat alles hebben ze bij de banken goed begrepen. In het nieuwe jaar zullen de geldautomaten van de samenwerkende grote banken een nieuw jasje krijgen. De nieuw pin-automaat gaat ‘geldmaat’ heten. En om met de tijd mee te gaan, hebben ze de geldmaat voorzien van een emoji, een smiley.

 

Niet heel erg origineel, want Amazon, Danone, Tui, Bookspot en vele andere organisaties gingen de banken al voor met het gebruik van een smiley in hebt, hun logo.

 

Maar goed, dat mag de pret niet drukken. De boodschap is duidelijk: ook het pinnen wordt happy in 2019.

Wat mij betreft is dit beeld te simpel en het zal voor velen zelfs pijnlijk zijn. Geld is geen reisje, snoepje of toetje. Als je weinig geld  hebt, vergaat het lachen je al snel. Daar hadden de banken wel wat meer rekening mee mogen houden.

Hoe dan ook, ik wens iedereen -gelukhebbers en gelukzoekers-  een goed 2019 toe.

Vuilcontainer

 

 

Onlangs is er een vuilcontainer schuin tegenover ons huis geplaatst. Voor het hele geval, een grote ondergrondse bak met bovengronds een soort huisje voorzien van een grote klep, heeft de gemeente een paar struiken uit het buurtplantsoentje verwijderd. Alle buurtbewoner hebben een pasje gekregen om de klep van deze container te kunnen openen voor het deponeren van rest-afval. De grijze kliko-bak die ieder huishouden een paar jaar geleden heeft gekregen moet nu gebruikt gaan worden voor het zogenaamde PMD-afval: plastic, blik, melkpakken, etc.

Vanuit mijn studeerkamer heb ik er een nieuw schouwspel bij. Ik zie mijn buurtgenoten hannesen met pasjes die niet meteen willen werken, met afvalzakken die te groot zijn om in de muil te proppen, of met hun rollator die ze over de stoeprand tot aan de voet van de container proberen te rijden. De meest opmerkelijke afval-weggooier is een oude buurvrouw die een straat achter ons woont. Toen wij hier 30 jaar geleden kwamen wonen was ze een opvallende verschijning. Een elegante vrouw van middelbare leeftijd met rechte rug en ferme tred. Ze had iets voornaams. Ik heb haar al die jaren nooit uitgebreid gesproken. Niet meer dan een praatje bij de bakker of een ‘goedemorgen’ op de hoek van de straat.

En nu zie ik haar met grote regelmaat voorbijkomen, op weg naar de vuilcontainer. De kwieke dame van weleer is een oude vrouw geworden. Haar rug is krom en bij elke wankele stap leunt ze zwaar op haar witte paraplu die ze als wandelstok gebruikt. In haar andere hand draagt ze steevast een grote groene tas. Aangekomen bij de vuilcontainer zet ze de tas op de grond, vist ze met enige moeite het pasje uit haar jaszak en opent na enkele vergeefse pogingen de klep. Dan buigt ze zich moeizaam naar haar tas om met haar vrije hand datgene te pakken wat ze weg wil gooien. Het lijkt ieder keer een kleinigheid. Deze scene herhaalt zich meerdere keren per week. Dat ontdekte ik laatst toen ik een week vakantie had. Elke ochtend rond 10 uur scharrelde ze voorbij. Met haar onafscheidelijke witte paraplu en groene tas. Vaste prik.

Op een gegeven ochtend kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Toen ik haar weer een keer aan het einde van de straat de hoek om zag komen, liep ik de trap af, pakte ik de vuilniszak die ik al klaar had gezet in de gang, liep de deur uit en stak quasi nonchalant de straat over naar de afvalcontainer. Ik maakt de klep open en gooide mijn afval erin. Daarna bleef ik even wachten tot ook de oude dame bij de container was aangekomen. Als een galante buurman hield ik de klep voor haar open. Tot mijn grote verbazing zag ik dat er een paar boeken in haar groene tas lagen die ze met onvaste hand in de bak gooide. “Boeken?”, stamelde ik. Bijna wilde ik zeggen dat deze container daarvoor niet bestemd was, maar ze antwoordde direct met onverwacht heldere stem: “Ja, boeken. En ze vervolgde: “ik ben dol op boeken, maar ik moet er vanaf. Ik kan niet langer in dat grote huis van me blijven wonen. Ik kom de trap haast niet meer op. Over een paar maanden ga ik naar een verzorgingshuis, dus ik moet heel veel spulletjes kwijt.” Ik begreep het en had met haar te doen. “Zal ik een keer komen helpen”, bood ik aan, “dan kan ik in één keer met de auto een aantal dozen met boeken voor u weggooien bij het afvalstation van de gemeente”. “Dat is heel aardig, maar doet u geen moeite”, sprak ze beslist. “Ik wil alle boeken nog even een keer door mijn handen laten gaan. Deze boeken vertegenwoordigen mijn hele leven: kinderboeken, studieboeken, reisboeken, kookboeken, romans, noem maar op. Ze roepen bijzondere herinneringen bij me op. Ik vind het heerlijk om ze allemaal nog één keer vast te pakken voordat ik ze weg moet doen. En bovendien is dit dagelijkse ommetje goed voor me”.

Ik was verbaasd, maar knikte instemmend en zei dat ik ook van boeken hield. Wat zou ik later met al mijn boeken gaan doen, schoot er door mijn hoofd. Terwijl ik zo stond te mijmeren riep de oude buurvrouw met veel zwier in haar stem: “Nou, dag hoor”. Ik groette terug en zat 30 seconden later weer op mijn werkkamer. Ik klapte mijn laptop open en klikte een nieuwssite aan. Het eerste bericht dat ik zag was de top-10 van meest gevraagde Sinterklaas-cadeaus van dit jaar. Ik las dat boeken bovenaan het verlanglijstje van de gemiddelde Nederlander staan. Goed nieuws, dacht ik.  En dat zou mijn oude buurvrouw ongetwijfeld ook vinden.

Beeld en geluid

 

“Voor het eerst in ruim veertig jaar zag ik mijn vader weer bewegen en hoorde ik hem weer praten”.

 

16 november 2018. Ik ben met een collega en 60 eerstejaars studenten van onze opleiding Communicatie op bezoek bij Beeld en Geluid in Hilversum. We krijgen een presentatie en een rondleiding.

 

 

 

 

Daarna gaan we met elkaar naar de ‘Experience’. Tegenwoordig moet je overal wat kunnen beleven. Voor mij hoeft al dat beleven niet zo nodig, maar eerlijk is eerlijk, ik heb er met plezier een uur rondgelopen. Het is een nostalgische, hernieuwde kennismaking met sterren en programma’s uit vroeger tijden: TopPop, Willem Ruis, de Fabeltjeskrant en natuurlijk Mies Bouwman. Maar er is ook aandacht voor de macht van media, voor de verzuiling en voor nieuws en fake news. Thema’s die goed aansluiten op het vak Medialandschap dat wij aanbieden. De studenten vinden de Experience zichtbaar leuker dan de lezing en de rondgang door de archieven. Hoewel zij als echte millennials nog maar zelden televisie kijken en niet weten wie Mies Bouwman is, vermaken ook zij zich prima. Zo is het al met al een leerzame en leuke ochtend.

