Categoriearchief: Communicatie & onderwijs

23 oeroude woorden

Er bestaat een soort oer-Aap-Noot-Mies. Een basis-esperanto avant-la-lettre. Deze woorden vertellen ons letterlijk welke begrippen 10.000 tot 15.000 jaar geleden voor onze voor-voor-voorouders van betekenis waren.

 

Wetenschappers hebben ontdekt dat er binnen zeven verschillende Euraziatische taalgroepen 23 gemeenschappelijke oerwoorden bestaan. Het taalhistorische onderzoek, gepubliceerd in 2013[1], wijst uit dat deze oerwoorden tot 15.000 jaar oud zijn. De ontdekking suggereert dat er ooit een oorspronkelijke oertaal heeft bestaan waaruit de afzonderlijke Europese en Aziatische taalfamilies voortgekomen zijn. Het voert te ver om de onderzoeksmethode van de wetenschappers (onder wie een evolutionair bioloog, taalhistorici en linguïsten) geheel uit de doeken te doen, maar het is een interessant gegeven dat ze zijn uitgegaan van de frequentie van woordgebruik. Hoe vaker woorden worden gebruikt, hoe kleiner de kans dat ze door de eeuwen heen veranderen. Deze 23 standvastige woorden vertegenwoordigen daarmee betekenis-aanduidingen die in een enorm groot deel van de wereld de tand des tijds het best hebben weten te doorstaan. Van India tot Finland en van Siberië tot Portugal.

De Volkskrant omschreef dit in een nieuwsbericht over deze bijzondere ontdekking in 2013 als volgt: dat betekent dat de mensen die vlak na de ijstijd leefden al woordklanken gebruikten die nu nog steeds in omloop zijn.

Ik vind dat een fascinerend idee. Er bestaat dus een soort oer-Aap-Noot-Mies. Een basis-esperanto avant-la-lettre. Deze woorden vertellen ons letterlijk welke begrippen 10.000 tot 15.000 jaar geleden voor onze voor-voor-voorouders van betekenis waren. Ze vertellen ons iets over de wereld waarin zij leefden. Het wetenschappelijke artikel presenteert de lijst met 23 woorden in volgorde van frequentie en betekenisverwantschap binnen de zeven taalfamilies. Hoe groter het aantal taalfamilies waarin een betekenis-verwante term voorkomt, des te hoger het betreffende woord op de lijst. Dit is de lijst met de 23 aangeduide betekenissen in het Engels:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het Nederlands:

Gij, Ik, Niet, Dat, Wij, Geven, Wie, Dit, Wat, Man, Jij, Oud, Moeder, Horen, Hand, Vuur, Trekken, Zwart, Stromen, Bast, As, Spugen en Worm.

Wat leert deze lijst ons? In de eerste plaats zien we een variëteit aan taalkundige woordsoorten. De lijst bevat een mix van (voor-)naamwoorden, werkwoorden en bijwoorden.

Persoonlijk: ik, jij, wij, gij

Zelfstandig: as, man, moeder, hand, vuur, bast, worm

Bijvoeglijk: oud, zwart

Werkwoorden: geven, horen, trekken, stromen, spugen

Aanwijzende en vragen voornaamwoorden: dit, dat, wie, wat

Bijwoord: niet.

Van Hester Knibbe verscheen dit jaar de mooie dichtbundel As, Vuur. Ze heeft zich door deze ontdekking laten inspireren en heeft voor elk oerwoord een gedicht geschreven. In deze blogtekst staan de gedichten Ik en Stromen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als we naar de betekenis van de woorden kijken, staan er meerdere bij die voor de hand liggen, zoals ik, jij, en wij; en dit en dat.

 

Hester Knibbe: Ik

 

Ook woorden als man, hand, vuur, geven en horen wekken geen verbazing. Al valt op dat man wel in de lijst staat, maar het woord vrouw niet. De enige term die naar vrouwen verwijst is moeder.  Kennelijk is het moederschap volgens onze voorvaderen de ultieme bestemming van vrouwen. En als er vuur in de lijst staat, verwacht je ook water, maar dat woord ontbreekt merkwaardig genoeg, al is wel het werkwoord stromen opgenomen.

Hester Knibbe: Stromen

 

Ook zou je woorden als oog of zien verwachten naast het woord horen.

De woorden die mij het meest opvallen zijn spugen, bast, worm en gij. Onderzoeksleider Mark Pagel vertelde in een interview in The Guardian dat hij bast wel begreep: ‘Bark was really important to early people; they used it as insulation, to start fires, and they made fibres from it’. Maar het woord spugen kon ook Pagel niet thuisbrengen: ‘I couldn’t say I expected “to spit” to be there. I have no idea why. I have to throw my hands up.’

Dan blijven nog de woorden worm en gij over. Worm is het enige dier in de lijst. Aten de oermensen wormen? Gebruikten ze wormen om te vissen? Ik had hier eerder dier-woorden als koe, hond, geit, vis of vogel verwacht. Ook andere woorden die verwijzen naar levende organismen, zoals boom,  plant of bes ontbreken opmerkelijk genoeg.

Ten slotte het woord gij: het woord dat bovenaan de lijst staat en als enige woord verwante betekenissen heeft in alle zeven onderzochte taalfamilies. Daarmee is gij het opper-oerwoord. Een eerbiedwaardig woord dat we in Nederland alleen nog in archaïsche zin gebruiken als we anderen respectvol willen aanduiden of als we het over God hebben. De top-notering van het woord gij geeft aan dat godsdienst van oudsher in het leven van mensen in alle taalfamilies een belangrijke plaats innam. Ik herken het woord gij vooral vanuit mijn jeugd.  Ik maakte als kind kennis met de tien geboden die in hun oude formulering begonnen met het woord gij (Gij zult niet….). De nummer 1 positie doet me ook denken aan het christelijke scheppingslied dat ik als kind leerde zingen: ‘God heeft het eerste woord’ (geschreven door ds. Jan Wit).

Maar wie gebruikt het woord gij tegenwoordig nog? Gij is misschien het meest gewortelde woord, maar Gij en God hebben tegenwoordig (althans in Nederland) niet meer het eerste woord en ook niet het laatste. Het lijkt erop dat er daarmee een eind is gekomen aan tienduizend jaar taal-traditie. Om met Geert Mak te spreken:  hoe Gij verdween uit de Nederlandse taal.

 

[1] Link naar de wetenschappelijke publicatie: http://www.pnas.org/content/110/21/8471

 

P.S. Reageren op dit blog kan via Twitter, LinkedIn of Facebook. Ik heb de reactiemogelijkheid van mijn blog afgesloten, omdat ik teveel spam ontving.

K. Schippers passé? Ben je belazerd!

 

Arjan Peters (de literatuurrecensent van De Volkskrant) stelde dit afgelopen weekend een aantal kritische vragen over de kwaliteit van de hedendaagse poëzie.[1] Zijn vragen (misschien is ‘noodkreten’ een betere term) legt hij voor aan een aantal dichters. Aan Ellen Deckwitz stelt hij de vraag of we niet belazerd worden door sommige dichters. Als voorbeeld noemt hij de nieuwste dichtbundel van K. Schippers Garderobe, kleine zaal.

In de ogen van Peters levert Schippers “een groot aantal mopjes” die nooit gepubliceerd hadden mogen worden en herhaalt Schippers zijn trucjes die 50 jaar geleden misschien nog aardig waren, maar nu niet meer. Hij vindt dat Schippers sindsdien “geen stap vooruit is gekomen”. Maar, voegt hij toe, Schippers is een gelauwerd schrijver; wie zou zijn werk ter discussie durven te stellen?

 

Welnu, Arjen Peters biedt zichzelf aan en gooit de knuppel in het poëtische hoenderhok. Op zich een dappere stap, maar hij weet mij niet te overtuigen. In de eerste plaats geeft hij voor zijn algemene stelling (“we worden belazerd”) maar één voorbeeld, namelijk de nieuwste bundel van K. Schippers. Een bredere presentatie van voorbeelden en cases was overtuigender geweest. In de tweede plaats zegt Peters vragen te willen stellen, maar zijn vragen zijn eigenlijk stellingen. Hij heeft zijn oordeel al klaar, zonder de antwoorden af te wachten. Dan had hij beter een J’accuse kunnen schrijven. In de derde en laatste plaats miskent hij (in mijn ogen) de relevantie van het werk van K. Schippers. Ook in deze tijd. Dus zelfs het enige voorbeeld dat Peters bij zijn eerste vraag als bewijsmateriaal opvoert, de bundel van Schippers, is wat mij betreft niet het schoolvoorbeeld van rommel-poëzie die nooit gepubliceerd had mogen worden. Integendeel. Ik zal proberen dat laatste toe te lichten.

 

Ik heb een jaar of acht geleden K. Schippers ontdekt. Misschien een beetje laat, want hij timmert al vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw aan de weg, maar goed: beter laat dan nooit. Natuurlijk had ik weleens eerder van hem gehoord, maar zijn naam en zijn werk waren nooit echt bij me blijven hangen. Tot een jaar of acht geleden dus. Ik was rond de vijftig, de kinderen waren de deur uit. Ik had altijd al belangstelling voor literatuur en kunst gehad, maar ik kreeg meer tijd en ruimte (en behoefte) om uitgebreider aandacht aan deze zaken te gaan besteden. Ik ging poëziebundels lezen, schafte kunstboeken aan en bezocht, meer dan vroeger, musea, concerten, films en tentoonstellingen. Op de een of andere manier kwam ik daarbij met de nodige regelmaat de naam van K. Schippers tegen. Hij bleek niet alleen dichter te zijn, maar ook romanschrijver, essayist, scenarist, kunstkenner en kinderboekenschrijver. Die veelzijdigheid sprak en spreekt me aan; en ook zijn visie die in zijn eigen werk doorklinkt en in zijn beschouwingen over andere schrijvers en kunstenaars. Langzamerhand ging het werk van Schippers mij steeds meer boeien. Ik kwam meer te weten over zijn persoonlijke achtergrond en ook ging ik lijnen, verbanden en ontwikkelingen in zijn werk zien.

 

Op het persoonlijke vlak ontdekte ik dat hij de schoonzoon is van de dichter Ed. Hoornik. Schippers trouwde met Hoornik’s dochter Erica. Zijn goede vriend Bernlef trouwde met haar tweelingzus Eva. Zo bracht het gezin Hoornik generaties dichters bij elkaar. Schoonvader Hoornik en schoonzonen Schippers en Bernlef traden alle drie op tijdens de roemruchte Poëzie in Carré bijeenkomst in 1966. Daar las Schippers onder andere een tekst van Cees Buddingh’ voor en Buddingh’ een tekst van Schippers. Cees Buddingh’ was een geestverwant en vriend van Schippers was en maakte die avond furore met zijn gedicht Pluk de dag. (zie ook mijn blog over Cees Buddingh’: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=739 ).

 

Een ander persoonlijk weetje is dat Schippers’ dochter Bianca Stigter (werkzaam op de cultuurredactie van de NRC) de levenspartner is van Steve McQueen, de regisseur van de Oscar-winnende film Twelve Years a Slave. Natuurlijk is dit geen verdienste van K. Schippers zelf, maar het is op zich een interessant gegeven. Net als vroeger bij de familie Hoornik, zal er nu in de familie Schippers-Stigter heel wat uitgewisseld worden.

