Categoriearchief: Kunst & cultuur

Land van herkomst en land van aankomst

 

In mijn boekenkast heb ik een plekje voor nog te lezen boeken. De stapel groeit meestal sneller dan ik kan lezen. Bovenop liggen de boeken waar ik tussen de bedrijven door aan toe denk te komen; onderop de dikke pillen die ik reserveer voor de vakanties. Deze zomer stonden twee van die kloeke boeken op het menu: Wees Onzichtbaar van Murat Isik en Het land van herkomst van E. du Perron. Een recente roman uit 2017 en een klassieker uit 1935. Toevallig op hetzelfde stapeltje beland. Ik begon aan het boek van Isik in het eerste weekend van mijn zomervakantie. Tijdens mijn laatste vakantiedagen las ik Het land van herkomst uit. Deze twee boeken bleken meer met elkaar en met de actualiteit samen te hangen dan ik vooraf had gedacht.

Mijn vrouw had eerder al het boek Wees onzichtbaar gelezen en raadde het mij van harte aan. Het is het ‘coming of age’ verhaal van een uit Turkije afkomstige jongen die opgroeit in de Bijlmer. In tientallen korte, kleurrijke hoofdstukken wordt het leven van de jonge Metin geschetst: zijn tirannieke, onberekenbare vader, zijn moeder die zich stilaan ontwikkelt, vriendschappen en pesterijen, de verloedering van de woonomgeving, successen en mislukkingen op school, bijbaantjes en eerste liefdes. De hogeschool waar ik werk grenst aan de Bijlmermeer en veel van mijn studenten zijn uit deze wijk afkomstig. Door het lezen van dit boek realiseer ik me eens te meer dat iedere student met de nodige persoonlijke bagage aan zijn opleiding bij ons begint. We weten als docent vaak maar een fractie van wat er allemaal bij hen heeft gespeeld of nog steeds speelt. Soms gaat het om ingrijpende kwesties als armoede, geweld, discriminatie, gescheiden ouders, of psychische problemen. Allemaal factoren die bij het vinden van een plek op school en in de samenleving enorm tekenend en belemmerend kunnen werken. Maar gelukkig zijn er vaak ook, zoals Murat Isik beschrijft, positieve elementen: een docent die jouw talent ziet, een buurtgenoot die helpt of een vriend die het voor jou opneemt. Het boek laat zien dat ieder kind niet alleen gevormd wordt door zijn familie en etnische achtergrond, maar ook door de sociaal-economische omstandigheden waarin hij opgroeit, de buurt waarin hij woont, zijn persoonlijke karakter, de keuzes die hij maakt en de hoeveelheid pech of geluk die hij heeft. Kortom, een complexe mix van factoren. Het aanwijzen van één verklarende of voorspellende factor is te simpel en doet iedere individuele situatie tekort. Dat biedt hoop, want er valt ook onder moeilijke omstandigheden iets van het leven te maken. Maar het geeft ook aanleiding tot zorg als het om kinderen gaat bij wie veel factoren een negatieve score hebben.

Murat Isik

Bij Metin is die complexiteit ook terug te vinden. Hij wordt door de buitenwacht gezien als Turk, maar hij en zijn ouders zien zichzelf niet zo; ze zijn Zaza (een minderheidsgroepering in Turkije). Ook denkt iedereen dat hij moslim is, maar hij is niet-gelovig opgevoed. Zijn vader bemoeit zich nooit met hem, maar zet zich wel enorm voor Metin in als het school-advies lager uitvalt dan werd verwacht.

 

Het Land van herkomst stond al een tijd op mijn verlanglijstje. Van tijd tot tijd lees ik een ‘klassieker’. Na Tempel en kruis van Marsman koos ik voor het bekendste boek van diens vriend en tijdgenoot Edgar du Perron (1899-1940), één van de toonaangevende Nederlandse schrijvers in het interbellum. De kern van het boek bestaat uit levendige en openhartige beschrijvingen van zijn jeugd in Nederlands-Indië. Deze hoofdstukken met herinneringen aan zijn jonge jaren worden afgewisseld met passages die later spelen als hij in artistieke kringen in Brussel, Parijs en Nederland verkeert. Du Perron is in 1921 met zijn ouders van Indië naar België verhuisd. Een paar jaar later pleegt zijn vader zelfmoord, wat de jonge Eddy een langdurende depressie bezorgt. Weer een paar later overlijdt zijn moeder en tot zijn grote schrik wordt het hem duidelijk dat de verwachte erfenis geheel is verdampt door de economische crisis van de jaren ’30.

Het boek gaat voortdurend heen en weer in tijd en plaats. Het ene moment zit de hoofdpersoon als puber op school op Java, het volgende moment filosofeert hij als dertiger in Parijs met André Malraux over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Dat maakt het moeilijk om een etiket op dit boek te plakken. Het is deels een roman, deels een autobiografie en deels essayistisch. Ook staan er meerdere briefwisselingen en gespreksverslagen in. De kracht van het boek is dat du Perron de lezer een scherp beeld geeft van het leven in Indië en de hoogoplopende economische en politieke spanningen in Europa tussen de twee wereldoorlogen. Du Perron kiest partij. Hij laat zich in de geest van Multatuli kritisch uit over het koloniale systeem in Nederlands-Indië[1] en staat ook sterk afwijzend tegenover het oprukkende fascisme in Europa.

E. du Perron

Het meest word ik getroffen door de hoofdstukken over zijn jeugdjaren op Java. De hoofdpersoon (Arthur Ducroo = Edgar du Perron) groeit op als enig kind van een autoritaire vader die ondernemer is en een moeder met een groot hart die uit een eerder huwelijk al een zoon heeft.  De kleine Arthur is een eigenwijs, opstandig mannetje dat opgroeit in een koloniaal milieu waarin blanken de dienst uitmaken en ‘inlanders’ volstrekt ondergeschikt zijn. Mensen van gemengd bloed bevinden zich letterlijk in een tussenpositie, terwijl Chinezen een buiten-categorie vormen, enigszins vergelijkbaar met de Joden in vooroorlogs Europa. Arthur gaat met vertegenwoordigers van alle bevolkingsgroepen om, maar leert al jong welke rangen en standen er zijn. De gezagsverhoudingen worden met harde hand gemarkeerd en gehandhaafd: in het gezin, op school en binnen de gehele koloniale samenleving.

 

Parallellen

Halverwege de jeugdherinneringen van Eddy du Perron vallen mij de parallellen met het boek van Murat Isik. Het begint bij de passages waarin staat dat de jonge Arthur veel leest en graag schrijft, en op school een hekel heeft aan Wiskunde. Precies zoals Metin. Maar er zijn meer overeenkomsten: het opgroeien op vreemde bodem, de hardvochtige vader, de moeder die alles bij elkaar houdt, klassenverschillen, discriminatie, vechtpartijen. Het grote verschil is dat Metin een brave knaap is die zich zo onopvallend mogelijk gedraagt (‘wees onzichtbaar’). Zo weet hij bijna geruisloos zijn plek te vinden, terwijl Arthur opstandig is en een buitenbeentje. Zijn gezin verhuist een paar keer op Java, hij gaat naar verschillende scholen, waar het steeds niet goed gaat, en uiteindelijk komt hij in Europa terecht. Wie de levenslijn van du Perron napluist, ziet dat hij later (na de publicatie van dit boek) is teruggegaan naar Indië, maar daar  zijn draai niet kan vinden. In 1939 keert hij terug maar Europa en gaat in Bergen (NH) wonen. Een klein jaar later vallen de Duitsers Nederland binnen. Op 14 mei, de dag van de Nederlandse capitulatie, krijgt Eddy du Perron een hartaanval en sterft.

Samengevat zou je kunnen zeggen: Edgar du Perron, de rusteloze kosmopoliet die overal en nergens thuis is. Die wel een land van herkomst heeft, maar moeite heeft om ergens echt te aarden. Murat Isik, die langzaam maar zeker een vaste plek in zijn land van aankomst[2] heeft weten te verwerven.