Op de terugweg denk ik terug aan de rondleiding van die ochtend. In de catacomben van het gebouw kregen we een deel van de enorme media-collectie te zien. Honderdduizenden bestanden met radio- en televisieopnames, films, teksten en (steeds meer) online materiaal. Een groot deel van die collectie is gedigitaliseerd.

Een van die bestanden is me erg dierbaar. Een paar jaar geleden was ik namelijk op zoek naar een televisiefragment voor een presentatie die ik moest houden. Een collega adviseerde mij om in de collectie van Beeld en Geluid te gaan kijken. In een mum van tijd had ik het fragment gevonden. In een mengeling van nieuwsgierigheid en verveling tikte ik daarna in de zoekbalk mijn eigen naam in. Ik ben namelijk twee keer op de buis geweest: een keer voor een interview over de EU en een keer als minder fortuinlijke deelnemer aan een kennisquiz. Ook die zoekactie leverde positieve resultaten op. Toen keek ik nog eens verder bij mijn achternaam, maar dan zonder het voorvoegsel ‘t. Tot mijn stomme verbazing verscheen de naam van mijn vroeg overleden vader op het scherm. Het ging om een oud televisiefragment uit 1969 waarin hij aan het woord komt. Ik had geen idee dat hij ooit op TV was geweest. Misschien was ik het vergeten; ik was toen nog maar 11 jaar. Achter de naam van het betreffende programma stond een winkelwagen-icoontje. Ik aarzelde geen moment en plaatste direct mijn bestelling. Een dag later kreeg ik een bericht per mail dat mijn bestelling in goede orde was ontvangen en dat ik binnen een week een dvd met de opname zou ontvangen. Een week later vond ik het pakketje op mijn deurmat.

Samen met mijn vrouw keek ik even later naar mijn vader die in een jaren ’60 decor werd geïnterviewd. Voor het eerst in ruim veertig jaar zag ik mijn vader weer bewegen en hoorde ik hem praten. De eerste keer keek ik wat onwennig naar hem.

Zijn gezicht was bekend. Het evenbeeld van een handjevol zwart-wit foto’s die ik nog van hem heb uit die tijd. Zijn gebaren hadden iets vaag-bekends. Maar zijn stem was compleet anders dan ik me kon herinneren. Die avond speelden we het fragment nog een keer af, en nog een keer, en nog een keer. Langzamerhand werd het wat vertrouwder.

Dankzij dit kostbare document van Beeld en Geluid heb ik mijn vader weer een beetje dichterbij kunnen halen. Dat is heel bijzonder, want hij overleed lang geleden; door een noodlottig auto-ongeluk. Op 16 november 1970.

Madeira, van Christiani tot Cristiano

 

En jawel, dat bleek allemaal waar. Het weekje Madeira was heerlijk en de beloften uit de reisgids werden waargemaakt. Toch heeft Madeira een groot minpunt, of eigenlijk twee. 

 

Tachtig jaar geleden verscheen het plaatje Zonnig Madeira van Eddy Christiani. Deze legendarische zanger en gitarist (die op dit nummer werd begeleid door John de Mol, de grootvader van de huidige media-tycoon) bezingt het eiland als een ‘aards paradijs’. Een liedje uit de oude doos. Lekker oubollig. Met een dwangrijmerig refreintje. Zo mogelijk nog oubolliger is het liedje ‘n Glaasje Madera, M’dear? van Ted de Braak, dat in 1965 verscheen. Door deze twee liedjes heb ik altijd het idee gehad dat Madeira een gedateerd eiland was. Iets voor bejaarde Britten met witte benen en malle hoedjes.

Toch overwon ik mijn terughoudendheid toen ik door een ongelukkige valpartij mijn zomervakantie moest afblazen en op zoek ging naar een bestemming om in de herfstvakantie de schade nog enigszins in te halen. Een weekje zon zou mij goed doen. En omdat ik nog aan het revalideren ben, zou een rustige omgeving heilzaam zijn. Zo viel de keuze op Madeira.

Ter voorbereiding schafte ik een reisgids aan. Zo’n handig klein gidsje dat nogal wat kromme zinnen bleek te bevatten; waarschijnlijk een haastige vertaling van een buitenlands reisboekje. Ik las dat dit Portugese bloemeneiland als een vulkanische bult oprijst uit de Atlantische Oceaan. Dat het eiland rond 1500 het centrum van de Europese suikerhandel was. Dat je er goed kunt wandelen. Dat de mensen vriendelijk zijn. Dat je er allerlei exotische vruchten aantreft. Dat de temperatuur het hele jaar door heel aangenaam is. Dat je beslist de Madeira-wijn moet proeven. Dat de luchthaven bestaat uit een korte strip vlak naast de oceaan en dat de piloot bij het landen flink in de remmen moet (wees daar op voorbereid!).

En jawel, dat bleek allemaal waar. Het weekje Madeira was heerlijk en de beloften uit de reisgids werden waargemaakt. Al waren sommige pittoreske dorpjes wat minder bezienswaardig dan werd voorgeschoteld. Je vroeg je soms af of een dorpje met wat rieten punthuisjes of een restaurant met een forellenkwekerij de moeite van een uitstapje waard was.

 

 

 

 

 

Maar niet getreurd. Het tempo lag laag en de zon was weldadig; daar ging het in deze vakantie om.

Toch heeft Madeira een groot minpunt, of eigenlijk twee. De hoofdstad Funchal is relatief groot en druk. Eenderde van de eilandbevolking woont in deze stad en de meeste toeristen strijken ook in Funchal neer. Langs de boulevard staan kasten van hotels en dat worden er gezien alle bouwactiviteiten alleen maar meer. Zo zie je in het centrum haast niets meer van de oceaan. Daarnaast leggen dagelijks grote cruiseschepen aan in de haven. Geen wonder dat het in het centrum van Funchal barst van de toeristen. Op de aangeprezen markt (een van de highlights van Madeira volgens de reisgids) is dit te merken. Drommen buitenlandse bezoekers schuifelen langs de kraampjes waar verkopers je schaamteloos een zak exotisch fruit proberen aan te smeren voor 25 euro per kilo.

Het andere minpunt is de alomtegenwoordigheid van CR7, oftewel Cristiano Ronaldo. Deze topvoetballer is in Funchal geboren en dat zullen we weten. De luchthaven draagt zijn naam, er zijn hotels met zijn naam, overal zijn Cristiano Ronaldo-souvenirs te koop en er is zelfs een heus museum aan hem gewijd. Voor dat museum staan een groot standbeeld met op kruishoogte en niet te missen bult die weinig verbloemt. Heel toepasselijk voor Madeira.