 

In zijn werk heeft K. Schippers mij geleerd anders en beter waar te nemen. Hij is wat mij betreft de meest zintuiglijk Nederlandse schrijver. Hij geeft op heldere wijze duiding aan het werk van anderen. Hij helpt je hun werk beter te zien en te waarderen. In zijn eigen teksten speelt hij met observaties en perspectieven. Daarbij wisselt hij moeiteloos van tijd, ruimte en ‘point of view’.

Dat zie je terug in dit bekende gedicht:

Bij Loosdrecht

Als dit Ierland was

Zou ik beter kijken

 

Als je zijn teksten leest, kijk je door zijn ogen naar de wereld. Dat doet hij op een knappe, interessante en soms amusante manier. De aanleiding is vaak iets alledaags. Niet voor niets wordt Schippers gezien als degene die de ready-made heeft geïntroduceerd in de Nederlandse poëzie. Hierbij put de dichter inspiratie uit een gebruiksvoorwerp (adressenlijstje, vulpen, bakje suikerklontjes) of neemt hij je mee in een alledaagse observatie.

Eeuwigheid

De suikerpot wordt altijd

aangevuld zonder dat de onderste

klontjes zijn gebruikt.

Zo kunnen die er jaren liggen.

 

Daarnaast biedt zijn werk voldoende andere teksten die, in tegenstelling tot wat Arjan Peters beweert, niet tot de categorie ready-mades of taaltrucs behoren.

 

De gift

 Geef mij wat je bij je hebt.

Geen sleutels of geld.

Wel wat er maar even is.

 

Het vlug gekrabbelde telefoonnummer.

Het meegestoomde papiertje in je jaszak.

De knop op het punt van verliezen.

 

De woorden die je net niet hebt gezegd.

Je kracht te veel om een deur open te doen.

Alles waar je niets meer aan hebt.

 

Geef mij het geruis van je katoen.

De wind kan wel zonder.

 

Als docent Communicatie kan ik zijn gedichten en observaties goed gebruiken. Mijn studenten moeten leren werken met teksten en beelden. Het werk van K. Schippers levert mij voorbeelden en inspiratie op om met mijn studenten te delen. Schippers laat zien hoe je scherper kunt waarnemen en hoe je dat wat je ervaart, kunt omzetten in woorden en beelden om over te brengen op een ander. Een voorbeeld: in zijn nieuwste bundel staat op een verder lege bladzijde het woord ha lf. Arjan Peters vindt dit iets om “uit zijn vel te springen”.

Maar ik kan dit simpele woord-beeld heel goed gebruiken om met mijn studenten te praten over de vraag hoe je de betekenis van een woord kunt visualiseren. Het verband met het logo van GroenLinks of een poster van de McBreak is dan zo gelegd.

 

 

 

Als amateur-kunstliefhebber loop ik Schippers ook vaak tegen het lijf. Een paar voorbeelden. Als ik na het bezoeken van een museum op zoek ga naar informatie over de kunstenaar Giacometti blijkt Schippers uitvoerig over hem geschreven te hebben. In het prachtige boek De stilte van het licht van Joost Zwagerman (2015) wordt Schippers volop geciteerd. Zo roemt Zwagerman de term die Schippers heeft bedacht om alle stipjes en kringeltjes in het werk van de schilder Miró mee aan te duiden: ‘interpunctiedieren’. In een recente dichtbundel van Ingmar Heytze (De man die ophield te bestaan, 2015) is het gedicht Wisselgeld aan K. Schippers opgedragen. Voor de tentoonstelling over 100 jaar Dada in Museum Drachten (2016) heeft K. Schippers zijn complete Dada-archief aangedragen. Hij schreef ook een boek over Dada in Holland.

 

Dat Schippers herkend en erkend wordt blijkt uit de vele prijzen die hij heeft gewonnen. De erkenning voor zijn werk en vakmanschap blijkt ook uit het feit dat zijn werk op meerdere plekken in het openbaar te zien is. Zijn gedicht De ontdekking staat als tekst op een school in Veenendaal. Op een drukkerij in Ede is de volledige gevel van het gebouw voorzien van een tekst van Schippers.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij het monument voor de Bijlmerramp (1992) heeft K. Schippers een tekst gecomponeerd op basis van de uitspraken van nabestaanden van die ramp. En nog maar kort geleden, in 2016, is ras-Amsterdammer Schippers benoemd tot stadsdichter van Amsterdam. In die hoedanigheid publiceert hij regelmatig gedichten in Het Parool en treedt hij bij allerlei gelegenheden op.

 

Peters doet K. Schippers overduidelijk tekort door hem alleen te zien als de man van het ready-made trucje uit de jaren ’50. Schippers’ gehele oeuvre en de waardering daarvoor omspannen ruim 50 jaar. Ook zijn recente werk biedt voldoende materiaal om van te genieten of om je aan het denken te zetten. Het eerste gedicht van Garderobe, kleine zaal toont dat trefzeker aan (een fragment):

 

Waar je bent

 

Je zit in de bus tegenover

iemand en je denkt ’t is

m’n spiegelbeeld.

 

Zo lijkt ook de echo van je

voetstap op straat van een

ander te zijn.

 

Je luistert naar wat niet

meer bij je hoort, het zegt

waar je bent

 

Natuurlijk mag Arjan Peters kritisch zijn op gedichten uit de nieuwste bundel van Schippers. Ook ik vind niet elke bijdrage in die bundel van adembenemende kwaliteit of van onnavolgbare spitsvondigheid. Maar waarom zou je als criticus spreken over ‘belazeren’? Laten we blij zijn dat K. Schippers nog steeds zo productief is en zijn vakmanschap, taalkunsten en terloopse observaties met ons deelt. Schippers etaleert, in de woorden van Zwagerman “een onstilbare nieuwsgierigheid en een verlangen om alles, inclusief de kleinst denkbare verschijnselen, te registreren, op te slaan en er betekenis aan te geven”. Dat maakt hem, volgens Zwagerman, “een tedere utopist”. Die aanduiding  is misschien iets te rozig, maar in ieder geval een stuk passender dan de uitglijder die Arjen Peters maakt door Schippers te presenteren als iemand die de kluit belazert.

 

[1] https://www.volkskrant.nl/boeken/wat-we-altijd-wilden-weten-van-poezie~a4516743/?utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_campaign=shared%20content&utm_content=paid&hash=3d6ff4f8451bac4127e1890b3dc483a5623260dd

 

1987-2017: 30 jaar Communicatie onderwijs

 

1 september 1987

Een oud-studente memoreerde laatst in een bericht op LinkedIn dat zij dertig jaar geleden, op 1 september 1987, begon aan haar studie op onze hogeschool. Zij behoorde tot de eerste lichting studenten van een nieuw programma dat ‘Voorlichting, Publiciteit en Informatie’ (VP&I) heette. Dat was een zogenaamde vrije studierichting binnen de lerarenopleiding waar ik toen werkte; een voorloper van onze huidige HBO-Communicatieopleiding. Ik behoorde tot de initiatiefnemers van deze opleiding en was in de dagelijkse praktijk naast docent ook coördinator.

 

Door het bericht van deze oud-studente realiseerde ik me dat ik inmiddels 30 jaar actief ben in het communicatie-onderwijs. In die 30 jaar heb ik diverse functies bekleed: studieleider, opleidingsmanager, voorzitter van de curriculumcommissie. En ik ben daarbij altijd les blijven geven.

 

Omdat ik zo lang in het onderwijs werk, krijg ik natuurlijk van tijd de tijd de vraag of het niet saai wordt en of ik het nog wel volhoud. De eerste vraag beantwoord ik steevast met ‘nee’ en de tweede met ‘ja’. Nu ik me realiseer (door het bericht van de oud-studente) dat ik inmiddels 30 jaar in het communicatie-onderwijs meedraai, ben ik op een rij gaan zetten waarom dit werk mij zo blijft boeien. Begrijp me goed, ik ga echt niet elke dag fluitend naar de hogeschool en ik kom ook weleens met hoofdpijn of een kater thuis, maar al met al doe ik mijn werk als Communicatie-docent met veel plezier. Ik denk dat een paar factoren daarbij de doorslag geven. Dan bedoel ik niet primair het plezierige salaris of mijn geweldige collega’s (we hebben echt een fijn team). Met beide ben ik heel tevreden en ik wil daar ook niets aan afdoen, maar ik zou ook met een andere baan een fatsoenlijk salaris en prettige collega’s kunnen hebben. Wat voor mij echt het verschil maakt zijn de studenten en de ontwikkelingen op het Communicatie vakgebied.

 

De studenten

Ieder jaar komen er nieuwe studenten onze hogeschool in. Vaak vers van de middelbare school. Ieder jaar nieuwe vragen, ambities, zorgen en plannen. Vier, vijf jaar later gaan ze met een rugzakje theoretische kennis en enkele eerste praktijkervaringen als jongvolwassen, ‘startbekwame professionals’ de deur uit. Dertig jaar geleden vooral Havisten, de nodige VWO-ers en een enkele MBO-er. Tegenwoordig evenveel MBO-ers als Havisten en nog maar een enkele VWO-er. Dertig jaar geleden bijna allemaal ‘kaaskoppen’; slechts een enkele student met een kleurtje. Tegenwoordig een kosmopolitische klas met studenten uit alle windstreken. Dertig jaar geleden krijtjesborden, pennen en papier. Nu powerpoints, digitale leeromgevingen, smartphones en laptops. Dertig jaar geleden studenten die bijna allemaal op kamers woonden en zich volop overgaven aan het studentenleven. Nu een ruime meerderheid die bij pa en ma blijft wonen en de studie combineert met bijbaantjes, sport en andere activiteiten. Kortom, de hedendaagse student is in meerdere opzichten anders dan de student uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw.

 

De multiculturele samenleving, digitalisering, Generatie Y, het gebruik van social media; je ziet het allemaal terug in de collegebanken.

 

Studenten hebben onderling verschillende culturele referentiekaders, komen uit zeer uiteenlopende milieus, lezen haast geen kranten meer, kijken nauwelijks nog naar televisie, hebben volle agenda’s en nemen de problemen van deze tijd (discriminatie, radicalisering, game-verslaving, sociale ongelijkheid, vechtscheidingen) mee naar school. Dat doet wat met je als docent en met jouw manier van lesgeven. Dat maakt het soms lastig om elkaar goed te begrijpen en tot goede voorbeelden en casuïstiek te komen die herkenbaar zijn voor de hele groep. Daar komt bij dat naarmate ik ouder word, de generatiekloof toeneemt. Niemand begrijpt me als ik het over Joop den Uyl, Dolle Mina, faxen, Bob Dylan, piratenzenders of Sonja Barend heb. Op hun beurt hebben de studenten het over vloggers, festivals, rappers, stijliconen en sporters die ik niet of nauwelijks ken. Als docent moet je meebewegen en proberen de leefwerelden van studenten te verbinden met die van elkaar/onderling en met jouw eigen leefwereld, kennis en ervaringen; anders versta je elkaar niet meer. Dat is soms best lastig, maar ook heel interessant en verre van saai.