 

Actualiteit

Terwijl ik de afgelopen weken deze boeken lees, staan de media vol met berichten over rellende jongeren, Facebook en Zwarte Piet, steekpartijen, het omvertrekken van standbeelden, de bekladding van het Indië-monument. De boeken en de media-berichten staan niet los van elkaar. Ik merk dat du Perron en Isik me helpen om genuanceerd naar deze berichten en de achterliggende vraagstukken van migratie, discriminatie en ons koloniale verleden te kijken. Het zijn incidenten en kwesties die door sommige mensen direct in een goed-fout schema of een wij-zij frame worden geplaatst: ”onze cultuur wordt bedreigd door vreemde invloeden”; “wij worden aangevallen, zij hebben het gedaan”; “wij zijn goed, zij zijn fout”. Het is verleidelijk om snel te oordelen, eenduidige oorzaken aan te wijzen of rigoureuze oplossingen voor te stellen. De verhalen van Murat Isik en Eddy du Perron laten zien dat er geen simpele, eenduidige oorzaken en oplossingen zijn. Het is niet alleen opvoeding, het is niet alleen etniciteit, het is niet alleen godsdienst, het speelt niet alleen in kansarme wijken. Honderd jaar geleden niet en nu evenmin. Het enige wat je met enige zekerheid kunt zeggen is dat het bij al de genoemde incidenten van deze zomer (bijna altijd) om jonge mannen gaat. Knullen als Arthur en Metin, die in deze complexe en gelaagde wereld hun plek en draai moeten zien te vinden. Dat kan flink knetteren en botsen. Dat zie je in het nieuws en dat blijkt ook uit de verhalen van Isik en du Perron. Beide indrukwekkende boeken laten zien dat het jongeren helpt als ze kansen krijgen, erkenning ontvangen, positieve keuzes maken en af en toe wat geluk hebben.

 

[1] De Perron stond bekend als groot kenner van het werk van Multatuli. Een citaat uit het boek dat typerend is voor de stemming onder veel Nederlanders in Indonesië: “een opstandige Javaan was vanzelfsprekend onze vijand. Niet dat mensen als mijn vader vonden dat de Javaan ongelijk had; integendeel, het gold als bewijs van geestelijke vrijheid om onder elkaar te erkennen dat de Companjiesdienaren (VOC) natuurlijk rovers waren geweest en dat ook wij nog altijd niets op Java te maken hadden; dit eenmaal gezegd kon men met de grootste verontwaardiging optreden tegen iedere inlander die niet nederig bij onze meerderheid neerhurkte” (p. 270-271).

 

[2] In die zin zou het boek van Isik ook ‘Het land van aankomst’ kunnen heten, maar Paul Scheffer had die titel al – met een knipoog naar du Perron- in 2013 gebruikt voor zijn bekende publicatie over de multiculturele samenleving.

Simone de Beauvoir en Black Lives Matter

 

Op de dag dat George Floyd voor het oog van de wereld bezwijkt onder knie van een politie-agent begin ik net aan een nieuw hoofdstuk van de biografie van Simone de Beauvoir. Op de middelbare school was ik dankzij het vak Frans in aanraking gekomen met het existentialisme en maakte ik kennis met het werk van Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Albert Camus. Ik vond hun gedachtegoed over de betekenis van het bestaan heel interessant en heb sindsdien veel boeken van en over hen gelezen. Deze nieuwe biografie, geschreven door de Britse Kate Kirkpatrick, trok mijn aandacht voor de welwillende recensies in de pers. Er valt veel over Simone de Beauvoir en deze biografie te vertellen, maar ik wil me hier beperken tot het hoofdstuk Amerikaanse dilemma’s dat ik na de tragische dood van George Floyd lees, terwijl het Black Lives Matter-protest wereldwijde vormen begint aan te nemen.

In 1947 bezoekt Simone de Beauvoir voor het eerst de Verenigde Staten om een aantal lezingen te verzorgen. Ze begint in die tijd naam te maken in Frankrijk als filosofe en schrijfster. En nu wilde men ook aan de andere kant van de Atlantische Oceaan deze rijzende ster van het existentialisme graag ontmoeten. Het verblijf in de VS dat in totaal vier maanden duurt is een aaneenschakeling van indrukwekkende ervaringen.[1] Het land dat ze kent van boeken en films is in veel opzichten zo anders dan Europa. Met haar blik en haar pen registreert zij zaken die haar opvallen en aan het denken zetten. Een onderwerp dat haar bijzonder treft is de segregatie van witte en zwarte mensen. Het is vooral het echtpaar Wright (een interraciaal stel; erg ongebruikelijk in die tijd) dat haar de ogen opent voor deze problematiek. Simone de Beauvoir komt in New York met hen in contact; het begin van een levenslange vriendschap. Ellen en Richard Wright wijzen haar op het boek An American Dilemma: the Negro Problem and Modern Democracy van de Zweedse socioloog Gunnar Myrdal.

Myrdal die net als de Beauvoir met de blik van een buitenstaander naar de VS keek, beschreef het zogenaamde ‘cumulatieve principe’ van de rassenscheiding: witte mensen hebben eeuwenlang en structureel mensen met een andere huidskleur of afkomst onderdrukt. Vervolgens wijzen zij op de slechtere prestaties van die andere mensen om hun eigen superioriteit aan te tonen. Alleen door het creëren van bewustwording kan dit principe doorbroken worden.

De Beauvoir is onder de indruk van Myrdal’s analyse en legt een verband met een belangrijk thema in haar eigen werk: de positie van de vrouw. In die tijd hebben vrouwen in Frankrijk nog maar net kiesrecht gekregen. Ook in het onderwijs en op de arbeidsmarkt komt er mondjesmaat meer ruimte voor vrouwen. Die ruimte moet bevochten worden en de voorlopers krijgen te maken met vooroordelen, denigrerende opmerkingen en tegenwerking.

Simone de Beauvoir met Richard en Ellen Wright

De openlijke rassenscheiding in de VS en het werk van mensen als de Wrights en Myrdal sterkt de Beauvoir in het idee dat ook vrouwen eeuwenlang in een bepaalde rol en positie worden gehouden: afhankelijk van en inferieur aan mannen. Dat beeld van de vrouw is geschapen door mannen, volgens de Beauvoir. Als vrouwen zich ontwikkelen, carrière maken en zelfstandig zijn, krijgen ze al gauw te horen dat ze daardoor minder vrouwelijk zijn, terwijl bij mannen succes en mannelijkheid juist hand in hand gaan.  Volgens de biografe wilde de Beauvoir ‘voor vrouwen doen wat Myrdal had gedaan voor Afro-Amerikanen… en laten zien hoe racisme en seksisme geworteld zijn in de toevallige omstandigheden van de cultuur‘ (p.259).

Dat doet de Beauvoir door in 1949, twee jaar na haar grote Amerikaanse roadtrip, haar beroemde boek De Tweede Sekse te publiceren. Dit boek wordt de ‘bijbel’ voor de naoorlogse feministische beweging.

Dit alles speelt in de tweede helft van de jaren ‘40. Grote ideeën worden in die tijd nog gedeeld in boeken en via tijdschriften. Met vaak een beperkt bereik. De burgerrechtenbeweging in Amerika moet nog op gang komen. Rosa Parks en Martin Luther King zijn nog onbekende namen. Pas in de jaren ’60 krijgt deze beweging momentum. De beroemde ‘I have a dream’ speech wordt dankzij de komst van de televisie een wereldberoemd statement.