 

Als je een Ronaldo-fan bent, dan zit je hier goed, maar als je niets met die man hebt, dan is het wel erg vaak slikken. En ook vroeg ik me af hoe dat nou moet met die luchthaven, die hotels, die souvenirs en dat museum als hij veroordeeld wordt voor verkrachting in de zaak die door een Amerikaanse vrouw tegen hem is aangespannen. Heeft Madeira eindelijk een held waarmee het oubollige imago kan worden afgeschud, blijkt het een #MeToo-verdachte te zijn.

Wij beperkten ons bezoek aan Funchal tot één middag. We beleefden meer plezier aan de talrijke rustige, mooie plekken en streken die het eiland te bieden heeft.

Ook ons hotel, een half uur buiten Funchal was erg aangenaam. Van alle gemakken voorzien. Hoog op een rots met onbelemmerd uitzicht op de kustlijn, de oceaan en de heuvels rondom. Met een vriendelijk dorpje op loopafstand. Lekker rustig en een beetje kneuterig.

Wij waren in het hotel wel de buitenbeentjes. De gasten waren namelijk of wandelaars of yoga-adepten. Wij vielen buiten beide categorieën. De wandelaars vertrokken elke ochtend na het ontbijt in hun stoere Bever-outfits naar de bergen om pas tegen de avond moe maar voldaan terug te keren. De yoga-club bestond een dozijn Duitse dames onder leiding van een mannelijke instructeur. Elke namiddag kwam deze groep na een yoga-les in de lobby bijeen voor een gezamenlijke nazit. De leidsman schoof altijd als laatste aan met elke keer een andere vrouw aan zijn zijde. Zou deze man zich hebben laten inspireren door CR7? Het gaf ons in ieder geval veel stof tot speculeren. Dat deden we dan ook uitvoerig, onder het genot van een lekker glas Poncha en een wijdse blik op de oceaan.

Iedere avond daalden we van ons hotel af naar het dorpje om op een van de terrassen langs de boulevard aan te schuiven voor een heerlijk diner en te genieten van een prachtige zonsondergang.

Zo begon ik langzamerhand Eddy Christiani beter te begrijpen:

“Zonnig Madeira
Land van liefde en zon
Ik wou dat ik daarheen
Met jou reizen kon”.

 

(de foto van het standbeeld van CR is van saudadesdeportugal.nl ; alle overige foto’s zijn van eigen hand).

I Amstlvn

 

Het voorstel om de letters ‘I Amsterdam’ te gaan verwijderen uit de hoofdstad heeft tot veel ophef en discussie geleid. Het idee is afkomstig van de Amsterdamse raadsfractie van GroenLinks die iets wil doen tegen de grote toestroom van toeristen. Die zorgen zijn begrijpelijk, maar het is de vraag of het aanpakken van de zeer populaire I Amsterdam letters het juiste medicijn is. Ik waag het te betwijfelen. Vanuit mijn woonplaats Amstelveen kwam wel een heel bijzondere reactie.

 

Vijftien jaar geleden wilde Amsterdam zichzelf opnieuw op de kaart zetten en daarbij werd de slogan I Amsterdam bedacht. Die slogan bleek bij lancering trouwens niet geheel origineel, omdat er destijds al Boomerang-kaarten circuleerden met de tekst ‘I Amsterdammer’.

Deze kaarten waren ontworpen om opinieblad De Groene Amsterdammer te promoten. Na enig juridisch getouwtrek (en naar het schijnt een aardige afkoopsom voor de ontwerper van de Boomerang-kaart) mocht de term I Amsterdam alsnog gebruikt gaan worden. En dat is dan ook volop gebeurd. Op allerlei uitingen van de gemeente Amsterdam is de tekst terug te vinden. Van briefpapier en bekers tot posters en vlaggen.

Maar het meest in het oog springend zijn natuurlijk de grote letter-formaties die als quasi-artistieke objecten op enkele plaatsen in de stad zijn neergezet. De letters zijn een populair merkbeeld geworden en het merkbeeld een fotogeniek object. Zo werd slogan zelf een tastbare attractie. Een soort letter-hunebed waarop je (in tegenstelling tot de echte hunebedden in Drenthe) wel mag klimmen. Toeristen zijn er dol op. Met name bij de letters op het Museumplein staan drommen toeristen foto’s en selfies te maken. De droom van elke reclamemaker.

Maar het probleem schijnt te zijn dat er teveel toeristen naar Amsterdam komen. Het zijn er inmiddels meer dan 20 miljoen per jaar en dat aantal kan nog flink toenemen. Nu is het moeilijk te geloven dat die enorme groei veroorzaakt is door de slogan. Maar volgens de GroenLinks-critici staan de letters symbool voor het massatoerisme. Hier is dus letterlijk sprake van symboolpolitiek. Als Amsterdam echt wat tegen het massatoerisme wil doen, zou je verwachten dat de gemeente met plannen komt om Airbnb’s aan te pakken, de capaciteit van Schiphol te beperken of de bouw van hotels te stoppen. Dat laatste punt stip ik aan, omdat ik op mijn dagelijkse route naar mijn werk (van Amstelveen-Noord naar Diemen-Zuid) de afgelopen 20 maanden niet minder dan zes nieuwe, grote hotels heb zien verrijzen. Tel uit je winst.

En dan is er nog het argument dat de slogan voor individualisme staat. Ik denk dat de mensen van GroenLinks hiermee met name doelen op het Engels ‘I’, oftewel Ik. Het opvallende is dat juist de Ik hier gekoppeld wordt aan een groter geheel. Net als in uitdrukkingen als Je suis Charlie of Ich bin ein Berliner. Het is dus juist een verbindende slogan en niet iets individualistisch.

Wat mij betreft zou de meest bevredigende reden om te stoppen met de letters zijn dat het na 15 jaar tijd is voor iets anders. Daar zou je een mooie campagne aan kunnen koppelen met een oproep aan het publiek om met nieuwe, creatieve voorstellen te komen. Zo betrek je je inwoners erbij. Niet voor niets geeft de theorievorming over citymarketing aan dat de eigen burgers van een stad de basis vormen voor een goed promotiebeleid.

Mocht het dan zo ver komen dat de letters echt naar de schoothoop gaan, dan weet de VVD-fractie uit mijn woonplaats Amstelveen daar wel raad mee. Fractievoorzitter Kees Noomen stelde voor de letters in het Amstelveens Stadshart te plaatsen in ruil voor het kunstwerk Der Bogen van Armando. Zo’n bizar voorstel ben ik in tijden niet tegengekomen.

Der Bogen is inderdaad een omstreden kunstwerk en is in 2017 door de luisteraars van Radio 538 zelfs uitgeroepen tot lelijkste kunstwerk van Nederland. Maar het mooie van kunst is dat het lekker controversieel mag zijn. Dat moet het toch al zo brave Amstelveen juist koesteren. Daarnaast hebben we voor het stadshart van Amstelveen al een eigen woordmerk, namelijk Amstlvn.

Vast bedacht door iemand met een haperende ‘e‘ op zijn computer. Ik vind dat persoonlijk niet erg mooi, maar ik ga er niet om zeuren. Laten we daar als gemeente Amstelveen in ieder geval ook 15 jaar aan vasthouden. Ten slotte vind ik het van weinig gevoel voor eigenwaarde getuigen als je de slogan van een buurgemeente in je eigen centrum wil plaatsen. Ik had van de lokale VVD in Amstelveen wat meer assertiviteit verwacht.