Dit alles maakt de factor ‘studenten’ heel wezenlijk en belangrijk voor mijn werkplezier. Maar daar komt nog een factor bij. Als ik namelijk docent Statistiek, Economie of Taalkunde was geweest, had ik dezelfde studenten voor mijn neus gehad met dezelfde kenmerken en dezelfde noodzaak om met hen mee te bewegen.

Die andere belangrijke factor is het Communicatie-vakgebied met al z’n dynamiek en ontwikkelingen.

 

Vakgebied en Opleidingen

Dertig jaar geleden had Communicatie op universiteiten en hogescholen met name de status van bijvak, keuzerichting of uitstroomvariant. Het kreeg daarbij de kleur mee van de moederfaculteit of de hoofdrichting. Op de HEAO’s was CO een meer economisch ingerichte variant met veel aandacht voor marketingcommunicatie en organisatiekunde. Op de Scholen voor Journalistiek ontstond ruimte voor vakken als PR, Voorlichting en Bedrijfsjournalistiek. Agogische opleidingen en de Wageningse universiteit ontwikkelden de discipline Voorlichtingskunde. En op de Universiteit Utrecht trok de legendarische hoogleraar Anne van der Meiden met het keuzevak Public Relations bomvolle zalen. Communicatie was ‘hot’ en al snel schoten allerlei communicatie-achtige opleidingen als paddenstoelen de grond uit. Het gevolg van deze wildgroei was dat het beroepenveld en de politiek gingen aandringen op ordening en regulering. Zo ontstonden op meerdere universiteiten en vrijwel alle hogescholen reguliere Communicatie-opleidingen. Communicatie was een ‘vak apart’ geworden, zoals het landelijke visitatierapport in de jaren ’90 concludeerde. HBO-opleidingen gingen samenwerken aan een ‘gemeenschappelijke stam’ en een gezamenlijke ‘body of knowledge’.

Deze Communicatie-opleidingen waren tot een jaar of tien geleden zeer in trek. Ook op onze hogeschool mochten we jarenlang vele honderden eerstejaars studenten verwelkomen. Die hausse is voorbij. Het aantal aanmeldingen is weliswaar bevredigend, maar niet meer zo massaal. Het zijn nu nieuwe studies op het gebied van media, design en entertainment die erg populair zijn. Waar Communicatie 20-30 jaar geleden een spin-off was van andere opleidingen, zie je nu opleidingen groeien en bloeien die op hun beurt weer een spin-off zijn van Communicatie.

 

Vakgebied en Ontwikkelingen

Dertig jaar geleden was het vakgebied een bonte lappendeken van uiteenlopende disciplines met afgebakende territoria, inclusief eigen tradities, werkwijzen en beroepsverenigingen. Die losse disciplines zijn steeds meer naar elkaar toegegroeid. Er wordt tegenwoordig meer interdisciplinair en geïntegreerd geopereerd. Dat komt ook omdat de visie op het vak is veranderd (al blijven de gezichtspunten van Communicatie-kundigen ook tegenwoordig nog vaak uiteenlopen). Waar vroeger meer planmatig, zender-georiënteerd en instrumenteel naar Communicatie werd gekeken, voeren nu termen als interactie, co-creatie, agile opereren en scrummen de boventoon. Niet strak sturen, roeptoeteren en aanprijzen, maar in samenspraak werken aan verbinding en betekenisverlening. Dat gaat hand in hand met misschien wel de grootste verandering binnen het vakgebied: de enorme opmars van nieuwe media op de golven van digitalisering en internationalisering. Deze ontwikkeling heeft allerlei oude indelingen en afbakeningen doen vervagen: tussen producent en consument, tussen zender en ontvanger, tussen nationaal en internationaal, tussen publiek en privé, tussen commercieel en niet-commercieel. Dat vergt andere manieren van denken en werken binnen het Communicatie-vak en binnen het Communicatie-onderwijs. Het anders werken zie je terug in tal van nieuwe soorten functies die de afgelopen jaren zijn ontstaan: podcastondernemer, listening officer, webcare coördinator, online marketeer, content strateeg. De VPRO schetst in Berichten uit de Nieuwe Wereld boeiende portretten van dergelijke nieuwe professionals: https://www.vpro.nl/dnw/lees/artikelen/2017.html ).

Ook Betteke van Ruler geeft in dit boek een mooi overzicht van Communicatie-specialismen

Je moet als opleiding daarin mee. En dat is soms verdraaid lastig omdat die ontwikkelingen heel snel gaan en je je studieprogramma niet elk half jaar om kunt gooien. Maar je kunt wel via gastcolleges, masterclasses en een blok ‘recente ontwikkelingen’ inspelen op actuele trends en thema’s. Zoals gezegd spelen nieuwe media een heel belangrijke rol bij deze ontwikkelingen. Het bestuderen van media behoort tot de kernvakken van communicatie-opleidingen en het interessante is dat de studenten deze media volop gebruiken. Niet alleen als consument, maar ook als producent. Studenten zijn massaal bezig met vloggen, bloggen, websites bouwen of video’s maken.

 

Veel en divers voorbeeldmateriaal

Het voorbeeldmateriaal ligt dankzij al deze ontwikkelingen voor het oprapen en is binnen en buiten het klaslokaal op te roepen, te delen, te bewerken. Het mooie is dat communicatieprofessionals in alle sectoren van de maatschappij actief zijn, dus de voorbeelden en de cases zijn heel divers. Een greep uit de afgelopen maanden: de jongenscampagne van Sire, de KNVB-persconferentie met Hans van Breukelen, crisiscommunicatie bij de Holland Casino brand in Groningen, Giel Beelen die overstapt van 3FM naar Radio Veronica, de groeiende populariteit van Instagram, influencer Anna Nooshin die een waterfles van Shell promoot, de geruchtmakende campagne van Suistudio (Suitsupply), de nieuwe kledinglijn van de Febo, het gedeukte imago van het Nederlandse ei, de Mondriaan-inhaker van Heineken, etc. etc.

Zo zorgen de studenten, de ontwikkelingen binnen het vakgebied en de dynamiek die daardoor ontstaat voor een snel veranderend, complex, maar ook zeer uitdagend werkgebied. Dat houdt mij bij de tijd en bij de les.

 

1 september 2017

Vandaag is het 1 september. Ik ga weer aan de slag met een nieuwe lichting eerstejaars studenten, met het vak Medialandschap in jaar 2, met 10 stagiairs bij uiteenlopende organisaties (museum, reclamebureau, auto-importeur, internetbedrijf), met een groepje afstudeerders en met 20 buitenlandse studenten binnen ons exchange program.

Jaar 31 gaat beginnen. Mooi werk!

 

________________

Reacties op mijn blog zijn zeer welkom. Graag via Facebook, Twitter of LinkedIn. Ik heb de reactie-functie van mijn blog helaas moeten blokkeren omdat ik heel veel spam ontving.

 

Doe mee aan de Migratie-quiz

Voor de tweede keer op rij is het overleg tussen VVD, CDA, D66 en GroenLinks over de vorming van een nieuwe regering stukgelopen. En voor de tweede keer bleek het onderwerp ‘Migratie’ het struikelblok.

 

 

 

 

 

In eerdere blogs wees ik al op de paradox dat aan de ene kant grote internationale thema’s als klimaat en migratie van wezenlijk belang zijn, maar dat aan de andere kant tijdens de verkiezingscampagne deze thema’s relatief weinig aan bod zijn gekomen. Wanneer hebben we de politieke kopstukken uitvoerig over klimaat of migratie horen discussiëren in de aanloop naar de verkiezingen?  Veel te weinig, naar mijn smaak. En zie daar: tijdens de formatie blijken dit toch de grote, principiële thema’s te zijn. De Nederlandse kiezer had hierop veel meer aangesproken moeten worden. Gelukkig hebben we de verkiezingsprogramma’s nog. Wat hebben VVD, CDA, D66 en GroenLinks in hun verkiezingsprogramma’s geschreven over het thema Migratie. Welke keuzes maken ze? En zijn hun standpunten inderdaad onverenigbaar?

Het lijkt me aardig om deze vragen aan de lezers van dit blog voor de leggen in de vorm van een kleine quiz.

Ik heb van elk van de vier genoemde partijen een typerende passage over Migratie uit het verkiezingsprogramma geselecteerd.  Daar stel ik drie vragen bij. Aan jou, lezer, de uitnodiging om die vragen te beantwoorden en als reactie te plaatsen op de plek waar je mijn blog en oproep bent tegengekomen: LinkedIn, Twitter of Facebook.

Ik zal binnenkort een overzicht van de antwoorden publiceren. Dank alvast voor je deelname.

 

Hieronder eerst de vier teksten, dan de drie vragen

 

De grote migratie quiz

(Lees eerst onderstaande teksten (fragmenten uit de verkiezingsprogramma’s van VVD, CDA, D66 en GroenLinks) goed door en beantwoord dan de drie vragen)

TEKST A

Voor mensen die in eigen land hun leven niet zeker zijn staat onze deur altijd open – dat is onze dure medemenselijke plicht. Maar wij hebben ook begrip voor mensen die willen ontsnappen aan uitzichtloze armoede, voedselgebrek, onbetaalbare gezondheidszorg, corrupte overheden of decennia durende schaduwlevens in kampen voor ontheemden. Het gaat om mensen die verbetering van hun lot – vaak tegen de klippen op – in eigen hand nemen. Daar geldt dat het aanpakken van de oorzaken door meer ontwikkelingssamenwerking en effectiever buitenlands beleid verreweg de voorkeur geniet boven symptoombestrijding door opvang in de regio of in Europa.

 

TEKST B

Voor vluchtelingen, in het bijzonder kinderen die werkelijk in nood verkeren bieden wij altijd hulp en bescherming. Voor oorlogsvluchtelingen kan dat in beginsel in de vorm van een ontheemdenstatus, waarbij de vluchteling aan de ene kant de ruimte krijgt om zich via opleiding of (vrijwilligers-)werk te ontwikkelen, maar hij aan de andere kant ook vanaf het begin eerlijk en duidelijk te horen krijgt dat het verblijf hier tijdelijk is. Het perspectief blijft gericht op terugkeer en hun bijdrage aan de wederopbouw van het land van herkomst, als de situatie daar weer veilig is, tot het moment dat veilige terugkeer geen reële optie meer is.

 

TEKST C

Iedere vluchteling heeft recht op een veilig heenkomen, maar dat hoeft niet per definitie binnen Europa te zijn. We willen niet langer machteloos toekijken hoe mensen dagelijks verdrinken in de Middellandse Zee. Daarom zorgen we voor voldoende veilige en goede opvang in de regio zelf, zodat we asielaanvragen in Europa overbodig maken. Dit betekent wel dat we moeten investeren in betere en duurzame opvang in die regio. Het geld dat we nu aan opvang in Europa uitgeven, kunnen we daar veel efficiënter besteden. Zo helpen we levensgevaarlijke routes van mensensmokkelaars en problemen in onze eigen samenleving te voorkomen.

 

TEKST D

Er komt meer geld voor opvang van vluchtelingen in de regio zodat mensen die lang in opvangkampen verblijven duurzame bescherming, veiligheid, onderwijs en zorg krijgen. Nederland investeert, samen met het bedrijfsleven, in de economie van de opvanglanden in de regio en het scheppen van banen voor vluchtelingen én burgers aldaar. Nederland zet zich ruimhartig in voor veilige routes en hervestiging van kwetsbare vluchtelingen in Europa via de UNHCR. Nederland verhoogt zijn aanbod voor de hervestiging van vluchtelingen substantieel.