Ook de vrouwenbeweging bestaat in de jaren ’40 nog niet. In Nederland zijn Anja Meulenbelt en Joke Smit zijn nog onbekende namen. Dolle Mina moet nog uitgevonden worden. Ook hier zal het nog enkele decennia duren voordat een breder publiek via de krant en de televisie kennismaakt met gevleugelde teksten als ‘baas in eigen buik’ en ‘er is een land waar vrouwen willen wonen’.[2]

En nu is het 2020. Ruim zeventig jaar na Myrdal, Wright en La Deuxième Sexe. En ruim 50 jaar na Martin Luther King en Joke Smit. Nog steeds worden wereldwijd vrouwen en mensen met een bepaalde huidskleur of etnische achtergrond als tweederangs burgers gezien, gediscrimineerd, aangevallen. Het zijn patronen die niet beperkt blijven tot bepaalde landen of groepen. Seksisme en racisme komen overal voor. En beide vormen van ongelijkheid en onderdrukking blijken diepgeworteld en moeilijk uit te roeien. Dat is soms om moedeloos van te worden. Maar aan de andere kant leven we nu in een tijdperk waarin ieder individu kan filmen, appen en delen. Wat er nu in achterkamertjes en op straat gebeurt kan door iedereen vastgelegd en verspreid worden. Zonder social media zouden #MeToo en BlackLivesMatter niet zo’n grote vlucht hebben genomen.

Dit alles brengt ons weer een stap verder bij het blootleggen en ontmantelen van patronen en praktijken van discriminatie en onderdrukking. Patronen die Simone de Beauvoir en anderen ons lang geleden hebben helpen herkennen.

 

 

[1] Het is tijdens deze reis dat ze Nelson Algren leert kennen, de Amerikaanse auteur met wie ze een gecompliceerde, langdurende lange-afstandsrelatie begint. Op zich biedt hun verhouding ook meer dan genoeg stof om een blog over te schrijven. Misschien doe ik dat later nog eens. Een interessant weetje is dat Algren’s boek A walk on the wild side de inspiratie vormde voor de beroemde song van Lou Reed.

[2]  Voor de volledige tekst met een toelichting, zie : https://www.dbnl.org/tekst/kool007eris01_01/kool007eris01_01_0031.php

Groeten uit Zeist #2. Hendrik Marsman: “Het nest is goed, maar het heelal is ruimer”

Ik woon sinds een half jaar in Zeist en heb me voorgenomen af en toe een blog over mijn nieuwe woonplaats te schrijven. Mijn eerste Zeist-verhaal handelde over Karin Bloemen.[1] Nu is het de beurt aan Hendrik Marsman, de bekende Zeister dichter. Ik kende meerdere gedichten van hem , maar zijn levensloop was mij vrijwel onbekend. Tot ik me voor dit blog in zijn leven en werk ging verdiepen. En ik bij mijn broer op bezoek ging.

 

Een half jaar geleden kreeg ik van mijn oudste broer een rijmprent die ooit van onze vader is geweest. Mijn broer hield grote schoonmaak met het oog op de verkoop van zijn huis en hij wilde van een aantal spullen af. Deze prent moest natuurlijk in de familie blijven en gezien mijn belangstelling voor poëzie kreeg ik hem aangeboden. Het is een prent met het beroemde gedicht Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman. Marsman is een geboren Zeistenaar en dat maakte me extra enthousiast. Ik stond namelijk op het punt om te gaan verhuizen naar Zeist. Ik pakte de rijmprent goed in en enkele maanden geleden kwam hij weer tevoorschijn bij het uitpakken van de laatste verhuisdozen. Mijn vrouw en ik gaven de prent een mooi plekje in ons nieuwe huis. Marsman was terug in Zeist.

Marsman, leven en werk

Hendrik Marsman wordt in 1899 in Zeist geboren. Zijn vader heeft een boek- en kunsthandel in de 2e Dorpsstraat, zijn moeder is onderwijzeres. Marsman (roepnaam: Hennie) bezoekt de lagere school van de Evangelische Broedergemeente (de Hernhutter gemeenschap) vlakbij Slot Zeist. Een andere leerling van die school is Arthur Lehning, met wie Marsman later goed bevriend zal raken.

In Zeist is een straat naar Marsman vernoemd

Marsman is niet onverdeeld positief over zijn geboorteplaats. De opgroeiende Hennie krijgt het al gauw benauwd in het burgerlijke, bezadigde Zeist:

 “Mijn dorp, ik ben u dorre tucht

en d’ onoprechtheid van uw vale straten

 in wrok, in langverzuurden wrok ontvlucht…”.

 

Zo hoort dat ook bij een jonge kunstenaar. Die wil groots en meeslepend leven, zoals Marsman het zelf beschrijft in de eerste regels van zijn beroemde gedicht ‘De grijsaard en de jongeling’. Scheppen is voor de jonge Marsman van levensbelang. Hij trekt de aandacht met zijn vitalistische gedichten en wordt al snel gezien als de aanvoerder van een nieuwe generatie dichters.

Als er één woord is dat het leven en werken van Hendrik Marsman typeert is het wat mij betreft het woord ‘worsteling’. Marsman zoekt met vallen en opstaan zijn plaats en weg in de wereld. En die wereld is compleet op z’n kop gezet. Europa ligt in puin na de verwoestende Eerste Wereldoorlog. Marsman vreest de ondergang van de Europese beschaving en zoekt naar een uitweg voor zijn eigen scheppingsdrang. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de twee polen van culturele ondergang en creatieve dadendrang. Net als veel intellectuele tijdgenoten hoopt hij houvast te vinden bij een groot verhaal, een ‘bezield’ verband.

“ik sta alleen, geen God of maatschappij

Die mijn bestaan betrekt in een bezield verband”

Marsman is wat dat betreft echt een kind van het interbellum. Alles gonst en gist. Communisten, fascisten, anarchisten en kosmopolieten roeren zich. In zijn jonge jaren is Marsman gecharmeerd van het fascisme en later zal hij interesse tonen voor het rooms-katholicisme. (Als je over die jaren leest denk je dat Thierry Baudet zich uitstekend thuis zou hebben gevoeld in die tijd).

In zijn werk als dichter, redacteur en vertaler klinken de worsteling en de zoektocht van Marsman door. Dat levert paradoxale beelden op. Hij wil het leven ten volle vieren, maar weet zich ook belast en geremd door christelijke noties als zonde en schuld en door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Hij wil in internationale artistieke kringen verkeren, maar kiest ook voor een degelijke baan als advocaat en voor een huwelijk met Rien Barendregt waarin hij zich flink laat bemoederen. Hij kent periodes van genialiteit en scheppingsdrift, maar ook van vertwijfeling en faalangst.

Halverwege de jaren ’30 lijkt Marsman meer rust en balans te vinden. In 1936 nemen Marsman en zijn vrouw het besluit om Nederland te verlaten. Zij hebben in de jaren daarvoor al een paar reizen door Zuid-Europa en Noord-Afrika gemaakt. Marsman wordt positief getroffen door de vele overblijfselen van de klassieke (Griekse) cultuur, het alomtegenwoordige christendom en het mediterrane leven. Hij voelt zich bevrijd.

“hij rees op en dacht aan de zee

Zijn gang had de veerkracht hervonden

Die hem voortdreef naar zuidlijker stranden”

 

Ongetwijfeld zal ook zijn gezondheid een rol hebben gespeeld. Hij kampt van jongst af aan met longkwalen; het zuidelijke klimaat zal hem goed hebben gedaan. Juist door zijn lange verblijven in het buitenland ontstaat er bij Marsman een hernieuwde waardering voor het typische Nederlandse landschap. Nu hij steeds meer afstand neemt van Nederland, is er kennelijk ruimte om ook zijn liefde voor z’n geboorteland onder woorden te brengen. Tijdens een verblijf in Frankrijk schrijft hij het gedicht dat in 2000 werd gekozen tot gedicht van de eeuw: Herinnering aan Holland.

“Denkend aan Holland

zie ik breede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hooge pluimen

aan den einder staan…..”

 

 

Na een serie buitenlandse reizen volgt in 1936 het definitieve vertrek uit Nederland. Het echtpaar Marsman gaat op diverse locaties in Zwitserland en Frankrijk wonen. Het is een bewuste keuze die samenvalt met het besluit om zijn Verzameld Werk te gaan samenstellen. Misschien wat merkwaardig voor iemand die nog geen 40 jaar is, maar Marsman wil de balans opmaken en ruimte creëren om nieuwe wegen in te slaan: ‘…dat ik een eerste tijdperk achter mij heb, dat gevoel bezielt me met volledige zekerheid…’.

