Categoriearchief: Kunst & cultuur

23 oeroude woorden

Er bestaat een soort oer-Aap-Noot-Mies. Een basis-esperanto avant-la-lettre. Deze woorden vertellen ons letterlijk welke begrippen 10.000 tot 15.000 jaar geleden voor onze voor-voor-voorouders van betekenis waren.

 

Wetenschappers hebben ontdekt dat er binnen zeven verschillende Euraziatische taalgroepen 23 gemeenschappelijke oerwoorden bestaan. Het taalhistorische onderzoek, gepubliceerd in 2013[1], wijst uit dat deze oerwoorden tot 15.000 jaar oud zijn. De ontdekking suggereert dat er ooit een oorspronkelijke oertaal heeft bestaan waaruit de afzonderlijke Europese en Aziatische taalfamilies voortgekomen zijn. Het voert te ver om de onderzoeksmethode van de wetenschappers (onder wie een evolutionair bioloog, taalhistorici en linguïsten) geheel uit de doeken te doen, maar het is een interessant gegeven dat ze zijn uitgegaan van de frequentie van woordgebruik. Hoe vaker woorden worden gebruikt, hoe kleiner de kans dat ze door de eeuwen heen veranderen. Deze 23 standvastige woorden vertegenwoordigen daarmee betekenis-aanduidingen die in een enorm groot deel van de wereld de tand des tijds het best hebben weten te doorstaan. Van India tot Finland en van Siberië tot Portugal.

De Volkskrant omschreef dit in een nieuwsbericht over deze bijzondere ontdekking in 2013 als volgt: dat betekent dat de mensen die vlak na de ijstijd leefden al woordklanken gebruikten die nu nog steeds in omloop zijn.

Ik vind dat een fascinerend idee. Er bestaat dus een soort oer-Aap-Noot-Mies. Een basis-esperanto avant-la-lettre. Deze woorden vertellen ons letterlijk welke begrippen 10.000 tot 15.000 jaar geleden voor onze voor-voor-voorouders van betekenis waren. Ze vertellen ons iets over de wereld waarin zij leefden. Het wetenschappelijke artikel presenteert de lijst met 23 woorden in volgorde van frequentie en betekenisverwantschap binnen de zeven taalfamilies. Hoe groter het aantal taalfamilies waarin een betekenis-verwante term voorkomt, des te hoger het betreffende woord op de lijst. Dit is de lijst met de 23 aangeduide betekenissen in het Engels:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het Nederlands:

Gij, Ik, Niet, Dat, Wij, Geven, Wie, Dit, Wat, Man, Jij, Oud, Moeder, Horen, Hand, Vuur, Trekken, Zwart, Stromen, Bast, As, Spugen en Worm.

Wat leert deze lijst ons? In de eerste plaats zien we een variëteit aan taalkundige woordsoorten. De lijst bevat een mix van (voor-)naamwoorden, werkwoorden en bijwoorden.

Persoonlijk: ik, jij, wij, gij

Zelfstandig: as, man, moeder, hand, vuur, bast, worm

Bijvoeglijk: oud, zwart

Werkwoorden: geven, horen, trekken, stromen, spugen

Aanwijzende en vragen voornaamwoorden: dit, dat, wie, wat

Bijwoord: niet.

Van Hester Knibbe verscheen dit jaar de mooie dichtbundel As, Vuur. Ze heeft zich door deze ontdekking laten inspireren en heeft voor elk oerwoord een gedicht geschreven. In deze blogtekst staan de gedichten Ik en Stromen.

 

Als we naar de betekenis van de woorden kijken, staan er meerdere bij die voor de hand liggen, zoals ik, jij, en wij; en dit en dat.

 

Hester Knibbe: Ik

 

Ook woorden als man, hand, vuur, geven en horen wekken geen verbazing. Al valt op dat man wel in de lijst staat, maar het woord vrouw niet. De enige term die naar vrouwen verwijst is moeder.  Kennelijk is het moederschap volgens onze voorvaderen de ultieme bestemming van vrouwen. En als er vuur in de lijst staat, verwacht je ook water, maar dat woord ontbreekt merkwaardig genoeg, al is wel het werkwoord stromen opgenomen.

Hester Knibbe: Stromen

 

Ook zou je woorden als oog of zien verwachten naast het woord horen.

De woorden die mij het meest opvallen zijn spugen, bast, worm en gij. Onderzoeksleider Mark Pagel vertelde in een interview in The Guardian dat hij bast wel begreep: ‘Bark was really important to early people; they used it as insulation, to start fires, and they made fibres from it’. Maar het woord spugen kon ook Pagel niet thuisbrengen: ‘I couldn’t say I expected “to spit” to be there. I have no idea why. I have to throw my hands up.’

Dan blijven nog de woorden worm en gij over. Worm is het enige dier in de lijst. Aten de oermensen wormen? Gebruikten ze wormen om te vissen? Ik had hier eerder dier-woorden als koe, hond, geit, vis of vogel verwacht. Ook andere woorden die verwijzen naar levende organismen, zoals boom,  plant of bes ontbreken opmerkelijk genoeg.

Ten slotte het woord gij: het woord dat bovenaan de lijst staat en als enige woord verwante betekenissen heeft in alle zeven onderzochte taalfamilies. Daarmee is gij het opper-oerwoord. Een eerbiedwaardig woord dat we in Nederland alleen nog in archaïsche zin gebruiken als we anderen respectvol willen aanduiden of als we het over God hebben. De top-notering van het woord gij geeft aan dat godsdienst van oudsher in het leven van mensen in alle taalfamilies een belangrijke plaats innam. Ik herken het woord gij vooral vanuit mijn jeugd.  Ik maakte als kind kennis met de tien geboden die in hun oude formulering begonnen met het woord gij (Gij zult niet….). De nummer 1 positie doet me ook denken aan het christelijke scheppingslied dat ik als kind leerde zingen: ‘God heeft het eerste woord’ (geschreven door ds. Jan Wit).

Maar wie gebruikt het woord gij tegenwoordig nog? Gij is misschien het meest gewortelde woord, maar Gij en God hebben tegenwoordig (althans in Nederland) niet meer het eerste woord en ook niet het laatste. Het lijkt erop dat er daarmee een eind is gekomen aan tienduizend jaar taal-traditie. Om met Geert Mak te spreken:  hoe Gij verdween uit de Nederlandse taal.

 

[1] Link naar de wetenschappelijke publicatie: http://www.pnas.org/content/110/21/8471

 

P.S. Reageren op dit blog kan via Twitter, LinkedIn of Facebook. Ik heb de reactiemogelijkheid van mijn blog afgesloten, omdat ik teveel spam ontving.

31 oktober: gaan we Halloween of Hervormingsdag vieren?

 

Op 31 oktober vieren we Halloween en Hervormingsdag. Twee feestdagen met een religieuze inslag. Halloween is tegenwoordig een stuk bekender en populairder dan Hervormingsdag, terwijl Hervormingsdag in wezen veel betekenisvoller is voor onze (Nederlandse) geschiedenis en cultuur dan Halloween.

 

Halloween

Halloween is een van oorsprong Keltisch feest dat later vermengd is geraakt met christelijke rituelen.[1] De Kelten (in Groot-Brittannië en Ierland) vierden rond 1 november het einde van de oogsttijd als een soort jaarwisseling. Er werden vuren ontstoken en maaltijden aangericht. Hierbij konden de zielen van overledenen aanschuiven, maar je moest ook oppassen dat er geen kwade geesten binnen zouden komen. Die moesten worden afgeschrikt.

Toen het christendom zijn intrede deed viel het Keltische eindejaars feest samen met het christelijke Allerheiligen op  1 november. Op die dag en op de vooravond daarvan (dus op 31 oktober) werden alle christelijke heiligen geëerd. Die vooravond heette All Hallows’ Even, wat door de tijden heen verbasterd werd tot Halloween. De dag na Allerheiligen is volgens de christelijke kalender de dag waarop alle overledenen worden herdacht: Allerzielen, op 2 november. Dat zou kunnen verklaren waarom er tijdens Halloween zoveel aandacht voor de dood en voor griezelen bestaat.

Britse en Ierse immigranten namen de Halloween traditie mee naar Amerika waar het heel populair werd. En inmiddels is Halloween dankzij talloze Amerikaanse media-uitingen weer over komen waaien naar Europa en andere delen van de wereld. Bij het vieren van Halloween in Nederland is weinig terug te vinden van Keltische oogstfeesten of van Allerheiligen en Allerheiligen. Het gaat nu  vooral om gezellig eng doen in een decor van uitgeholde pompoenen en vampiers. Maar al met al heeft Halloween eigenlijk niets met onze eigen tradities of geschiedenis te maken.

 

Hervormingsdag

Hervormingsdag laat het omgekeerde beeld zien. Het is veel meer geworteld in onze cultuur, maar het is nauwelijks bekend. Alleen dit jaar krijgt het wat extra aandacht omdat het precies 500 jaar geleden is dat de Reformatie begon. Volgens de overlevering spijkerde de Duitse monnik Maarten Luther op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenburg. Die stellingen vormden een aanklacht tegen het machtsmisbruik van de Rooms-Katholieke kerk.

Luther verzette zich onder andere tegen het aflaat-systeem dat het mogelijk maakte om je zonden af te kopen door een betaling aan de kerk te doen. Luther wilde terug naar de kern van het geloof: de band tussen gelovige en God. De kerk die hierin een bemiddelende rol zou moeten spelen was verworden tot een hiërarchisch machtsinstituut. Luther wilde dit veranderen (hervormen), maar werd uiteindelijk door de paus uit de Rooms-Katholieke kerk verbannen.