 

 

Vraag 1.

Welke van de vier teksten wijkt qua inhoud en intentie het meest af van de overige drie?

 

Antwoord: Tekst

 

Vraag 2.

Welke tekst is afkomstig van welke partij

VVD CDA D66 GroenLinks
Tekst A
Tekst B
Tekst C
Tekst D

 

Vraag 3.

Liggen de teksten en de bijbehorende intenties van de vier partijen inderdaad zo ver uit elkaar dat de breuk op het thema Migratie daarmee te begrijpen is?

 

Antwoord:  JA   /  NEE

 

 

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

Antwoorden graag via de reactie-functies van LinkedIn, Facebook  of Twitter

 

Geraadpleegde bronnen:

https://www.vvd.nl/nieuws/verkiezingsprogrammas/

 

https://www.cda.nl/standpunten/verkiezingsprogramma/

 

https://verkiezingsprogramma.d66.nl/programma/vol-vertrouwen-de-wereld/#betrokken-bij-en-realistisch-over-vluchtelingen

 

https://groenlinks.nl/programma

 

 

 

Bipolaire politiek

“We zouden wat mij betreft op zoek moeten naar vormen van democratie waarbij  de kiezer geen zwart-wit keuzes voorgelegd krijgt, maar uitgenodigd wordt om mee te denken en mee te praten over oplossingen voor politieke vraagstukken. Politici en politieke partijen zouden hun eigen opvattingen moeten kunnen relativeren en oog hebben voor alternatieve opvattingen.”

 

Frankrijk gaat aanstaande zondag naar de stembus om een nieuwe president te kiezen. In de eerste ronde, twee weken geleden, behaalden Emmanuel Macron en Marine Le Pen de meeste stemmen waardoor zij nu doorgaan naar de tweede en beslissende ronde. Net als in de Verenigde Staten heeft de president in Frankrijk zeer grote politieke bevoegdheden, dus er staat veel op het spel voor de Fransen. In veel landen met een presidentieel systeem vervult de president een meer ceremoniële rol als staatshoofd zonder werkelijke politieke macht. Een verbindende figuur die de nationale eenheid symboliseert. In Frankrijk en in Amerika is de president echter niet alleen staatshoofd, maar ook veruit de machtigste politieke figuur, de centrale spelbepaler. Hij is dus niet een boven de partijen staande verbinder, maar een staatshoofd met een uitgesproken politieke kleur. En omdat er maar één persoon president kan worden, heeft de uiteindelijke verkiezingsdag in een land met een presidentieel systeem altijd een bipolair karakter met een zwart-wit keuze: òf de één òf de ander.  Degene met de meeste stemmen wint. Duidelijk en simpel.

 

 

 

 

 

 

Dat bipolaire systeem kom je ook tegen bij referenda. Referenda lijken de laatste jaren aan populariteit te winnen. Denk aan recente voorbeelden in Schotland (over onafhankelijkheid), Nederland (over Oekraïne), Groot-Brittannië (Brexit) of Turkije (presidentieel systeem). Ook bij een referendum wordt de keuze voor de kiezer teruggebracht tot een duale optie: het beantwoorden van een vraag met een eenvoudig Ja of Nee. Ook hier geldt: de meeste stemmen gelden.

Ik heb veel moeite met deze vormen van bipolaire politiek. Een tweestrijd is prachtig voor media en opiniepeilers. Het levert, net als bij sportwedstrijden of thrillers, een spannende ontknoping op met een winnaar-op-punten. Maar het land moet na de verkiezingen weer verder, terwijl de politieke tweestrijd de tegenstellingen juist heeft vergroot. Vooral bij verkiezingen met een lage opkomst en/of met een krappe overwinning blijven grote groepen mensen met een kater achter. Wat als Macron wint met 55% van de stemmen bij een opkomst van 55%? Dan is 30% van alle Fransen opgelucht en blij, terwijl 70% teleurgesteld, onverschillig of boos is. En wat heeft de Brexit-uitslag nu feitelijk opgeleverd of opgelost? De verliezende premier (David Cameron) is vertrokken, de winnende uitdager (Nigel Farage) is ook van het politieke toneel verdwenen, de eerste onderhandelingen met de EU verlopen uiterst moeizaam, een nieuw Schots onafhankelijkheidsreferendum dreigt en de ongekozen Theresa May schrijft nieuwe verkiezingen uit. Tel uit je winst. Of kijk eens naar de politieke situatie in de Verenigde Staten waar al jarenlang een verlammende loopgravenoorlog tussen Democraten en Republikeinen woedt. Soms met een lock-down tot gevolg.

We zouden wat mij betreft op zoek moeten naar vormen van democratie waarbij  de kiezer geen zwart-wit keuzes voorgelegd krijgt, maar uitgenodigd wordt om mee te denken en mee te praten over oplossingen voor politieke vraagstukken. Geen bipolaire presidentsverkiezingen en referenda, maar een pluriform systeem met veelkleurige partijen en platforms. Dialoog en debat zouden centraal moeten staan, niet winnen of verliezen. Vergelijk het manifest van Hugo Borst en Carin Gaemers met betrekking tot de ouderenzorg[1] eens met het referendum-initiatief over het Verdrag met Oekraïne. Borst en Gaemers stelden de inhoud centraal en maakten er juist geen partijpolitieke kwestie van, met als gevolg dat er nu in Den Haag van links tot rechts brede steun voor hun plannen bestaat.

 

 

 

 

 

Tijdens de campagne bij het Oekraïne-referendum was de inhoudelijke diepgang vaak ver te zoeken en werd allerhande ontevredenheid gemobiliseerd. Het verdrag was al in 28 landen door de nationale parlementen (democratisch) goedgekeurd, maar in Nederland werd achteraf aan de noodrem getrokken. Het blijkt juridisch en praktisch vrijwel onmogelijk om recht te doen aan de uitslag. In die zin kent dit referendum alleen maar verliezers en zijn we weer een illusie armer

Dit laatste is symptomatisch voor deze tijd waarin veel burgers murw en ongemotiveerd raken. Ze voelen zich onvoldoende vertegenwoordigd en nauwelijks serieus genomen. Ze haken af of kiezen voor politici die zichzelf buiten de gevestigde orde van de traditionele partijen plaatsen (denk aan Donald Trump, Emmanuel Macron, Nigel Farage, Beppe Grillo). Maar meer controverse, meer extremisme, meer referenda en nog grotere tegenstellingen zijn niet de oplossing voor deze problemen. Integendeel, daarmee gaat het van kwaad tot erger.

Bipolaire systemen bevorderen het zwart-wit denken, het denken in termen van winnen en verliezen, het wij-zij denken, het monopoliseren van de waarheid. In pluriforme systemen moet je overleggen, compromissen sluiten en coalities vormen. Stelling durven nemen, maar ook water bij de wijn kunnen doen. Dat is bij uitstek de rol van politici (zowel van de gevestigde orde als de outsiders) in een gezonde democratie. Ze zitten er niet voor hun eigen belang of voor een deelbelang. Zij dienen het algemeen belang te dienen. Politieke partijen moeten de verbinding met de burgers zoeken. Maar ook met elkaar. Politici en politieke partijen zouden hun eigen opvattingen moeten kunnen relativeren en oog hebben voor alternatieve opvattingen. Er zijn mensen die dat slap vinden. Ik denk dat het juist de manier is om politieke systemen gezond te houden.

[1] https://www.scherpopouderenzorg.nl/

Mijn verjaardag op Facebook: over afstand en nabijheid

Ik heb onlangs mijn eerste Facebook-verjaardag beleefd. Een bijzondere ervaring voor iemand die nog maar een paar maanden op Facebook zit. Ik had nooit zoveel op met Facebook, maar ik ben overstag gegaan om de reis van mijn oudste zoon door Indonesië te kunnen volgen. Hij ging ruim een half jaar op stap en zou zijn ervaringen op Facebook delen. Als je niet in elkaars nabijheid kunt zijn, is het fijn dat er hulpmiddelen zijn om toch met elkaar te kunnen communiceren. Facebook was in dit geval het aangewezen hulpmiddel waardoor ik als ouder mijn zoon aan de andere kant van de wereld toch een beetje kon volgen. In vaktermen zou je mijn motief kunnen typeren als FoMO: Fear of Missing Out, een belangrijk reden voor mensen om actief te zijn op social media.

Naast de reiservaringen van mijn zoon, heb ik ook de nodige bijzonderheden over Facebook zelf en haar gebruikers opgedaan. Eén daarvan is de aandacht die verjaardagen op Facebook krijgen. Facebook werkt als een geheugensteuntje, want je krijgt berichtjes dat er iemand in jouw familie- of vriendenkring jarig is. Als je die melding hebt gemist, vallen de vele felicitaties aan het adres van de jarige in ieder geval op. Dan is het een kleine moeite om de jarige even een felicitatie te sturen. Bovendien wil je niet achterblijven bij de rest. Ook dit motief (niet achter willen blijven bij de rest) is een bekend sociaal-psychologisch fenomeen.

Mijn laatste verjaardag leverde het volgende beeld op: dankzij Facebook telde ik aan het einde van de dag veel meer felicitaties dan op elke willekeurige verjaardag in mijn pre-Facebook bestaan.

Maar het viel me ook op, dat sommige mensen die mij vroeger zouden bellen, of een kaartje sturen (dat gebeurt overigens haast niet meer), nu volstonden met een Facebook-felicitatie. Nu wil ik absoluut niet klagen, want elke felicitatie is een fijne attentie, maar in de rangorde van felicitaties vind ik een telefoontje toch iets feestelijker en persoonlijker dan een Facebook-groet. Dit heeft te maken met wat men in de vakliteratuur mediarijkheid noemt (Media richness, Daft & Lengel, 1988). Met het ene medium kan je meer, sneller of persoonlijker informatie uitwisselen dan met het andere. Mijn oogst was dus: kwantitatief veel meer felicitaties, maar kwalitatief wat minder. Moet ik Facebook nu zien als een aanwinst, of als een verarming? Of moet ik er heel anders naar kijken?

 

Horseless carriage syndrome

Voor een verklaring van de werking en het effect van innovaties (waaronder nieuwe media, zoals Facebook) grijp ik graag terug op het denken van Marshal McLuhan, een Canadese wetenschapper die in de jaren ’60 furore maakte. Hij vond dat mensen de neiging hadden om nieuwe ontwikkelingen af te meten aan de oude, bestaande werkelijkheid: ‘’we look at the future through a rear view mirror; we march backwards towards the future”.  McLuhan noemde dit het horseless carriage syndrome (Understanding media, 1964). De eerste auto’s zagen er uit als koetsen zonder paarden. En zo werden ze ook ervaren. Tot op de dag van vandaag gebruiken we woorden als paardenkracht, koetswerk/carrosserie en aanduidingen als sedan of  limousine (vernoemd naar de geografische herkomst van bepaalde soorten Franse koetsen).