In 1939, als de oorlogsdreiging vanuit Duitsland overal voelbaar is, is Marsman druk aan de slag met een nieuwe bundel die de titel Tempel en Kruis zal krijgen. Hij zit in een creatieve flow. Hij verwoordt met deze nieuwe teksten zijn visie op de manier waarop de westerse beschaving zou moeten overleven. Hij zoekt naar een combinatie van christelijke waarden en hellenistische cultuur. Als aanhanger van Nietzsche wil Marsman afrekenen met het schuld- en zondebesef van het christendom en daarvoor in de plaats ruimte bieden aan de positieve, instinctieve levenskracht van de Griekse oudheid.

“…en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.”

Kort na publicatie vallen de nazi’s hun buurlanden binnen. Het echtpaar Marsman slaat op de vlucht en weet in Bordeaux een plek op een schip te bemachtigen dat hen naar Engeland zal brengen. Het schip gaat in de nacht door een explosie ten onder. Jarenlang dacht men dat de ramp werd veroorzaakt door een Duitse torpedo, maar uit later onderzoek bleek daarvoor geen bewijs te vinden. Marsman komt bij deze scheepsramp om. Hij is de derde grote Nederlandse schrijver die in de meidagen van 1940 overlijdt. Zijn goede vrienden Menno ter Braak (zelfmoord) en Eddy du Perron (hartaanval) gaan hem een paar weken voor. Rien Barendregt en de kapitein zijn de enigen die de ramp overleven. Rien zal later een naaste medewerkster worden van Koningin Wilhelmina in Londen.

 

Terug naar Zeist

Nieuwsgierig geworden naar zijn geboortehuis heb ik onlangs de 2e Dorpsstraat bezocht. Marsman werd geboren op nummer 48 en verhuisde als 6-jarige naar nummer 34. Op dat adres tref ik naast de voordeur een bescheiden, slecht leesbare plaquette aan.

De tekst wordt half aan het gezicht onttrokken door een witte brievenbus die erboven is opgehangen. Misschien wel tekenend voor de haat-liefde verhouding die Marsman met Zeist heeft gehad. Je zou toch verwachten dat de gemeente Zeist deze ‘grote zoon’ wat meer eer zou aandoen.

Bij mij thuis komt Marsman er minder bekaaid van af. Hij krijgt een mooi plekje in de gang. Als ik met hamer en spijker aan de slag ga, valt het me op dat er nog iets op de achterkant staat.

Dat was me niet eerder opgevallen. Er staat een gedrukte tekst onderaan met de handtekening van mijn vader erboven. De tekst geeft aan dat de is prent gedrukt in 1944 bij een drukkerij die clandestiene uitgaven verzorgde. Op internet vind ik een bron die deze publicatie beschrijft.[2] Het was dus eigenlijk een verzetsprent. Een prent om de mensen tijdens de oorlog een hart onder de riem te steken. Het a-typische heimwee-gedicht van Marsman die niet langer in Nederland wilde leven, is dus postuum in de oorlog gebruikt als een tekst om de vaderlandse moed erin te houden. En mijn vader, die in 1944 ondergedoken zat, had kennelijk een van de 100 gedrukte exemplaren weten te bemachtigen. Hij zal het gedicht ongetwijfeld uit zijn hoofd hebben geleerd in dat laatste oorlogsjaar. En nu, 76 jaar later, hangt de prent bij mij in Zeist. Een wonderbaarlijk gegeven dat goed past bij het wonderbaarlijke leven van Hendrik Marsman. En ook bij het leven van mijn vader. Wat mij betreft is de cirkel in dubbel opzicht rond. Dat geeft een enorm goed gevoel.

 

 

Ik heb voor het schrijven van dit blog dankbaar gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Barnard, Benno (2006). Dichters van het avondland. Amsterdam/Antwerpen: Atlas.

Goedegebuure, Jaap (1999). Zee, Berg, rivier. Het leven van H. Marsman. Amsterdam: Arbeiderspers.

Goedegebuure, Jaap. (2019). Groots en meeslepend. Een keuze uit de gedichten. Nijmegen: Vanthilt.

Lam, Anton B. (1966). De laatste actie is aan de gang. Thema’s in de poëzie van H. Marsman. Ad Fontes, jaargang 13, nr. 7, pp. 147-163. Assen: Born.

 

 

Een greep uit zijn gedichten

 

Phoenix

Vlam in mij, laai weer op;

hart in mij, heb geduld,

verdubbel het vertrouwen –

vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen

de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;

en laat den moed en uwe vaart niet zakken

het nest is goed, maar het heelal is ruimer

 

 

 

Heimwee

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichten doortocht verloren,
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar den Dood –
en die een krijgsman had willen zijn
in de hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
– duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen. –

 

 

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland

zie ik breede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hooge pluimen

aan den einder staan;

en in de geweldige

ruimte verzonken

de boerderijen

verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,

geknotte torens,

kerken en olmen

in een grootsch verband.

De lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

wordt de stem van het water

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.

 

 

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

 

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

 

een held’re, verruk-lijk-meeslepende wijs:

 

‘Het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

 

 

XLVIII

– De hemel is leeg,

de oneindigheid bloedt.

in het nachtlijk gewelf

niets dan sintels en roet;

 

en de transen gescheurd

van den brandenden schreeuw

en de sneeuw weer besmeurd

met het bloed dezer eeuw.

 

– alle duister en gloed

van ’t beroofd firmament

wordt een brandend ferment

in het menschelijk bloed.

 

zie, de aarde is rood

van den tragischen wijn;

’t paradijs een woestijn,

maar het schepsel wordt groot.

 

 

 

L

 

De zon hing laag.
tussen de witte muren
verbloedde goud en zwart
het avondrood.
hij, van zijn hoog terras,
volgde de lange strepen,
het vluchtig zog
van nooit geziene
nooit gedroomde schepen
door het gemarmerd
zilver van de zee.

de huiveringen
van ’t geschubd metaal,
door ’t stijgend maanlicht
rimpelend beschenen,
waren die nacht op zee
het enig teken,
dat twintig eeuwen
ademloos verstreken
en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.

[1] Zie: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2052

[2] Zie https://www.dbnl.org/tekst/lewi001clan01_01/lewi001clan01_01_0023.php

Ik-dingen

 

Kan een ding een ik zijn? Ik stel deze vraag omdat ik de laatste tijd regelmatig tegen dingen aanloop die zich presenteren in de ik-vorm. Een paar voorbeelden van wat ik Ik-dingen noem:

“ik word beschermd”

 

“ik rijd elektrisch”

 

Al deze mededelingen zijn op zich heel duidelijk, maar ze maken door de ik-vorm toch een merkwaardige indruk. Vandaar de vraag: kan een ding een ik zijn?

Natuurlijk niet, zeggen taalkundigen. Ik is een persoonlijk voornaamwoord. Het verwijst naar de eerste persoon enkelvoud die onderwerp van de zin is. Het gaat om een persoon die iets over zichzelf meldt, bijvoorbeeld ‘ik loop’, of  ‘ik ben boos’. Een ding is geen eerste persoon enkelvoud, maar is een ‘het’ en valt net als de woorden hij en zij onder de categorie derde persoon enkelvoud. Een ding heeft niet het vermogen om als een bewust wezen iets over zichzelf te vertellen.

Ook het cultureel woordenboek laat geen twijfel over mijn vraag bestaan. Bij het lemma ‘ik’ wordt gemeld dat het gaat om een ‘uitdrukking waarmee de denkende mens de eenheid van lichaam, denken en doelen aanduidt. Door de voorstelling van het ik onderscheidt de mens zich van alle andere levende wezens’. En nog meer van niet-levende zaken, zoals dingen, zou ik daar aan willen toevoegen.

Dieren, bomen, auto’s, huizen en fluitketels kunnen alleen in sprookjes, kinderboeken en tekenfilms praten. Maar in het echte leven gebeurt dat natuurlijk niet. Daarom doen al die ikkerige postbode-karretjes en supermarktproducten zo potsierlijk aan.