Volgelingen van Luther, en van andere hervormers zoals Calvijn, vormden eigen geloofsgemeenschappen die uitgroeiden tot de protestantse kerkgenootschappen die we nu nog kennen: Lutheranen, Nederlands-Hervormden, Gereformeerden en vele andere. In Nederland (en in Europa) zie je nog steeds een tweedeling tussen het overwegend katholieke zuiden en het meer protestantse noorden.

Hoe belangrijk de Hervorming of Reformatie voor Nederland is geweest wordt duidelijk aan de hand van de cruciale periode van de Tachtigjarige Oorlog en het uitroepen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Willem van Oranje omarmde het protestantse geloof en bond de strijd aan met de katholieke Spaanse overheersers. De bevrijdingsoorlog was dus ook een geloofsoorlog. Niet voor niets was de Beeldenstorm van 1566 (het op grote schaal vernielen van katholieke beelden en andere religieuze objecten) een van de startpunten van die strijd. De wordingsgeschiedenis van Nederland kan niet los gezien worden van het protestantisme. En ook vandaag zie je ondanks de ontkerkelijking en de ontzuiling nog veel van het protestantisme in de Nederlands samenleving terug: denk aan politieke partijen als SGP, Christen-Unie en (ten dele) CDA, media-organisaties als NCRV, EO en Trouw, de Bible Belt, de vele scholen en ziekenhuizen op protestants-christelijke grondslag. Volgens het CBS is 15 tot 20% van de Nederlanders betrokken bij een van de protestantse kerken in Nederland.[2]

Naast de historische wapenfeiten en de concrete uitingsvormen van het hedendaagse protestantisme heeft het hervormingsdenken ook zijn stempel heeft gedrukt op minder tastbare zaken als cultuur en volksaard. Protestanten hebben de naam hard te werken en spaarzaam te zijn. Door het afwijzen van het hiërarchische katholieke geloof zouden protestanten individualistischer en nuchterder zijn. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Onlangs was op televisie de 8-delige serie Achter de Dijken te zien, waarin presentator Leo Blokhuis laat zien hoe het protestantisme (en dan met name het calvinisme) zijn sporen heeft nagelaten in Nederland. Positieve associaties: tolerantie, gelijkheidsdenken, hard werken, nuchterheid. Negatieve associaties: bekrompenheid, spruitjeslucht, grauwheid.

 

31 oktober

Iedereen moet op 31 oktober vooral vieren waar hij of zij zin in heeft. Halloween, Hervormingsdag of helemaal niets. Ik ben zelf niet gelovig, maar ik ben wel hervormd opgevoed en ‘gevormd’. In die zin spreekt Hervormingsdag mij meer aan. Het verklaart beter waar ik vandaan kom en in welke traditie ik sta, dan een overgewaaid verkleedfeest als Halloween. Ik krijg dankzij Hervormingsdag ook beter en breder zicht op het ontstaan en de ontwikkeling van de moderne westerse wereld waarin ik leef. Dat gaat over grenzen van tijd en plaats heen. Als je jezelf en jouw deel van de wereld beter leert kennen, helpt dat ook om andere tijden of andere werelden beter te leren kennen. Dat vind ik waardevol. Daar mogen het onderwijs en de media wat mij betreft veel aandacht aan besteden. In die zin vind ik het ook prima als schoolkinderen het Wilhelmus leren en naar het Rijksmuseum gaan, maar niet als dat door de regering wordt voorgeschreven en wordt ingegeven door een eng-nationale blik. In die zin ben ik even kritisch op de bemoeienis van de regering met het onderwijs als Luther destijds op het machtsmisbruik van de Room-Katholieke kerk. Dat zullen mijn protestantse wortels zijn.

 

 

P.S.

In Duitsland zijn vele honderdduizenden exemplaren van het Playmobil Luther poppetje verkocht (zie afbeelding bovenaan).

 

[1] Voor deze tekst heb ik gebruik gemaakt van diverse bronnen, maar vooral van https://isgeschiedenis.nl/nieuws/oorsprong-van-halloween

 

 

[2] http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=37944&D1=a&HD=171029-1416&HDR=T&STB=G1

 

Mondriaan als aansteker

Dit jaar wordt op talloze plaatsen en manieren het honderdjarig bestaan van De Stijl gevierd met daarbij een speciale focus op het werk van Stijl-voorman Piet Mondriaan. Deze aandacht voor het bekende ‘Dutch Design’ blijft niet beperkt tot musea en tentoonstellingsruimten. Ook op openbare gebouwen, in winkels en in de media zie je dit jaar de kleuren en lijnen van Mondriaan en De Stijl terug. Zo hangt heel Den Haag vol met primaire kleuren en staat in Utrecht een meer dan levensgrote Rietveldstoel bij het oude stadhuis.

Den Haag

Utrecht

Winkeliers doen volop met de Mondriaan-rage mee en Heineken haakt ook vrolijk in.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kortom, je kunt dit jaar niet om Mondriaan en De Stijl heen. Soms met aansprekende uitingen, soms op een manier waarvan de Mondriaan-kenner pijn in zijn buik zou krijgen. Hoe gevoelig dat kan liggen leerde ik ruim 20 jaar geleden.

 

In 1994 maakte ik serieus kennis met het leven en werk van Piet Mondriaan. Natuurlijk kende ik al wel het typerende lijnenspel en de primaire kleuren van zijn schilderijen, maar veel verder ging mijn kennis niet. Totdat ik in 1994 in contact kwam met het Mondriaanhuis in Amersfoort. Samen met een collega van onze HBO Communicatieopleiding maakte ik contact met deze culturele instelling om te praten over mogelijke vormen van samenwerking. Wij zochten stageplaatsen en praktijkopdrachten en het Mondriaanhuis was geïnteresseerd in het inzetten van onze studenten voor uiteenlopende werkzaamheden. Een van die werkzaamheden was de voorbereiding van een tentoonstelling over de manier waarop Mondriaan werd gekopieerd en geïmiteerd door ontwerpers en reclamemakers. De aanleiding werd gevormd door het feit dat het in 1994 50 jaar geleden was dat Mondriaan was overleden. Men had een grote hoeveelheid artikelen verzameld waarop de bekende Mondriaan-motieven te zien waren.

Van de Mondriaan-jurk van Yves Saint-Laurent (nog steeds te bewonderen in het Rijksmuseum) tot allerhande Mondriaan-prullaria zoals mokken, plastic stropdassen, pennen en keukenschorten. De werktitel van die tentoonstelling was ‘Mondriaan, gebruik en misbruik van een kunstenaar’. Wij vonden het een passende en uitdagende opdracht voor een projectopdracht of een stage en beloofden snel op school te gaan kijken hoe we deze opdracht konden uitzetten bij onze studenten. Kortom, iedereen was blij en omdat het nog geen borreltijd was beklonken we onze prille samenwerking met een tweede kop koffie. Het ijs was gebroken en we praatten nog wat met elkaar door. Tijdens dat gesprek merkte ik hoe belangrijk het voor de mensen van het Mondriaanhuis was om een strikte scheiding aan te brengen tussen artikelen die wel spoorden met de geest en de principes van Mondriaan en zaken die daar een loopje mee namen. De Mondriaan-adepten bleken daar een uitgesproken mening over te hebben. Slechts een enkel object kon in hun ogen door de beugel, maar de overgrote meerderheid van de spullen die men had verzameld viel in de categorie ‘misbruik’. Met mijn beperkte Mondriaan-kennis bracht ik in dat ik het op zich wel begreep (je moet geen bruine of lila kleurvlakken gebruiken als je de bekende motieven van Mondriaan wil imiteren), maar dat het aan de andere kant toch ook mooi is dat Piet Mondriaan een stijl, een ‘handtekening’ heeft ontwikkeld die vijftig jaar na zijn dood (het was 1994) nog steeds zo populair is en zo veel navolging krijgt. Daar zouden veel kunstenaars van dromen. Ik kreeg een beetje de indruk dat men, ongeacht de kwaliteit van de Mondriaan-imitatie, Yves Saint-Laurent prachtig vond (want haute couture en dus eervol), maar een koektrommel niet (want erg gewoontjes). Die indruk werd bevestigd toen een van de gesprekspartners zei: “mijn maag draait toch een beetje om als ik Mondriaan-aanstekers bij de Blokker zie liggen”. Door die opmerking kreeg ik een ingeving: “ik weet een mooie titel voor jullie tentoonstelling ”, riep ik: “Mondriaan als aansteker!”. Er volgde een lachsalvo, maar al snel keek men mij serieus aan. Ze vonden het een enorm aansprekende titel en vroegen of ik het goed vond als deze titel gebruikt zou gaan worden. “Ja, natuurlijk”, zei ik, “ik zou me vereerd voelen”. Ik voegde daar aan toe dat ik het in ieder geval veel aardiger vond dan de werktitel ‘Mondriaan, gebruik en misbruik van een kunstenaar’.

Een half jaar later vond de opening van de tentoonstelling in Museum Flehite in Amersfoort plaats. Een van onze studenten was in de tussenliggende maanden als stagiaire druk in de weer geweest om de publiciteit rondom de tentoonstelling vorm te geven. Mijn collega en ik waren uitgenodigd om de opening bij te wonen. Met gepaste trots keek ik naar alle affiches met de titel ‘Mondriaan als aansteker’ er op. Ik kreeg een speciaal exemplaar in een koker mee.