Men zag in de beginjaren van de auto het potentieel van dit nieuwe vervoermiddel nog niet. Het vervoer ging wat sneller en de actieradius was wat groter dan met paard-en-wagen. Dat was alles. Totdat men merkte dan er economisch en qua infrastructuur ook het nodige ging veranderen. Bepaalde oude beroepen kwamen onder druk te staan (hoefsmid, rijtuigbouwer, timmerman) en nieuwe beroepen kwamen op (pomphouder, vrachtwagenchauffeur). Er kwamen verharde wegen, tankstations, autofabrieken. Bedrijven konden een grotere markt bedienen. Er was benzine, staal en rubber nodig in plaats van hout, hooi en haver. Ook op maatschappelijk gebied zorgde de auto voor veranderingen. Men ging verder van zijn werk wonen. Slaapsteden en files ontstonden. Men trok er in z’n vrije tijd op uit, ging met een caravan naar het buitenland, ging ’s avonds nog even op visite in een stad verderop. Kortom, de auto was veel meer dan een koets zonder paard.

Diezelfde reflex zag McLuhan bij de komst van de televisie. Aanvankelijk beschouwde men de TV als een radio met beeld, of als een huiskamermodel theater. Pas later ontdekte men mogelijkheden om formats te ontwikkelen die specifiek aansloten bij het medium televisie: actualiteitenrubrieken, dramaseries, tekenfilms, spelshows, sportprogramma’s. Ook ging men inzien dat televisie een enorme impact had op de maatschappelijk beeld- en meningsvorming en daarmee (onder andere) ook op  verhouding tussen politiek en publiek. Een politicus die het niet goed ‘deed’ op TV, had het tijdens een verkiezingscampagne zwaar.

En nu is er dus internet en Facebook. We gebruiken een toetsenbord als dat van een typemachine. Als we willen mailen, klikken we op een icoontje met een ouderwetse envelop.

En als we met onze smartphone willen bellen (we noemen het een phone, maar je kunt er veel meer mee), zoeken we met onze vinger het icoontje met een traditionele telefoonhoorn. Ook hier dus sporen van het horseless carriage syndrome. In de beginjaren van het internet en het world-wide-web werden websites vooral gebruikt als digitale bedrijfsgids: Internet 1.0. Later ontdekte men de interactieve mogelijkheden van het internet. In Nederland werd Hyves in korte tijd heel populair. Bedrijven begonnen webcare-teams op te zetten, de eerste webshops verschenen en allerlei pioniers startten met initiatieven om gebruikersplatforms op te zetten: van Marktplaats en IENS tot GeenStijl en Zoover.

 

Digitale revolutie

Zo zijn we echt in het digitale tijdperk beland. Een tijd die zeker zo revolutionair is als die van de boekdrukkunst of de telecommunicatie. Allerlei vormen van informatie (beeld, geluid, tekst) kunnen worden gedigitaliseerd en via een netwerk van aaneengeschakelde computers wereldwijd worden rondgestuurd. Dat levert eindeloze mogelijkheden van communicatie op en leidt tot verschuivingen. Alle klassieke media (print, radio,televisie) staan onder druk. Hun populariteit neemt af. We hebben eigenlijk geen papieren kranten of TV-toestellen meer nodig. Alles kan worden gedigitaliseerd en via één apparaat ontvangen. De computer is een multi-mediaal alles-in-één platform, in diverse vormen: van desktop tot zakformaat (smartphone). Maar er is meer aan de hand dan alleen deze technologische verandering. Digitale communicatie maakt het ook mogelijk om op nieuwe manieren met elkaar te communiceren. Mensen kunnen nu ook zelf content produceren en in kleine of grote kring verspreiden. Dat zorgt voor ongekende nieuwe mogelijkheden en tart oude spelregels en wetmatigheden.

Waar McLuhan in de jaren ’60 met de opkomst van de televisie al sprak over de wereld als een global village, zo heeft het worldwide web onze wereld omgetoverd tot een fijnmazig netwerk met de Engelse taal als lingua franca en YouTube, Apple, Facebook en Google als media-oligarchen. Waar de auto onze actieradius enorm vergrootte heeft internet onze interactieradius onbegrensd gemaakt. Wereldwijd kan iedereen met iedereen in contact staan. Een ontwikkeling die zowel mede vormgeeft aan globalisering als daar uitingsvorm van is.

Maar daarmee zijn we er nog niet. De digitale revolutie is nog niet voorbij en de maatschappelijke gevolgen zijn nog niet uitgekristalliseerd, maar je ziet al wel ingrijpende veranderingen.

Bankfilialen, reisbureaus en schoenenwinkels verdwijnen uit het straatbeeld, de scheiding werk-privé vervaagt, de scheiding openbaar-privé idem dito, scholen gaan Ipads gebruiken, jongeren kijken nauwelijks nog televisie. Je  ziet dat organisaties die goed weten in te spelen op deze digitale media de wind in de zeilen hebben. Winkelketens met een goede webshop, politici die actief zijn op Twitter, dienstenorganisaties met een actief webcare-beleid, producenten die consumenten online laten meedenken bij de ontwikkeling van nieuwe producten. Nieuwe media vragen dus nieuwe vormen van organiseren en communiceren. Als iedereen 24/7 met iedereen kan communiceren en als iedereen op het internet alle mogelijke informatie kan vinden, kun je daar als school, huisartsenpraktijk, productiebedrijf, politieke partij of tijdschriftredactie niet meer om heen. Het internet heeft ons daarbij heel veel te bieden. Op internet kan ik veel meer schoenen kiezen dan in een winkel. Maar in een winkel kan ik schoenen passen en proberen. En vakkundig advies krijgen.

En er is meer. Internet levert oneindige stromen informatie op, biedt gelijkgestemden een klankbordgroep (echo chamber) en fungeert als uitlaatklep voor iedereen die lollig, bezorgd of boos is. Internet geeft iedereen een stem en een platform. Informatievoorziening en waarheidsvinding zijn niet langer het monopolie van gevestigde instituties en hun hoogopgeleide medewerkers. Daarmee wordt de positie van de gevestigde orde uitgedaagd. Er is een soort level playing field ontstaan tussen gewone mensen en autoriteiten.  De gevestigde ’oude’ orde (politieke partijen, wetenschap, klassieke media-organisaties, onderwijsinstellingen, rechtspraak) heeft geen vanzelfsprekende positie meer als autoriteit, maar wordt uitgedaagd en moet zoeken naar manieren om mee te gaan met de tijd. In die zin is het digitale tijdperk een vervolg op de jaren ’60 en ’70 waarin de autoriteit van de naoorlogse bestuurskaste ter discussie werd gesteld. Toen vooral door geschriften en demonstraties van intellectuelen, kunstenaars en vrijdenkers. Nu door iedereen die actief is op internet.

 

Nabijheid

Wat moeten we nu doen in deze globaliserende, digitaliserende wereld? McLuhan zou zeggen: ga op zoek naar de extra betekenis die deze ontwikkelingen bieden. Zie een auto niet als een koets zonder paard, maar als een nieuw soort vervoermiddel dat veel dingen anders maakt.

Digitalisering maakt nieuwe verhoudingen en vormen van ordening en uitwisseling mogelijk. Er is nieuwe digitale wereld ontstaan naast onze fysieke wereld. Een soort extra atmosfeer, een digitale dampkring. Een aanvullende, open zone zonder noemenswaardige spelregels, scheidsrechters of moderatoren. Het maakt vele vormen van fysieke, interpersoonlijke nabijheid overbodig. Je hoeft niet meer ergens fysiek te zijn of iemand persoonlijk te ontmoeten om informatie op te vragen, om meningen uit te wisselen, om schoenen te kopen, om bankzaken te regelen, om lesstof tot je te nemen, om te daten, om te pesten, om een reis te boeken, om mee te denken over een commercieel of een maatschappelijk vraagstuk. Dat kan allemaal vanachter je computer of met je smartphone. Je hebt hiervoor dus geen verbinding meer nodig met een ander persoon; een verbinding met internet volstaat. Door internet hoeven we elkaar niet meer te ontmoeten. Dat is makkelijk en bespaart jou (en de reisorganisatie, de bank, de winkelketen en de school) een boel tijd en moeite. Het nadeel is alleen dat het allemaal gemedieerd, en daarmee relatief onpersoonlijk. Er is minder menselijke nabijheid. Als we die uitgespaarde tijd en energie zouden benutten om de nabije, fysieke, rijkere interactie (privé, op school, aan het loket, in de winkel, bij de dokter) verder te faciliteren en te verbeteren, is er sprake van een win-win situatie. Maar dan moet de werknemer, de leerkracht, de winkelbediende en de adviseur wel wat anders gaan doen dan hij nu misschien doet. Hij moet ordening kunnen aanbrengen in het enorme informatie-aanbod, kunnen duiden, toelichting en advies geven, maatwerk leveren, meerwaarde bieden.

Daarnaast blijven mensen sociale wezens. Alleen maar achter je scherm zitten maakt de meesten van ons niet gelukkig. Het echte leven is daar waar je samenkomt met anderen, waar je elkaar kunt ruiken en aanraken, waar je samen uitgaat, lacht, overlegt of ruzie maakt. Kort gezegd: ontmoeten moet. Als men internet en digitale media gaat inzetten ter maximale vervanging van direct, fysiek, persoonlijk contact, dan ligt er een grote verschraling op de loer.

Dan reduceren we onze menselijke interactie tot 140 tekens of tot een handvol emoticons. Dan weten we op den duur niet meer hoe we met elkaar om moeten gaan. Dan komen we in een wereld terecht waarin we onze kinderen (net als vroeger) leren om andere mensen op straat niet uit te lachen, na te wijzen of uit te schelden, terwijl we onszelf wel ongeremd misdragen in het digitale verkeer, op sociale media, op publieke fora.  Want pesten en schelden gaat nu eenmaal makkelijker als de persoon in kwestie niet voor onze neus staat, maar ergens ver weg is, maar toch digitaal te bereiken en te raken is. En dan nog in het openbaar ook. Kortom, we moeten ons realiseren dat nieuwe media, met al hun interessante en baanbrekende mogelijkheden, gekenmerkt worden door een mix van openbaarheid en afstandelijkheid. Handig, snel, makkelijk, en met een groot mobilisatie-potentieel, maar minder rijk dan persoonlijk, privé en nabij contact.

 

Facebook-verjaardag

En hoe zit het nu dan met Facebook en mijn verjaardag?

Ik ben blij met mijn eerste Facebook-verjaardag; het geeft er een extra dimensie aan. Het is fijn om via Facebook veel felicitaties te krijgen. De kring is groter geworden: van mensen die wat verder van je afstaan tot mensen die vergeetachtig zijn  maar dankzij het geheugensteuntje van Facebook toch nog reageren. En eerlijk gezegd hoef ik op mijn verjaardag ook niet de hele dag door telefoontjes te krijgen. Dat is soms heel onhandig als je een drukke agenda hebt of net lekker uit eten bent. Maar als ik het alleen van Facebook zou moeten hebben, zou het wel erg kaal zijn. Ik hoop wel dat er mensen zullen zijn die mij op mijn verjaardag blijven bellen of een stukje taart komen eten.

 

 

 

 

En wat mijn zoon betreft. Hij is even terug in Nederland, maar heeft besloten over een paar maanden definitief naar Bali te vertrekken om daar te gaan wonen en werken. Dus voorlopig zit ik nog wel even aan Facebook vast.