Vraag beantwoord, discussie gesloten, zou je zeggen. Maar toch denk ik dat we dergelijke Ik-dingen steeds vaker gaan tegenkomen. En in veel intelligentere varianten. De strakke scheiding tussen mensen en dingen, tussen ikken en hetten zal in de toekomst niet meer houdbaar zijn. Door de komst van Kunstmatige Intelligentie, chatbots, cyborgs e.d. zal bewust handelen, zelfstandig beslissingen nemen en gericht communiceren niet langer het exclusieve domein van mensen zijn. Ik ontvang mails van Dennis van Kwikfit en van Willy van Weekendjeweg. Als ik op internet vragen heb over een dienst of een bestelling meldt Billie van Bol.com of Roel van de Postcodeloterij zich met de vraag: ‘kan ik iets voor je doen?’.

Billie doet inmiddels 45% van het klantcontact van Bol.com: https://www.emerce.nl/nieuws/billie-van-bol-com-doet-45-klantcontact

Aanvankelijk dacht ik nog dat het om echte Willy’s en Billie’s ging, maar dat was natuurlijk niet zo. Menselijke taken en vormen van dienstverlening worden overgenomen door voorgeprogrammeerde technologieën die zich niet als een ding/een ‘het’ presenteren, maar als een menselijk wezen/een ‘ik’. En die ontwikkeling zal uiteraard steeds verder gaan: pratende auto’s, communicerende koelkasten, multifunctionele zorgrobots, virtuele assistenten. Dat is nog eens andere koek dan een pot pindakaas met een ‘ik ben biologisch’ sticker.

Kortom, wij mensen gaan steeds verder in het creëren van dingen die menselijke functies hebben en zich presenteren als menselijke wezens. Wat vroeger science fiction was, lijkt langzamerhand realiteit te worden. De vraag is of dat ook zal leiden tot het bekende scenario dat je in veel SF boeken en films tegenkomt, namelijk dat de robots uiteindelijk de macht overnemen. Dat de mens iets heeft gemaakt wat hij uiteindelijk niet meer kan beheersen, maar waardoor hij beheerst gaat worden.

Het doet me denken aan de bekende film I Robot. De film is gebaseerd op een serie verhalen van Isaac Asimov uit de jaren ’40. De titel spreekt boekdelen: het ding is een ik.

In de film die speelt in 2035 geeft een hyperintelligente computer de opdracht aan robots om in te grijpen in het leven van de mensheid, omdat de wereld ten onder dreigt te gaan door criminaliteit en milieuverontreiniging.  Door alle hedendaagse verhalen over klimaatverandering lijkt de film actueler dan ooit. Als je het zo bekijkt zouden we zelfs blij moeten zijn dat er intelligentere wezens zijn dan mensen. Een robot als ‘mijn beter ik’. Maar dat is misschien iets te optimistisch gedacht. En zo optimistisch ben ik eerlijk gezegd ook weer niet. Ik zie robots niet als monsters, maar ook niet als reddende engelen. Het is handig dat machines en robots bepaalde werkzaamheden van ons overnemen. Maar ik wil me wel blijven realiseren dat het dingen zijn, ook al is dat onderscheid in sommige situaties steeds moeilijker te maken. Ik heb liever contact met echte mensen dan met dingen, hoe slim ze ook zijn. Er is namelijk geen rijkere vorm van interactie dan menselijk contact.

 

Geraadpleegde bronnen:

https://onzetaal.nl/taaladvies/persoonlijk-voornaamwoord/

https://www.cultureelwoordenboek.nl/filosofie/ik

https://nl.wikipedia.org/wiki/I,_Robot_(film)

 

P.S. In het werk van de kunstenaar Jan van Munster neemt het woord Ik een belangrijke plaats in (https://janvanmunster.nl/ ).

Kunstwerk van Jan van Munster op kantoorgebouw bij Utrecht Centraal.

Ik-bank van Jan van Munster in Apeldoorn

Groeten uit Zeist #1: Zeg het (niet) met Bloemen

Als kersverse inwoner van Zeist doe ik veel nieuwe indrukken op. Ik maak kennis met de lokale middenstand, ik tracht letterlijk wegwijs te worden en het stratenplan me eigen te maken, ik probeer horeca-gelegenheden uit, ik verken looproutes in de bossen, ik verdiep me in de geschiedenis van Zeist met z’n mooie slot, de bijzondere geloofsgemeenschap van de hernhutters en de overal aanwezige antroposofen, en ik speur naar sporen van bekende Zeistenaren van weleer zoals Hendrik Marsman, Arthur Lehning en Willem Pijper. Genoeg reden om op deze blog-site af en toe over mijn nieuwe woonplaats te gaan schrijven. Ik heb daarvoor de titel ‘Groeten uit Zeist’ bedacht. Misschien niet bijster origineel en opvallend, maar bij elk verhaal zal ik er een specifieke sub-titel aan toevoegen die de lading wat treffender zal dekken.

Mijn eerste Zeist-blog gaat over Karin Bloemen. Nu denk ik dat veel lezers zich zullen afvragen: wat heeft Karin Bloemen met Zeist te maken? Die gedachte had ik precies zo toen ik een paar maanden geleden in de lokale Nieuwsbode las dat Karin Bloemen het boegbeeld is van een campagne om het centrum van Zeist te promoten. De slogan van deze campagne is: Zie je in Zeist.

Ik wist niet dat Karin Bloemen Zeister roots heeft. Ik ken haar als een op-en-top Noord-Hollandse. Na kort google-onderzoek bleek dat zij inderdaad geen directe binding heeft met Zeist. Ze is in Alkmaar geboren en woont momenteel in Broek in Waterland. Volgens een lokale website komt Karin Bloemen weleens in Zeist en vindt ze het een aantrekkelijke plaats. Geen overtuigende redenering wat mij betreft. Het klinkt alsof ras-Rotterdammer Gerard Cox reclame gaat maken voor Sneek, omdat hij daar vorig jaar een keer gezellig een broodje heeft gegeten.

Het is op zich niet ongebruikelijk om een bekend iemand in te zetten bij een reclame-campagne. Het merk lift dan mee op de populariteit van de BN-er. Voeg daar een scheutje humor aan toe en je hebt al snel een succesformule. De bekende Amerikaanse psycholoog Cialdini zou zeggen dat het hier gaat om de invloedsfactor ‘liking’ (sympathie). Een legendarisch voorbeeld is de vroegere samenwerking tussen Hak en de onlangs overleden Martine Bijl. Zij was jarenlang het gezicht van Hak (‘uw moet de groente van Hak hebben’). Haar charmante uitstraling en spitsvondige teksten maakten de Hak-commercials enorm populair. Ondanks het feit dat zij zelf nauwelijks een band met Hak en groenten in glas had. Niemand zal in die jaren gedacht hebben dat Martine Bijl thuis elke avond een potje Hak leeg zat te lepelen. De enige link die ik zie is dat haar achternaam een leuke associatie met het woord Hak oplevert.

Zo bekeken hoeft het dus geen probleem te zijn dat Karin Bloemen reclame maakt voor Zeist ondanks het ontbreken van een duidelijke link. Ook Karin Bloemen staat bekend om haar positieve uitstraling en haar gevoel voor humor. En ook haar fleurige achternaam werkt mee. Maar toch ligt het hier anders. Zeist is geen potje doperwten en ook geen multifocaaaale bril. Als Zeist een levensmiddel, een fast moving consumer good was, zou dat de inzet van een vrolijke BN-er kunnen rechtvaardigen. Maar Zeist is van een andere orde. Zeist is een gemeente waar mensen wonen, werken, recreëren, winkelen en uitgaan. De verenigde ondernemers willen laten weten dat Zeist een aantrekkelijk centrum heeft met een keur aan winkels en horeca-gelegenheden. Voor wie zou die boodschap bestemd zijn? Niet voor alle Nederlanders. Ik denk vooral voor de Zeistenaren zelf en voor mensen in de omliggende gemeenten. Dat is de natuurlijke doelgroep van de ondernemersclub. Deze mensen wonen in of bij Zeist en zullen met wisselende frequentie in het centrum komen. Dat moeten ze vooral blijven doen en liever nog vaker dan tot nu toe. Zij hebben geen boodschap aan Karin Bloemen en aan haar slogan Zie je in Zeist. Ze komen er vaker dan La Bloemen zelf.

