Categoriearchief: Communicatie & onderwijs

Enkele gedachten bij de dood van Samuel Paty

 

Ben ik ooit bang geweest voor een boze reactie van een leerling of een ouder na afloop van een les? Of een bedreiging?

 

Die vraag heb ik mezelf gesteld na de brute moord op de Franse docent Samuel Paty. Hij had in een lessituatie een cartoon van de profeet Mohammed laten zien. Dat leidde onder bepaalde moslim-fundamentalisten tot grote verontwaardiging en oproepen tot wraak. Met alle afschuwelijke gevolgen van dien.

De schokkende moord op een docent houdt mij bezig. Ik ben ook docent. Ik heb in de jaren ’80 ook vijf jaar Maatschappijleer gegeven, het vak van Samuel Paty. En juist bij zo’n vak komen per definitie maatschappelijke vraagstukken, heilige huisjes en hete hangijzers aan bod: criminaliteit, discriminatie, abortus, armoede, oorlog, klimaatverandering. Het is onmogelijk om daarbij 100% neutraal voor de klas te staan. Leerlingen riepen destijds dat ze aan het uiterlijk van de docenten konden zien of deze rechts of links waren. Ze wilden ook altijd weten wat ik stemde. Ik liep niet met mijn politieke voorkeuren te koop, maar ging die vragen ook niet uit de weg. Mij ging het in het klaslokaal niet om het ventileren van mijn mening, maar om het creëren van een veilige ruimte waarin alle leerlingen hun mening kon vormen en uiten. Die ruimte kan alleen maar bestaan als er sprake is van gelijkwaardigheid en respect. De docent heeft een belangrijke rol bij het bewaken van die openheid.

Ik ben me altijd bewust geweest van het bijzondere karakter van het docent-zijn. Ook toen ik daarna ging werken op een hogeschool. In welk beroep krijg je zo vaak de gelegenheid om met jongeren te praten over wat er speelt in de samenleving, over hun gevoelens, hun meningen? Dat is het mooie van het docentschap. Ik heb daarbij ook heel veel van mijn studenten geleerd.

Natuurlijk praat je niet elke les over loodzware kwesties. Doceren betekent ook doseren. Maar als het in mijn klas tot een open gesprek komt, zijn dat de momenten die ik koester.

Nu ik vooral online moet lesgeven komen dergelijke gedachtewisselingen moeilijker te stand. De intieme sfeer van het klaslokaal met het directe onderlinge contact ontbreekt. In de klas kunnen leerlingen aanvoelen of het veilig is om hun zegje te doen. Met Teams of Zoom ligt dat heel anders. De afstand is groter. De sfeer is anders. Ook kunnen andere mensen meeluisteren. Zo schreef een studente na afloop van een online college op de chat: “bedankt voor de les, meneer; mijn moeder vond het ook interessant”. Een grappig,  onschuldig voorbeeld, maar wat als het een boze ouder was geweest die zich had gestoord aan mijn woorden? Ook wordt een online bijeenkomst regelmatig opgenomen. Dan let je als docent of student toch al snel iets meer op je woorden. Dat het opnemen van een college grote gevolgen kan hebben heeft een collega van de Haagse Hogeschool onlangs gemerkt. Een opmerking van haar werd uit de context gehaald en op social media geplaatst. Met vele verontwaardigde reacties en tegenreacties tot gevolg.[1]

Veel mensen wijzen bij de moord op Paty en de affaire op de Haagse Hogeschool met een beschuldigende vinger naar de sociale media, maar ik denk dat die redenering te eenvoudig is. Mediaberichten gedijen alleen als er een voedingsbodem, een bepaald klimaat is. Ook voor de komst van social media bestonden er al hetzes tegen docenten. De affaire-Daudt is daarvan een bekend voorbeeld. Daudt was een wat behoudende hoogleraar die werd weggehoond door linkse studenten.[2] Ironisch genoeg wordt tegenwoordig juist in sommige rechtse kringen geageerd tegen de zogenaamde linkse indoctrinatie in het onderwijs.[3]

Ik vind dat wij als docenten (links of recht, online of offline) het gesprek met onze leerlingen en studenten met frisse moed moeten blijven voeren. De moord op Samuel Paty laat juist zien hoe hard dat nodig is. Door nu te zwijgen geven we de moordenaar zijn zin. De sleutelwoorden voor deze uitwisseling zijn zorgvuldigheid, respect en pluriformiteit. Samen vormen ze de brandstof en zuurstof voor het onderwijs en de samenleving. Die sleutelwoorden zijn niet bedoeld om te sussen, maar nodigen juist uit om je uit te spreken. Ik laat me op dit punt inspireren door het opinie-artikel van Maurits Berger in NRC van 24 oktober. Hij zegt dat we de controverses met elkaar moeten bespreken en het ongemak moeten benoemen. We moeten niet alleen maar lief proberen te zijn en niets ter discussie willen stellen. Juist in een tijd van scherpe stellingnames en controverses moeten we met elkaar praten over onze gevoeligheden en pijnpunten. Over de cartoon-kwestie zegt Berger dat hij als docent een serie uiteenlopende spotprenten laat zien zodat de studenten zien en ervaren dat de ene student bij een cartoon lacht, terwijl de andere ineenkrimpt; en dat het bij de volgende cartoon precies andersom is. Dat zet mensen aan het denken.

Ik heb een vergelijkbare ervaring met een spontaan gesprek over het Zwarte Piet issue, een paar jaar geleden. Het begon als een pittige woordenwisseling, maar na verloop van tijd vertelden de studenten met tegengestelde stellingnames waar hun boosheid en hun pijn zat. Vooral het delen van die pijn riep herkenning op. Die bespreking loste het probleem niet op, maar het luisteren naar elkaar werkte wel verhelderend.

Het is mooi als het lukt om problemen te bespreken omdat iedereen daarbij van elkaar kan leren. Wat mij betreft gaat aan de vrijheid van meningsuiting iets wezenlijks vooraf, namelijk de ruimte voor meningsontwikkeling. Het klaslokaal kan letterlijk en figuurlijk zo’n ruimte zijn.

 

Ter afsluiting kom ik nog even terug op mijn openingsvraag. In mijn eerste jaar als docent Maatschappijleer op een christelijke school in Huizen moest ik volgens het leerplan ook het thema Relaties bespreken. Ik had in Amsterdam een doos gratis voorlichtingsboekjes op de kop weten te tikken. Tijdens een les besprak ik het onderwerp Man-Vrouw verhoudingen, maar ik zag dat de leerlingen vooral met spreekwoordelijke rode oortjes zaten te lezen in het hoofdstuk dat over seks ging. Na afloop van de les kwam een jongen naar me toe en zei: “als mijn vader dit boekje te zien krijgt weet ik zeker dat hij naar de rector stapt om te zeggen dat u ontslagen moet worden”. Ik heb daarna nog vier jaar met plezier op die school gewerkt.

 

 

 

 

[1] https://nos.nl/artikel/2349379-uitspraak-docent-over-moord-op-baudet-uit-zijn-verband-gerukt-zegt-hogeschool.html

 

[2] https://www.trouw.nl/nieuws/schande-wat-we-u-hebben-aangedaan-professor-daudt~b9126ac6/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

[3] https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/artikel/4656656/woede-om-meldpunt-forum-over-indoctrinatie-onderwijs

 

 

Studenten in corona-tijd

Sinds 13 maart is het reguliere onderwijs op de hogeschool waar ik werk stilgelegd. Alles gebeurt sinds die dag online. In het begin was het erg wennen, maar nu heeft alles redelijk zijn vorm en plek gevonden. We kunnen gelukkig met elkaar verder. Technisch gezien loopt het naar wens, maar op sociaal vlak wordt nu goed duidelijk hoe belangrijk het is om elkaar regelmatig fysiek te ontmoeten. Online onderwijs kan reuze handig en efficiënt zijn, maar het voelt ook vaak schraal en kunstmatig aan. In 11 korte schetsen teken ik ervaringen van studenten op, zoals die de afgelopen twee maanden met mij zijn gedeeld. Om privacy-redenen heb ik de namen van de studenten veranderd en de situatieschets soms wat aangepast.

 

Maarten keert medio maart noodgedwongen terug uit Florida. Hij was in februari gestart met een exchange programma aan een Amerikaanse universiteit. Aan het begin van het studiejaar had hij iedereen enthousiast verteld over zijn plannen: eerst 5 maanden blokken en daarna nog twee maanden rondreizen. Alles was al maanden vooraf geregeld: tickets, studieprogramma, huisvesting. En nu is hij weer in Nederland. Zonder studiepunten, zonder kamer (want onderverhuurd) en zonder bijbaan. We proberen hem binnen te loodsen in een al lopend keuzeprogramma zodat hij toch nog met enige achterstand wat studiepunten kan behalen. Voorlopig zit hij op zijn oude tienerkamer bij zijn ouders.

Jeremy zit in jaar 1. Hij is een heel gemiddelde student: geen hoogvlieger, maar ook geen brokkenpiloot. Hij heeft halverwege het jaar gemerkt dat hij wat minder gemotiveerd begon te raken. Nu er al acht weken geen bijeenkomsten op school zijn geweest is zijn motivatie verder gedaald. Onlangs heeft de hogeschool bekend gemaakt dat het onderwijs in het eerste semester van het nieuwe cursusjaar ook voornamelijk online zal worden aangeboden. Daar heeft Jeremy geen trek in. Omdat dit ook geldt voor andere opleidingen en andere hogescholen denkt hij er serieus over na om te stoppen met de studie en een jaar te gaan werken.

Merel is een studente uit een afstudeerkring die ik begeleid. Elke twee weken bespreken we de voortgang van ieders afstudeerproject. Normaal gesproken in kleine groepen op de hogeschool, nu via Teams. Tijdens een bijeenkomst barst Merel in huilen uit. Het lukt haar niet om haar onderzoek uit te voeren. Niemand uit haar doelgroep heeft nu gelegenheid voor een diepte-interview en de geplande focusgroepen zijn niet te realiseren. Ze heeft altijd goede resultaten behaald en nu, met de eindstreep van de studie in zicht, lukt het haar niet om haar afstudeerproject op tijd af te ronden.