Het VVD-voorstel doet me denken aan een bericht van enige tijd geleden over het ziekenhuis in Amstelveen dat overwoog om van een van de verloskamers Amsterdams grondgebied te maken. De reden was dat veel zwangere vrouwen uit Amsterdam rondom de bevalling niet terecht konden in een van de hoofdstedelijke ziekenhuizen en daarom moesten uitwijken naar Amstelveen. Maar de jonge ouders vonden het heel vervelend dat hun kind dan Amstelveen als geboorteplaats kreeg. Op sociale media schreef een moeder zelfs: ‘Amstelveen, daar wil je toch niet dood gevonden worden’. Ik moest daar om lachen, omdat veel Amsterdammers op Zorgvlied begraven willen worden en daarbij kennelijk vergeten dat die begraafplaats ook Amstelveens grondgebied is.

Het wapen van Amstelveen bij de ingang van Zorgvlied

Ik zou de gemeente Amstelveen en zeker de lokale VVD-fractie het volgende advies willen geven: wees zelfbewust, vertel je eigen verhaal, laat Der Bogen lekker staan en geef al de Amsterdamse baby’s die in Amstelveen geboren worden een rompertje met de tekst ‘gborn in Amstlvn’.

 

Geraadpleegde bronnen:

https://blog.iusmentis.com/2007/07/20/i-ambtenaar-vs-i-amsterdam-auteursrecht-en-merkenconflict/

https://www.amstelveenz.nl/nieuws/vvd-raadslid-wil-der-bogen-ruilen-voor-i-amsterdam-letters.html

https://nos.nl/artikel/2154761-amstelveense-verloskamer-moet-amsterdams-grondgebied-worden.html

Vrouwelijke straatnamen

 

 

Er zijn te weinig straten die vernoemd zijn naar vrouwen. Een kwestie die vooral de afgelopen maanden onder de aandacht is gebracht. Via onderzoek en door ludieke acties. Het moet anders en beter, vinden activisten. Een sympathiek streven, wat mij betreft

 

Onderzoek

In maart 2018 publiceerde Bregje Hofstede in De Correspondent de resultaten van een uitgebreid onderzoek naar straatnamen in Amsterdam. Uit het verslag blijkt dat ruim 2.000 van de 5.000 Amsterdamse straten vernoemd zijn naar mensen. In 88% van die gevallen gaat het om mannen. Vrouwen komen er dus heel bekaaid vanaf. Uit een verdere specificatie van de resultaten blijkt dat vooral schrijvers, politici, wetenschappers en beeldend kunstenaars zijn vernoemd. De Gouden Eeuw en de 19e eeuw hebben de meeste vernoembare grote namen voortgebracht. Dat kan verklaren waarom er zoveel meer mannen op straatnaambordjes terecht zijn gekomen. In die eeuwen waren er simpelweg weinig bekende, vooraanstaande vrouwen. In de 20e eeuw en dan vooral de naoorlogse periode neemt het aantal vernoemde vrouwen toe.

https://decorrespondent.nl/7838/van-pythagoras-tot-amalia-hoe-wij-5-400-amsterdamse-straatnamen-analyseerden/2120713716198-0dacc343

 

Gedicht van K. Schippers

Toen ik dit onderzoek onder ogen kreeg, moest ik direct denken aan het gedicht Adressen van K. Schippers. Tijdens de roemruchte Poëzie in Carré bijeenkomst van 1966 kreeg K. Schippers de lachers op zijn hand toen hij een serie willekeurige Amsterdamse adressen opsomde.

Adressen   K. Schippers

Hobbemastraat 4
Admiraal de Ruyterweg 6
Singel 42
Beursplein 3
Prinsengracht 51
Frans van Mierisstraat 112
Keizersgracht 310
Zuidereinde 361
Waalstraat 7
Jan Evertsenstraat 80
De Clerqstraat 71
Deurloostraat 80
Sarphatistraat 4
Lairessestraat 120
Hoofdweg 91
Kinkerstraat 7
Van Kinsbergenstraat 12
Johan Schippersplantsoen 68
Willem de Zwijgerlaan 4
Zijlweg 24
Jan Luijkenstraat 20
Nassaukade 126
Oosterpark 9
Van Eeghenstraat 16
Cyclamenlaan 60
Brachthuizerstraat 8

https://anderetijden.nl/artikel/24/Week-van-de-Poezie

Wie nu door de ogen van Bregje Hofstede naar dit gedicht kijkt, ziet haar onderzoeksresultaten bevestigd. De helft van de adressen is vernoemd naar een persoon. Het zijn allemaal mannen; er staat geen enkele vrouw tussen.

 

Ludieke actie

Begin augustus van dit jaar kreeg het onderzoek van Hofstede een vervolg in de vorm van een ludieke actie. In een tiental steden in Nederland gaven activisten van het feministisch collectief De Bovengrondse bepaalde straten nieuwe, vrouwelijke namen, variërend van de Mies Bouwmanstraat tot de Beyoncé Boulevard. De vrouwen wilden hiermee aandacht vragen voor de belangrijke rol die vrouwen in de samenleving spelen, zowel in het verleden als in het heden. Ze ageren tegen de heersende orde waarin mannen centraal staan en vrouwen ondervertegenwoordigd zijn. Een citaat: “Juist omdat straatnamen zo alledaags zijn, kom je er elke dag mee in aanraking. Naamgeving heeft daarmee een onderbewuste, maar sturende invloed.”

 

Persoonlijke ervaring

Ik heb in mijn leven op een achttal adressen gewoond. Drie daarvan zijn naar mensen vernoemd: de Prinses Margrietlaan in Dieren, de Jan Schoutenlaan in Zeist en de Anna Pawlowastraat in Amstelveen (mijn huidige adres). Twee vrouwen en één man. Een keurige score volgens de feministische meetlat.

De Anna Pawlowastraat ligt bovendien in een wijk waarin alle straten naar vrouwen zijn vernoemd. Anne Frank, Cleopatra, Eleonora Roosevelt, Rie Cramer en nog veel meer. In de jaren ’60 was de straatnamencommissie van de gemeente Amstelveen kennelijk al wakker en bij de tijd.

Ik kon het niet nalaten om alle straatnamen in Amstelveen ook aan nadere inspectie te onderwerpen. Ik kwam al turvend in de gemeentelijke straatnamengids uit op 280 vernoemingen naar mensen; 203 mannen en 77 vrouwen. Weliswaar een scheve verdeling, maar minder scheef dan in Amsterdam. Amstelveen is op de goede weg, want ook in nieuwere wijken kom je veel vrouwennamen tegen.

Mijn mooiste persoonlijke ervaring op dit gebied is dat er een straat naar mijn moeder is genoemd. Of, laat ik iets meer bescheiden zijn, een pad. In Bunnik, haar laatste woonplaats.