Dit bord werd onlangs in mijn straat opgehangen.

Het kernprobleem is dat veel steden kampen met toenemende leegstand in het centrum. Een belangrijke factor hierbij is het online winkelen. Zeist moet er voor gaan zorgen dat mensen in Zeist en omgeving niet hun heil gaan zoeken in het nabijgelegen Utrecht of Amersfoort en ook niet in laagdrempelige webshops. Men moet gaan winkelhieren (dit woord werd een paar weken geleden in Vlaanderen verkozen tot woord van het jaar 2019). Uit eigen ervaring weet ik dat het aanbod in Zeist gevarieerd en aantrekkelijk is. Er is voldoende reden om hier te shoppen en uit te gaan. Dat verhaal mag vol trots en zelfvertrouwen worden uitgedragen. Niet via de sympathie-troefkaart van een willekeurige BN-er, maar met de inzet van twee andere invloedsfactoren van Cialdini: authority en social proof.

De autoriteitsfactor betekent dat je mensen inzet die op basis van expertise en aanzien recht van spreken hebben. Denk aan een lokaal bekende ondernemer, een Zeister artiest, of een zakelijk deskundige. Je kunt ook denken aan een BN-er die in Zeist geboren is en nog steeds een goede band met Zeist heeft. Ik zag op Wikipedia een overzicht van bekende Nederlanders die hier geboren zijn,  met interessante namen als Marc Overmars, Mirella van Markus, Eva de Goede en Chris Zegers.

Social proof is een andere invloedsfactor die vaak goed werkt, zeker in deze tijd van sociale media waarmee mensen hun ervaringen en meningen eenvoudig en snel kunnen delen. Social proof wil zeggen dat ervaringsdeskundigen hun positieve reacties doorgeven aan anderen. Toen we hier kwamen wonen hebben we van buren en bekenden tal van tips gekregen over leuke winkels, gezellige café’s en goede restaurants. Je hoeft de locals niets te vertellen. Integendeel, zij vertellen het desgevraagd zelf. Maar ze moeten daartoe wel uitgenodigd worden. Je zou dus moeten proberen enthousiaste Zeistenaren in te schakelen om hun ervaringen met belangstellenden te delen.

Als de Zeister ondernemers bij mij zouden aankloppen zou ik zonder aarzelen en geheel belangeloos hieraan meewerken en mijn eerste positieve indrukken delen met wie het maar horen wil. Ook bied ik de promotieclub met plezier gratis en voor niks een hierbij passende slogan aan: ‘Zeist, zeg nou zelf’.

Elastiekjes op straat

 

Ik weet niet meer wanneer het precies begon, maar sinds een paar jaar trekken elastiekjes op straat mijn aandacht. En dan met name de exemplaren die zo in elkaar gedraaid zijn dat je er een bepaald figuurtje in kunt ontdekken. Soms is het figuurtje meteen te herkennen. Je loopt er tegenaan en denkt:

‘Kijk, een hartje’

Of: ‘een piemel’   (zoals je die op de middelbare school in elke jongens-wc op de wand getekend ziet)

Of: ‘een ampersand’ (het ‘en’-teken)

Soms zie ik het niet direct en moet ik er even omheen lopen om te ontdekken of er een speciaal figuurtje in te herkennen is. Ik maak voor de zekerheid van elk elastiekje een of meer foto’s, zodat ik er thuis ook nog even goed vanuit verschillende hoeken naar kan kijken.

Met enige fantasie kan ik er dan vaak toch iets in herkennen:

‘een slakje’

‘een slapende vrouw à la Picasso’

‘Epke Zonderland in kruishang’

‘een zwaantje’

In sommige gekringelde elastiekjes kan ik geen figuur ontdekken, maar dat maakt hen niet minder interessant. Die voeg ik naamloos toe aan mijn verzameling

Ik realiseer me dat mijn speciale interesse voor elastiekjes op straat voor omstanders een raar beeld moet opleveren. Een man van middelbare leeftijd die midden op de stoep gaat stilstaan, gebiologeerd naar een plek op de straat staart en dan in een cirkeltje rondloopt; die vervolgens zijn smartphone pakt, door z’n knieën gaat en op 30 centimeter hoogte een foto maakt. Er zijn mensen in mijn omgeving die zich zorgen maken en zich afvragen of wel goed met me gaat. Dat vraag ik mezelf ook wel eens af, maar ja, als je eenmaal door iets gegrepen bent, is het moeilijk om het los te laten.

Een bijzondere ontdekking deed ik pas onlangs. In een verzamelbundel kwam ik twee gedichten van Cees Buddingh’ over elastiekjes tegen.

geen schaartje

‘hé, dat lijkt wel een schaartje,
wat daar op de grond ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig, grijsgroen schaartje’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen schaartje was,
maar een elastiekje, ineengekringeld
in de vorm van een schaartje

 

geen brilmontuurtje

‘hé, dat lijkt wel een brilmontuurtje,
wat daar op tafel ligt,’ dacht ik,
‘een stoffig brilmontuurtje,
zo eentje als bernlef wel draagt.’

maar toen ik beter keek zag ik
dat het geen brilmontuur was,
maar het grijsgroene elastiekje,
nu ineengekringeld
in de vorm van een brilmontuurtje

Ik kende deze gedichten niet, terwijl ik toch een poëzie-liefhebber ben en zelfs een keer een blog over Buddingh’ heb geschreven (http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=739). Deze aardige gedichtjes hebben me enorm gerustgesteld. Ik ben dus niet gek. Of in ieder geval niet de enige gek. Cees Buddingh’ met zijn oog voor ‘objets trouvés’, was ook gefascineerd door elastiekjes. Ik bevind me in goed gezelschap.

Je bent wat je draagt

Over gele hesjes, Roodkapje en cappuccino

 

Onlangs zijn in Parijs de gele hesjes weer met veel tam-tam de straat op gegaan. Ze waren even uit het nieuws verdwenen, maar hebben na een lange zomerpauze de draad weer opgepakt. Ook demonstranten hebben kennelijk behoefte aan vakantie. Ik vind het grappig dat deze activisten genoemd worden naar de kleding die ze dragen. Dat leidt tot koppen in nieuwsmedia als “gele hesjes stichten brand op de Champs Elysées”, of “geel hesje weigert Rutte een hand te geven”. Alsof hesjes brand kunnen stichten en handen kunnen schudden. En toch begrijpen we precies wat er bedoeld wordt.

Ik ben gaan kijken of er meer varianten op dit thema bestaan: mensen die genoemd worden naar de kleding die ze dragen en dan bij voorkeur met een aanduiding die bestaat uit een kleur en een kledingstuk, net zoals ‘gele hesjes’.

Ik ben tot de volgende reeks gekomen:

Zwarte kousen

Rode baretten

Witte boorden

Rode hoeden (‘Rode hoeden hebben geen zin om achter de geraniums te zitten’)

Blauwhelmen

Bruinhemden

Ook de wielerterm ‘gele trui’ (met de varianten ‘witte trui’ en ‘groene trui’) past wat mij betreft in dit rijtje. Denk aan een zin als: “de gele trui rijdt op 45 seconden van de kopgroep”.

En in zekere zin is Roodkapje ook een voorbeeld van dit soort kleur-kleding vernoemingen. Al is het in het geval van Roodkapje geen soortnaam, maar een eigennaam.

 

Een bijzondere variant op aanduidingen met kleding en kleur komt uit de koffie-wereld. In het Wenen van de 18e en 19e eeuw kende men variëteiten van koffie met verschillende hoeveelheden melk: van een klein scheutje melk tot een hele plens. De uiteindelijke kleur van de koffie (van donker- tot lichtbruin) koppelde men aan de kleuren van de habijten van bekende monnikenordes. Zo ging men koffie met flink veel melk aanduiden met de term Franziskaner; een term die correspondeerde met het lichtbruine habijt van de Franciscaner monniken.