Joey vindt het eigenlijk allemaal wel best zo. Hij vindt het lekker makkelijk dat alles online gebeurt. Hij hoeft nu niet vroeg zijn bed uit en kan elke dag uitslapen. Op mijn vraag of hij niet zijn klasgenoten mist zegt hij lachend dat hij in zijn dorp voldoende vrienden heeft.

Ayse, een ouderejaars studente, moet een nog tentamen uit jaar 2 herkansen. Ze moet dat vak halen; anders mag ze niet aan haar afstudeerproject beginnen. Ze heeft een mooie praktijkopdracht gevonden en kan in mei starten. De herkansing zou in april plaats vinden, maar is tot eind juni uitgesteld omdat het niet op de gewone wijze afgenomen kon worden. Het gaat waarschijnlijk een online toets met essay vragen worden. Ayse klopt bij de examencommissie aan om toch al in mei met haar afstudeerproject te kunnen beginnen.

Daisy is een Indiase studente die bij ons een exchange programma volgt. Halverwege de maand maart hebben we moeten besluiten alles online te gaan doen. Dat gaat wonderwel. De meeste buitenlandse studenten zijn terug naar huis gegaan. Van grote afstand (Mexico, Stuttgart, Lyon, Madrid) volgen zij nu het programma. Projectwerk, colleges en trainingen kunnen met enig passen en meten allemaal doorgang vinden. De studenten zijn blij dat ze zo alsnog het programma kunnen volgen en afronden. Daisy is een van de weinige studenten die is gebleven. Haar room-mate is sinds kort ook vertrokken. Daisy kan niet naar huis; er gaan geen vluchten naar India. De flat voor buitenlandse studenten staat vrijwel leeg. Reden voor de eigenaar om flink te gaan renoveren. Tijdens onze Teams bijeenkomsten moet Daisy haar microfoon regelmatig uitzetten omdat we anders teveel lawaai van bouwwerkzaamheden horen.

De zes stagiairs die ik begeleid zijn stuk voor stuk nog druk bezig. Ze werken allemaal vanuit huis en het lukt hen om zinvol aan de slag te blijven. Terwijl bij veel andere opleidingen stages worden stopgezet, blijkt er in deze tijd voldoende werk te zijn voor communicatie-studenten. Ik heb alle begeleiders gebeld; zij zijn zeer te spreken over de studenten. Ik ben plaatsvervangend trots. Alleen Patty moet na een paar weken toch stoppen omdat de organisatie haar niet goed kan begeleiden. Patty is aangeslagen en teleurgesteld. Maar ze heeft er ook wel begrip voor. Twee weken later heeft ze een nieuwe stage-plek weten te vinden.

Op een middag gaat mijn telefoon. Het is Amira uit jaar 2. Ze wil iets met me bespreken wat ze niet tijdens een Teams-bijeenkomst wil delen. Ze zit nu acht weken thuis en de muren beginnen op haar af te komen. In tranen vertrouwt ze me toe dat ze als tiener last heeft gehad van depressies. Het gaat nu al jaren goed met haar, maar ze merkt nu dat ze weer somberder begint te worden. Niet heel erg, maar toch. We praten een kwartiertje met elkaar. Na afloop zegt ze dat ze blij is dat ze het even heeft kunnen vertellen.

Het is uit tussen Clark en zijn vriendin. Ze woonden al min of meer samen. Clark gebruikte altijd de laptop van zijn vriendin, maar dat is nu ook afgelopen. Clark heeft hierdoor geen toegang tot onze digitale onderwijsomgeving. En omdat hij zijn bijbaan in de horeca ook kwijt is, heeft hij geen geld voor een nieuwe laptop. Gelukkig weet hij na een paar weken via school een laptop te lenen.

Sherylee maakt zich zorgen om haar ouders op Sint Maarten. Ze woont hier bij een tante en dat gaat op zich goed. Ze is bang dat haar ouders corona krijgen. De gezondheidszorg op Sint Maarten is niet zo goed als hier in Nederland. Deze zomer zou ze hen voor het eerst in twee jaar gaan bezoeken, maar ze vreest dat dat door alle beperkingen niet gaat lukken.

Faisal is aan het afstuderen bij een grote gemeente. Hij onderzoekt mogelijkheden om burgers aan te zetten om te participeren en initiatieven te nemen. Hij wilde altijd al iets bij een overheidsorganisatie gaan doen. Naast zijn afstudeerwerk ondersteunt hij sinds enige tijd ook regelmatig het gemeentelijke corona crisisteam. Hij doet dit zo goed, dat hij een traineeship aangeboden heeft gekregen en meteen na zijn studie bij de gemeente aan de slag kan gaan.

 

De collegezalen en de praktijkruimtes zullen nog maandenlang leeg blijven. Dat zal nog heel wat van de studenten vergen. Ik ben de afgelopen weken onder de indruk geraakt van hun veerkracht, hun doorzettingsvermogen en hun geduld. Vanaf september zal de hogeschool mondjesmaat open gaan. Studenten zullen dan af en toe in kleine groepen bij elkaar kunnen komen. Aan ons de opdracht om daar waardevolle momenten van te maken. Inhoudelijk rijk en sociaal warm. Quality time. Dat hebben de studenten nodig. En dat verdienen ze.

Ik-dingen

 

Kan een ding een ik zijn? Ik stel deze vraag omdat ik de laatste tijd regelmatig tegen dingen aanloop die zich presenteren in de ik-vorm. Een paar voorbeelden van wat ik Ik-dingen noem:

“ik word beschermd”

 

“ik rijd elektrisch”

 

Al deze mededelingen zijn op zich heel duidelijk, maar ze maken door de ik-vorm toch een merkwaardige indruk. Vandaar de vraag: kan een ding een ik zijn?

Natuurlijk niet, zeggen taalkundigen. Ik is een persoonlijk voornaamwoord. Het verwijst naar de eerste persoon enkelvoud die onderwerp van de zin is. Het gaat om een persoon die iets over zichzelf meldt, bijvoorbeeld ‘ik loop’, of  ‘ik ben boos’. Een ding is geen eerste persoon enkelvoud, maar is een ‘het’ en valt net als de woorden hij en zij onder de categorie derde persoon enkelvoud. Een ding heeft niet het vermogen om als een bewust wezen iets over zichzelf te vertellen.

Ook het cultureel woordenboek laat geen twijfel over mijn vraag bestaan. Bij het lemma ‘ik’ wordt gemeld dat het gaat om een ‘uitdrukking waarmee de denkende mens de eenheid van lichaam, denken en doelen aanduidt. Door de voorstelling van het ik onderscheidt de mens zich van alle andere levende wezens’. En nog meer van niet-levende zaken, zoals dingen, zou ik daar aan willen toevoegen.

Dieren, bomen, auto’s, huizen en fluitketels kunnen alleen in sprookjes, kinderboeken en tekenfilms praten. Maar in het echte leven gebeurt dat natuurlijk niet. Daarom doen al die ikkerige postbode-karretjes en supermarktproducten zo potsierlijk aan.

Vraag beantwoord, discussie gesloten, zou je zeggen. Maar toch denk ik dat we dergelijke Ik-dingen steeds vaker gaan tegenkomen. En in veel intelligentere varianten. De strakke scheiding tussen mensen en dingen, tussen ikken en hetten zal in de toekomst niet meer houdbaar zijn. Door de komst van Kunstmatige Intelligentie, chatbots, cyborgs e.d. zal bewust handelen, zelfstandig beslissingen nemen en gericht communiceren niet langer het exclusieve domein van mensen zijn. Ik ontvang mails van Dennis van Kwikfit en van Willy van Weekendjeweg. Als ik op internet vragen heb over een dienst of een bestelling meldt Billie van Bol.com of Roel van de Postcodeloterij zich met de vraag: ‘kan ik iets voor je doen?’.

Billie doet inmiddels 45% van het klantcontact van Bol.com: https://www.emerce.nl/nieuws/billie-van-bol-com-doet-45-klantcontact

Aanvankelijk dacht ik nog dat het om echte Willy’s en Billie’s ging, maar dat was natuurlijk niet zo. Menselijke taken en vormen van dienstverlening worden overgenomen door voorgeprogrammeerde technologieën die zich niet als een ding/een ‘het’ presenteren, maar als een menselijk wezen/een ‘ik’. En die ontwikkeling zal uiteraard steeds verder gaan: pratende auto’s, communicerende koelkasten, multifunctionele zorgrobots, virtuele assistenten. Dat is nog eens andere koek dan een pot pindakaas met een ‘ik ben biologisch’ sticker.

Kortom, wij mensen gaan steeds verder in het creëren van dingen die menselijke functies hebben en zich presenteren als menselijke wezens. Wat vroeger science fiction was, lijkt langzamerhand realiteit te worden. De vraag is of dat ook zal leiden tot het bekende scenario dat je in veel SF boeken en films tegenkomt, namelijk dat de robots uiteindelijk de macht overnemen. Dat de mens iets heeft gemaakt wat hij uiteindelijk niet meer kan beheersen, maar waardoor hij beheerst gaat worden.

Het doet me denken aan de bekende film I Robot. De film is gebaseerd op een serie verhalen van Isaac Asimov uit de jaren ’40. De titel spreekt boekdelen: het ding is een ik.

In de film die speelt in 2035 geeft een hyperintelligente computer de opdracht aan robots om in te grijpen in het leven van de mensheid, omdat de wereld ten onder dreigt te gaan door criminaliteit en milieuverontreiniging.  Door alle hedendaagse verhalen over klimaatverandering lijkt de film actueler dan ooit. Als je het zo bekijkt zouden we zelfs blij moeten zijn dat er intelligentere wezens zijn dan mensen. Een robot als ‘mijn beter ik’. Maar dat is misschien iets te optimistisch gedacht. En zo optimistisch ben ik eerlijk gezegd ook weer niet. Ik zie robots niet als monsters, maar ook niet als reddende engelen. Het is handig dat machines en robots bepaalde werkzaamheden van ons overnemen. Maar ik wil me wel blijven realiseren dat het dingen zijn, ook al is dat onderscheid in sommige situaties steeds moeilijker te maken. Ik heb liever contact met echte mensen dan met dingen, hoe slim ze ook zijn. Er is namelijk geen rijkere vorm van interactie dan menselijk contact.