 

Je kunt je dus voorstellen dat ik de feministische activisten een warm hart toedraag. Ze zijn bovendien slim bezig. Uit het onderzoek van Bregje Hofstede naar Amsterdamse straatnamen blijkt namelijk dat er één positieve uitzondering bestaat. In de beroepscategorie ‘activisten’ zijn evenveel vrouwen als mannen vernoemd. Daar zijn de kansen op vernoeming voor vrouwen het grootst. Dat hebben de dames van De Bovengrondse klaarblijkelijk goed begrepen.

 

 

Meer weten over straatnamen.

Dit is een interessante site:

https://www.overstraatnamen.nl/

 

 

Jinte Maria

 

 

 

 

Bij de geboorte van een prachtige kleindochter

 

Welkom lief klein meisje

Geboren op de valreep van de oogstmaand

Als toegift van een lange warme zomer

 

Je frisse voornaam verwijst naar het Noorden

En betekent meisje, puur

Je mooie vernoemnaam komt uit het Zuiden

En verbindt jou met generaties vrouwen in de familie

 

Je hebt een moeder en een vader

die al van je hielden voordat je geboren werd

En je krijgt een grote zus en broer cadeau

In een huis waar je bedje gespreid staat

En de loper van het leven is uitgerold

 

 

Wanneer houdt een letter op een letter te zijn?

Mijn zomerblog gaat over de letter E, klinkers en medeklinkers, Prometheus en Kadmos, dyslexie en geletterdheid. Een luchtig onderwerp en een beetje van de hak op de tak.

 

E’s zonder ruggengraat

Ik heb op mijn laptop een mapje met ‘interessant materiaal’. In die map verzamel ik allerlei opvallende teksten en plaatjes die ik netjes per thema in sub-mapjes heb gerangschikt. Zo heb ik o.a. een verzameling foto’s van zadelhoesjes (ik schreef hier eerder een blog over: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=701 ), afbeeldingen van letters in de vorm van hartjes, gedichten in het openbaar (op gevels, gedenkstenen etc.), op straat aangetroffen elastiekjes in rare vormen, en reclame-uitingen voor reclame-uitingen (ook hier schreef ik al eerder een blog over: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=1540 ). Ook heb ik een submapje met een verzameling logo’s en bedrijfsnamen waarbij de letter E is weergegeven met drie liggende streepjes; de verticale streep links ontbreekt. Het submapje heet: E’s zonder ruggengraat.

Enkele voorbeelden:

 

 

 

 

 

 

 

Deze wijze van weergeven zal ongetwijfeld door vormgevers zijn bedacht vanuit het idee dat de naam dan meer aandacht trekt en beter blijft hangen. Dat kun je doen door één letter afwijkend weer te geven (mijn aandacht gaat zoals gezegd vooral uit naar de E’s zonder ruggengraat), maar de voorbeelden laten ook zien dat bij sommige bedrijfsnamen meerdere letters aangepast zijn. Prometheus is daar een goed voorbeeld van. Alle letters zijn onder handen genomen. Dat roept wel de vraag op hoe ver je kunt gaan met het aanpassen van letters. Als je letters steeds verder ‘uitkleedt’ worden letters en woorden moeilijk te ontcijferen (het woord ontletteren zou beter op zijn plaatst zijn) of zelfs geheel onleesbaar. En dat kan toch niet de bedoeling zijn.

 

Prometheus: titaan en uitgever

Het is zomervakantie en ik moet een flink aantal weken revalideren doordat ik een nogal ongelukkige val heb gemaakt (zie mijn vorige blog). Dat betekent dat ik royaal de tijd heb om te lezen. Een flinke stapel boeken ligt binnen handbereik. Ook boeken hebben een ruggengraat en behalve de auteur en de titel staat er het logo van de uitgeverij op. Niet voluit, want daar is geen ruimte voor. De Bezige Bij laat een plaatje van een (bezige) bij zien, Meulenhoff een gestileerde M en Prometheus toont een hoofdletter P waarvan de verticale lijn bovenaan niet doorloopt. Een soort sikkel.

 

Een van mijn favoriete boeken deze zomer is Mythos van Stephen Fry. Een eigentijdse, leerzame en humorvolle hervertelling van de oude Griekse mythen en sagen. Gemakkelijker te lezen dan de Metamorphosen van Ovidius en aansprekender gepresenteerd dan mijn docenten klassieke talen vroeger deden. Fry besteedt uitbreid aandacht aan Prometheus (de Titanenzoon die het vuur van de goden stal en aan de mensen gaf). Om die reden zou het aardig zijn geweest als de gelijknamige uitgeverij dit boek in Nederland op de markt had gebracht. Op de rug van het boek staat echter een vogel met gestrekte vleugels: het logo van uitgever Thomas Rap. Naast de legendarische Prometheus komt ook de minder bekende Kadmos bij Fry uitvoerig aan bod en dat is weer interessant met het oog op mijn belangstelling voor letters. Kadmos bracht namelijk de letters, waaronder de E, naar Europa.

 

Kadmos en het alfabet

Kadmos was een koningszoon uit de Phoenicische (of Fenicische) stad Tyrus (in het huidige Libanon). Zijn zuster, prinses Europa, kennen we allemaal; zij gaf haar naam aan ons werelddeel, maar niet geheel vrijwillig. Vermomd als een witte stier had de Griekse oppergod Zeus haar verleid en ontvoerd naar Kreta. Het mythische begin van de Europese beschaving. Kadmos ging in het westen op zoek naar zijn geroofde zus en kwam uiteindelijk in centraal Griekenland terecht waar hij zich vestigde op een plek die zou uitgroeien tot de machtige stadstaat Thebe. Fry beschrijft hoe groot de invloed van het Midden-Oosten op de Griekse cultuur is geweest en hoe de koningskinderen Europa en Kadmos de personificatie van deze invloed zijn. Zij brachten cultuur-elementen uit het Midden-Oosten (of De Levant, het Morgenland) over naar het nieuwe continent Europa (dat het Avondland werd genoemd). Een van die elementen was het Phoenicische alfabet dat de basis vormde van het later ontwikkelde Griekse alfabet en daarmee deels ook voor ons huidige (Latijnse) alfabet.

 

Van Phoenicisch naar Grieks: medeklinker H wordt klinker E

Het Phoenicische alfabet was een klank-alfabet. Oudere geschreven talen bestonden doorgaans uit pictogrammen: symbolen die een visuele betekenis hadden en direct herkenbaar waren omdat ze bijvoorbeeld een koe, een oog of de zon afbeeldden. Eigenlijk zoals de bij van De Bezige Bij. Bij de Phoeniciërs bestond er weliswaar nog wel enig verband tussen de vorm van de letters en hun oorspronkelijke betekenis, maar door de jaren heen kreeg elke letter een eigen klank zonder verwijzing naar een bepaald object. De letter Beth bijvoorbeeld betekende oorspronkelijk ‘huis’ en evolueerde tot de B-klank. Zo ontstond het klank-alfabet: meer fonetisch dan met visuele referenties. Ook wij hanteren tegenwoordig een klank-alfabet. Niet voor niets spreken we van klinkers en medeklinkers. De Phoeniciërs kenden trouwens alleen medeklinkers. De Grieken voegden hier later klinkers aan toe. Dat is weer een belangrijk gegeven voor de letter E. Deze letter was bij de Phoeniciërs namelijk een medeklinker met een H-klank met als oorspronkelijke betekenis ‘raam’. Deze letter werd afgebeeld als een hoofdletter E met de verticale streep (ruggengraat) aan de rechterkant. Je zou kunnen zeggen dat deze streep het scharnier vormde van het ‘raam’. De Grieken hadden geen aparte letter voor de H-klank, maar gebruikten deze Phoenicische letter voor de klinker E (Epsilon). Daarbij draaiden ze de letter om door de verticale streep links te plaatsen, zoals wij nog steeds doen.