Toen ik hem later thuis uitpakte en uitrolde viel me pas op dat er ook nog in kleinere letters een verticale tekst op het affiche stond. Ze hadden toch nog de oude werktitel: ‘gebruik en misbruik van een kunstenaar’ op het affiche gezet. Weliswaar niet heel opvallend, maar toch. Ik vond het jammer, omdat ik mijn titel treffend vond en niet zo belerend.

 

Nu ik de afgelopen decennia meer over Mondriaan en De Stijl heb gelezen en ook veel van hun kunst met eigen ogen heb gezien, begrijp ik de (letterlijke) kanttekening wat beter. Sommige adaptaties en imitaties slaan de plank inderdaad behoorlijk mis.

Maar al met al blijft bij mij het gevoel overheersen dat het prachtig is als je als stroming of kunstenaar nog steeds zo populair bent. En niet alleen in Nederland. Deze zomer kwam ik in Italië op twee verschillende plaatsen Mondriaan tegen

In Verona

In Perugia

Bij een meubelmaker in Verona en in een sieradenwinkel in Perugia. Ik kan daar geen misbruik in zien. Integendeel, het maakt me blij en ook een beetje trots.

K. Schippers passé? Ben je belazerd!

 

Arjan Peters (de literatuurrecensent van De Volkskrant) stelde dit afgelopen weekend een aantal kritische vragen over de kwaliteit van de hedendaagse poëzie.[1] Zijn vragen (misschien is ‘noodkreten’ een betere term) legt hij voor aan een aantal dichters. Aan Ellen Deckwitz stelt hij de vraag of we niet belazerd worden door sommige dichters. Als voorbeeld noemt hij de nieuwste dichtbundel van K. Schippers Garderobe, kleine zaal.

In de ogen van Peters levert Schippers “een groot aantal mopjes” die nooit gepubliceerd hadden mogen worden en herhaalt Schippers zijn trucjes die 50 jaar geleden misschien nog aardig waren, maar nu niet meer. Hij vindt dat Schippers sindsdien “geen stap vooruit is gekomen”. Maar, voegt hij toe, Schippers is een gelauwerd schrijver; wie zou zijn werk ter discussie durven te stellen?

 

Welnu, Arjen Peters biedt zichzelf aan en gooit de knuppel in het poëtische hoenderhok. Op zich een dappere stap, maar hij weet mij niet te overtuigen. In de eerste plaats geeft hij voor zijn algemene stelling (“we worden belazerd”) maar één voorbeeld, namelijk de nieuwste bundel van K. Schippers. Een bredere presentatie van voorbeelden en cases was overtuigender geweest. In de tweede plaats zegt Peters vragen te willen stellen, maar zijn vragen zijn eigenlijk stellingen. Hij heeft zijn oordeel al klaar, zonder de antwoorden af te wachten. Dan had hij beter een J’accuse kunnen schrijven. In de derde en laatste plaats miskent hij (in mijn ogen) de relevantie van het werk van K. Schippers. Ook in deze tijd. Dus zelfs het enige voorbeeld dat Peters bij zijn eerste vraag als bewijsmateriaal opvoert, de bundel van Schippers, is wat mij betreft niet het schoolvoorbeeld van rommel-poëzie die nooit gepubliceerd had mogen worden. Integendeel. Ik zal proberen dat laatste toe te lichten.

 

Ik heb een jaar of acht geleden K. Schippers ontdekt. Misschien een beetje laat, want hij timmert al vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw aan de weg, maar goed: beter laat dan nooit. Natuurlijk had ik weleens eerder van hem gehoord, maar zijn naam en zijn werk waren nooit echt bij me blijven hangen. Tot een jaar of acht geleden dus. Ik was rond de vijftig, de kinderen waren de deur uit. Ik had altijd al belangstelling voor literatuur en kunst gehad, maar ik kreeg meer tijd en ruimte (en behoefte) om uitgebreider aandacht aan deze zaken te gaan besteden. Ik ging poëziebundels lezen, schafte kunstboeken aan en bezocht, meer dan vroeger, musea, concerten, films en tentoonstellingen. Op de een of andere manier kwam ik daarbij met de nodige regelmaat de naam van K. Schippers tegen. Hij bleek niet alleen dichter te zijn, maar ook romanschrijver, essayist, scenarist, kunstkenner en kinderboekenschrijver. Die veelzijdigheid sprak en spreekt me aan; en ook zijn visie die in zijn eigen werk doorklinkt en in zijn beschouwingen over andere schrijvers en kunstenaars. Langzamerhand ging het werk van Schippers mij steeds meer boeien. Ik kwam meer te weten over zijn persoonlijke achtergrond en ook ging ik lijnen, verbanden en ontwikkelingen in zijn werk zien.

 

Op het persoonlijke vlak ontdekte ik dat hij de schoonzoon is van de dichter Ed. Hoornik. Schippers trouwde met Hoornik’s dochter Erica. Zijn goede vriend Bernlef trouwde met haar tweelingzus Eva. Zo bracht het gezin Hoornik generaties dichters bij elkaar. Schoonvader Hoornik en schoonzonen Schippers en Bernlef traden alle drie op tijdens de roemruchte Poëzie in Carré bijeenkomst in 1966. Daar las Schippers onder andere een tekst van Cees Buddingh’ voor en Buddingh’ een tekst van Schippers. Cees Buddingh’ was een geestverwant en vriend van Schippers was en maakte die avond furore met zijn gedicht Pluk de dag. (zie ook mijn blog over Cees Buddingh’: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=739 ).

 

Een ander persoonlijk weetje is dat Schippers’ dochter Bianca Stigter (werkzaam op de cultuurredactie van de NRC) de levenspartner is van Steve McQueen, de regisseur van de Oscar-winnende film Twelve Years a Slave. Natuurlijk is dit geen verdienste van K. Schippers zelf, maar het is op zich een interessant gegeven. Net als vroeger bij de familie Hoornik, zal er nu in de familie Schippers-Stigter heel wat uitgewisseld worden.

 

In zijn werk heeft K. Schippers mij geleerd anders en beter waar te nemen. Hij is wat mij betreft de meest zintuiglijk Nederlandse schrijver. Hij geeft op heldere wijze duiding aan het werk van anderen. Hij helpt je hun werk beter te zien en te waarderen. In zijn eigen teksten speelt hij met observaties en perspectieven. Daarbij wisselt hij moeiteloos van tijd, ruimte en ‘point of view’.

Dat zie je terug in dit bekende gedicht:

Bij Loosdrecht

Als dit Ierland was

Zou ik beter kijken

 

Als je zijn teksten leest, kijk je door zijn ogen naar de wereld. Dat doet hij op een knappe, interessante en soms amusante manier. De aanleiding is vaak iets alledaags. Niet voor niets wordt Schippers gezien als degene die de ready-made heeft geïntroduceerd in de Nederlandse poëzie. Hierbij put de dichter inspiratie uit een gebruiksvoorwerp (adressenlijstje, vulpen, bakje suikerklontjes) of neemt hij je mee in een alledaagse observatie.

Eeuwigheid

De suikerpot wordt altijd

aangevuld zonder dat de onderste

klontjes zijn gebruikt.

Zo kunnen die er jaren liggen.

 

Daarnaast biedt zijn werk voldoende andere teksten die, in tegenstelling tot wat Arjan Peters beweert, niet tot de categorie ready-mades of taaltrucs behoren.

 

De gift

 Geef mij wat je bij je hebt.

Geen sleutels of geld.

Wel wat er maar even is.

 

Het vlug gekrabbelde telefoonnummer.

Het meegestoomde papiertje in je jaszak.

De knop op het punt van verliezen.

 

De woorden die je net niet hebt gezegd.

Je kracht te veel om een deur open te doen.

Alles waar je niets meer aan hebt.

 

Geef mij het geruis van je katoen.

De wind kan wel zonder.

 

Als docent Communicatie kan ik zijn gedichten en observaties goed gebruiken. Mijn studenten moeten leren werken met teksten en beelden. Het werk van K. Schippers levert mij voorbeelden en inspiratie op om met mijn studenten te delen. Schippers laat zien hoe je scherper kunt waarnemen en hoe je dat wat je ervaart, kunt omzetten in woorden en beelden om over te brengen op een ander. Een voorbeeld: in zijn nieuwste bundel staat op een verder lege bladzijde het woord ha lf. Arjan Peters vindt dit iets om “uit zijn vel te springen”.

Maar ik kan dit simpele woord-beeld heel goed gebruiken om met mijn studenten te praten over de vraag hoe je de betekenis van een woord kunt visualiseren. Het verband met het logo van GroenLinks of een poster van de McBreak is dan zo gelegd.

 

 

 

Als amateur-kunstliefhebber loop ik Schippers ook vaak tegen het lijf. Een paar voorbeelden. Als ik na het bezoeken van een museum op zoek ga naar informatie over de kunstenaar Giacometti blijkt Schippers uitvoerig over hem geschreven te hebben. In het prachtige boek De stilte van het licht van Joost Zwagerman (2015) wordt Schippers volop geciteerd. Zo roemt Zwagerman de term die Schippers heeft bedacht om alle stipjes en kringeltjes in het werk van de schilder Miró mee aan te duiden: ‘interpunctiedieren’. In een recente dichtbundel van Ingmar Heytze (De man die ophield te bestaan, 2015) is het gedicht Wisselgeld aan K. Schippers opgedragen. Voor de tentoonstelling over 100 jaar Dada in Museum Drachten (2016) heeft K. Schippers zijn complete Dada-archief aangedragen. Hij schreef ook een boek over Dada in Holland.