Koffie met wat minder melk werd Kapuziner genoemd, een verwijzing naar de kapucijner monniken en hun donkerbruin gewaad. Behalve de warm-bruine kleur kende het habijt van de Kapucijners ook een monnikskap, die in het Italiaans een cappa of cappuccio heet, met als verkleinwoord: cappuccino. In sprookjestermen zouden we zeggen: Bruinkapje. Het cappuccino-verhaal laat zien dat een heilig boontje uiteindelijk een koffie-boontje is geworden.

 

Wie weet dat de naam ‘geel hesje’ in de toekomst nog verder evolueert en net als cappuccino ook de aanduiding wordt van een drankje. Ik stel me daarbij een cocktail voor van Cointreau, granaatappel, jus d’orange en peper. Pittig en explosief.

Stel je voor dat je straks een bar binnenloopt en zegt: “Ober, mag ik een geel hesje? En doe er ook maar een portie vlammetjes bij!”

Het Lada-effect

 

Mijn eerste auto was een Lada. Een appeltjes-groen exemplaar dat er uitzag zoals kinderen een auto tekenen: een rechthoekig koekblik op wielen. Ik was een jonge vader en had een part-time baantje in het onderwijs. Ik kon me niets anders veroorloven dan deze vierdehands bak van Russische makelij. De vele roestplekken en het gebrek aan comfort nam ik voor lief. Hij bracht mij en ons kleine gezin van A naar B en daar ging het om. De auto had één groot pluspunt. Hij startte moeiteloos bij 10 graden onder nul. Het was de Elfstedenwinter van ’84-’85 en ik was de enige in de straat die elke ochtend zonder problemen zijn auto aan de praat kreeg.

Ik had voor de aanschaf van deze wagen vagelijk van het merk Lada gehoord, maar toen ik er eenmaal zelf eentje bezat, zag ik overal Lada’s op de weg. Dit verschijnsel noemden mijn vrouw en ik het Lada-effect: iets is er al, maar jij bent er nog nooit echt, bewust mee in aanraking geweest. Zodra je ermee te maken krijgt, zie je er opeens overal voorbeelden van.

Van onbewust/nauwelijks waargenomen naar bewust/gericht waargenomen via een onverwachte confrontatie. In de psychologie zal er vast een wetenschappelijke term voor bestaan, maar voor mij voldoet de term Lada-effect. Door dit verschijnsel zo te typeren ben ik me er sindsdien bewuster van als me dit weer overkomt: “hé, een Lada-effect!”.

Een paar voorbeelden.

Een van onze kinderen zag vlak na de geboorte nogal geel. We hoorden dat zijn bilirubine-gehalte te hoog was. Hij moest zelfs even een tijdje in het ziekenhuis onder een speciale lamp liggen. Ik had nog nooit van bilirubine gehoord, maar vanaf dat moment was het een term die ik te pas en te onpas hoorde als er over pasgeborenen werd gepraat. (Dit gold in die tijd voor mij als jonge vader ook voor termen als bekkeninstabiliteit, striae en spruw).

Mijn dochter kwam op een bepaald moment thuis met Uggs die ze net had gekocht. Ik wist niet van het bestaan van dergelijke schoeisel af. “Ach pap”, zei ze, “die zijn al heel lang in de mode.” Het was mij nooit opgevallen, maar de weken daarna zag ik allemaal jonge meiden met Uggs lopen.

Toen Geert Wilders 10 jaar geleden in de Tweede Kamer het dragen van hoofddoekjes ter discussie stelde en de term ‘kopvoddentaks’ introduceerde, was ik de weken daarna ongewild alert op studentes met een hoofddoek op mijn hogeschool. Ze waren me al die jaren daarvoor niet specifiek opgevallen, maar sinds dat politieke debat trokken zij toch onwillekeurig mijn aandacht. Ik vond dat vervelend, maar het was alsof iemand had geroepen dat ik niet aan een roze olifant mocht denken.

Mijn zoon besloot een paar jaar geleden op Bali te gaan wonen (ik schreef daar eerder enkele blogs over). Sinds hij daar woont heeft mijn brein een soort radar ontwikkeld voor alle berichten over Bali die ik in de media of in verhalen van anderen tegenkom. Ik pik al het nieuws over Bali er direct uit, terwijl ik tot vier jaar geleden totaal geen aandacht voor dat eiland had. Dit Lada-effect strekt zich overigens ook uit tot onze familie- en vriendenkring, want ik krijg de afgelopen jaren uit mijn omgeving regelmatig berichten in de trant van: heb je al gehoord dat er op Bali ….. .

In de tuin van onze nieuwe woning staat een prachtige struik waarvan ik de naam niet wist. Een goede vriendin vertelde me dat het een hibiscus is. Vanaf dat moment zie ik overal hibiscussen staan. Als ik langs tuinen loop let ik er speciaal op en kan ik ze zonder enige moeite herkennen, terwijl ze me daarvoor nooit waren opgevallen.

Ik dacht aanvankelijk dat het Lada-effect minder zou worden bij het ouder worden, omdat ik dan meer levenservaring zou hebben. De praktijk wijst anders uit. Ik blijf vatbaar voor Lada-effecten. Ik ben er zelfs extra attent op: ‘alweer een Lada-effect’. Een soort verdubbeld bewustzijn; het valt me op dat het me opvalt. Je zou dat zelfs een Lada-Lada-effect kunnen noemen.

Ik denk dat ik hier nooit meer vanaf kom. Dat is geen ramp. Het is alleen jammer dat je tegenwoordig haast geen Lada’s meer ziet rijden. Want als ik andere mensen over dit soort ervaringen vertel krijg ik steeds vaker de vraag: wat is een Lada?

Van A naar Z

 

Van A naar Z

Van 020 naar 030

Van veen naar zand

Van rij naar vrij

 

Deze zomer staat geheel in het teken van onze verhuizing. Eind 2018 hebben we een huis gevonden dat alle kenmerken heeft waarvan we al jaren dromen: jaren ’30, vrijstaand, sfeervol, ruime tuin, centraal gelegen en niet ‘in the middle of nowhere’. Dat huis bleek in Zeist te staan. Op steenworp afstand van het huis waar ik tussen mijn 16e en 18e jaar heb gewoond. Puur toeval. Ik moet er op weg naar school honderden keren langs zijn gefietst zonder me te realiseren dat ik er ruim veertig jaar later zou gaan wonen. Heel bijzonder dat een leven dit soort wendingen kan nemen. Jeugdsentiment is echter niet de reden dat ik naar deze plek terugkeer. Het huis had ook in Amersfoort of Driebergen kunnen staan.

Ik heb gemerkt dat Zeist niet bij iedereen duidelijke associaties oproept. Vooral jongere mensen hebben geen idee waar Zeist ligt (“dat klinkt als verweggistan”) en hoeveel mensen daar wonen (“zal wel een klein gat zijn”). Ze zijn verbaasd als ik hen vertel dat Zeist heel centraal ligt en dat er ruim 60.000 mensen wonen.  Andere mensen kennen Zeist van de KNVB en roepen daar het daar mooi en groen is. Dat is allemaal waar. Ik denk dat ik dit blog nog wel eens ga gebruiken om wat aan Zeist-promotie te doen.

Op ons oude adres in Amstelveen hebben we de afgelopen maanden alles wat we daar gedurende 33 jaar hebben binnengesleept uitgezocht, gesorteerd, ingepakt dan wel afgevoerd. De afgelopen week hebben we afscheid genoten van onze buren en van de winkeliers op het pleintje waar we al zoveel jaren onze boodschappen doen. Met enige weemoed, maar zonder te twijfelen over onze overstap naar Zeist.

Op ons nieuwe adres is een aannemer aan de slag die fraai werk levert maar ook gaandeweg op onvoorziene zaken stuit die extra aandacht en tijd vergen. Wij helpen af een toe een amateuristisch handje mee. Daarnaast hebben we het nodige te regelen met de notaris, de bank, de energieleverancier, de verzekeraar, de internetprovider, de verhuizer en de vloerenlegger.