 

Geraadpleegde bronnen:

https://onzetaal.nl/taaladvies/persoonlijk-voornaamwoord/

https://www.cultureelwoordenboek.nl/filosofie/ik

https://nl.wikipedia.org/wiki/I,_Robot_(film)

 

P.S. In het werk van de kunstenaar Jan van Munster neemt het woord Ik een belangrijke plaats in (https://janvanmunster.nl/ ).

Kunstwerk van Jan van Munster op kantoorgebouw bij Utrecht Centraal.

Ik-bank van Jan van Munster in Apeldoorn

Doelgroepen en Deelgroepen

“Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep”

 

Mede onder invloed van maatschappelijke trends en technologische ontwikkelingen ondergaat het vakgebied van professionele communicatie flinke veranderingen. We leven in een tijd van globalisering, digitalisering, duurzaamheid, social media, diversiteit en individualisering. Dat alles laat ook z’n sporen na in de communicatie-wereld. Eenzijdig zenden maakt steeds meer plaats voor interactie en participatie; planmatig communicatiebeleid wordt vervangen door meer flexibele werkwijzen; marketingdoelen worden aangevuld met maatschappelijke ambities. Kortom, het speelveld is flink aan het veranderen. Dat is terug te zien aan de nieuwerwetse vaktermen die tegenwoordig in het professionele communicatie-circuit volop worden gebezigd. Woorden als agile, co-creatie, purpose, big data en conversation zijn niet van de lucht. Vaak Engelstalige termen, om het extra vlot en indrukwekkend te laten klinken. Jeukwoorden-expert Japke-d. Bouma heeft er een dagtaak aan om het allemaal bij te houden.[1]

Ik kijk daar als communicatie-docent met veel belangstelling naar. Ik probeer door de modieuze terminologie heen te prikken om te kijken of er een zinvolle kern overblijft. In nogal wat gevallen blijf ik met een lege huls zitten, maar het komt ook regelmatig voor dat achter zo’n nieuwe term een verdienstelijke poging zit om veranderende omstandigheden te duiden. Want de tijden veranderen snel en dat vergt nieuwe vormen van denken en benoemen.

Ondanks al die ontwikkelingen is er een communicatiewoord dat tot mijn verbazing al decennialang ongewijzigd is gebleven. Onaantastbaar, lijkt het wel. Ik bedoel het woord doelgroep. Op de werkvloer, in studieboeken, op conferenties en in onderzoeksrapporten wordt de term doelgroep nog volop gebruikt. Ik vind dat opvallend, omdat het wat mij betreft een term is die voor een belangrijk deel niet meer de lading dekt. Om dat toe te lichten, moet eerst de term nader worden verklaard.

Doelgroep is een vertaling van de Amerikaanse marketing-term target group. De oorspronkelijke betekenis van het woord target verwijst naar een rond schild. In vroeger eeuwen gebruikten boogschutters die term voor een ‘mark to shoot at’, een mikpunt. Een target-group zou je dus kunnen opvatten als een groep mensen die je wilt raken/treffen, of -in wat vredelievender termen- mensen die je wilt bereiken. In de communicatie-wereld kun je het woord doelgroep op twee manieren opvatten. Er wordt òf een groep mensen mee aangeduid bij wie je een doel wilt realiseren (bijvoorbeeld rokers die moeten stoppen met roken of consumenten die jouw product moeten gaan kopen), òf het gaat om de mensen die je met je communicatie wilt bereiken. De eerste categorie zou je de gewenst-effect-doelgroep kunnen noemen en de tweede de communicatie-doelgroep. In veel gevallen is de communicatie-doelgroep ook de gewenste-effect-doelgroep, maar soms spreekt je groep A aan in de hoop dat zij groep B gaan bewegen iets te veranderen. A is dan de communicatie-doelgroep die optreedt als intermediair voor de gewenst-effect-doelgroep B.  In beide gevallen gaat het om planmatige, eenzijdige communicatie. Doel en doelgroep zijn door de boodschapper vooraf vastgesteld. Als hij de doelgroep in het vizier heeft, legt hij aan en haalt hij de trekker over. Geen wonder dat een van de oudste communicatie-effecttheorieën de ‘magic bullet’ theorie werd genoemd. We hebben deze theorie allang afgezworen, maar de bijbehorende terminologie blijft rondzingen.

Iedereen zal begrijpen dat deze opvatting van communicatie niet meer van deze tijd is. We leven in een tijd van interactie, social media en participatie. Iedereen communiceert met iedereen. Op allerlei niveaus en met alle mogelijke middelen. Vast is vloeibaar geworden. En toch blijven we het woord doelgroep gebruiken. Laatst kaartte ik dit aan tijdens een zeer interessante presentatie van Sander Hermsen van de Hogeschool Utrecht.[2] Toen ik hem vroeg waarom hij (en anderen) nog steeds het woord doelgroep gebruikte, gaf hij toe dat de term niet meer toereikend was, maar dat er nu eenmaal geen beter woord bestaat. Hij nodigde ons uit om met een betere aanduiding te komen.

Die handschoen heb ik opgepakt en dit verhaal is daar het bewijs van. Sommigen kiezen voor het woord stakeholders, maar dat vind ik niet specifiek genoeg voor communicatie. In het boek Kernbegrippen van professionele communicatie dat Paula Zweekhorst en ik hebben geschreven[3] , kiezen we voor de term Publieksgroepen: heel breed, heel algemeen. Die zijn er in allerlei soorten en maten. Een veilige keuze.

 

 

 

Maar als ik wat verder nadenk zou ik nu een onderscheid willen maken tussen situaties waarin je BIJ anderen iets wilt bereiken en situaties waarin je MET anderen  iets wilt bereiken;  onderscheid tussen een groep mensen als ‘lijdend voorwerp’ en een groep mensen als ‘meewerkend voorwerp’. In het eerste geval mag je wat mij betreft over doelgroepen blijven spreken. We zien nog steeds veel campagnes en acties waarbij organisaties alle touwtjes in handen houden en eenzijdig hun boodschappen over de hoofden van het publiek uitstorten. Roeptoeteren naar doelgroepen.

In het tweede geval is een organisatie met mensen in gesprek. Doelen, wensen en belangen worden uitgewisseld. Er worden geluisterd, overlegd, afgestemd. Bij het voeren van een gesprek heb je het over deelnemers of gesprekspartners. Het woord partner, weer zo’n Engels woord, betekent eigenlijk ook deelnemer (part = deel; denk ook aan het woord participeren wat letterlijk betekent: deelnemen). Het woord doelgroep is in een dergelijke situatie misplaatst. Met het wijzigen van één letter hebben we een veel treffender woord te pakken: deelgroep. Ik stel hierbij voor om deze term te gaan gebruiken bij alle vormen van interactieve, participatieve communicatie. Bijkomende voordeel: het is een Nederlandstalig term. En nu maar hopen dat Japke-d. Douma er geen jeuk van krijgt.

 

Naschrift 6 september 2020

Dit weekend had ik ingeving die goed aansluit bij dit blog en die ik ook op LinkedIn en Twitter heb gedeeld.

Communicatie 1.0 : met iets de ander bereiken

Communicatie 2.0 : met de ander iets bereiken.

 

 

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/16/het-ergste-jargon-in-de-communicatie-a1588555?utm_source=NRC&utm_medium=banner&utm_campaign=Paywall&utm_content=paywall-november-2019A

[2] https://www.sander-hermsen.nl/

[3] https://www.boomhogeronderwijs.nl/product/100-8477_Kernbegrippen-van-professionele-communicatie-tweede-druk

Het is oké.

“Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden”

 

Kennelijk is het leuk om aan het einde van een jaar op allerlei fronten de balans op te maken en uitzonderlijke personen, prestaties of verschijnselen te nomineren als de beste, leukste, of opvallendste van het jaar. Zo zijn de gouden handbalsters verkozen tot beste sportploeg van het jaar, leverden de kamerleden Renske Leijten en Pieter Omtzigt de ‘politieke prestatie van het jaar’, zijn de nieuwe stations van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam verkozen tot gebouw van het jaar en is PSV toch nog in de prijzen gevallen omdat de Eindhovenaren de beste website van het jaar blijken te hebben.

In datzelfde rijtje past ook de bekendmaking van het woord van het jaar. Woordenboekenuitgever Van Dale is de initiatiefnemer van deze verkiezing.[1] Dit jaar kon het publiek uit 19 genomineerde woorden kiezen en kwam het woord ‘boomer’ afgetekend als winnaar uit de bus. Op het gevaar af dat ik nu word weggezet als oude zeurpiet: ik vind dit een ongelukkige keuze.

Het woord is dit jaar namelijk vooral populair geworden in combinatie met het woordje ‘ok’ dat ervoor moet worden geplaatst. De term ‘ok boomer’ is onder jongere generaties een grote hit (oftewel trending)[2] en wordt gebruikt om een zeurende, behoudzuchtige oudere op z’n plek te zetten. In het Nederlands zouden we zeggen: ‘genoeg gekletst, ouwe’. De kracht van deze kreet zit in de combinatie van het woord boomer met het woordje ok. Bovendien bestaat het woord boomer al jarenlang (ook als de variant baby-boomer). Allemaal redenen waarom deze verkiezing heel merkwaardig aanvoelt.

Als je je dan toch door de uitdrukking ’ok boomer’ wilt laten inspireren, dan is het woordje ‘ok’ een veel betere keuze. Het is namelijk een enorm veelzijdig woord dat allerlei gedaantes kan aannemen. Zelfs koning Willem-Alexander gebruikte het in zijn kersttoespraak met de inmiddels al vaak herhaalde woorden ‘Trek het je niet teveel aan als het eens tegenzit. Geef jezelf wat ruimte. Het is okee.’[3] Zou de koning zich hierbij hebben laten inspireren door de 50 jaar oude bestseller Ik ben o.k., jij bent o.k. van Thomas Harris?