 

Dyslexie en Gestalt

Op het internet kwam ik onlangs een heel bijzondere verzameling letters tegen. Daniel Britton, een jonge Britse designer, heeft een typografie van ons alfabet gemaakt vanuit de blik van iemand met dyslexie. Hij heeft circa 40% van elke letter weggehaald om te laten zien hoeveel moeite het kost om letters en woorden te herkennen als je dyslexie hebt. Britton hoopt hiermee meer aandacht en begrip voor dyslectici te krijgen.

Mij viel natuurlijk meteen op dat de letter E is weergegeven zonder verticale streep. Hij zou zo in mijn submapje van E’s zonder ruggengraat passen. Het alfabet-design van Britton laat ook zien dat een reductie van 40% veel letters nagenoeg onleesbaar maakt. De B en de R zijn nog te herkennen, maar de L en de T helemaal niet. En bij de M en de Q denk je dat het de V en de O zijn. Er is dus een grens tussen nog wel leesbaar en niet meer leesbaar; die grens verschilt per letter.

Britton’s alfabet doet me denken aan spelletjes waarbij je een onderdeel van een plaatje te zien krijgt en moet raden wat het gehele plaatje voorstelt. Pars pro toto. Het doet me ook denken aan bepaalde Gestalt-wetten. Als we een aantal losse stippen in een bepaalde volgorde zien, weet ons brein daar toch een doorlopende lijn van te maken. En we zijn in staat om in een paar losse strepen op papier een portret van een oude man te herkennen.

Britton laat zien dat dyslexie werkt als omgekeerde Gestalt. Normaal maakt je brein incomplete beelden compleet, bij dyslexie worden complete beelden incompleet.

 

Geletterdheid

We leven in een wereld waarin letters en leesvaardigheid van groot belang zijn. En dan te bedenken dat deze letters zo’n 5000 jaar geleden in het Midden-Oosten zijn ontwikkeld en dat wij ze nog steeds volop gebruiken. Misschien dat in de toekomst plaatjes en symbolen het gaan winnen van letters en woorden (zoals in de pre-Phoenicische tijd), maar vooralsnog is geletterdheid cruciaal om mee te kunnen draaien in dit informatietijdperk.  Het is boeiend om te zien hoe vormgevers spelen met het schrift in hun streven naar opvallende en onderscheidende beelden. Helaas schieten sommigen daarbij af en toe hun doel voorbij door het creëren van onleesbare merknamen en woorden: dyslexie by design. In een ander sub-mapje heb ik daar een paar voorbeelden van. Oordeel zelf:

 

 

 

 

 

 

 

 

Gebruikte bronnen:

https://danielbritton.info/dyslexia

https://www.scientias.nl/het-ontstaan-van-het-alfabet/

http://www.taalcanon.nl/vragen/letters-wat-zijn-dat-eigenlijk/

Stephen Fry (2018). Mythos. Amsterdam: Thomas Rap.

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Roman Jakobson en zijn inspirerende kijk op taal en communicatie

 

“Jakobson leert ons dat we communicatie en taal daarbij niet als iets een-dimensionaals moeten zien. Er zijn juist allerlei schakeringen en betekenissen die te relateren zijn aan de verschillende factoren en actoren die we binnen een communicatieproces kunnen onderscheiden.”

 

Als je een tot voor kort onbekende naam onverwachts een paar keer achter elkaar tegenkomt, gaat er een belletje rinkelen. Je wil meer van die persoon weten, omdat hij opeens meerdere keren onder je aandacht wordt gebracht.

Dit overkwam me het afgelopen jaar met de naam Roman Jakobson, een van oorsprong Russische taalkundige die leefde van 1896 tot 1982. Ik had nog nooit van hem gehoord, totdat ik tot mijn verrassing binnen een paar maanden in een aantal uiteenlopende boeken op zijn naam stuitte. En toen daarbij bleek dat hij heel interessante inzichten heeft gepubliceerd over taal en communicatie was mijn interesse als communicatie-docent gewekt. Ik moest meer van die man weten.

 

Drie vindplaatsen

Een jaar geleden kocht ik, na het lezen van een lovende recensie, het boek De geest uit de fles van Ger Groot. Groot beschrijft hierin op beeldende en uitnodigende wijze de geschiedenis van de moderne filosofie. Een rijk geïllustreerd boek waarin de ontwikkeling van het moderne denken gerelateerd wordt aan ontwikkelingen in de muziek, de literatuur en de beeldende kunst. Een boeiend boek waar ik van tijd tot tijd een hoofdstuk uit lees. Zonde om zo’n bonbonschaal in een keer leeg te eten. Na enkele weken lees ik in een van zijn laatste hoofdstukken hoe Groot aangeeft dat denkers als Michel Foucault en Claude Lévi-Strauss sterk waren geïnspireerd door Roman Jakobson. Een mij volstrekt onbekende naam die mijn nieuwsgierigheid prikkelt. Groot legt uit dat Jakobson een wegbereider was in het denken over de ontwikkeling van betekenissystemen. Jakobson keek niet zozeer “naar de vraag hoe  tekens mogelijk zijn, als wel naar de wijze waarop ze onderling tot een betekenisvolle uiting worden verknoopt” (Groot, p. 297-298).  Ik maak een notitie achterin het boek, maar laat me al snel weer door andere zaken in beslag nemen.

Een paar maanden later kraait de haan voor de tweede keer. Ik lees het boek De zevende functie van de taal van Laurent Binet. Ik had dit boek gekocht omdat ik met fascinatie en bewondering Binet’s debuutroman HhhH had gelezen. Dat boek speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog en beschrijft de aanslag die Tsjechische verzetsstrijders plegen op nazi-chef Heydrich (Praag, 1942). Het boek biedt enorm veel informatie over de Tweede Wereldoorlog en werkt daarbinnen met een knap opgebouwde spanningsboog het verhaal van de aanslag uit. De schrijver deinst er niet voor terug om feitelijke gebeurtenissen af te wisselen met eigen interpretaties en stellingnames, waarbij hij ook openlijk zijn eigen vragen en onzekerheden op tafel legt.