Olifantenpaadjes en Ezelsbruggetjes

“Als we nudging zien als poging van een overheid of andere organisaties om burgers en klanten een suggestieve zet in de rug te geven, dan kunnen we olifantenpaadjes opvatten als een collectieve uiting van mensen/gebruikers om overheden en managers een duidelijke hint te geven”

 

Een collega èn plaatsgenote wees me er onlangs op hoe lokale overheidsdienaren op een bekende locatie in onze woonplaats een afsteek-route, een zogenaamd olifantenpaadje, voor voetgangers hadden geblokkeerd door een hek te plaatsen. In reactie daarop hadden voorbijgangers het hek ontwricht om weer een vrije doorgang te creëren. Daarop had de gemeente een steviger hek geplaatst, maar ook dit hek werd weer onklaar gemaakt. Een halsstarrige overheid tegenover hardnekkige burgers.

olifantenpaadje-b

Voorbeeld olifantenpaadje

 

 

Koen Olsthoorn Email koenolsthoorn@hotmail.com De gemeente probeerde het tegen te gaan door een blokkade naast het poortje. Na een tijdje hebben ze het toch maar opgegeven.

Nog een voorbeeld

We constateerden hoofdschuddend dat dit een treurig voorbeeld was van energieverspilling en vooral een gemiste kans om gezamenlijk tot een goede oplossing te komen.

Tijdens dit praatje bij de koffie-automaat viel me in dat het fenomeen ‘olifantenpaadjes’ een soort omgekeerde equivalent is van ‘nudging’.  Nudging is een modekreet in de professionele communicatiewereld. Het is een term die over is komen waaien uit de Verenigde Staten dankzij de publicatie van het boek Nudge van de gedragswetenschappers Thaler en Sunstein (2009). Het boek heeft de veelzeggende ondertitel ‘improving decisions about health, weath and happiness’. Nudging betekent letterlijk: een duwtje geven. Als illustratie staat op de voorkant van dit boek een grote olifant die een (weigerachtige) baby-olifant met zijn slurf een zetje geeft. Ook hier een olifanten-metafoor.

boek-nudge-thaler-sunstein

In de communicatiewereld zien professionals zich vaak voor de opdracht gesteld om met boodschappen en media een bepaalde doelgroep te beïnvloeden. Sinds de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw maken ze daarbij gebruik van gedragswetenschappelijke inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de Planned Behaviour theorie van Fishbein & Ajzen, of aan het Elaboration Likelihood Model van Petty & Cacioppo. Volgens het nu populair geworden nudging-principe is het beter om mensen een klein suggestief zetje in de rug te geven, dan ze bij hun lurven te pakken en dwingend te overreden (“Nudge, don’t Push”). Het klassieke visuele voorbeeld van nudging is de afbeelding van een vlieg in het urinoir om mannen netjes te laten plassen. Op YouTube staan tal van creatieve voorbeelden waarbij bijvoorbeeld traplopen (https://www.youtube.com/watch?v=oL3tYJCZLLs) of afval weggooien wordt gestimuleerd (https://www.youtube.com/watch?v=nZ26NsbcQUk ).

papier-hier

Eigenlijk allemaal varianten op iets wat we allemaal kennen uit het pre-nudging tijdperk: Holle Bolle Gijs in De Efteling met zijn kreet ‘papier hier’. Zelfs al heeft een kind geen papiertje bij zich, hij zoekt net zo lang tot hij iets heeft om in de mond van Gijs te gooien om bij wijze van beloning ‘dankjewel’ te kunnen horen.

 

 

De toepassing van het nudging-principe neemt in de praktijk toe, vooral bij vraagstukken waarbij duurzame gedragsverandering nodig is (bijv. gezondheid, milieu). Dat leidt natuurlijk tot vragen over mogelijkheden en beperkingen. In 2014 publiceerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een adviesrapport over de (on-)wenselijkheid van gedragsbeïnvloeding door de overheid. In dit rapport staat het nudge-instrument centraal. De auteurs van het rapport zien twee kampen tegenover elkaar staan. In het kamp van de tegenstanders  wordt nudging gezien als paternalistisch en manipulatief, terwijl voorstanders wijzen op de versterking van het keuzevermogen en de autonomie van burgers. In het advies pleit het RMO-rapport (geheel conform de geest van de ‘terugtredende overheid’) voor terughoudendheid bij de inzet van nudging bij omstreden, ingrijpende onderwerpen. Ook wordt een nieuwe visie op nudging voorgesteld:

“Deze conclusies leiden tot een herdefiniëring van wat nudging inhoudt. Het doel ervan – voor zover het nudging door de overheid betreft – moet niet zijn om mensen een duwtje in de ‘goede’ richting te geven. Het doel van nudges moet juist zijn om de weerstand van mensen te versterken tegen verleidingen die niet in overeenstemming zijn met hun eigen waarden en doelen. Tot op heden wordt nudging door velen vooral gezien als een mogelijkheid om mensen meer in een bepaalde richting te duwen, terwijl nudging ook kansen biedt om mensen minder in een bepaalde richting te duwen. Anders geformuleerd: nudging lijkt minder vaak te worden aangegrepen om dwingende maatregelen vrijblijvender te maken dan andersom. Met het oog op onze conclusie formuleren we drie aanbevelingen aan regering en Staten-Generaal: – Wees terughoudender bij beleidsonderwerpen die meer omstreden zijn. – Zorg voor onafhankelijke en gemeenschappelijke kennisontwikkeling. – Waarborg transparantie en tegenkrachten in het democratische beleidsproces.” (RMO, p. 79-80)

Een wat verwarrend advies. Alsof we in een gebouw waar een trap en een lift naast elkaar staan niet de trap op ludieke wijze aantrekkelijk mogen maken (verleiden), maar in de lift een bordje moeten ophangen waarop staat dat men ook de trap zou kunnen nemen (de verleiding van de lift weerstaan). Kritische communicatiewetenschapper Bert Pol is niet onder de indruk van het RMO-advies en vreest dat het beleidsmakers en campagnemakers niet echt duidelijkheid verschaft. Hij wijst daarbij op het mogelijke nut van nudging bij automatisch gedrag.

Een cruciaal punt is dat nudging en technieken uit de sfeer van social influence en andere actuele gedragswetenschappelijke inzichten met name effectief zijn bij het beïnvloeden van automatisch gedrag. En automatisch gedrag gaat nu juist niet over zaken waar we doorgaans van wakker liggen.”

Pol vervolgt dat mensen bij ingrijpender zaken doorgaans wel goed nadenken voor ze tot handelen overgaan.

“Waarom zouden we, dit alles gehoord hebbende, niet besluiten dat de overheid gewoon nudges en technieken uit de sfeer van social influence moet kunnen inzetten? En als iemand daar misbruik van maakt, of het nu een bewindspersoon of een ambtenaar is, dan moet hij of zij van onder uit de zak krijgen.”

Nu terug naar de Olifantenpaadjes. Als we nudging zien als poging van een overheid of andere organisaties om burgers en klanten een suggestieve zet in de rug te geven (inclusief de mogelijke valkuilen van betutteling en paternalisme), dan kunnen we olifantenpaadjes opvatten als een collectieve uiting van mensen/gebruikers om overheden en managers een duidelijke hint te geven. Anders gezegd: olifantenpaadjes als wisdom of the crowd. Dat betekent niet dat we ieder initiatief en alternatief van boeren, burgers en buitenlui moeten omarmen en omzetten in aanpassingen in infrastructuur en beleid. Alles moet wel binnen de spelregels van democratie, haalbaarheid en fatsoen blijven. Olifantenpaadjes moeten niet verworden tot olifanten in de porseleinkast. Maar als, vooral bij praktische zaken, in het dagelijkse gebruik een werkend alternatief ontstaat dat niet geheel aansluit op wat er op de tekentafel is bedacht, dan kun je de theorie van de tekentafel zwaarder laten wegen dan de aanpassingen uit de  praktijk, maar je kunt ook openstaan voor wat men langs natuurlijke weg heeft aangedragen. Vanuit die laatste optiek kan het olifantenpaadje een metafoor worden voor allerlei vormen van organiseren en communiceren.

boek-olifantenpaadjes-jan-dirk-van-der-burg

Waar nudging gestuurd en top down is, kun je olifantenpaadjes opvatten als bottom up communicatie. Feedback, terugkoppelingen, recensies en reviews zijn in feite ook olifantenpaadjes. Social media zijn tegenwoordig bij uitstek de platforms waarop mensen hun stem en mening laten horen. Digitale olifantenpaadjes als het ware. Communicatieafdelingen van organisaties zouden bij uitstek moeten functioneren als de oren en ogen van organisaties om analoge en digitale olifantenpaadjes te signaleren en als fenomeen te waarderen. Niet om alles te omarmen en te accepteren, maar om de hint te begrijpen en het gesprek aan te gaan. En wie weet tot passende en acceptabele oplossingen te komen.

luistervink_by_bleu_blizzard

 

In dierenproza: Een goede communicatieprofessional is geen brulaap, maar een luistervink die kattebelletjes (analoog) en apenstaartjes (digitaal) herkent als mogelijke olifantenpaadjes en deze waardeert als ezelsbruggetjes om tot betere gezamenlijke resultaten te komen.

 

 

 

 

 

 

Bronnen en tips om verder te lezen:

Allereerst: Lidy Neuhaus, mijn zeer gewaardeerde collega!

 

Burg, J.-D. van der (2011). Olifantenpaadjes. Burg Fotografie.  Zie ook:  http://www.olifantenpaadjes.nl/

 

Cialdini, R. (2007). Influence. The psychology of persuasion. New York: HarpersCollins Publishers.

 

Hermsen, S. en R.-J. Renes (2016).  Draaiboek gedragsverandering. De psychologie van beinvloeding begrijpen en gebruiken. Amsterdam: Atlas Contact.

(In dit pas verschenen boek komt nudging, naast andere beïnvloedingstechnieken, ook aan bod. Hermsen en Renes laten aan de hand van wetenschappelijke inzichten en diverse cases zien wat de mogelijkheden en valkuilen van gedragsbeïnvloeding zijn. Zijn presenteren hierbij een eigen werkwijze: persuasive by design.)

 

Pol, B.: Please don’t nudge: we’re Dutch (blog en column). http://communicatiekragt.nl/blog/item/please-dont-nudge-were-dutch/. Ook gepubliceerd in C, (5 juni) 2014 Vakblad Logeion.

 

Pol, B. en C. Swankhuisen (2013).  Nieuwe aanpak in Overheidscommunicatie. Mythen, misverstanden en mogelijkheden. Bussum: Coutinho.

 

RMO (2014). De verleiding weerstaan. Grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid. Den Haag. https://www.raadrvs.nl/uploads/docs/De_verleiding_weerstaan.pdf

 

Thaler, R.H. en C.R. Sunstein (2008). Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth and Happiness. New Haven: Yale University Press.

 

Geniet ervan! (over de gebiedende wijs)

‘Geniet ervan!’ Deze woorden krijg ik steeds vaker te horen. In het restaurant als het bord onder mijn neus wordt geschoven, op mijn werk als de vakantie aanbreekt, in een winkel als ik iets moois heb gekocht, in het hotel als ik de sleutel van mijn kamer overhandigd krijg. Het merkwaardige is dat men de gebiedende wijs (‘geniet’) gebruikt voor iets dat men positief bedoelt.