 

De oorsprong van het woordje ‘ok’ (formeel is het een tussenwerpsel) is niet voor honderd procent duidelijk, maar meerdere bronnen verwijzen naar de Amerikaanse president Martin van Buren.[4] Zijn aanhangers richtten in 1840 de ‘Democratic O.K. Club’ op. De letters O.K. waren de afkorting van Old Kinderhook, een door Nederlandse immigranten gestichte plaats waar van Buren ooit ter wereld kwam. Later kreeg OK de betekenis van Oll Korrekt (alles is correct/in orde). Het woordje OK heeft dus Nederlandse wortels en is een succesvol export-product geworden dat de hele wereld heeft veroverd. Dat is al op zich een reden om het woord in het zonnetje te zetten.

Een andere reden is de veelzijdige schrijfwijze. Je komt de term met en zonder puntjes tegen en in hoofdletters en in kleine letters (ok, o.k., OK, O.K.). Daarnaast wordt het ook vaak geschreven als ‘okay’. In het Nederlands is merkwaardig genoeg het Frans aandoende ‘oké’ de correcte spelling. Onze koning heeft zich duidelijk niet aan die spellingsregel gehouden. In de gepubliceerde tekst van zijn kersttoespraak staat ‘okee’. Al die verschillende manieren waarop je het kunt schrijven, onderstrepen het bijzondere karakter van dit woord.

Ten slotte kent het woordje enorm veel betekenissen. De oorspronkelijke betekenis staat hierboven al weergegeven. Het betekent: in orde, akkoord. Maar sinds de tijd van Martin van Buren heeft oké een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Toen mijn dochter mij laatst een appje stuurde met een voorstel om langs te komen antwoordde ik met ‘OK’. Ik bedoelde dat positief, maar zij vatte het anders op, want ze appte terug: ‘dat klinkt ook niet enthousiast’. Voor mij was het een bevestigende oké, maar voor haar was het een ‘vooruit dan maar’-oké.

Met oké kun je heel veel kanten op. Het kan bemoedigend of afremmend zijn, positief of negatief, vragend of dwingend. Volgens taal-expert Pauline Cornelisse is er sprake van een enorme opmars van het woord, waarbij met name de wijze van uitspreken verraadt wat men met ‘oké’ wil zeggen.[5]

Met simpele stembuigingen kun je eenvoudig de meest uiteenlopende betekenissen aan oké  geven:

die is gek!

meen je dat echt?

kappen nou!

geweldig idee!

ik begrijp het

nu even wat anders

mwah

wat een verrassing!

 

Oké is dus een veel interessanter woord dan boomer. Het voelt niet oké dat ‘boomer’ het woord van het jaar is geworden. Het woord is niet verrassend of vernieuwend. Het een import-woord zonder band met het Nederlands. Over een paar dagen begint 2020. Een nieuw jaar met nieuwe kansen. Laten we hopen dat het een oké jaar wordt en dat iedereen zich oké voelt. Ook als het even tegenzit. En laten we proberen om volgend jaar een beter woord van het jaar te kiezen. Oké?

 

P.S. 15 januari 2020

Inmiddels heb ik als reactie op dit verhaal enkele alternatieve verklaringen voor de oorsprong van de term oké ontvangen:

  • het zou komen van het Griekse όλα καλά,  oftewel alles goed!
  • het zou een verbastering zijn van het Franse woord au quai, een uitroep die werd gedaan als schepen, bv. houtschepen in toen nog Franstalig Louisiana goed aangemeerd lagen, dus ‘au quai’, aan de kade, waren gemeerd.
  • In de film Silver Linings Playbook die ik een paar dagen geleden zag wordt de oorsprong van de term OK ook gekoppeld aan Martin van Buren en Old Kinderhook.
  • Volgens Allan Metcalf (die een boek over de term OK heeft geschreven) is de term afkomstig uit 1839 toen een redacteur van een krant in Boston het introduceerde als afkorting voor ‘all correct’.

 

 

 

 

 

https://www.cbsnews.com/news/time-for-a-little-word-history-ok/

 

 

 

[1] https://woordvanhetjaar.vandale.nl/nl;

Eerdere woorden van het jaar: blokkeerfries (2018), appongeluk (2017), treitervlogger (2016), sjoemel-software (2015), dagobertduck-taks (2014), selfie (2013), project X-feest (2012), tuigdorp (2011), gedoogregering (2010),  ontvrienden (2009), swaffelen (2008) en bokitoproof (2007).

 

[2] https://www.thebestsocial.media/nl/dit-is-waarom-het-internet-momenteel-vol-staat-met-ok-boomer/#

 

[3] https://www.koninklijkhuis.nl/documenten/toespraken/2019/12/25/kersttoespraak-van-de-koning-25-december-2019

 

[4] Opmerkelijk genoeg is de naam van Buren ook verbonden aan ons Koningshuis. Het is een van de erfelijke titels van de Oranjes. Willem-Alexander nam in 1996 als W.A. van Buren deel aan de Friese Elfstedentocht.

[5] Paulien Cornelisse (2010): Taal is zeg maar echt mijn ding.

Communiceren over communicatie

Hoe knoop je met eerstejaars studenten het gesprek over Communicatie aan? Over vak, visie en onderwijs.

 

Binnenkort beginnen overal in het land weer vele kersverse studenten aan hun opleiding HBO Communicatie. Ook op mijn hogeschool. Dat is altijd weer een bijzonder moment. Nieuwe gezichten, nieuwe ontmoetingen, nieuwe gesprekken. Vol dromen en verwachtingen stappen deze nieuwelingen ons gebouw binnen, maar ook met de nodige vragen en onzekerheden. De ervaring leert dat veel van deze studenten moeilijk kunnen verwoorden waarom ze voor de opleiding Communicatie hebben gekozen en wat je er precies mee kunt worden. Ondanks alle voorlichtingsdagen, video’s en informatieboekjes is het communicatie-vak voor de beginneling kennelijk nog moeilijk te vatten. Dat zal voor studenten die naar de Pabo gaan of verpleegkunde studeren heel anders zijn.

 

 

 

 

Het is ook niet vreemd, want de beroepspraktijk is volop in beweging en je komt er de meest uiteenlopende functies en rollen tegen. Van webdesigner tot brandmanager en van lobbyist tot social media specialist. Als je de deskundigen binnen het beroepenveld raadpleegt om grip op het vak te krijgen, merk je dat zij er heel verschillende visies en opvattingen op nahouden. In de ruim 30 jaar dat ik voor de klas sta is er één constante factor: de permanente discussie onder professionals over de waarde en de essentie van het communicatievak. Vaak hebben die discussies een ondertoon van zich miskend of onbegrepen voelen: “Wat is ons bestaansrecht?”, “Waar zijn wij van?”, “Wat is onze bijdrage?”. Om vervolgens met pakkende termen en aanduidingen (dat kun je wel aan communicatiemensen overlaten) stelling te nemen: “communicatie is een vak apart”, “communicatie is Factor C”, “communicatie gaat over beeldvorming (je imago is je beste amigo)”, “goede communicatie is disruptief”, “de kern van communicatie is storytelling”, “bij communicatie gaat het draait om purpose”, “het fundament van communicatie is reputatie”, etc. Daarbij heb ik door de jaren heen allerlei tegengestelde opvattingen voorbij zien komen: er moeten schotten tussen werkterreinen (bijv. extern-intern; concerncommunicatie-marketingcommunicatie) worden aangebracht of juist worden weggehaald; communicatie moet in het hart van het beleid terecht komen of zich er juist uit terugtrekken[1]; communicatie moet strak gepland en accountable zijn of juist agile en flexibel; communicatie heeft eigenlijk geen bestaansrecht meer of communicatie moet minder bescheiden zijn en meer aan zijn eigen PR werken[2].

Dit alles laat zien dat men het binnen het vakgebied zelf moeilijk eens kan worden over wat de kern van communicatie is. Als de profs zoveel verschillende geluiden laten horen, is het niet eenvoudig om binnen het onderwijs het aanstormende talent enige richting en houvast te bieden.

 

Bovenop dit alles is er de enorme ontwikkeling die de digitalisering met zich mee heeft gebracht. Nieuwe media hebben het medialandschap de afgelopen tien jaar op z’n kop gezet. Jongeren lezen geen kranten meer en kijken nauwelijks nog televisie. Ouderwets zenden kan niet meer. Iedereen is permanent online en druk in de weer met apps, posts en games. Bloggers en influencers zetten op veel terreinen de toon. Het wordt steeds moeilijker om te onderscheiden wat waar en niet waar is.  Autoriteiten en instituties worden ter discussie gesteld. Kortom, we zitten middenin een enorme storm. Alles wat vast was, lijkt vloeibaar te zijn geworden.[3]

Daar sta je dan als goedbedoelende docent met 30 frisse, verwachtingsvolle gezichten voor je neus. Het heeft geen zin om de eerste weken te beginnen met alle discussies over het vak en de bijbehorende termen als purpose, accountability of reputatie. Dat gaat deze studenten ver boven hun pet. Wij proberen, zeker aan het begin van jaar 1, vooral aan te sluiten bij hun eigen belevingswereld: hun gebruik van media en hun ervaringen met communicatie. Wie zit er (nog) op Facebook, en waarom? Wie is er naar welk festival geweest en welke sponsors heb je daar gezien? De website van welke organisatie vind je klantvriendelijk? Wat is je favoriete merk, en waarom? Wie is er zelf actief met het posten van teksten en beelden? Dergelijke verkennende vragen leiden vaak tot boeiende antwoorden die het gesprek over communicatie op gang brengen. Daarna vragen we de studenten om trefwoorden op te schrijven die typerend zijn voor communicatie. Die trefwoorden koppelen we dan aan begrippen die uit de vakliteratuur afkomstig zijn.