 

Dat Schippers herkend en erkend wordt blijkt uit de vele prijzen die hij heeft gewonnen. De erkenning voor zijn werk en vakmanschap blijkt ook uit het feit dat zijn werk op meerdere plekken in het openbaar te zien is. Zijn gedicht De ontdekking staat als tekst op een school in Veenendaal. Op een drukkerij in Ede is de volledige gevel van het gebouw voorzien van een tekst van Schippers.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij het monument voor de Bijlmerramp (1992) heeft K. Schippers een tekst gecomponeerd op basis van de uitspraken van nabestaanden van die ramp. En nog maar kort geleden, in 2016, is ras-Amsterdammer Schippers benoemd tot stadsdichter van Amsterdam. In die hoedanigheid publiceert hij regelmatig gedichten in Het Parool en treedt hij bij allerlei gelegenheden op.

 

Peters doet K. Schippers overduidelijk tekort door hem alleen te zien als de man van het ready-made trucje uit de jaren ’50. Schippers’ gehele oeuvre en de waardering daarvoor omspannen ruim 50 jaar. Ook zijn recente werk biedt voldoende materiaal om van te genieten of om je aan het denken te zetten. Het eerste gedicht van Garderobe, kleine zaal toont dat trefzeker aan (een fragment):

 

Waar je bent

 

Je zit in de bus tegenover

iemand en je denkt ’t is

m’n spiegelbeeld.

 

Zo lijkt ook de echo van je

voetstap op straat van een

ander te zijn.

 

Je luistert naar wat niet

meer bij je hoort, het zegt

waar je bent

 

Natuurlijk mag Arjan Peters kritisch zijn op gedichten uit de nieuwste bundel van Schippers. Ook ik vind niet elke bijdrage in die bundel van adembenemende kwaliteit of van onnavolgbare spitsvondigheid. Maar waarom zou je als criticus spreken over ‘belazeren’? Laten we blij zijn dat K. Schippers nog steeds zo productief is en zijn vakmanschap, taalkunsten en terloopse observaties met ons deelt. Schippers etaleert, in de woorden van Zwagerman “een onstilbare nieuwsgierigheid en een verlangen om alles, inclusief de kleinst denkbare verschijnselen, te registreren, op te slaan en er betekenis aan te geven”. Dat maakt hem, volgens Zwagerman, “een tedere utopist”. Die aanduiding  is misschien iets te rozig, maar in ieder geval een stuk passender dan de uitglijder die Arjen Peters maakt door Schippers te presenteren als iemand die de kluit belazert.

 

[1] https://www.volkskrant.nl/boeken/wat-we-altijd-wilden-weten-van-poezie~a4516743/?utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_campaign=shared%20content&utm_content=paid&hash=3d6ff4f8451bac4127e1890b3dc483a5623260dd

 

Oogsten

 

“Op een gegeven moment vertelde Luciano dat er in hun dorp dit jaar geen olijfoogst zal zijn. Het voorjaar is zo koud geweest dat het de groei van de olijven te sterk heeft aangetast. Dit is nog nooit eerder gebeurd en iedereen in het dorp is ontdaan.”

 

Mijn nicht Jacqueline woont met haar man Luciano in een klein dorp in Noord-Italië. We zien elkaar slechts eens in de zoveel jaar; tijdens een familiefeest in Nederland of als we in de zomervakantie bij hen in de buurt zijn. Vorige maand was het weer raak en hadden we een allerhartelijkste ontmoeting toen we op doorreis waren naar de Adriatische kust. Omdat we elkaar maar weinig ontmoeten hebben we altijd veel om bij te praten: de kinderen, de verschillen tussen Italië en Nederland, familieroddels, grote Europese vraagstukken en de goede dingen van het leven waar zij, nu ze sinds enige tijd met pensioen zijn, volop van genieten. Op een gegeven moment vertelde Luciano dat er in hun dorp dit jaar geen olijfoogst zal zijn. Het voorjaar is zo koud geweest dat het de groei van de olijven te sterk heeft aangetast. Dit is nog nooit eerder gebeurd en iedereen in het dorp is ontdaan. De olijfteelt is namelijk een belangrijk onderdeel van de traditionele dorpscultuur.[1] Olijfboomgaarden zijn oud en gaan over van generatie op generatie. In de oogstperiode helpt iedereen in het dorp elkaar bij het plukken (in Noord-Italië vallen de olijven niet vanzelf op de grond). Een lokale coöperatieve olijfperserij zorgt ervoor dat iedere familie zijn eigen olijfolie krijgt. Dit jaar kan er voor het eerst sinds mensenheugenis niet geoogst worden. Economisch is het geen ramp, omdat de meeste dorpelingen niet meer van de landbouw leven, maar uit liefhebberij de familieboomgaard aanhouden. Het plukken, persen en bottelen kost vaak meer geld, dan dat het oplevert. De schade is vooral emotioneel; de mensen voelen zich ontregeld. De olijfoogst staat symbool voor een vaste, traditionele ordening waarin de band met de natuur en de band met elkaar tot uitdrukking komt.

Het verhaal van de mislukte olijfoogst blijft in mijn hoofd rondzingen omdat in de twee boeken die ik tijdens de vakantie lees ook de ordening van de menselijke samenleving een thema is..

 

De geest uit de fles

Het eerste boek is De geest uit de fles van Ger Groot. Het is een prachtig boek over de ontwikkeling van de filosofie in de afgelopen vier eeuwen die Ger Groot bestempelt als “één lange worsteling met de erfenis van de religie“. Je zou met een knipoog naar Geert Mak het boek ook ‘Hoe God verdween uit het westerse denken’ kunnen noemen.

 

Sinds de tijd van de Verlichting en met name Descartes wordt de wereld niet langer benaderd vanuit het uitgangspunt van het goddelijke, maar wordt de mens het uitgangspunt. Daarmee heeft, volgens Groot, de wereld haar vaste ankerpunt verloren. Het goddelijke was absoluut en gaf ordening en zin. Het moderne denken is dat los gaan laten (‘de geest uit de fles’) en de moderne mens moet nu zelf voor betekenis en zingeving gaan zorgen. Dat is een enorme uitdaging omdat de mens weet dat hij sterfelijk is en beperkingen heeft en omdat er verdeeldheid is tussen de mensen. Waar vroeger God en de door God aangewezen (absolute) vorsten voor eenheid en ordening zorgden, moeten mensen er nu samen uit zien te komen. Voor de ene persoon een enorme bevrijding, voor de andere een situatie van twijfel en angst. Niet alleen aan de hand van moderne denkers, maar ook met talloze voorbeelden en illustraties uit de literatuur, films en beeldende kunst laat Ger Groot zien hoe de moderne mens het dominante goddelijke ordeningsprincipe kwijt is geraakt.

 

Godenslaap

Het andere boek, de roman Godenslaap van Erwin Mortier, schetst het leven van een familie in België en Noord-Frankrijk in de eerste decennia van de vorige eeuw. Een samenleving die half agrarisch en half-industrieel is. In de dorpen bewerkt men het land of beoefent men bepaalde ambachten. Het jaarritme wordt bepaald door de natuur en de seizoenen.

Dat kunnen wij nog herkennen als we kijken naar de oude namen van de maanden die vroeger werden gehanteerd.

Januari – Louwmaand
Februari – Sprokkelmaand
Maart – Lentemaand
April – Grasmaand
Mei – Bloeimaand
Juni – Zomermaand
Juli – Hooimaand
Augustus – Oogstmaand
September – Herfstmaand
Oktober – Wijnmaand
November – Slachtmaand
December – Wintermaand

(Het woord oogst is afgeleid van de naam Augustus. En  het woord herfst hangt niet voor niets samen met het Engelse woord harvest. )

Mortier laat zien hoe de toenemende industrialisatie voor nieuwe verhoudingen zorgt. Steeds meer plattelanders trekken naar de stad om in fabrieken te gaan werken. Men komt in de stad losser van de natuur te staan en daarmee ook losser van God. Op het platteland blijven landbouw en religie traditiegetrouw hand in hand gaan. In de woorden van Mortier: “alles wat met het heilige van doen had, was cyclisch in die dagen. Een symboliek van het onveranderlijke dient nu eenmaal in haar eigen staart te bijten wil zij de eeuwigheid oproepen”. (p. 111).

De dubbele betekenis van het woord cultuur

De traditionele agrarische samenleving kende dus een dubbele vaste ordening: die van het bewerken van het land en die van de godsdienstbeleving. De oorspronkelijk, dubbele betekenis van het woord cultuur vat dat goed samen. Cultuur komt van het Latijnse woord colere dat zowel bebouwen en bewerken betekent (denk aan agri-culture) als aanbidden en vereren. Veel religies kennen goden, rituelen en verhalen die direct samenhangen met het agrarische leven: er wordt gebeden voor een goede oogst, er worden offers gebracht. De cyclus van de natuur en de seizoenen wordt gekoppeld aan de cyclus van religieuze rituelen. In Nederland zie je die band tussen de agrarische samenleving/vissersdorpen en geloof nog sterk terug in de orthodoxe Bible Belt. Liefhebbers van popmuziek kennen ongetwijfeld het lied Turn! Turn! Turn! van The Byrds (geschreven door Pete Seeger) dat nagenoeg een letterlijke vertaling is van een tekst uit het bijbelboek Prediker waarin de samenhang tussen geloof en natuur duidelijk naar voren komt:
To everything, turn, turn, turn.
There is a season, turn, turn, turn.
And a time to every purpose under heaven.
A time to be born, a time to die.
A time to plant, a time to reap.
A time to kill, a time to heal.
A time to laugh, a time to weep.