Zijn tweede boek, De zevende functie van de taal, is al even complex en meerduidig. Dit keer speelt het verhaal zich af in de jaren ’80 van de vorige eeuw in het intellectuele milieu van bekende naoorlogse Franse denkers als Barthes, Foucault en Derrida. Ook dit boek bevat veel achtergrondinformatie (met name over de verschillende visies op de relatie tussen taal en werkelijkheid) en ook hier lopen feiten en fictie door elkaar. Het verhaal draait om een speurtocht naar een document van Roland Barthes dat bij zijn dood is verdwenen. Hierin zou de zevende functie van de taal zijn beschreven. De speurtocht levert een serie gebeurtenissen op die qua thriller-achtige beschrijving doet denken aan boeken als De naam van de roos van Umberto Eco (de bekende semioticus die zelf ook in dit boek figureert) en De Da Vinci code van Dan Brown.

Wat mij bij lezing van dit boek vooral treft is de toelichting van de auteur dat de mysterieuze zevende functie van de taal een toevoeging is aan de bekende lijst van zes taal-functies die Roman Jakobson heeft ontwikkeld. Weer die naam, denk ik. En waarom kende ik die lijst nog niet? In hoofdstuk 32 worden de taalfuncties van Jakobson uitgebreid besproken. Ik kende uit de verschillende handboeken Communicatieleer wel de vier kenmerken van een boodschap van Schultz von Thun (1992), maar Binet geeft aan dat Roman Jakobson al eerder en uitgebreider een aantal functies van talige boodschappen op een rij heeft gezet. Daar wil ik meer van weten. Ik maak een mapje over Jakobson aan op mijn laptop met verwijzingen naar de passages die ik bij Laurent Binet en Ger Groot ben tegengekomen. Maar mijn goede voornemen om nader studie te doen naar Roman Jakobson blijft uit.

Weer een paar weken later ben ik bezig met het schrijven van een blog over het bekende communicatiemodel van Shannon & Weaver (http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=1614) . Ik raadpleeg daarbij diverse bronnen, waaronder het in mijn ogen te weinig gewaardeerde boek Communicatiebeleid en communicatiestrategie van Henk Jan Rebel uit 2000. En ja hoor, ook hier kom ik de naam van Roman Jakobson tegen. Rebel voert hem op als een van de grondleggers van het betekenis-denken in de communicatiewetenschap. Waar het model van Shannon & Weaver technisch-procesmatig is en geen aandacht besteedt aan betekenis en effect, geeft Jakobson juist invulling aan de verschillende aspecten van een boodschap binnen de communicatie.

Roman Jakobson op jongere leeftijd

Ik kan nu niet meer om Roman Jakobson heen. Ik begin nadere informatie over hem te verzamelen. Tot mijn verbazing kom ik zijn naam in geen enkel communicatie-handboek tegen (met uitzondering dus van het boek van Rebel). Ik ga verder zoeken op het internet en download een van zijn bekendste publicaties, Linguistics and Poetics uit 1960. Die titel intrigeert me niet alleen als docent communicatie, maar ook als poëzie-liefhebber.

 

De kern: zes factoren en zes functies

In de kern komt de visie van Jakobson er op neer dat er zes ‘constitutive factors’ zijn te onderscheiden bij elke vorm van verbale communicatie:

The ADDRESSER sends a MESSAGE to the ADDRESSEE. To be operative the message requires a CONTEXT referred to (the “referent” in another, somewhat ambiguous, nomenclature), graspable by the addressee, and either verbal or capable of being verbalized; a CODE fully, or at least partially, common to the addresser and addressee (or in other words, to the encoder and decoder of the message); and, finally, a CONTACT, a physical channel and psychological connection between the addresser and the addressee, enabling both of them to enter and stay in communication.

Aan elk van die zes factoren koppelt Jakobson vervolgens zijn zes functies van taal.

  1. De kernfunctie die Jakobson plaatst bij de factor CONTEXT is de referentiële (of cognitieve of denotatieve) functie. Deze verwijst naar het onderwerp van de boodschap: waar gaat het over?
  2. Bij de ADDRESSER past de emotieve of expressieve functie. Een spreker/schrijver laat in zijn tekst altijd iets van zichzelf (zijn stemming of mening) doorklinken.
  3. Bij de ADDRESSEE hoort de conatieve functie. De addressee wordt aangesproken, er wordt een beroep om hem gedaan.
  4. In het CONTACT is het van belang om de communicatie gaande te houden. De phatische functie heeft hierop betrekking. Bijvoorbeeld als de addresser zegt ’luister je’ en de addressee bevestigend ‘ja ja’ antwoordt. Het gaat vaak om stopwoordjes als ‘nietwaar’ of ‘hè’ of om korte klanken als ‘aahaa’ of ‘umm’.
  5. De metalinguïstische functie gaat een stap verder en past bij de factor CODE. Het gaat hier om de vraag of addresser en addressee elkaar begrijpen. Om dat na te gaan kan de addresser af en toe zeggen: ‘snap je wat ik zeg?’, of kan de addressee vragen: ‘wat bedoel je precies?’.
  6. De zesde functie wordt door Jakobson bij de MESSAGE geplaatst en wordt aangeduid als de poëtische Het gaat hierbij om de kwaliteit van boodschap op zichzelf. Om esthetiek, ritme en klank. Is het een goed lopende zin? Is de boodschap als zodanig fraai en aantrekkelijk. Jakobson gaat in zijn artikel Linguistics and Poetics uitgebreid en met veel voorbeelden op deze laatste functie in. Enkele ook voor ons bekende voorbeelden die hij aanhaalt zijn de uitspraak Veni, vidi, vici van Julius Caesar en de beroemde verkiezingsslogan van Eisenhower, I Like Ike. In Nederland zouden we Heerlijk Helder Heineken als voorbeeld kunnen nemen.

Jakobson voegt de zes factoren van taal en communicatie samen met de zes functies van de boodschap in het volgende schema.

 

Hij benadrukt dat we in teksten doorgaans meerdere van deze functies zullen aantreffen en dat een boodschap zelden slechts één aspect bevat: Although we distinguish six basic aspects of language, we could, however, hardly find verbal messages that would fulfill only one function.

(Ik doe het gehele werk van Roman Jakobson met deze samenvatting tekort, maar wil me voor deze blogtekst hiertoe beperken)

 

Relevantie

In de professionele wereld van communicatie en media zijn termen als storytelling en content aan de orde van de dag. Alles draait om het juiste verhaal en om goede content. Dat betekent dat professionals doordrongen moeten zijn van de verschillende lagen en functies die boodschappen kunnen hebben. Jakobson leert ons dat we communicatie en taal daarbij niet als iets eendimensionaals moeten zien. Er zijn juist allerlei schakeringen en betekenissen die te relateren zijn aan de verschillende factoren en actoren die we binnen een communicatieproces kunnen onderscheiden. Goede content en een pakkende verhalen moeten daar op inspelen door iets van de addresser te laten zien, door de addressee aan te spreken, door duidelijk en relevant te zijn, door het contact te versterken en ook door aantrekkelijk en fraai te zijn.