Op grond van deze ervaringen hebben Paula Zweekhorst en ik drie jaar geleden een boek samengesteld dat Kiezen voor Communicatie heet. Speciaal geschreven voor startende studenten en/of beginnende professionals. Het boek is opgebouwd aan de hand van een aantal kernbegrippen die elke communicatiestudent of -professional tegen zal komen, ongeacht zijn niveau, functie of werkterrein. Generieke begrippen, dus. Wij hebben de volgende begrippen benoemd: organisatie, publieksgroepen, content, connect, context, aanpak en visie. Inmiddels is het boek aan een nieuwe druk toe. We hebben de inhoud geactualiseerd en op basis van reacties van gebruikers de titel aangepast. Het heet nu Kernbegrippen van professionele communicatie.[4] De uitgever heeft het boek ook in een nieuw jasje gestoken. De zeven kernbegrippen hebben we gehandhaafd. Maar we hebben in tegenstelling tot de eerste druk dit keer bij het begrip Visie ook onze eigen visie op communicatie geformuleerd. We vonden dat dat moest. Juist omdat er vanuit het veld zoveel uiteenlopende geluiden te horen zijn. We wilden niet een in beton gegoten statement schrijven, maar in begrijpelijke taal aangeven wat wij de essentie van communicatie vinden. Het is bedoeld als uitnodiging om er verder over na te denken en over door te praten. Dat gaan we zeker ook in de klas doen.

Voor mij geldt dat het communicatie-onderwijs zo boeiend blijft omdat het vak volop meebeweegt met allerlei maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Iedere generatie studenten draagt de kenmerken van die ontwikkelingen met zich mee. De studenten van nu zijn in veel opzichten echt anders dan hun voorgangers van 10 of 20 jaar geleden. Je kunt als communicatie-docent daarom niet indutten of op de automatische piloot vliegen. Je moet alert zijn en bijblijven. En met elke nieuwe generatie in gesprek gaan. Dat maakt het communicatie-onderwijs ieder jaar weer spannend, maar vooral heel interessant en leuk.

 

 

De visie-tekst staat in beknopte vorm hieronder. Reacties zijn van harte welkom. Via LinkedIn of via peter.tlam@inholland.nl

Mensen kunnen niet goed zonder elkaar. Ze hebben anderen nodig en dat kan niet zonder communicatie. Door communicatie worden we eigenlijk pas mens. Communicatie betekent letterlijk: gemeenschappelijk maken. We kunnen ook zeggen: samen delen. Dat maakt communicatie tot een interactief verschijnsel, gericht op begrips- en relatievorming. Er is sprake van minstens twee partijen die samen iets (proberen te) delen. In je eentje valt er immers weinig te delen; dat kan alleen als er anderen zijn. Iedereen probeert zich op een bepaalde manier tot andere mensen te verhouden en een beetje zicht en grip op de wereld te krijgen. Door het onderling uiten en betekenis geven aan signalen kun je je plaats bepalen, overleggen, verschijnselen duiden en begrijpen, gevoelens tonen, afspraken maken.

Communiceren is geen exclusief menselijke competentie. Ook dieren kunnen signalen uiten en ontvangen. Dit gebeurt doorgaans op basis van instinct en overlevingsdrang, maar sommige dieren kunnen zo (door mensen) getraind worden dat ze leren geconditioneerd te communiceren. Denk aan een hond die op commando kan blaffen, een papegaai die roept dat het ‘lekker weer’ is of een mensaap die via allerlei gebaren met zijn verzorgers kan ‘praten’. Toch blijven dit beperkte vormen van communicatie.

Het zijn de mensen die communiceren op een ‘hoger niveau’ hebben gebracht. Zij hebben met hun verstandelijke vermogens allerlei talen (beeldtaal, muziek, gesproken en geschreven woord, gebaren, programmeertaal, braille, emoji’s) en kanalen/instrumenten/ontmoetingsvormen (drukwerk, vergaderingen, radio, events, televisie, social media) ontwikkeld om op de meest uiteenlopende manieren met elkaar te kunnen communiceren. Zo beschikken mensen over een enorm arsenaal aan mogelijkheden om met elkaar in contact te komen en te communiceren. En dat doen ze dan ook de hele dag, bewust en onbewust, bedoeld en onbedoeld, al dan niet effectief, bij elkaar aan tafel of via de computer, in kleine kring of met miljoenen tegelijk, in jip-en-janneketaal of aan de hand van abstracte formules.

Communicatieprofessionals zijn de deskundigen bij uitstek die weten welke vormen van interactie in bepaalde situaties het meest geschikt zijn. Ze brengen mensen bij elkaar, kunnen ordening aanbrengen in het enorme informatieaanbod, kunnen anderen adviseren en kunnen ook zelf vormen van interactie ontwerpen.

Dat is de kern van professionele communicatie: het helpen realiseren van betekenisvolle ontmoetingen, direct en gemedieerd, gericht op begrips- en relatievorming. Maar communicatie blijft mensenwerk, je kunt het niet zomaar inzetten en naar je hand zetten. Er zijn anderen bij betrokken en die bepalen zelf wat ze ermee doen.

[1] https://www.overheidincontact.nl/communicatiecollega-trek-je-terug-uit-het-hart-van-beleid/

[2] https://www.adformatie.nl/pr/het-communicatievak-moet-hard-aan-zijn-pr-gaan-werken

[3] Zie o.a. het boek Liquid Times van Zygmunt Bauman (2007).

[4] https://www.kernbegrippenvanprofessionelecommunicatie.nl/

Verkiezingen voor het Europees Parlement: waar gaat het over?

De gemiddelde Nederlander kampt met een enorm gebrek aan feitelijke kennis over de EU. Dat is niet zo vreemd, want de EU vormt een complex geheel van instellingen met ingewikkelde spelregels. De puntentelling bij het Eurovisie Songfestival is daarmee vergeleken een ABC-tje.
Op school leren we nauwelijks hoe de EU in elkaar steekt. Ook media en politici besteden niet veel aandacht aan het geven van tekst en uitleg. Zij belichten liever gekleurde, geprofileerde standpunten. Om het de burger makkelijk te maken worden daarbij schijnbaar eenvoudige keuze-opties voorgelegd: VOOR of TEGEN, Solidair of Superstaat, Samen Sterk of Eigen Baas, Loving of Leaving. Was het maar zo eenvoudig.
Ik schrijf iedere keer dat er verkiezingen zijn een tekst over het hoe en wat van de desbetreffende verkiezing voor mijn kinderen en hun vrienden. Niet om hun stemvoorkeuren te sturen, maar om achtergrondinformatie te geven. Op basis van mijn studie Politicologie en mijn promotie-onderzoek naar de EU (over de invloed van mediaberichtgeving op de publieke opinie) meen ik daar iets meer dan gemiddeld verstand van te hebben. Ik deel dit keer graag in blog-vorm de (wat bewerkte) tekst die ik eerder aan mijn kinderen stuurde.

 

Overal staan borden met posters die me oproepen om op donderdag 23 mei te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Sommige slogans nodigen me uit om VOOR of TEGEN Europa te stemmen. Dat is vreemd. Bij de Provinciale Staten verkiezingen van twee maanden geleden werd ik ook niet uitgenodigd om VOOR of TEGEN Noord-Holland te stemmen. We kiezen namelijk geen geografische eenheden, maar volksvertegenwoordigers. Dit keer zijn dat de mensen die namens ons in het Europees parlement gaan zitten en vanuit Brussel en Straatsburg een beetje mogen meepraten en bijsturen. Zij zitten niet echt aan de knoppen. De werkelijke beslissingsmacht ligt bij de gezamenlijke politieke leiders, de ministers en de regeringsleiders van de 28 lidstaten, die samen de grote besluiten nemen. Eigenlijk kunnen we deze politici veel effectiever aanspreken en ter verantwoording roepen via de nationale parlementen dan via het Europees Parlement. En daarmee hebben we meteen een kernprobleem te pakken: hoe zit het met het democratische gehalte van de EU en wat is nu precies de verhouding tussen burgers en Brussel?

 

Vooraf

Laten we bij het begin beginnen. Als er verkiezingen zijn, sta je voor twee keuzes: ga ik stemmen en zo ja, op wie/op welke partij ga ik dan stemmen? Dat geldt ook voor de verkiezing voor het Europees Parlement (EP) op 23/26 mei a.s.[1] Voor veel mensen zijn deze twee keuzes als het om Europa gaat des te moeilijker te maken: de EU is een soort ver-van-mijn-bed-show en weinigen hebben een goed beeld van wat er in Brussel en Straatsburg (in deze laatste plaats vergadert en stemt het EP een week per maand) gebeurt. En bovendien: we kennen de kandidaat Europarlementariërs nauwelijks van naam, laat staan dat we weten wat ze in Europa willen bereiken. Niet erg aantrekkelijk en uitdagend om daarvoor naar de stembus te gaan! Uit opiniepeilingen blijkt dat vooral partijen met een uitgesproken EU-profiel (sterk ’voor’ of ‘tegen’) het goed doen bij de respondenten. Dus in die zin zijn de slogans die op de posters staan goed te begrijpen.

 

Getallen en stemmen

In het Europese Parlement (EP) is plaats voor 26 Nederlandse leden op een totaal van 751.[2] Deze getallen laten zien dat de Nederlandse inbreng in het EP beperkt is. Het betekent ook dat alleen de grotere Nederlandse  partijen kans maken op meer dan 1 zetel. Ter vergelijking: in de Tweede Kamer zitten 150 volksvertegenwoordigers, dus in Den Haag is de kans dat ook kleine partijen een plekje krijgen veel groter.