 

Twee ankerpunten kwijt

Het leven van de moderne mens is over het algemeen niet meer geordend aan de hand van de natuur en haar seizoenen en/of door religieuze rituelen. De moderne mens is niet alleen zijn goddelijke ankerpunt kwijt, zoals Ger Groot aangeeft, maar ook het natuurlijke, agrarische ordeningsprincipe. Hij mist daardoor twee vaste oriëntatiepunten die houvast en betekenis geven. Sommige mensen proberen dat op te vangen door een levenswijze aan te nemen die hen weer dichter bij de natuur brengt of door te kiezen voor nieuwe rituelen of overtuigingen. Anderen voelen zich verweesd en verlangen terug naar vroeger tijden. Weer anderen genieten volop van hun vrijheid en de vele keuzemogelijkheden die de huidige tijd biedt.

Ger Groot laat het schilderij ‘Angelus’ van Jean-Francois Millet zien als illustratie van een “door God bestierde wereld”. Daarnaast toont hij de bewerking van dit schilderij door Salvador Dali om de verweesde moderne mens te laten zien.

 

Samen oogsten

Ik moet, aan de hand van het verhaal over de mislukte olijfoogst en de boeken die ik heb gelezen, vooral denken aan de woorden oogsten en offeren. Op het gevaar af dat ik begin te klinken als Peter Sellers in zijn rol als brave tuinman in de film Being There denk ik dat het betekenisvol is om juist samen met andere mensen te werken, te beleven en te vieren. Je hoeft niet gelovig te zijn of op het platteland te wonen om samen te kunnen zaaien en oogsten. Dat kan op allerlei plekken en in alle seizoenen. Offeren betekent voor mij daarbij niet aanbidden (ik ben niet gelovig), maar letterlijk: aanbieden. Ik doel hierbij niet op de aanbiedingen van de supermarkt, maar op datgene wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Als je andere mensen iets kunt aanbieden is dat altijd positief: hulp, advies, geld, een luisterend oor. Het elkaar helpen bij de olijfoogst in het dorp van Jacqueline en Luciano is daar een prachtig voorbeeld van. Daarom is men zo van slag nu dat dit jaar doorbroken wordt. Men kan niet meer samen oogsten. Wat dat betreft hoop ik dat er in Noord-Italië de komende jaren weer volop olijven zullen groeien.  En als ze me dan een keer aanbieden om mee te doen met het plukken, doe ik graag mee.

 

[1] De symbolische betekenis van de olijfboom komt ook goed naar voren in de recente Spaanse film El Olivo.

 

________________

Reacties op mijn blog zijn zeer welkom. Graag via Facebook, Twitter of LinkedIn. Ik heb de reactie-functie van mijn blog helaas moeten blokkeren omdat ik heel veel spam ontving.

Dromen en drama’s in Verona

Op doorreis naar de Italiaanse oostkust maken we een tussenstop van een paar dagen in Verona. De vrouw die ons de sleutels van het appartement overhandigt, somt vriendelijk en gastvrij een aantal attracties op die we beslist niet mogen missen in Verona: de oude brug over de rivier, de markt, het huis van Guilietta (van Romeo en Julia) en de Romeinse arena. Als ik vertel dat we de volgende dag naar de Aïda gaan in de arena klapt ze enthousiast in haar handen: ‘mijn favoriete opera!’. We nemen afscheid van haar, maar bij het weglopen draait ze zich nog een keer om: “Jullie moeten ook beslist de St. Zeno kathedraal bezoeken. Het is de mooiste romaanse kerk van Italië en St. Zeno is de beschermheilige van Verona.”

Het oude centrum van Verona ligt in een lus van de slingerende Adige rivier. Je treft daar alles aan wat je in een oude Italiaanse stad hoopt te vinden: fraaie pleinen, karakteristieke straatjes, kleurrijke huizen, monumentale kerken, elegante winkels en heerlijke terrassen voor pittige koffie of een aperitivo met lekkere hapjes. Maar bovenal zijn het de verhalen vol dromen en drama’s die Verona zoveel aantrekkingskracht bezorgen: de passievolle opera’s die in de zomermaanden in de arena worden opgevoerd en het legendarische liefdesverhaal van Romeo en Julia. Dat zijn de echte publiekstrekkers.

Het bezoeken van een opera in Verona is een enorme belevenis. Hoewel ik geen opera-fan ben (laat staan een opera-kenner) en de uitvoering van de Aïda bijna vier uur duurt, heb ik volop zitten genieten. Een groot orkest, zangers die geen versterkers nodig hebben om hun emoties over te dragen, dansers in een prachtige choreografie en vele tientallen figuranten zorgen samen voor een indrukwekkend kijk- en luisterfeest in de prachtige entourage van een tweeduizend jaar oud amfitheater. Het verhaal is goed te volgen omdat op de zijwanden de teksten in het Italiaans en het Engels worden geprojecteerd. De Aïda is gebaseerd op een door een Franse egyptoloog opgetekend verhaal uit het oude Egypte dat door Giuseppe Verdi op muziek is gezet. De opera is geschreven ter gelegenheid van de opening van het operagebouw in Caïro in het jaar dat ook het Suezkanaal werd geopend: 1871. Het verhaal gaat over de onmogelijke liefde tussen de Egyptische legeraanvoerder Radames en de uit Ethiopië (Nubië) afkomstige koningsdochter Aïda die als slavin aan het Egyptische hof verblijft. Egypte leeft op voet van oorlog met Ethiopië. Radames verkrijgt heldenstatus door het Ethiopische leger te verstaan en de farao schenkt hem zijn dochter Amneris als bruid. Amneris is verliefd op Radames, maar hij kan haar liefde niet beantwoorden omdat hij van Aïda houdt. Op een onbewaakt moment geeft hij een militair geheim aan Aïda prijs (liefde maakt blind), dat zij weer aan haar vader (de koning van Ethiopië) doorgeeft. Dat wordt ontdekt en Radames wordt als verrader levend opgesloten in een tombe. Aïda kan echter niet zonder Radames verder leven en verstopt zich, vlak voordat Radames wordt opgesloten, in diezelfde tombe waar ze in elkaars armen de dood tegemoet zien.

Ook Romeo en Julia is een verhaal dat draait om een onmogelijke liefde. Het is bekend geworden door William Shakespeare, maar de oorspronkelijke tekst stamt uit 1476 en is van de hand van Masuccio Salernitano. Het verhaal is verschillende keren door diverse auteurs herverteld. Twee jonge mensen uit rivaliserende families worden verliefd op elkaar. Stiekeme ontmoetingen leiden tot een in het geheim gesloten huwelijk.

Als Julia daarna formeel met een ander moet trouwen doet ze net alsof ze overleden is. Romeo denkt dat ze echt dood is en neemt vergif in. Als Julia dit ontdekt steekt ze zichzelf met een dolk in de borst en sterft eveneens.

De Aïda en Romeo & Julia. Twee legendarische verhalen over onmogelijke liefdes. Verhalen waarin oude Bijbelse verhalen en Griekse tragedies (Adam en Eva, David en Batseba, Pyramus en Thisbe, Orpheus en Eurydice) doorklinken. En twee verhalen die op hun beurt weer hebben gezorgd voor nieuwe vertalingen en vertellingen in de vorm van romans, films en musicals (Madame Butterfly, Miss Saigon, West Side Story, Najib en Julia). Kennelijk willen we door de eeuwen heen blijven geloven in sprookjes, in romantische liefde die alle tegenstellingen en tegenslag overwint. Ook als de prijs voor die liefde de dood is. Kortom, dromen en drama’s.

Terwijl de uitvoering van de Aïda een ware belevenis is, is het bezoeken van het huis van Julia in Verona minder aansprekend. Het huis dat bekend is geworden vanwege de balkonscene bevindt zich achter een toegangspoort aan een drukke winkelstraat in het centrum. Er staan drommen toeristen te wachten bij de poort om een glimp van het balkon op te kunnen vangen. De muren van de poort zijn volgeschreven met liefdesverklaringen en ook de onontkoombare slotjes hangen er. We laten de massa en het balkon maar aan ons voorbijgaan.

Op de dag van vertrek hebben we alles gezien wat we wilden zien in Verona, behalve de St. Zeno kerk. Die ligt aan de andere kant van het centrum en het was de afgelopen dagen zo heet, dat we tegen de lange wandeling opzagen. Maar omdat we deze dag met de auto op pad gaan, kunnen we nog even een stop maken bij de St. Zeno om te kijken of de eigenaresse van ons appartement gelijk had met haar aanbeveling. Ze bleek niets teveel te hebben gezegd. Het is een prachtige oude kerk in Romaanse stijl met een mooie kloostergang aan de noordkant. In een nis bij het altaar staat een houten beeld van St. Zeno. Een beeld van een donkere man. St. Zeno blijkt uit het Afrikaanse Mauritanië te komen. Hij was een van de eerste bisschoppen van Verona en werd de schutspatroon van de stad.