Deze veelzijdige kijk op communicatie spreekt mij enorm aan. Sommige communicatie-professionals hebben de neiging om communicatie te reduceren tot één kernfunctie of opdracht. In hun ogen draait het in de communicatie bijvoorbeeld om reputatie, of om verbinding of om gedragsverandering. Ik hou niet zo van dergelijke eenzijdige opvattingen. Ik kijk liever naar de vele, rijke mogelijkheden van communicatie. Ik voel me daarbij geïnspireerd door denkers als Jakobson. Als je zijn opvatting over meerlagige tekst-boodschappen doortrekt naar communicatie in het algemeen, moet je concluderen dat communicatie dus ook nooit één functie kan hebben.

Ik durf daarbij de stelling aan dat wat Jakobson beweert over taal ook van toepassing is op niet-talige communicatievormen als beeld, muziek en gebaren. Ik volg hiermee Laurent Binet die aangeeft dat we sinds Roland Barthes ons niet hoeven te bepreken tot communicatiesystemen, maar breder moeten kijken naar betekenissystemen. Hoewel taal volgens Umberto Eco perfect is voor de communicatie, zegt taal niet alles. Mensen communiceren ook via hun kleding, meubilair, eetgewoontes, de manier van lachen, etc. “Sinds Barthes hoeven tekens geen signalen meer te zijn, het zijn aanwijzingen geworden.” (Binet, p. 17).

Voor het onderwijs betekent dit dat communicatiestudenten inzicht zouden moeten krijgen in de brede, veelzijdige mogelijkheden van taal en betekenissystemen zoals geschetst door Jakobson en Barthes. Daar past ook het lezen van poëzie of songteksten bij en het bezoeken van musea, films, modeshows en festivals. Er zijn namelijk naast literatuur en casuïstiek uit het communicatie-vakgebied ook talloze artistieke inspiratiebronnen en eigentijdse trends die je als student kunt gebruiken om ervaringen en inzichten op te doen. Het is de kunst om te leren dat alles om te zetten in mooie content, betekenisvolle conversaties en pakkende verhalen.

 

(Reageren op dit bericht kan helaas niet meer via de reactie-functie. Deze heb ik afgesloten vanwege de vele spam-berichten. Reacties via LinkedIn en Twitter zijn zeer welkom!)

Huishoudtrapje

 

 

 

Door een ongelukkige val van een huishoudtrapje beland ik op de Eerste Hulp van ziekenhuis Amstelland. Ik heb erg veel pijn en voel me hondsberoerd. De eerste onderzoeken wijzen uit dat ik mijn linkernier heb gescheurd. Voor een verdere behandeling moet in naar het VUmc of het AMC, afhankelijk van wie er plaats heeft. Het maakt mij niet uit. Beide ziekenhuizen zijn relatief dichtbij. Er schiet even door mijn hoofd dat ik onlangs heb gelezen dat deze twee academische ziekenhuizen bestuurlijk zijn gefuseerd en de komende jaren steeds meer als één organisatie zullen gaan optrekken.

 

Maar de pijn die ik voel overwoekert al snel dit soort gedachten. Uiteindelijk word ik per ambulance overgebracht naar het AMC. Sinds het knippen van mijn keelamandelen rond mijn 13e jaar is dit voor het eerst dat ik in een ziekenhuis word opgenomen.

De eerste 24 uur breng ik (in een roes) door op de Intensive Care afdeling. Ik krijg veel pijnmedicatie toegediend en ook vocht en zuurstof. Ik word opnieuw grondig onderzocht. Na enige tijd krijg ik een scan van mijn nier te zien. Hij is inderdaad door de val in twee stukken verdeeld. De cruciale vraag is of de inwendige bloeding bij mijn gescheurde nier zal gaan stoppen. Als dit op kortere termijn niet gaat gebeuren zal men moeten ingrijpen en de bloedtoevoer naar de nier moeten stoppen. Daarbij zal ik mijn linkernier verliezen.

Na een dag verhuis ik van de IC naar de afdeling Trauma Chirurgie. Ik kom daar weer een beetje bij mijn positieven. Ik voel me enorm gesteund door mijn vrouw en de kinderen. Ook het medeleven van familieleden, vrienden en collega’s doet me enorm goed. Ik heb dat hard nodig want de week die volgt kent de nodige zware momenten. De inwendige bloeding houdt aan, ik heb overal pijn (zowel rond mijn nier als door de vele blauwe plekken die ik heb opgelopen), kan niet goed slapen, houd achter beide longen vocht vast en krijg op een nacht een nare hyperventilatie-aanval. Na een dag of vier keert het tij. Het vocht achter mijn longen is weggehaald, de inwendige bloeding is gestopt (ik kan de helft van mijn nier behouden) en ik word wat mobieler.

Al die tijd verwonder ik me over de manier waarop dingen binnen het AMC op rolletjes lopen. Zo’n grote organisatie en toch zoveel flexibiliteit en persoonlijke aandacht. En met zoveel verschillende rangen en standen en culturele achtergronden. Fascinerend hoe dat allemaal functioneert. Ik heb een vast team van verpleegkundigen en artsen. Het helpt enorm om steeds bekende gezichten te zien. Er is tijd voor een praatje en er wordt met me meegedacht. Bezoek is van 10 uur tot 22 uur welkom. Ik kan elke dag kiezen uit vijf opties voor het avondeten (ook al heb ik weinig trek). Op meerdere momenten per dag krijg ik drinken aangeboden. Als er een scan moet worden gemaakt of een drain moet worden aangelegd staat binnen vijf minuten iemand klaar om me naar de betreffende afdeling te brengen. En dan is er nog de centrale hal met allerlei winkels en koffietentjes. In de laatste dagen ga ik daar graag even naartoe om een uurtje in een andere omgeving te zitten.

Kortom, ik ben tijdens mijn 8-daagse verblijf fan van het AMC geworden. Ik voelde steeds dat ik in goede handen was en dat heeft me enorm geholpen.

Nu gaat dit mooie ziekenhuis fuseren. Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Het is een enorm complex organisatievraagstuk. Ik heb er met verschillende medewerkers over gesproken en proefde geen grote afkeer, maar ook geen groot enthousiasme. De twee ziekenhuizen liggen zeven kilometer van elkaar verwijderd en doen in grote lijnen hetzelfde. Men wil nu na de fusie dat elke locatie zich op bepaalde thema’s gaat toeleggen (bijv. Oncologie op de locatie VUmc en Moeder & Kind op de locatie AMC). Ik kan niet overzien of de voordelen van een fusie opwegen tegen eventuele nadelen. Ik wens alle toekomstige patiënten wel toe dat het niveau van behandeling en verpleging net zo hoog blijft als ik heb ervaren.

En dan ten slotte nog dat huishoudtrapje. Volgens het Centraal Bureau van de Statistiek neemt het aantal valpartijen in huiselijke sfeer toe. Vooral bij senioren stijgen de cijfers exponentieel. Ik ben sinds een paar maanden 60-plusser. Ik ben gewaarschuwd. Ik zal steeds meer moeten gaan oppassen met wat ik doe. Want hoe goed de behandeling ook was, ik heb geen zin om weer in het ziekenhuis te belanden.

Blogsite van Peter 't Lam