Om toch invloed uit te kunnen oefenen zitten de Nederlandse Europarlementariërs in politieke groepen of fracties. Zo maken de PvdA-ers deel uit van de PES (sociaal-democraten) en de CDA-ers van de Europese Volkspartij (christen-democraten en conservatieven). Daarnaast is er ook nog een groene fractie, een liberale, een rechts-nationalistische, etc. Deze ordening brengt op zich al bijzondere combinaties met zich mee. Zo zitten de CDA-ers samen met de Italiaanse opvolgers van Berlusconi in één groep, hokken D66 en de VVD in dezelfde liberale fractie en opereert de SP in een groep waarin ook communisten zijn vertegenwoordigd. Het is interessant om te gaan volgen in welke politieke groep de Europarlementariërs van Forum voor Democratie willen gaan zitten. Deze nieuwe partij heeft nog geen vaste plek. Uit onderzoek (www.votewatch.eu) blijkt dat Europarlementariërs tijdens stemmingen vooral de fractie-lijn volgen. Nederlandse EP-leden vormen dus niet een gezamenlijk Nederlands blok, maar stemmen in het EP verdeeld, net als in Den Haag: ze volgen hun  politieke kleur.

 

Verkiezingen leiden niet to een nieuw bestuur

Een groot verschil tussen deze verkiezingen en die voor bijvoorbeeld de gemeenteraad, de provincie of de Tweede Kamer is dat in het geval van EU de verkiezing niet leidt tot een daaruit volgende samenstelling van een nieuw bestuur. Bij Nederlandse verkiezingen, op elk niveau, kiezen we vertegenwoordigers die op lijsten van politieke partijen staan. Daarna gaan die partijen kijken welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen op basis waarvan een college van Burgemeester en Wethouders (gemeente), Gedeputeerde Staten (provincie) of Regering (nationaal) samengesteld kan worden. Hoe meer mensen bij Tweede Kamer verkiezingen op de VVD stemmen, des te groter de kans dat de VVD ook in de regering komt. In Europa werkt dat niet zo. De EU heeft namelijk geen regering! In die zin is het wat merkwaardig dat sommige politici toch blijven roepen dat de EU een superstaat is. De EU is geen staat, laat staan een superstaat. De EU-lidstaten zijn vaak juist heel erg verdeeld. De EU kan daarom veel moeilijker een vuist maken dan echte superstaten, zoals de VS, China of Rusland. Er zijn dus ook geen regeringspartijen of oppositie-partijen in het Europees Parlement. Hoe meer Nederlanders op 23 mei op het CDA stemmen, des te meer CDA-ers in het Europees Parlement komen en dat is weer een zetje in de rug van de Europese Volkspartij, maar daarmee houdt het op. De Europese instelling die een beetje in de buurt komt van een regering/bestuur is de Europese Commissie. Iedere lidstaat levert één commissaris die zich met één beleidsterrein bezig houdt. Voor Nederland zit Frans Timmermans in de Commissie. De keuze voor Frans Timmermans stond destijds geheel los van de uitslag van de EP-verkiezing, maar had meer te maken met het verdelen van interessante banen tussen de grote politieke partijen in Nederland (Timmermans, prominent PvdA-man, werd benoemd door Rutte II, een coalitie van VVD en PvdA). Nieuw sinds 2014 is de afspraak dat de grootste fractie binnen het EP na de verkiezingen de kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie mag voordragen. Frans Timmermans is druk bezig als om als zogenaamde Spitzen-kandidaat van de Sociaal-democraten (PES) dat voorzitterschap te veroveren. De EVP (de fractie van christen-democratische en conservatieve partijen) hebben de Duitser Manfred Weber naar voren geschoven. Maar uiteindelijk besluit niet het EP hoe de Europese Commissie wordt samengesteld. Elke EU-lidstaat wijst zelf aan wie namens dat land commissaris wordt in Brussel. Frans Timmermans is kandidaat-lid van het EP, maar dat betekent niet dat hij automatisch weer Eurocommissaris wordt. Dat bepaalt de regering Rutte.

 

Invloed en macht

Hoe groot is de invloed van het Europees Parlement? Deze vraag is niet simpel te beantwoorden. Vast staat dat het EP door de jaren heen steeds meer invloed heeft gekregen. De leden van het EP mogen over steeds meer Europese onderwerpen meepraten en meebeslissen. Die rechten zijn vastgelegd in diverse verdragen die door lidstaten van de EU zijn gesloten (zoals het Verdrag van Amsterdam). In het in 2009 opgestelde EU-Hervormingsverdrag (Lissabon) zijn deze rechten weer verder vergroot. Het EP mag over een groot aantal zaken advies uitbrengen en over steeds meer zaken ook meebeslissen. Ook die meebeslis-onderwerpen zijn vastgelegd. Globaal genomen zijn dit alle onderwerpen waarvan de lidstaten hebben bepaald dat een gezamenlijk beleid wenselijk is en de invloed van de lidstaten beperkt kan worden: milieu, markt, consumentenzaken, landbouw, voedselveiligheid, transport, etc. Meer nationaal-gevoelige zaken als belasting, onderwijs, buitenlands beleid, cultuur, politie/justitie blijven vooral buiten de invloedssfeer van het Europees Parlement. De EU gaat dus niet over onze pensioenen, zoals je de mensen van 50Plus wel eens hoort roepen. Al met al heeft het EP duidelijk minder macht dan de nationale parlementen in de lidstaten.

In tegenstelling tot de Tweede Kamer (en andere parlementen) mag het Europees Parlement niet zelf met wetsvoorstellen komen. Alle wetsvoorstellen zijn afkomstig van de Europese Commissie. Vervolgens mag het EP (afhankelijk van het onderwerp) een advies uitbrengen of een besluit nemen en uiteindelijk wordt het voorstel besproken in de Raad van Ministers die een uiteindelijk besluit neemt. Die Raad van Ministers wisselt steeds van samenstelling, afhankelijk van het onderwerp. Als het om een milieu-voorstel gaat zijn het de 28 ministers van Milieuzaken van alle lidstaten. Gaat het om transport, dan komen alle 28 ministers van Verkeer bijeen (dus per lidstaat één minister). Zo moet Cora van Nieuwenhuizen, de Nederlandse minister van Infrastructuur, een paar keer per jaar met haar Europese collega’s stemmen over Europese verkeersvoorstellen. Over die voorstellen heeft dus het Europees Parlement mee mogen praten en meedenken. Maar natuurlijk kan ook de Tweede Kamer Cora van Nieuwenhuizen nog eens flink aan de tand voelen over wat zij allemaal bekokstooft met haar collega’s in Brussel. De praktijk laat zien dat leden van de Tweede Kamer die kans vaak laten lopen, of pas wakker worden, als de handtekeningen in Brussel zijn gezet. En dat terwijl het Verdrag van Lissabon voorziet in een gele kaart procedure. Als nationale parlementen vinden dat Europese voorstellen beter op nationaal niveau opgepakt en ingevuld kunnen worden kunnen zij de Europese Commissie een halt toeroepen.[3]

Dan is er tenslotte nog nog een speciale club die behoorlijk wat invloed heeft in de EU: dat is de vergadering van regeringsleiders en staatshoofden (de Europese Raad). Enkele keren per jaar komen Rutte, Macron, Merkel en alle andere politieke leiders van de lidstaten bijeen om over grote zaken te spreken: hoe gaan we de klimaatproblematiek te lijf, hoe staan we tegenover de Brexit, hoe gaan we om met de migratiestromen, etc. Tijdens dergelijke Top-bijeenkomsten worden vaak vergaande besluiten genomen. Het Europees Parlement heeft daar geen greep op. Dat gebeurt gewoon naast de standaard-procedures van Brussel en Straatsburg. Ook op dit punt heeft de Tweede Kamer eigenlijk meer invloed, omdat Rutte wel in Den Haag ter verantwoording geroepen kan worden, maar niet in Brussel of Straatsburg.

 

Waar gaan de verkiezingen van 23 mei over?

Strikt genomen (en zuinig gezegd) gaat het bij de EP-verkiezingen dus om de verdeling van 26 Nederlandse zetels waardoor het Europese Parlement een tikje socialer, christelijker, liberaler of rechts-nationaal kan worden. Daardoor worden de wetsvoorstellen van de nieuwe Europese Commissie met een iets meer sociale, christelijke, liberale of rechts-nationale blik bekeken en beoordeeld. Dat is dus niet heel wereldschokkend, maar aan de andere kant kun je zeggen dat het goed is dat de EU ook in toenemende mate door een democratisch orgaan als het EP wordt gecontroleerd en ingekleurd. Anders zouden de Europese Commissie en de Raden van Ministers zonder Europese, democratische toets hun werk doen. Nergens ter wereld opereert een soortgelijk parlement dat over landsgrenzen heen bepaalde rechten en machtsmiddelen heeft.

 

In bredere zin gaat het op 23 mei om wat wij eigenlijk met de Europese Unie willen. De kiezers kunnen een signaal afgeven over hoe zij de EU het liefst ingericht willen zien. Er bestaan daarbij grofweg drie opties:

Visie één: de EU is hard nodig om gezamenlijk internationale problemen aan te pakken. Milieu, de opkomst van China, de politiek van Poetin, migratie, energie: het vinden van juiste antwoorden daarop werkt alleen als lidstaten goed samenwerken en een deel van hun speelruimte opgeven aan de EU en daarmee ook het EP meer bevoegdheden geven. Kortom: intensieve samenwerking op een groot aantal terreinen.

De tweede visie is: de EU is in de kern een goed idee, maar het geheel moet niet verder groeien. Het moet beter, maar niet meer. Niet nog meer landen erbij en niet nog meer beleidsterreinen.

Visie drie: we moeten net als de Britten de EU verlaten. De EU is een te machtig, te bureaucratisch systeem; de lidstaten hebben te veel van hun soevereiniteit verloren en moeten weer baas in eigen huis worden.