Voldaan dat we ook deze laatste bezienswaardigheid in Verona hebben bezocht lopen we naar de auto. Daar spreekt een jonge Afrikaanse man me aan. Hij vertelt in slecht Engels een onsamenhangend verhaal over documenten en vraagt me om geld. Ik begrijp niets van zijn verhaal en omdat ik mensen niet zo maar geld geef, schud ik mijn hoofd en stap in de auto. We rijden weg met een wat ongemakkelijk gevoel. Italië vangt jaarlijks vele duizenden Afrikaanse gelukszoekers op, terwijl Europa toekijkt. Deze vluchtelingen hebben vaak onrealistische dromen, die in veel gevallen eindigen in drama’s. Ik hoop dat er goede mensen zijn in Verona die deze man verder kunnen helpen. Per slot van rekening is de beschermheilige van Verona een Afrikaan.

Het verhaal van Crystal Palace: over Frank de Boer, Fjodor Dostojewski, Peter Sloterdijk en Samuel Sarphati

Frank de Boer wordt trainer bij de Londense voetbalclub Crystal Palace. Na zijn succes-periode bij Ajax en zijn mislukte avontuur bij Inter Milan, waar hij al na een paar maanden als trainer aan de kant werd geschoven, krijgt hij nu een nieuwe kans in Londen. Je mag voor hem hopen dat hij bij Crystal Palace weer de weg naar succes weet te vinden, want een volgende mislukking zal zijn status als trainer geen goed doen. Hij zal het zwaar krijgen in de belangrijkste voetbalcompetitie ter wereld waar de verwachtingen van investeerders en fans torenhoog zijn en de media genadeloos.

Ik wil me hier verder niet wagen aan bespiegelingen over de trainerskwaliteiten van Frank de Boer. Ik sta liever even stil bij de naam van zijn nieuwe club: Crystal Palace. Daar zit namelijk een verhaal aan vast.

 

1851 De eerste Wereldtentoonstelling

Een lokale Londense voetbalclub die in 1851 werd opgericht, nam de naam Crystal Palace FC aan. Samen met een paar andere voetbalverenigingen richtte Crystal Palace de nog steeds bestaande Football Association (FA; de naamgever van de FA-Cup) op. De club was op sportief gebied niet bijster succesvol en verdween, totdat in 1905 een nieuwe club onder dezelfde naam werd opgericht; de club van Frank de Boer. De oorsprong van de naam Crystal Palace hield verband met de ‘Great Exhibition’, de allereerste Wereldtentoonstelling,  die in 1851 in Londen werd gehouden. Het Victoriaanse, imperiale Groot-Brittannië was als wereldmogendheid het vanzelfsprekende gastland van deze tentoonstelling waarop tal van industriële, technologische en culturele innovaties te zien waren. De tentoonstelling werd gehuisvest in een speciaal voor deze gelegenheid ontworpen constructie van gietijzeren frames met glazen panelen. In feite een enorme kas met een lengte van 560 meter en een breedte van 135 meter.

Het gebruik van gietijzer en glas voor een dergelijk omvangrijk gebouw was revolutionair.  Men gebruikte tot die tijd vooral steen en hout. Het werd beschouwd als een architectonisch wereldwonder dat de tongen losmaakte, zoals 30 jaar later de Eiffel toren in Parijs dat ook zou doen. Het gebouw kreeg de naam Crystal Palace. Het bezat door al het glaswerk een ongekende transparantie, waardoor de grens tussen binnen en buiten verdwenen leek. De Wereldtentoonstelling en het Crystal Palace werden een groot succes, wat onder andere bleek uit het voor die tijd ongekende bezoekersaantal van 6 miljoen mensen.  Opmerkelijk genoeg werd het gebouw 13 jaar later geheel ontmanteld en in nog grotere afmetingen opnieuw geassembleerd in de Londense wijk Sydenham, waar het in 1936 door een brand werd verwoest.

 

Dostojewski

De bekende Russische schrijver Fjodor Dostojewski bezocht in 1862 het gereconstrueerde, vergrote Crystal Palace en beschouwde dat gebouw als een metafoor voor de westerse beschaving. In zijn Aantekeningen uit het ondergrondse schrijft hij over ‘het kristallen paleis’ waarin allerlei vormen van comfort, luxe en amusement zijn samengebracht. De (gegoede) burgers kunnen zich hier onbekommerd aan overgeven. De constructie houdt niet alleen kou en regen buiten, maar sluit ook andere ongewenste elementen (armen, buitenstaanders) uit. Die kunnen zich dankzij het glas wel vergapen aan de tentoongestelde pracht en praal, maar zij kunnen geen toegang krijgen.

 

 

 Peter Sloterdijk

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk gebruikt deze visie van Dostojewski als motief voor zijn boek Kristalpaleis dat ruim tien jaar geleden verscheen. Hij verplaatst de metafoor van het kristallen paleis naar de 21e eeuw. De rijke, Westerse burgers leven in een gouden kooi waarin consumeren en amuseren de norm zijn. Veiligheid en zekerheid worden vanzelfsprekend geacht. Men verdraagt geen ongemak of tegenslag en ter voorkoming van ongelukken worden tal van protocollen opgesteld en controlemaatregelen ingevoerd. Buiten dit glazen huis wonen miljoenen niet-westerlingen die wel de Westerse luxe kunnen waarnemen, maar geen toegang hebben. De muur van Trump en de vluchtelingendeals van de EU geven wat dat betreft te denken.

 

 

 

Brussel

Over de EU gesproken. Ook een onderdeel van het gebouwencomplex van Europees Parlement in Brussel is geïnspireerd op het Crystal Palace in Londen. Het is het Paul-Henri Spaak gebouw waarin ook de plenaire zaal van het EP te vinden is.

 

 

 

Amsterdam

Dichter bij huis is het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt gebouwd naar het voorbeeld van het Crystal Palace in Londen. De bekende Amsterdamse arts, visionair en filantroop Samuel Sarphati was een van de bezoekers van de Londense Wereldtentoonstelling in 1851. Hij was zo onder de indruk van het gebouw, dat hij plannen ontwikkelde voor een vergelijkbaar bouwwerk in Amsterdam dat uiteindelijk in 1864 aan het Frederiksplein tot stand kwam. Ook dit gebouw brandde helaas af (in 1929). Later werd op deze plek het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank gebouwd.

 

 Frank de Boer

Via Amsterdam komen we weer bij Frank de Boer terecht. Hij zal als trainer in Engeland ongetwijfeld een comfortabel inkomen ontvangen en zich veel luxe kunnen veroorloven. Maar hij zal ook in een glazen huis leven. Ik weet niet of zo’n positie te benijden is. Ik raad hem in ieder geval een goede glasverzekering aan.

Papadag en Vaderdag

Toen Jesse Klaver een paar maanden geleden liet weten dat hij op vrijdagen niet deel zou nemen aan de formatiebesprekingen omdat hij dan zijn papadag heeft, waren de reacties niet van de lucht.

 

Sommige mensen vonden het verbijsterend dat hij ‘privé-zaken zwaarder liet wegen dan het landsbelang’. Anderen vonden het juist voorbeeldig dat hij als jonge vader ook tijd wilde vrijmaken voor zijn gezin. Tussen de bergen kritiek en steun vond ik dit de leukste quote: ‘Op vrijdag worden door Jesse geen onderhandelingen gevoerd, maar eendjes’.[1]

Op mijn werk hoorde ik een paar jonge vrouwelijke collega’s met de nodige verontwaardiging praten over het feit dat de term papadag iets heel bijzonders lijkt uit te drukken, terwijl het van werkende moeders doodnormaal wordt gevonden dat zij een dag thuis zijn om voor de kinderen zorgen. Volgens deze vrouwen spreekt uit de term papadag iets te veel eer voor (de vaak bescheiden bijdrage van) papa en te weinig waardering voor ( de vanzelfsprekend geachte rol van)  mama. Zoals een collega het verwoordde: ‘Er is toch ook geen mamadag’. Waar een andere collega aan toevoegde: ‘Vaders zijn toch elke dag papa!’

Los van alle discussies vind ik het heel positief dat veel jonge mannen tegenwoordig hun zorgtaken als vader serieus oppakken. Dat is wezenlijk anders dan in de tijd van mijn ouders. Ik verbaas me alleen om een andere reden om de term ‘papadag’. Papa staat daarin centraal, terwijl die dag niet om hem draait. Op een verjaardag zetten we de jarige in het zonnetje en op Bevrijdingsdag herdenken we het einde van de oorlog, maar Papadag is niet de jubeldag voor vaders; daar hebben we Vaderdag voor.[2]

Ik vermoed te begrijpen hoe de term papadag zo ingeburgerd is geraakt. Veel mannen vinden het namelijk lastig om toe te geven dat ze op een doordeweeksedag niet werken. Voor de meeste mannen is full time werken nog steeds de norm.[3] En als je minder werkt, moet je daar een passende verklaring voor hebben. Je hebt als het ware wat uit te leggen aan je vrienden en je collega’s. Gezichtsverlies ligt op de loer. De geboorte van een kind is een perfecte rechtvaardiging om een dag vrij te nemen en daarmee ook nog eens goede sier te maken (‘zie mij eens even een coole jonge papa zijn’). Bij sommige vaders horen daar ook opschepperige verhalen bij over al die leuke dingen die ze die dag met hun kinderen doen. Zo geredeneerd begrijp je al snel dat daar een passende benaming bij gevonden moest worden. Dat werd ‘papadag’, want mannen stellen zichzelf graag op de voorgrond. Een alternatief is, eerlijk is eerlijk, ook lastig te vinden. De aanduiding ‘ik werk niet op donderdag en dat komt goed uit omdat ik er dan die dag ook kan zijn voor de kinderen -dag’ is nogal lang en complex. Ook de zin: ‘Vrijdag is mijn vaste Kinderendag’ klinkt wat merkwaardig.