 

Hoe zit dan nu precies met die gebiedende wijs (ook wel imperatief genoemd, naar het Latijnse woord imperator = keizer/opperbevelhebber)? Het lijkt alsof die te pas en te onpas wordt gebruikt.

Het valt mij op dat veel tekstschrijvers en reclamemakers de gebiedende wijs hanteren. Reclame maken is de kunst van het verleiden. Althans, als je sommige romantisch aangelegde professionals mag geloven. Hoe kun je iemand prikkelen om jouw product aan te schaffen? Reclamemakers hebben daarbij een groot arsenaal aan middelen tot hun beschikking: foto’s van palmenstranden, sfeervolle muziek, geurtjes in de winkels, bekende Nederlanders in een TV-commercial, promotieteams op straat, sexy modellen op billboards (‘sex sells’), en -niet in de laatste plaats- : wervende teksten. Naast beelden, geluiden en geuren, zijn woorden krachtige instrumenten om potentiële kopers over de streep te trekken. Er wordt vaak voor de gebiedende wijs gekozen om de boodschap kort en stevig over te brengen. Maar kunnen we het nog wel verleidingskunst noemen als wij bevelen naar ons hoofd krijgen geslingerd?  Ik merk dat ik me minder uitgenodigd voel als ik geconfronteerd word met termen als KOOP! BESTEL! RESERVEER! GENIET! Ik krijg bij dergelijke dwingende aansporingen al snel een ‘dat maak ik zelf wel uit’-gevoel.

Je kunt je bovendien afvragen of het op deze manier gebruiken van de gebiedende wijs wel spoort met de regels van de Nederlandse taal. Dat blijkt mee te vallen. De gebiedende wijs wordt niet alleen gehanteerd bij orders en bevelen. In een doorwrochte tekst legt Sies de Haan[1] uit dat er meerdere gebruiksmogelijkheden van de imperatief bestaan. Samengevat in een tabelletje met voorbeelden van de Haan en mijzelf kent de gebiedende wijs de volgende varianten:

Bevel/order Advies/instructie Wens Verwensing Aanmoediging
Hou je mond Voeg een mespuntje zout toe Slaap lekker Krijg de klere Zet ‘em op

 

Zo opgevat hoeft een reclame-leus als ‘Bel en Win’ niet ervaren te worden als een bevel of opdracht; het kan ook bedoeld zijn als een advies of aanmoediging. Na het lezen van de tekst van de Haan realiseer ik me dat ik wat minder kritisch naar gebiedende reclame-kreten moet kijken. Ook zal ik proberen me de woorden ‘geniet ervan’ probleemloos te laten aanleunen. De bediende die mij een stuk appeltaart serveert wil niet zeggen dat ik moet genieten, maar wenst dat ik zal gaan genieten. In feite niets anders dan de bekende uitdrukking ‘eet smakelijk’, al vind ik dat laatste toch toepasselijker in zo’n situatie.

Toch is de kous hiermee niet af. Ook met een breder gebruik van de gebiedende wijs is het belangrijk om de regels van de logica te hanteren en geen misverstand over je intenties te laten bestaan. En daar wringt nog wel eens de schoen.

Een paar voorbeelden.

In sommige advertenties staat het woord KRIJG of ONTVANG: ‘BESTEL nu uw product en ONTVANG 20% korting’. Ik kan aangespoord worden om te bestellen (ik ben hier de actieve partij), maar ik kan niet aangespoord worden om iets te krijgen of te ontvangen (ik ben hier de passieve partij). Daar heb ik iemand anders voor nodig die mij iets geeft. Dus eigenlijk moet die andere partij aangespoord worden. De gebiedende wijs bij KRIJG past wel bij een verwensing (‘krijg de klere’), maar dat zal een reclame-maker mij toch niet toewensen, neem ik aan.

Een andere opmerkelijke variant is de volgende[2]: ‘KOOP hier uw winnend staatslot?’. Ook hier kan ik het (dringende) advies krijgen om iets (een staatslot) te kopen, maar niemand kan mij garanderen dat het een winnend staatslot zal zijn. Boogaart zegt hierover: ‘wie iets aanbiedt moet het aangebodene wel in de aanbieding hebben’. En dat kan hier niet. Kennelijk heeft men wel een slag om de arm  willen houden door een vraagteken achter de slogan te plaatsen. Maar het is wel heel merkwaardig om de gebiedende wijs toe te passen in een vraagzin.

Een voorbeeld van een heel andere orde is de kreet die in 2013 en 2014 overal in Amsterdam te zien was: ‘WEET je stad’.

Weet je stad

 

 

Deze bijzondere imperatief was de slogan van Amsterdamse TV-zender AT5. Het Nederlands kent een subtiel verschil tussen de werkwoorden KENNEN en WETEN (in het Engels allebei ‘to know’). Je kunt een stad, een persoon, een voorwerp kennen, en je kunt iets van een stad, een persoon, een voorwerp weten. Het had dus ‘KEN je stad’ moeten zijn. Ook bij AT5 wist men dit[3]:

 

 

“Ja, we weten dat het niet klopt. Maar daardoor vallen de affiches juist op en dat was de bedoeling,” zegt Ivonne Bos, een woordvoerster van AT5. De affiches vestigen met “weet dat”, “weet of”, “weet waarom” en andere “weet”-teksten de aandacht op kwesties die alle Amsterdammers raken, en op de programma’s van AT5 zelf. “De verleiding om na al die weetjes een taalkundige faux pas te maken en van “ken je stad” over te stappen naar “weet je stad” was gewoon te groot.”

Het voorbeeld van AT5 laat zien dat men soms erg lichtzinnig met de taal omspringt. Ik pleit niet voor strakke regels, maar het moet geen pijn aan je oren en ogen gaan doen en dat is helaas toch regelmatig het geval.

 

Ten slotte nog een paar opmerkelijke imperatieven (lees en huiver, of grijns en glimlach):

–          Geek de bibliotheek (Openbare bibliotheken)

 

–          Ga het NA (Nationaal Archief –NA- in Den Haag)

 

–          Neuk het systeem (Theo Maassen)

 

–          Ervaar meer (EO)

 

En als allerlaatste:

–          Hou op, schei uit!

 

P.S. 3 november 2017

Interieurbedrijf FonQ voert momenteel ook campagne met een gebiedende wijs variant:

Het valt wel op (net zoals ‘Weet je Stad’, maar het is ook in dit geval helaas ook geen fraai taalgebruik. Mooi is anders!

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.dbnl.org/tekst/_tab001198601_01/_tab001198601_01_0033.php

[2] Met dank aan tekst van Ronny Boogaart in Vaktaal, tijdschrift van de landelijke vereniging van neerlandici, 21-2 (2009), p.10-11.

[3] Zie: http://hansmoerbeek.eu/category/view/frontpage

 

Je moet er wat voor over hebben

“Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen”

 

Ik houd mijn studenten regelmatig voor dat persoonlijke communicatie effectiever is dan gemedieerde vormen van uitwisseling. Als voorbeeld gebruik ik vaak het verschijnsel huis-aan-huis collecte. Als ik van een goed doel een bankrekeningnummer in de krant zie staan, heb ik niet gelijk de neiging om geld over te maken. Maar als iemand met een collectebus voor mijn neus staat, geef ik (bijna) altijd. Ik heb thuis zelfs een ‘goede doelen-pot’ waar ik mijn overtollige kleingeld in gooi en daar pak ik steeds een handjevol munten uit als er een collectant voor de deur staat. Dat ik niet de enige ben, blijkt uit het feit dat er jaarlijks voor tientallen miljoenen wordt opgehaald via dit soort collectes.[1]

Goede doelen pot

De handboeken leren ons dat de boodschapper minstens zo belangrijk als de boodschap. We vinden het moeilijk om een persoon te weigeren die voor onze neus staat. Hoe relatief onbelangrijk de boodschap kan zijn, blijkt wel uit het feit dat ik vaak kort na de donatie niet eens meer weet voor welk goed doel men was langs geweest. Was het de Nierstichting of Jantje Beton? (wie hierover uitsluitsel zoekt, kan altijd even kijken in het nationale collecterooster. Ja, dat bestaat echt: http://www.cbf.nl/collecterooster/roosters/; en er is ook een collecteprotocol: http://www.collecteren.nl/collecterooster/collecteprotocol/). Dat ik ook voor andere vormen van directe verkoop vatbaar ben, heb ik in het verleden door schade en schande gemerkt. Ik heb me door aardige mensen een abonnement op een tijdschrift, een donateurschap van Artsen zonder Grenzen en een dakgootreiniging laten aansmeren. Totdat ik dacht: ‘nooit meer wat aan de deur kopen’. Het zijn pure impulsaankopen. Als ik iets echt nodig heb of nuttig vind, moet ik daar zelf opkomen, en me niet laten verrassen door een deurverkoper of een vlotte student op het marktplein. Deze afspraak met mezelf houdt nu al een paar jaar stand. Collectes voor het goede doel vallen hier niet onder; die krijgen steevast geld van mij.

Toch heb ik me laatst weer laten overhalen om iets te doen wat ik vooraf niet van plan was. Er stond een aardige meneer van Het Rode Kruis voor de deur. Werktuiglijk wilde ik al naar de goede doelen-pot grijpen, maar hij kwam niet voor geld. Hij zocht donateurs. Met een trefzeker gevoel voor drama in woord en gebaar legde hij uit dat er in onze wijk te weinig collectanten waren voor de collecteweek in juni. Hij somde enkele voorbeelden van de vele goede werk van Het Rode Kruis op en legde uit dat daar natuurlijk veel geld voor nodig was. Hij vervolgde dat het collecteren me hooguit een paar uurtjes gedurende een paar avonden zou kosten. Voordat hij uitgesproken was, hoorde ik mezelf al ‘dat is goed; ik wil het wel doen’ zeggen. ‘Echt waar?!’zei hij, met zoveel verbazing in zijn stem, dat ik even dacht iets volkomen belachelijks te hebben toegezegd. Maar hij herpakte zich snel en liet mij een voorgedrukt formulier invullen en ondertekenen. Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen. Ik was blij dat mijn eigen straat daar niet bij zat, want stel je voor dat enkele buren geen geld zouden willen geven. Dat zou de verhoudingen in de buurt onnodig belasten.

Hoe dan ook, ondanks het EK Voetbal ben ik twee avonden vanaf etenstijd (‘dan zijn de meeste mensen thuis’, aldus de instructiebrief) een paar uur op pad geweest. Ik ben veel welwillendheid tegenkomen. De meeste mensen gaven een klein bedrag zoals ik dat ook altijd doe. Een enkeling viste een briefje van vijf euro uit zijn portemonnee. Er waren natuurlijk ook mensen die niets gaven (‘geen interesse’; of met meer principiële redenen, zoals een twintiger die zei: ‘ik geef alleen aan de Ouderenbond’). Een lastig probleem was dat veel mensen simpelweg niet thuis waren. En ik merkte ook dat nogal wat mensen geen contant geld meer in huis hebben. We leven nu eenmaal in een tijd van pinnen en digitaal bankieren. Ik heb begrepen dat er zelfs al proefcollectes geweest waarbij mensen aan de deur ook kunnen pinnen, maar die leverden geen succes op.