Wat mij betreft gaat het Europese project niet om de vraag of begrotingstekorten een procentje meer of minder mogen bedragen. En ook niet om krappere of royalere visquota. Zelfs het berekenen van eventuele kosten van de euro of baten van Europese samenwerking gaan voorbij aan de essentie. Het wezen van Europese samenwerking is de vraag hoe Europese staten en burgers zich tot elkaar willen verhouden. Die vraag is niet met Ja of Nee te beantwoorden. Als we die vraag ontleden, komen we op drie sub-vragen uit:

–          Met wie willen we samenwerken (kwantitatief)

–          Op welke terreinen willen we samenwerken (kwalitatief)

–          Tot op welke hoogte willen we samenwerken (institutioneel)

Waar de EU zich bewijst en waar de EU relevant is, kan het een stapje steviger of verder. Waar de EU zich niet bewijst of geen toegevoegde waarde heeft, moet Europese samenwerking worden heroverwogen of teruggedraaid. Politieke partijen zouden zich vooral daarover moeten uitspreken. Daarbij moeten ze de feiten laten spreken en de stereotypen en de zwart-wit schema’s achter zich laten. We zijn ons in Nederland gaan realiseren dat de EU van invloed is, maar we moeten ook beseffen dat wij (als land, als provincie, als burgers) daarin een rol spelen. We zijn daar zelf bij, en we kunnen daar ook zelf (een beetje) over meepraten en meebeslissen. Op 23 mei, maar ook als er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn, of zelfs voor de Provinciale Staten.

 

Meer weten?

 

Ik kan iedereen die feitelijke informatie over de EU zoekt deze website aanbevelen:

www.europa-nu.nl

 

Verder heb ik vijf jaar geleden (in de aanloop naar de EP-verkiezingen van 2014) een aantal beschouwende blogs over de EU geschreven. Voor de liefhebber:

 

Kiezen voor Europa (serie): Introductie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=246
Kiezen voor Europa (serie): Proloog http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=248
Kiezen voor Europa (serie): Geografie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=293
Kiezen voor Europa (serie): Geschiedenis http://phaests.nl/phaestus.nl/?p=308
Kiezen voor Europa (serie): Economie http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=319
Kiezen voor Europa (serie): Cultuur http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=326
Kiezen voor Europa (serie): Politiek http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=332
Kiezen voor Europa (serie): Epiloog http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=337

 

[1] Opmerkelijk genoeg gaan niet alle inwoners van de 28 EU-lidstaten op dezelfde dag naar de stembus. Nederlanders stemmen op donderdag, terwijl in andere landen dat soms op vrijdag of op zaterdag of zondag gebeurt. Dus pas op zondag 26 mei krijgen we het totaalbeeld voor de hele EU.

[2] Ook opmerkelijk: in Groot-Brittannië is de regering van Theresia May er niet in geslaagd de Brexit binnen het vastgestelde tijdpad (en voor de EP-verkiezingen) te realiseren. De Britten doen dus ook mee aan de verkiezingen voor het EP, terwijl de kans bestaat dat ze over een paar maanden uit de EU treden. Als dat gebeurt vertrekken alle Britse leden uit het Europees Parlement en krijgen alle overige lidstaten en dus ook Nederland er een paar zetels bij.

[3] Hangt samen met het zgn. subsidiariteitsbeginsel.

Communiceren luistert nauw

Deze tekst heb ik geschreven op uitnodiging van Nederland Luistert.

 

Samen met een collega begeleid ik een afstudeerkring waarin acht tot tien studenten (HBO-communicatie) om de twee weken de voortgang van hun afstudeerwerk bespreken. Het voordeel van deze bijeenkomsten is dat we op vaste tijden bij elkaar komen om vragen en zorgen, successen en frustraties met elkaar te delen. De afstudeerfase is een lang, individueel traject, maar dankzij de kring hebben alle studenten toch een gemeenschappelijke thuisbasis.

Een van de deelnemers is Suzy. Zij doet onderzoek naar uitkeringsgerechtigden in een middelgrote gemeente. De gemeente stuurt deze mensen elke maand een flyer met informatie en tips. De gemeente het idee heeft dat deze flyers slecht gelezen worden. Uitkeringsgerechtigden blijken vaak niet goed op de hoogte van allerlei regelingen en activiteiten, terwijl hierover wel via de flyers met hen is gecommuniceerd. Aan Suzy de opdracht dit nader te onderzoeken en met voorstellen te komen om de communicatie te verbeteren.

Suzy is twee maanden geleden met deze opdracht begonnen. Tijdens een kringbijeenkomst vertelt ze dat ze worstelt met haar onderzoek. Ze heeft een enquête uitgezet onder haar doelgroep, maar ze heeft slechts twee ingevulde vragenlijsten retour ontvangen. Al snel komen de kringgenoten met suggesties om de respons te verhogen: door Facebook in te zetten, of door vragenlijsten uit te delen op de wekelijkse markt. Dan zegt opeens een student: “volgens mij moet je geen enquête gebruiken;  je moet met die mensen gaan praten. Zij zitten kennelijk niet te wachten op de flyers van de gemeente en klaarblijkelijk ook niet op vragenlijsten. Maar ze zullen ongetwijfeld heel wat op- en aan te merken hebben op de gemeente. Dat kom je het beste te weten door met ze aan tafel te gaan zitten”. Suzy vindt het een goed idee en zegt dat ze ermee aan de slag zal gaan.

Twee weken later vertelt Suzy tijdens de kringbijeenkomst enthousiast dat ze met meerdere uitkeringsgerechtigden heeft gesproken. Ze had in samenspraak met de gemeente bij de servicebalies op het gemeentehuis een tafel ingericht waar wachtende uitkeringsgerechtigden een kopje koffie konden komen drinken. Diverse mensen waren bij haar aangeschoven en er was niet veel nodig om hen aan het praten te krijgen. Ze vonden het fijn dat er iemand was aan wie zij hun verhaal kwijt konden. Voor Suzy gingen er werelden open. Zij had zelf eigenlijk geen goed beeld van uitkeringsgerechtigden, maar na deze gesprekken snapte ze veel beter welke verschillende zaken er bij deze mensen spelen. De belangrijkste conclusie was dat elke uitkeringsgerechtigde zijn eigen verhaal heeft, zijn eigen wensen en problemen. Mensen willen gehoord worden en ze hebben maatwerk nodig, geen uniforme flyer.

De kringgenoten luisteren geboeid naar Suzy’s ervaringen. Dan zegt een student iets opmerkelijks: “in feite is jouw onderzoek al het begin van de oplossing. Jouw enquête werkte niet, omdat dat niet bij deze mensen past. De gesprekvorm werkte wel, omdat het mensen de kans bood om hun verhaal te vertellen”.

Deze ervaring leerde mij dat wij doorgaans te strikt een grens aanbrengen tussen de onderzoeksfase en de oplossingsfase. Het bijzondere daarbij is dat we oplossingen zoeken om in de toekomst beter te communiceren met een doelgroep, maar dat we vaak de kans laten liggen om ook al te communiceren met de doelgroep in de onderzoeksfase. Ook de onderzoeksfase biedt communicatie-kansen. Ook dan passen we vormen van communicatie toe (vragenlijst, koffie-gesprek, interview). De vakliteratuur geeft aan dat in de oplossingsfase rijkere vormen van communicatie de voorkeur verdienen: interactie, authenticiteit, verbinding. Waarom passen we die rijkere vormen dan ook niet in de onderzoeksfase toe? Waarom sturen we mensen enquêtes, terwijl we ook in gesprekken kunnen luisteren naar wat ze te vertellen hebben?

Als we de waarde van communicatie ook goed weten toe te passen in de onderzoeksfase, wordt communicatie een doorlopend proces van luisteren, waarnemen en uitwisselen, in plaats van een opgeleverd product dat de output is van een non-communicatief voortraject.

Zie ook:

https://nederland-luistert.nl/portfolio-item/communiceren-luistert-nauw/

Openbare klapsigaren, luizenmoeders en fundamentalisten

 

“Zou er dan alleen openbaar onderwijs moeten bestaan? Ik neig daar steeds meer toe.”

 

Als kind van Nederlands-Hervormde ouders ging ik begin jaren ’60 naar een lagere school met een protestants-christelijke signatuur. Een school-met-de-bijbel. Katholieke kinderen (door ons aangeduid als ‘katholieke elastieken’) gingen naar RK-scholen. Niet-gelovigen gingen naar het openbaar onderwijs; wij noemden die kinderen ‘openbare klapsigaren’. We leefden in gescheiden werelden, want niet alleen de scholen, maar ook de winkels, sportclubs en maatschappelijke organisaties in het dorp van mijn jeugd kenden levensbeschouwelijke scheidslijnen. Pas toen ik ging studeren begon ik om te gaan met leeftijdsgenoten met een andere achtergrond. Die elastieken en klapsigaren bleken reuze mee te vallen.

Nu, ruim vijftig jaar later, kijk ik met de nodige verwondering op die tijd terug. Wat een verkokering, wat een hokjesgeest. Natuurlijk, binnen je eigen hokje was er saamhorigheid en herkenning, maar het was ook benauwend; alles wat anders was stuitte op onbegrip of werd ronduit verketterd. Het was toen vanzelfsprekend, maar de tijden zijn veranderd. De verzuiling lijkt voorbij. Volgens het CBS is minder dan de helft van de Nederlanders nog gelovig.[1] Maar toch hebben de meeste gemeenten nog altijd een aanbod van openbare, katholieke en protestantse scholen. Is dat nog wel van deze tijd?

Zo nu en dan laait de discussie op of we als samenleving nog wel ruimte moeten bieden aan scholen met een levensbeschouwelijke grondslag. Vaak als reactie op een specifiek incident: een streng-christelijke school die geen homo-docent wil aanstellen, een orthodox-joods school die een misbruik-affaire in de doofpot wil stoppen, een bijzondere school die bepaalde kinderen niet wil toelaten of een islamitische school die verdacht wordt van banden met fundamentalisten.