Mijn voorstel is om het heel simpel te houden en het ouderschap erbuiten te laten. Zeg gewoon: ‘op donderdag werk ik niet’ of ’dinsdag is mijn vrije dag’. Punt uit. Daar is verder geen tekst of uitleg bij nodig. Of je nu met de kinderen wat gaat doen, of gaat vissen, of de hele dag in je bed blijft liggen,  dat gaat niemand wat aan.

We hoeven daarmee de term papadag niet af te schaffen. Wat mij betreft bewaren we dat woord voor die speciale dag waarop een van je kinderen iets bijzonders met je gaat doen. Mijn oudste dochter bracht me enkele maanden geleden op dit idee.

Mijn dochter neemt me af en toe mee naar de film. Dit keer had ze gevraagd of ik op zondagmiddag tijd en zin had om met haar de stad in te gaan. Ik stemde graag toe. Een paar dagen later ontmoette ik haar bij het Amsterdamse Centraal Station. Ik had het vermoeden dat ze me mee zou nemen naar het Eye Museum om daar een middagfilm te gaan bekijken. We liepen inderdaad naar de achterkant van het station en toen we naar de pont over het IJ liepen zei ze: ‘Pap, zie je dat gebouw daar?’ Ze wees naar een hoog gebouw aan de overkant van het water. ‘Jazeker, dat is de A’dam Toren, dat was het oude Shell gebouw’, antwoordde ik op reisleider-toon.

 

‘En zie je ook die schommels op de bovenste verdieping?’, vroeg ze vervolgens. ‘Uh, ja, hoezo’, zei ik iets minder zelfverzekerd. ‘Daar gaan we straks op!’, riep ze lachend. Ik moest even slikken, maar wilde me natuurlijk niet laten kennen: ‘Oh, wat leuk’, perste ik er met enige moeite uit.

 

 

 

Een half uurtje later zweefden we hoog boven het IJ en toen ik na een minuut mijn ademhaling weer wat onder controle had kon ik ook werkelijk genieten van het prachtige uitzicht. Na deze spannende ervaring trakteerde mijn dochter me op een heerlijke lunch en hadden we de tijd om uitgebreid bij te praten.

 

 

Ten slotte liepen we over de Haarlemmerstraat naar haar huis waar ik met haar, haar vriend en mijn inmiddels ook gearriveerde vrouw nog een heerlijk glas wijn dronk. Bij het afscheid bedankte ik haar uitgebreid voor het bijzondere uitje, waarop ze zei: ‘Ik hoop dat je het een fijne Papadag vond.’

 

Ik wens alle vaders dit weekend een gezellige vaderdag toe en ook van tijd tot tijd een mooie papadag.

 

 

[1] https://vrouw.nl/artikel/wat-zij-vindt/42906/de-papa-dag-van-jesse-klaver-bekritiseren-hoezo

 

[2] Vaderdag is overigens net als Valentijsdag en Halloween uit Amerika komen overwaaien: http://www.beleven.org/feest/vaderdag

 

[3] https://fd.nl/werk-en-geld/1151716/de-man-heeft-een-baan-zijn-vrouw-een-baantje

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen (over Walt Whitman en J.C. Bloem)

In de film Little Women (USA, 1994) van Gillian Armstrong komt een fragment voor waarin twee hoofdrolspelers, Jo en Friedrich, elkaar aanvullend een gedicht van Walt Whitman citeren. Het gaat over de ‘Streets of Manhattan’ mij valt direct een gelijkenis met het beroemde Dapperstraat-gedicht van J.C. Bloem op.

Op het internet speurend kom ik nadere informatie tegen:

 

Little Women  Release Date: 1994 

Synopsis: Little Women is based on the novel of the same title by Louisa May Alcott.  The film focuses on the lives of four sisters growing up in Concord, Massachusetts, during and after the Civil War.  Helped by their mother, Mrs. March (Susan Sarandon), the young women strive to find direction and meaning in their lives despite their poverty and their lesser place in society as women.  The story centers on the second sister, Josephine March (Winona Ryder), who wants to become a writer.

Role and significance of Whitman in the film: Walt Whitman’s words appear briefly in the film when Jo first meets Bhaer.  After dropping her manuscript in the muddy streets of New York, Bhaer helps Jo dry the sheets in his room at the boarding house where Jo is staying.  They begin discussing transcendentalism, a philosophy to which Jo’s family subscribes, and Jo describes herself as “hopelessly flawed,” unable to achieve the human perfection for which transcendentalism calls.  Bhaer responds by quoting Walt Whitman:  “Keep your woods O Nature, and the quiet places by the woods. . . .  give me the streets of Manhattan!”  Bhaer concludes that transcendence without perfection is possible, just as it is for the poet Walt Whitman.
The lines Bhaer quotes are from Whitman’s poem “Give Me the Splendid Silent Sun,” which appeared in the 1865 version of Drum Taps.  While the lines “Keep your woods O Nature, and the quiet places by the woods” and “give me the streets of Manhattan” do not appear next to one another in the poem, they are used accurately in the film. 

Dan zoek ik het gedicht op:

Give Me the Splendid Silent Sun  (Walt Whitman 1819-1892)

1

Give me the splendid silent sun with all his beams full-dazzling,
Give me autumnal fruit ripe and red from the orchard,
Give me a field where the unmow’d grass grows,
Give me an arbor, give me the trellis’d grape,
Give me fresh corn and wheat, give me serene-moving animals teaching
content,
Give me nights perfectly quiet as on high plateaus west of the
Mississippi, and I looking up at the stars,
Give me odorous at sunrise a garden of beautiful flowers where I can
walk undisturb’d,
Give me for marriage a sweet-breath’d woman of whom I should never tire,
Give me a perfect child, give me away aside from the noise of the
world a rural domestic life,
Give me to warble spontaneous songs recluse by myself, for my own ears only,
Give me solitude, give me Nature, give me again O Nature your primal
sanities!

These demanding to have them, (tired with ceaseless excitement, and
rack’d by the war-strife,)
These to procure incessantly asking, rising in cries from my heart,
While yet incessantly asking still I adhere to my city,
Day upon day and year upon year O city, walking your streets,
Where you hold me enchain’d a certain time refusing to give me up,
Yet giving to make me glutted, enrich’d of soul, you give me forever faces;
(O I see what I sought to escape, confronting, reversing my cries,
see my own soul trampling down what it ask’d for.)

2

Keep your splendid silent sun,
Keep your woods O Nature, and the quiet places by the woods,
Keep your fields of clover and timothy, and your corn-fields and orchards,
Keep the blossoming buckwheat fields where the Ninth-month bees hum;
Give me faces and streets–give me these phantoms incessant and
endless along the trottoirs!
Give me interminable eyes–give me women–give me comrades and
lovers by the thousand!
Let me see new ones every day–let me hold new ones by the hand every day!
Give me such shows–give me the streets of Manhattan!
Give me Broadway, with the soldiers marching–give me the sound of
the trumpets and drums!
(The soldiers in companies or regiments–some starting away, flush’d
and reckless,
Some, their time up, returning with thinn’d ranks, young, yet very
old, worn, marching, noticing nothing;)
Give me the shores and wharves heavy-fringed with black ships!
O such for me! O an intense life, full to repletion and varied!
The life of the theatre, bar-room, huge hotel, for me!
The saloon of the steamer! the crowded excursion for me! the
torchlight procession!
The dense brigade bound for the war, with high piled military wagons
following;
People, endless, streaming, with strong voices, passions, pageants,
Manhattan streets with their powerful throbs, with beating drums as now,
The endless and noisy chorus, the rustle and clank of muskets, (even
the sight of the wounded,)
Manhattan crowds, with their turbulent musical chorus!
Manhattan faces and eyes forever for me.

 

Vooral in het tweede deel herken ik Bloem: het zich afwenden van de natuur en het omarmen van het stedelijke leven. De veel voorkomende frase Give me … van Whitman tref je ook bij Bloem aan: Geef mij de grauwe, stedelijke wegen

De vraag is of Bloem dit gedicht van Whitman heeft gekend. Tijd-technisch gezien kan het. Whitman stierf in 1892, terwijl Bloem zijn befaamde gedicht schreef op 28 oktober 1945 (bron: bloemlezing ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’ van Aarts en van Etten, 1990, p. 263).

Als ik ga googlen op Whitman & Bloem kom ik geen informatie tegen met een sluitend antwoord. Enige tijd later kom ik in de bundel ‘500 Gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ een gedicht van de Britse dichter William Woodsworth  tegen. De vertaler: J.C. Bloem! Er is dus een link tussen Bloem en Engelstalige poëzie.

Ik besluit verder te spitten. Ik weet dat er niet zo lang geleden een biografie over Bloem is verschenen. Misschien dat de schrijver me verder kan helpen. Via internet blijkt dat het om een proefschrift gaat: Bart Slijper, Van alle dingen los. Het leven van J.C. Bloem (De Arbeiderspers, Amsterdam 2007), ISBN: 978 90 2956499 1.