Op de tweede avond stuitte ik op een ander probleem. Aan de opgegeven straat stonden portiek- en galerijflats en meerdere bewoners lieten weten dat ze het niet fijn vonden dat ik via de centrale ingang binnen was gekomen. Ik was in hun ogen voorbij de voordeur gekomen en dat stelde men niet op prijs. Om geen verdere problemen te veroorzaken ging ik daarom maar bij de ingang van de dichtbijgelegen Dirk van den Broek staan. Ik wist niet of dat toegestaan was, maar toen het meisje van de bakkersafdeling me na 10 minuten een briefje van vijf kwam brengen, wist ik dat het wel goed zat. Het mooie was dat mensen me bij het ingaan van Dirk van den Broek al even zagen staan en konden bedenken of ze mij bij het naar buiten lopen wat wilden geven. Ik maakte er voor mezelf een spelletje van: ‘die gaat straks vast iets geven en die zeker niet’. Ik had het vaak mis. Mijn mensenkennis bleek een onbetrouwbare radar. Een sjofel geklede vrouw kan guller zijn dan een nette dame. Al met al bleek mijn ingeving om voor een supermarkt te gaan staan een goede zet. Ik stond er prima in een aangenaam avondzonnetje, mensen maakten soms even een praatje en ik hoefde niet af te wachten of iemand open wilde doen. En bij thuiskomst bleek ter geruststelling dat de voetbalwedstrijd die ik had gemist een draak van een vertoning was geweest.

Tevreden leverde ik een paar dagen later de collectebus, waar ik zelf ook nog de nodige euro’s in had gestopt, in. Ik kreeg een plantje (‘voor de vrouw’) en twee door vrijwilligsters gehaakte poppetjes (‘voor de kleinkinderen’) mee naar huis. ‘En, kunnen we volgende jaar weer op u rekenen?’, vroeg de vriendelijke Rode Kruis mevrouw.  ‘Jazeker’, zei ik. Ik wilde haar natuurlijk niet teleurstellen. Bovendien heb ik volgend jaar in juni vast wel weer twee keer twee uur de tijd.

Drie weken na de collecteweek kreeg ik een bedankkaartje van Het Rode Kruis met daarop het bedrag dat ik had opgehaald: 169 euro en 18 cent op een totaalbedrag van ruim 5700,- euro in Amstelveen.

Bedankt 3

Ik had zelf gedacht rond de 200 euro te hebben opgehaald, maar ik had me kennelijk wat rijk gerekend. Toen ik de dag daarna hierover met een collega sprak, vroeg hij me of ik wel de juiste kleding had gedragen. Toen ik verbaasd ‘wat maakt dat nou uit’ antwoordde, wees hij me op een onderzoek waaruit blijkt dat een collectant die merkkleding draagt meer ophaalt dan een gewoon gekleed iemand: http://www.marketingonline.nl/bericht/bij-kleding-telt-alleen-het-merk

De collectanten die de kleding met het merklogo droegen, haalden bijna twee keer zoveel geld op dan (mooie hyper-correctie, PtL) de collectanten met kleding zonder het merklogo. Het gemiddelde per deur, waar iemand open deed, was 34 eurocent voor de eerste groep en 19 cent voor de tweede.

Ook in andere testsituaties (sollicitaties, enquêtes) scoorden de proefpersonen met merkkleding beter. De onderzoekers verklaren dit door te stellen dat merkkleding kwaliteit uitstraalt en dat het publiek daar positief op reageert. Ik had bij Dirk van den Broek gemerkt dat het uiterlijk van de gever geen goede indicator was, maar volgens dit onderzoek is de kleding van de collectant juist wel een succesfactor. Dat had ik nog nooit in onze studieboeken zien staan. Maar de les is duidelijk: wil ik volgend jaar 200 euro ophalen, dan zal ik eerst moeten investeren in een prijzig shirt van Lacoste of Tommy Hilfiger. Je moet er wat voor over hebben.

Lacoste shirts

 

 

[1] Zie o.a. http://www.nu.nl/economie/3935289/collecteren-populair-ondanks-dalende-opbrengst.html

 

Gastdocent in Litouwen

Dankzij een Erasmus-samenwerkingsverband van mijn hogeschool met een zuster-instelling in Litouwen, mag ik een paar dagen naar Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, om daar enkele gastcolleges te verzorgen.

 

Litouwen is de zuidelijkste van de drie Baltische staten, grofweg gelegen langs de oostkust van de Oostzee; ingeklemd tussen Rusland, Wit-Rusland en Polen. Voor ons een verre uithoek van Europa, maar er zijn mensen die claimen dat het exacte geografische middelpunt van Europa zich in Litouwen bevindt.[1]  Litouwen is zowel gezien het aantal inwoners (3, 5 miljoen) als qua oppervlakte een klein land. Eén op de zes Litouwers woont in Vilnius, een levendige, relatief moderne stad met een aantrekkelijk oud centrum. Je vindt hier geen wereldberoemde monumenten, maar voor een paar dagen is er voldoende te doen en te zien. Mooie kerken, schilderachtige straatjes, interessante musea, een oude burcht, etc. De stad is moeilijk te plaatsen. Je zou een mix van Scandinavisch en Oost-Europees verwachten, maar dat is het niet echt. Het heeft een heel eigen sfeer die zich moeilijk laat beschrijven. Door de kleding, auto’s en winkels doet het eerder westers dan Oostblok-achtig aan. Er moet sinds de val van de Muur en de Litouwse onafhankelijkheid veel veranderd zijn. Hoe zou het er hier 50 of 100 jaar geleden hebben uitgezien? Opvallend zijn de vele trolley-bussen in het straatbeeld. En er is overal graffiti. Naast compleet nieuwe huizen zie je oude bouwvallen staan en het plaveisel heeft nogal wat gaten en hobbels. Veel huizenblokken hebben een binnenplaats met ruimte voor tuinen of geparkeerde auto’s.

DSC05499

DSC05506

DSC05476

 

 

 

 

 

 

 

 

De mensen zijn behulpzaam en bescheiden. Het voelt volledig veilig op straat. De mensen die ik heb gesproken zijn trots op de eigenheid van de Litouwse taal en cultuur (Litouws is geen Russisch dialect, maar een geheel zelfstandige taal met een eigen alfabet. En volslagen onbegrijpelijk). De geschiedenis van Litouwen is getekend door vele eeuwen van vreemde overheersing. Meest recentelijk de inlijving door de Sovjet-Unie vanaf de Tweede Wereldoorlog (met een onderbreking van een paar jaar door de nazi-bezetting). Het genocide-museum laat op indrukwekkende wijze zien tot welke uitwassen eerst de Duitse en later de Sovjet-overheersing heeft geleid.

DSC05565

Tekst op de muur van het “Genocide Museum’

De meeste Litouwers zijn blij dat die tijd achter de rug is en dat Litouwen sinds de val van de muur onafhankelijk is. Men kijkt dan ook met argusogen naar de huidige politiek van Poetin. “Na de Krim kunnen wij het volgende slachtoffer zijn”, wordt mij met grote zorg gezegd. Je bespeurt in dit land om die reden dan ook meer enthousiasme voor het EU- en NAVO-lidmaatschap dan in de meeste West-Europese landen.

Vilnius heeft twee grote universiteiten. De stadsuniversiteit en de Technische Universiteit (Vilnius Gediminas Technical University; onze zuster-instelling). De meeste faculteiten van beide universiteiten bevinden zich een kleine tien kilometer ten noordoosten van het stadscentrum in een bosrijke omgeving. Het doet een beetje denken aan de campus van de Universiteit Twente.

DSC05550

DSC05555

 

 

 

 

 

 

Tussen de bomen staan diverse oudere en nieuwe gebouwen. De meeste zijn zes, zeven verdiepingen hoog. In de oude panden zie je nog granieten trapportalen, geschilderde portretten van vroegere hoogwaardigheidsbekleders en krijtjesborden. De nieuwe zien er up-to-date en 21e eeuws uit. Op deze campus zijn ook de ‘dormatories’ voor de studenten en tal van voorzieningen, zoals sporthallen, cafetaria’s en bibliotheken.

De colleges zijn op verschillende dagen, in verschillende gebouwen en voor verschillende groepen. Het is dus even puzzelen om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. De onderwerpen zijn ook uiteenlopend. Ik had vooraf een aantal suggesties doorgegeven en men vond al de aangereikte thema’s interessant: van Reputatiemanagement en kanttekeningen bij Kennis-Houding-Gedrag tot een toelichting op mijn promotie-onderzoek naar EU-berichtgeving in Europese dagbladen. De studenten komen vrolijk pratend en op hun mobieltjes turend binnenlopen. Qua kleding hadden het ook Nederlandse studenten kunnen zijn. Ze zijn nieuwsgierig omdat er iemand uit een ver land voor de klas staat. Er wordt beleefd geluisterd, voorzichtig gelachen en wat terughoudend gereageerd op vragen. Je vraagt je daardoor af of en in hoeverre het college doel heeft getroffen. Maar gelukkig is er elke keer na afloop, tijdens een informeel nagesprek, wat meer persoonlijk contact en blijkt men zeer geïnteresseerd. Een groep vraagt zelfs of ik nog wat meer wil vertellen als het formele college voorbij is. Dat maak je in Nederland niet vaak mee.

Buiten de colleges om is er nog voldoende tijd voor sightseeing en afspraken met Litouwse collega’s. Ik heb vooral contact met een vice-decaan van de faculteit Creative Industries (hij staat in het midden van de fotocollage bovenaan). Hij heeft het programma voor me uitgestippeld en maakt me wegwijs. Een jonge, energieke man die me een avond uitnodigt voor een traditioneel Litouws gerecht. Geen haute cuisine, maar een stevig maal met haring, bieten, aardappelen en een soort spekpannenkoekjes. Op de laatste avond word ik uitgenodigd voor een barbecue die is georganiseerd door een studentenvereniging. Gelukkig is dit bij een faculteitsgebouw in het oude centrum, zodat ik niet weer de rit naar de campus in het bos hoef te maken.

DSC05594

Tijdens de barbecue krijg ik de kans om met nog wat Litouwse collega’s te spreken. De sfeer is vriendelijk en informeel. We praten over curriculumvernieuwing, didactische werkvormen, samenwerking tussen studierichtingen, internationalisering en de rol van het internet in het onderwijs. Interessant om te ervaren dat we met vergelijkbare problemen en uitdagingen te maken hebben. Maar er komen ook luchtiger onderwerpen voorbij, zoals het songfestival en de populariteit van Facebook. Van tijd tot tijd word ik begroet door studenten die ik bij de colleges heb ontmoet.

 

Dan valt me opeens iets bijzonders op: er wordt geen alcohol geschonken en gedronken. In Nederland zou er op een studentenfeest non-stop bier getapt worden, maar hier zijn alleen flesjes water en blikjes cola verkrijgbaar. Als ik aan een van de Litouwse docenten vraag waarom er geen alcohol wordt geschonken zegt hij: ‘we can also have parties without alcohol, and this way we don’t get any problems’. Een verfrissende reactie. Rond negen uur haken de meeste docenten af en ga ik ook terug naar mijn hotel.

De volgende ochtend vertrek ik vroeg naar de luchthaven voor mijn terugreis. Veel bijzondere ervaringen rijker.

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Geografisch_middelpunt_van_Europa