Om dergelijke uitwassen tegen te gaan zouden we simpelweg alle scholen voor confessioneel bijzonder onderwijs kunnen sluiten. Die gedachte borrelt de laatste jaren steeds vaker bij mij op, maar ik weet ook dat  je daarmee een fundamentele vaderlandse kwestie oprakelt die al twee eeuwen oud is. De 19e eeuwse schoolstrijd is in hoge mate bepalend geweest voor de vormgeving van de sociale, culturele en politieke verhoudingen in Nederland. De Franse tijd (1795-1813) had een scheiding van kerk en staat met zich meegebracht. Onderwijs werd gezien als een principieel openbare kwestie. Voor bijzonder onderwijs werd geen geld beschikbaar gesteld. In de loop van de 19e eeuw groeide het verzet tegen deze achterstelling. In protestantse en katholieke kringen werden verenigingen opgericht om naast openbaar onderwijs ook vormen van bijzonder onderwijs mogelijk te maken. Deze verenigingen groeiden geleidelijk uit tot politieke partijen die de strijd aanbonden met de liberalen en socialisten die voorstanders waren van openbaar onderwijs. Uiteindelijk werd in 1917 het bijzonder onderwijs grondwettelijk gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs en kregen bijzondere scholen evenveel overheidsfinanciering als openbare scholen. Er was hierbij echt sprake van een polder-oplossing: de confessionele partijen kregen eindelijk hun zwaar bevochten vrijheid van onderwijs en de socialistische zuil sleepte de invoering van het fel begeerde algemeen kiesrecht uit het vuur. Deze deal ging de geschiedenisboeken in als ‘de Pacificatie’.

Als je nu een verbod zou invoeren op confessioneel onderwijs grijp je in op verhoudingen die diep in de Nederlandse samenleving zijn geworteld. Daarmee vergeleken is de zwarte-pieten-kwestie slechts kinderspel.

Toch denk ik dat we het gesprek hierover niet uit de weg moeten gaan.

Hoe ver mag de vrijheid van onderwijs gaan? De besturen van die bijzondere scholen bestaan uit mensen die meestal nog wel een band hebben met de levensbeschouwelijke grondslag van de school, maar veel ouders en hun kinderen niet. Die besturen hebben de mogelijkheid om naar eigen inzicht leerlingen al dan niet toe te laten, om leerkrachten en schoolleiders met een andere achtergrond te weren, om een bepaalde levensvisie uit te dragen. Die keuzes worden vaak weloverwogen en integer gemaakt, maar ze kunnen soms ook ingaan tegen wat wij breed-maatschappelijk aanvaardbaar vinden en in enkele gevallen zelfs strijdig met de grondwet zijn. Dan blijken er eigenlijk geen wezenlijke machtsmiddelen bestaan om die besturen aan te pakken en die scholen te sluiten. Want er bestaat nu eenmaal vrijheid van onderwijs. En die vrijheid is ook vastgelegd in de grondwet. Ruim honderd jaar geleden. Dat is nu precies waarom het af en toe zo wringt.

Het staat ouders natuurlijk vrij om hun kinderen religieus op te voeden en te vormen. Maar dat is een privé kwestie. Daar heb je geen regulier onderwijs voor nodig. Buiten schooluren kunnen ouders hun kinderen meenemen naar de kerk en de zondagsschool, naar een koranschool sturen of op Joodse les doen. Zoals kinderen ook buiten schooltijd vioolles hebben of bij een club gaan voetballen. Dat zijn allemaal keuzes die ouders en hun kinderen in volle vrijheid (en voor eigen rekening) mogen maken. Onderwijs is van een andere orde. Onderwijs dient een algemeen belang. Dat vinden we met elkaar zo belangrijk dat er voor leerlingen een leerplicht bestaat en dat we het betalen uit algemene middelen.

Zou er dan alleen openbaar onderwijs moeten bestaan[2]? Ik neig daar steeds meer toe. Het is tijd om het scholen op levensbeschouwelijke grondslag af te gaan bouwen.  Een onderwijstransitie zoals we nu ook een energie-transitie hebben. Dat zal niet alle problemen oplossen. Ook aan strikt openbaar onderwijs kunnen nadelen kleven. Als openbare scholen een soort bleke, neutrale eenheidsworst-instituten worden, wordt het moeilijk om je daar als ouders en kinderen mee verbonden te voelen. En als men op die scholen angstvallig elke verwijzing naar religie of levensbeschouwing uit de weg gaat, krijg je onwezenlijke en ongemakkelijke situaties zoals die in de recente aflevering van De Luizenmoeder over het vieren van het Kerstfeest pijnlijk werden getoond. (https://www.npo3.nl/de-luizenmoeder/03-03-2019/AT_2116135 ).

Maar dat moet ons er niet van weerhouden om de weeffout die de vrijheid van onderwijs nu kent aan te gaan pakken.

Ik eindig met het slotwoord uit de scriptie van mijn vader die hij ruim vijftig jaar geleden schreef over openbaar en bijzonder onderwijs. Hij was als betrokken gelovige een warm voorstander van bijzonder onderwijs, maar zocht ook naar wegen om de kloof tussen bijzonder en openbaar onderwijs te verkleinen.

 

“De Nederlandse schoolstrijd is wel eens onze tweede tachtigjarige oorlog genoemd. Het verdrietige is echter, dat het in deze strijd niet in de eerste plaats ging om opvoedingsidealen, maar om kerkelijk-politieke belangen. De schoolstrijd werd een machtsstrijd, die onze samenleving gestempeld en vele onderlinge verhoudingen vergiftigd heeft. Goddank, er zijn tekenen, die er op wijzen dat men over en weer in de kringen van onderwijs bezig is met een diepgaande bezinning op de eigen grondslagen, en dat men in een groeiend besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid veel meer oog heeft voor wat ons verbindt, dan voor dat wat ons gescheiden houdt”.

 

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/43/meer-dan-de-helft-nederlanders-niet-religieus

[2] Ik weet dat er ook algemeen bijzonder onderwijs bestaat, niet op levensbeschouwelijke basis, maar gebaseerd op onderwijskundige-pedagogische inzichten. Denk aan montessori- en dalton scholen. Ik laat deze scholen hier buiten beschouwing.

Pijl en logo

 

Al jarenlang besteed ik tijdens de colleges Inleiding Communicatie aandacht aan logo’s. Aan de reacties van de studenten te merken is dat een populair onderwerp. Ik begin de bijeenkomst met de vraag wie er regelmatig met de trein reist. Ik roep vervolgens een van hen naar voren en vraag hem/haar het logo van de NS na te tekenen. Dat lijkt een eenvoudige opdracht, maar de ervaring leert dat het minder eenvoudig is dan je zou denken. Iedereen kent het logo, maar het uit je hoofd correct natekenen lukt de meesten niet. Vanuit de klas klinken allerlei aanwijzingen, wat het eindresultaat er meestal niet beter op maakt. Als de klas dankzij het NS-logo is opgewarmd doe ik een logo-quiz (op het internet zijn diverse varianten te vinden). Je ziet van een aantal logo’s slechts een fragment en moet dan raden om welk logo en welk merk het gaat. De studenten doen altijd enthousiast mee en zijn hier meestal erg goed in.

 

Deze twee appetizers vormen een mooi opstapje om daarna met elkaar te praten over de betekenis van logo’s, de relatie tussen logo en organisatie-identiteit en het belang van visuele communicatie. Tijdens het college laat ik nog een aantal opmerkelijke logo’s zien die ik in de loop van de tijd heb verzameld. Inmiddels heb ik een goed gevuld bestand op mijn laptop staan die ik heb gerangschikt op thema: logo’s  met dieren, logo’s in zwart-wit, logo’s die verwijzen naar kunst, logo’s met mensfiguren, logo’s met een directe verwijzing naar het product, abstracte logo’s, etc. Aan het einde van het college laat ik de studenten een aantal criteria formuleren waar goede logo’s aan moeten voldoen. Vrijwel altijd komen ze op de volgende voorwaarden uit: duidelijk, origineel, aantrekkelijk en passend bij de organisatie.

Sinds kort heb ik er een nieuwe categorie bij: logo’s met pijlen. Ik moest namelijk laatst op een dag heen en weer rijden van mijn woonplaats Amstelveen naar Zuid-Limburg. Ik zat in totaal vijf uur achter het stuur en halverwege de heenweg begon ik opeens te letten op de logo’s van de vele vrachtwagens die ik zag passeren. Je zou dat een vorm van beroepsdeformatie kunnen noemen. Hoewel ik logo’s in allerlei soorten en maten tegenkwam, sprong één dominante factor in het oog: op veel vrachtwagens stond een dubbele pijl.

Op de terugweg begon ik de pijlen-logo’s die ik tegenkwam langs de meetlat van mijn studenten te leggen. De meeste waren voldoende duidelijk. Slechts enkele vond ik aantrekkelijk (hoewel dat natuurlijk een kwestie van smaak is). De dubbele pijl is natuurlijk passend voor een vervoersbedrijf. Deze vrachtwagens gaan van A naar B en weer terug. Dat kun je treffend afbeelden met een dubbele pijl. Het grootste knelpunt bleek de originaliteit. Als zoveel bedrijven een dubbele pijl in hun logo hebben, hoe onderscheidend ben je dan nog?

Op een gegeven moment zag de dubbele pijl ook op de Flixbus die op de andere weghelft reed. En het schoot me te binnen dat het NS-logo ook twee pijlen bevat. Dat maakte het geheel nog minder origineel. De hele vervoersbranche gebruikt dubbele pijlen.

Een helder ping-geluid onderbrak mijn gemijmer. Ik moest tanken. Bij het eerste tankstation langs de A2 maakte ik een stop en ik besloot ook een koffie-pauze in te lassen. Nadat ik mijn tank had volgegooid parkeerde ik mijn auto bij de naastgelegen Subway. Bij het binnenlopen kon ik een glimlach niet onderdrukken: ook de Subway heeft een logo met een dubbele pijl. Dat heeft natuurlijk niets met koffie en broodjes te maken maar alles met de oorsprong van de naam.

Onder het genot van mijn kop koffie ontdekte ik op mijn smartphone dat ook het keurmerk voor transport en logistiek een dubbele pijl bevat.

Kennelijk kan men niet anders verzinnen in deze sector.

Toen bedacht ik dat mijn ervaringen van deze dag een mooie introductie konden vormen voor de colleges Inleiding Communicatie die over twee weken starten. Bij de les over logo’s zal ik de studenten na mijn introductie een duidelijk, aantrekkelijk, passend, maar vooral origineel logo voor een vervoersbedrijf laten ontwikkelen: ZONDER dubbele pijlen.