 

Ik neem per e-mail contact op met Bart Slijper:

Ik ben nieuwsgierig naar de vraag of J.C. Bloem geïnspireerd kan zijn geweest door de bekende Amerikaanse dichter Walt Whitman. In de bijlage treft u de reden voor mijn nieuwsgierigheid aan.

Ik vraag me af of het beroemde gedicht van Bloem over de Dapperstraat op enige wijze verband houdt met een gedicht van Whitman. Ik zie namelijk een paar parallellen.

Wellicht dat u als (volop geprezen) biograaf van Bloem mij hier op antwoord kunt en wilt geven.

Slijper meldt me dat ook hij de woordelijke overeenkomst tussen de gedichten van Whitman en Bloem opvallend vindt. Ook bevestigt hij dat Bloem een groot liefhebber van Engelstalige poezie was en goed bekend met het werk van Whitman. Maar een sluitende aanwijzing dat Bloem zijn Dapperstraat geënt heeft op het Manhattan van Whitman heeft hij niet.

Eerst ben ik wat teleurgesteld, maar al snel merk ik dat ik eigenlijk niet op zoek ben naar een smoking gun. Om in detective-termen te blijven: ik heb circumstantial evidence gevonden en dat is al mooi genoeg. En bovendien: kunstenaars putten vaak hun inspiratie uit het werk van andere kunstenaars. Dat levert mooie kunst op.

 

P.S.

De getoonde afbeelding is te vinden in Amsterdam aan de kop van de Dapperstraat langs de Singelgracht.

Het is een eerbetoon aan J.C. Bloem van Steffen Maas (1999).  Hij heeft zich laten inspireren door de geel-zwarte borden van Rijkswaterstaat die je vaak langs het water ziet staan met de aanduiding A voor aanlegplaatsen of K voor kabels. (bron: Toon Lauwen: Holland in Beeld, 2007).

 

Oek de Jong en Ed van der Elsken; over de kracht van woorden en beelden

Toen ik onlangs thuiskwam na het bezoeken van de mooie Ed van der Elsken tentoonstelling De Verliefde Camera in het Stedelijk Museum in Amsterdam, had ik nog even een vrij momentje om het boek uit te lezen waar ik enige tijd geleden aan begonnen was: Pier en oceaan van Oek de Jong.  Een dikke pil van ruim 800 bladzijden. De Jong schetst de jonge jaren van Abel Roorda, van de vroege jaren ’50 tot de vroege jaren ’70.  Ik had nog dertig bladzijden te gaan, maar ik bladerde, aangestoken door Ed van der Elsken, terug naar een van de eerste hoofdstukken. Oek de Jong beschrijft daar namelijk hoe Abel’s moeder als jonge, zwangere vrouw op bezoek gaat bij haar 14 jaar oudere broer Gregoor in Amsterdam. Deze broer was een buitenbeentje in de familie en leidde een bohemienachtig bestaan als fotograaf. Oek de Jong schetst in een paar bladzijden zijn entourage: vrouwen, drank, Karel Appel, Parijs. Al deze ingrediënten had ik net ook in het Stedelijk gezien. Zou Ed van der Elsken model hebben gestaan voor deze Gregoor Houttuyn? Ik weet het niet, maar het is een interessante gedachte. Vooral ook omdat Oek de Jong en Ed van der Elsken allebei zo treffend dezelfde naoorlogse periode weten te portretteren. Oek de Jong in woorden en Ed van der Elsken in beelden. Oek de Jong met het traditionele leven in de provincie (Friesland, Zeeland) als decor en Ed van der Elsken die vooral het straatleven van de grote stad (naast Amsterdam ook wereldsteden als Parijs en Tokyo) laat zien.

Het lezen van het boek en het bekijken van de tentoonstelling leidde bij mij enerzijds tot veel herkenning, maar ook tot een soort vervreemding, omdat die tijd inmiddels zo ver achter ons ligt. Het werk van beide kunstenaars toont aan dat die tijd onmiskenbaar en onomkeerbaar voorbij is (ook al lijken sommige politici er naar terug te verlangen) Ik groeide op in de jaren ’60 en ik herken op de foto’s van van der Elsken onmiddellijk de kleding, de kapsels, het karige interieur van de huizen, het straatbeeld. Zo staan ze namelijk ook in mijn oude foto-boeken. Het roept bijna fysieke reacties op. Ik voel weer de kriebelende stof van de truien uit mijn jeugd en ruik weer de aftershave van mijn vader. Puur jeugdsentiment.

Geen wonder dat er zoveel leeftijdsgenoten in het Stedelijk rondlopen, al zijn er ook de nodige jonge bezoekers. Het knappe van Ed van der Elsken is dat hij dat tijdsbeeld vooral weet te vangen met karakteristieke portretten (daar staan er juist te weinig van in mijn foto-albums; maar goed, mijn vader had weer andere talenten). Van der Elskens ‘personages’ zijn aan de ene kant doodnormaal, gewoon op straat aangetroffen en in hun natuurlijke omgeving vastgelegd. Aan de andere kant zijn zij door de camera buitengewoon gemaakt en daardoor iconen van hun tijd geworden. Dat spel van gewoon-buitengewoon maakt het werk van Ed van der Elsken zo aantrekkelijk en herkenbaar.

Oek de Jong kiest ook voor gewone mensen. Zijn verhaal bevat niet een beschrijving van een excentrieke familie of een uitwerking van een bizarre gebeurtenis die het leven van de hoofdpersonen gedurende meerdere generaties tekent. Hij beschrijft, met veel oog voor omstandigheden en details, het leven van een gewone jongen (Abel Roorda) die op het platteland opgroeit. Het verhaal begint bij de ongeplande en onzekere zwangerschap van zijn moeder en eindigt bij Abel’s afscheid van de middelbare school en de daarop volgende zomer die hij voor het eerst zonder zijn ouders doorbrengt.

 

In zijn jonge jaren woont hij in Friesland totdat het gezin gaat verhuizen naar Zeeland, waar zijn vader rector wordt van een middelbare school. Oek de jong beschrijft een jeugd die niet wezenlijk anders is dan die van zoveel jongeren in die tijd: kattenkwaad, huiswerk, onzekerheid, ruzie met je ouders, eerste verliefdheden, verveling, stoer doen. Ook Oek de Jong weet het gewone bijzonder te maken. Waar Ed van der Elsken met zijn sterke beelden directe, zintuiglijke herkenning oproept, weet Oek de Jong zo treffend sferen en emoties te beschrijven dat je als lezer al snel teruggevoerd wordt naar de ervaringen en gevoelens uit je eigen jeugd.

 

 

Een groot verschil tussen beiden is dat Ed van der Elsken ons rauwe, vitale, uitdagende, grootstedelijke beelden voorschotelt, terwijl de Oek de Jong vooral de kleinburgerlijke, beklemmende wereld van het provinciale leven schetst. De hoofdpersonen uit Pier en Oceaan kunnen daar alleen aan ontsnappen als ze in de vrije natuur zijn; het liefst ergens bij het water.

Wie op zoek is naar het Nederland van 50 jaar geleden krijgt met het combineren van De Verliefde Camera en Pier en Oceaan een prachtig totaalbeeld met allerlei facetten: stad en platteland, levenslust en bekrompenheid, bohemiens en boeren, verwachting en teleurstelling.

Het bezoeken van de tentoonstelling duurt ongeveer anderhalf uur, het lezen van het boek een veelvoud daarvan. Een boek van 800 bladzijden lijkt minder van deze tijd. Het vergt rust, tijd en concentratievermogen om dit boek, dat juist niet bol wil staan van plotwendingen en ‘moord en brand’,  te lezen. Het is echt een ‘slow medium’ dat heel goed past bij de tijd die het beschrijft: de jaren ’50 en ’60. Daarmee is het echt een boek voor 50-plussers en, naar ik vrees, niet voor jongeren. Op de tentoonstelling van Ed van der Elsken zag ik wel de nodige jonge geïnteresseerden. Zijn werk spreekt ook huidige generaties aan. Sterker nog, wat Ed van der Elsken met zijn foto’s en films laat zien kun je opvatten als het voorwerk van wat jongeren tegenwoordig via social media en vlogs met elkaar delen.

Zo lijkt het beeld het te winnen van het woord. De beelden, zeker de mooie beelden van Ed van der Elsken, laten ons blije, verbaasde, verliefde, of opstandige mensen zien. Maar het zijn letterlijk momentopnames. We weten niet waarom deze mensen blij of opstandig zijn. Daar heb je een verhaal bij nodig. Een verhaal, zoals Pier en Oceaan, waardoor je begrijpt waarom Abel met het ene meisje zoent terwijl hij heimelijk verliefd is op het andere. Een verhaal waardoor je aanvoelt dat het een keer tot een fikse confrontatie met zijn vader moest komen. Een verhaal zonder beelden, waarbij je zelf op de tast moet gaan. Daar is veel voor te zeggen.

 

Piet Mondriaan: Pier en Oceaan 4

P.S.

De boektitel Pier en Oceaan is ontleend aan een reeks schilderijen van Piet Mondriaan. De schilderijen zijn geïnspireerd op het lijnenspel van zee, lucht en pieren dat Mondriaan aan de Zeeuwse kust (Domburg) aantrof. Ze markeren de overgang van Mondriaan naar abstract werk.