 

De afgelopen tijd is het duidelijk geworden dat de verbouwing uit gaat lopen. De verhuizing vanuit Amstelveen was niet meer tegen te houden en ook de verhuiskaart (met de woorden die bovenaan dit blog staan) was al gedrukt en verstuurd. De verhuizer zal onze spullen enige tijd opslaan totdat alles klaar is. Wij proberen van de nood een deugd te maken door in de tussentijd  ons te vermaken in een vakantiehuisje in Wijk bij Duurstede. Een schilderachtig, rustig stadje. Vlakbij de pont over de Lek staat een gedenksteen met het bekende gedicht van Hendrik Marsman: “Denkend aan Holland zie ik brede rivieren….”.

 

Ik ken het gedicht goed. In een van mijn verhuisdozen zit een fraaie, ingelijste rijmprent van dit gedicht. De prent was van mijn vader die hem in de oorlog van een illegale drukker heeft gekregen. Hij krijgt een ereplaatsje in ons nieuwe huis. Heel passend want Marsman is geboren en getogen in Zeist.

 

De rijmprent blijft nog even met vele andere dozen in de opslag. We zijn onderweg van A naar Z, maar zitten voorlopig in W.

WP, weg of mee?

 

 

Als je gaat verhuizen sta je voor de keuze of je al je bezittingen mee wil nemen naar de nieuwe woning, of dat dit nu juist het moment is om van bepaalde zaken afscheid te nemen. Wij hebben besloten om onze aanstaande verhuizing aan te grijpen om een grote opruimactie te houden. We gaan voor het eerst in 33 jaar verhuizen en dan is het de hoogste tijd om afstand te doen van oud kinderspeelgoed, roestig tuingereedschap, overtollige ovenschalen en gedateerde prullaria. Niet dat we nooit eerder hebben opgeruimd, maar over het algemeen hebben we de afgelopen decennia meer naar binnen gesleept dan naar buiten gewerkt. Daarom zijn we al weken bezig om alles nog een keer door onze handen te laten gaan en te kiezen: ‘mee’ of ‘weg’. Dat is op zich een nuttig ritueel waarbij weemoed, plezier en verbazing elkaar afwisselen. Van bepaalde spullen weet je niet eens meer dat je ze nog had. Dat levert soms een dierbare herontdekking op, maar meestal vraag je je af waarom je dat in hemelsnaam al die tijd hebt bewaard.  Andere zaken zijn leuk om nog eens te bekijken, maar niet om mee te nemen naar het nieuwe huis. Ook zijn er spullen die destijds handig en bruikbaar waren (videobanden, diaprojector, schrijfmachine, handmixer) maar die nu door de moderne technologie volkomen achterhaald zijn. Geen wonder dat we tegenwoordig regelmatig naar de kringloopwinkel en het afvalstation gaan, of advertenties plaatsen op Marktplaats.

Er zijn natuurlijk ook twijfelgevallen. Zo worstel ik momenteel het meest met de 20-delige Winkler Prins encyclopedie. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er al jarenlang geen blik in heb geworpen en dat de 20 rode banden bovenin de boekenkast op mijn studeerkamer alleen maar stof staan te vangen. Maar het imposante geheel vertegenwoordigt iets wat mij na aan het hart ligt. Ik ben namelijk zo lang als ik me kan herinneren verslingerd aan naslagwerken, woordenboeken, atlassen, jaarboeken en dus ook aan encyclopedieën.

Standbeeld van Denis Diderot in Langres. Hij geldt als de initiatiefnemer van de 18e eeuwse ‘Encyclopédie’, een door meerdere auteurs samengestelde reeks boeken waarin men probeerde alle destijds beschikbare kennis van wetenschappen en kunsten vast te leggen. (eigen foto)

 

In de 6e klas van de lagere school (voor de jongere lezers: dat is groep 8 van de basisschool) mocht ik van de meester iets voor mezelf doen als ik klaar was met een opdracht. Ik liep dan altijd naar een grote kast aan de zijkant van het lokaal waarin een encyclopedie stond. Ik pakte er willekeurig een band uit en begon lekker te grasduinen: bladeren, plaatjes kijken, teksten lezen. Daar kon ik eindeloos mee doorgaan. Mijn oudere broer kreeg in die tijd voor zijn verjaardag een 12-delige kinderencyclopedie waaraan ik meer plezier beleefde dan hijzelf. Die interesse is nooit overgegaan.

 

 

Toen ik rond mijn 20e jaar (eind jaren ’70) voor het eerst bij de ouders van mijn toenmalige vriendin (nu vrouw) over de vloer kwam viel mij meteen op dat zij een Winkler Prins in de kast hadden staan. Mijn schoonvader vertelde dat er op een dag een colporteur aan de deur was geweest die hem had weten te overtuigen dat een encyclopedie in geen gezin mocht ontbreken. Zeker niet als er schoolgaande kinderen waren. Mijn schoonvader wilde zich niet laten kennen en zette zijn handtekening op een formulier dat hem op gezette tijden een nieuw deel beloofde waarvoor hij in termijnen zou gaan betalen. Uiteindelijk kostte deze ‘alomvattende kennisverzameling’ hem enkele duizenden guldens en bleek het een investering waarvan nauwelijks gebruik werd gemaakt. Totdat de toekomstige schoonzoon zijn intrede deed. Net als destijds op school pakte ik met regelmaat een WP-deel uit de kast van mijn schoonouders om met plezier in rond te neuzen. Vanaf die tijd hoopte ik dat die encyclopedie ooit nog eens in mijn bezit zou komen.

Dertien jaar geleden was het moment daar. Mijn schoonmoeder overleed in 2006 en iedereen in de familie gunde mij de encyclopedie. Ik ontruimde een plank in mijn boekenkast en installeerde daar trots mijn trofee. Maar het bleek een Pyrrhus-overwinning. In de tussenliggende jaren had de digitale revolutie zich voltrokken. Computer en internet bleken beter en sneller in staat om mij allerhande informatie te bieden. Ik had in de jaren ’90 voor een paar tientjes een encyclopedie op CD-rom aangeschaft die ook geluiden en bewegende beelden bevatte. Daar kon de oude, papieren kennis-reus niet tegenop. Het resultaat van dit alles is dat ik in de afgelopen dertien jaar hooguit een enkele keer in de Winkler Prins heb gekeken.

Dus, wat moet ik nu? Omdat mijn hoofd ‘weg’ zegt en mijn hart ‘mee’, zoek ik naar een uitweg. Zomaar weggooien vind ik zonde. Zou ik iemand anders er een plezier mee kunnen doen? Ik ben nu al een tijdje aan het leuren, maar ik heb nog steeds niemand weten te strikken. Ik ben kennelijk niet geschikt als colporteur. Ik heb twee basisscholen benaderd, maar daar werd ik aangekeken alsof ik uit het stenen tijdperk kwam. Op Marktplaats aanbieden heeft geen zin als ik kijk naar de grote aantallen encyclopedieën die daar tegen bodemprijzen worden aangeboden. Ook de kringloopwinkel heeft geen interesse.  De uitbater vertelde me vriendelijk dat hij al drie encyclopedieën heeft staan die hij aan de straatstenen niet kwijt raakt. ‘Wat raad je me dan aan?’, vroeg ik hem bijna wanhopig. ‘Gewoon naar het afvalstation brengen en in de oud papier container kieperen’, was zijn kordate antwoord. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen, maar meenemen naar mijn nieuwe huis heeft ook geen zin.

Ik ga over vijf weken verhuizen. De tijd dringt en de vertwijfeling groeit. De encyclopedie heeft helaas geen lemma dat me helpt met mijn dilemma. Ik hoop stiekem dat een van de lezers van dit blog mij verder kan helpen. Ik doe mijn encyclopedie met liefde in de aanbieding. Gratis af te halen. Desgewenst kom ik hem persoonlijk afleveren. Met twee supplementen en de tweedelige Winkler Prins voor de Vrouw erbij!