Categoriearchief: Politiek & maatschappij

Doe effe normaal

“Weet je wie die opa is?”, vraag ik. Niemand heeft een idee. “Bennie Jolink”, roep ik.

 

Het lesmateriaal voor een docent Communicatie ligt bijna letterlijk op straat. Zo maak ik geregeld foto’s van grote abri-posters op de metrohalte vlakbij de hogeschool waar ik werk. Deze posters lenen zich uitstekend voor bespreking tijdens colleges. Ze zijn groot (dus goed te projecteren in de lesruimte), en bevatten doorgaans een kernachtige boodschap. Bovendien reizen de meeste studenten (net als ik) met het openbaar vervoer, dus er is vaak de nodige herkenning, Ik fotografeer expres een stukje van de abri erbij om het perspectief van de reiziger te benadrukken. Vooral bij eerstejaars studenten is het bespreken van deze posters een vruchtbare methodiek. Ik kan dankzij mijn foto’s goed illustreren wat met de gelaagdheid van boodschappen wordt bedoeld, of met de herkenbaarheid van de afzender, of met het samenspel van tekstuele en visuele uitingen. En juist ook van eerstejaars studenten krijg ik de meest originele reacties. Misschien komt dat door hun relatief onbevangen blik.

 

foto (1)

Een poster van de Nierstichting krijg veel lof. De studenten hadden de poster zelf ook al opgemerkt en vinden de boodschap duidelijk en aansprekend. Ze waarderen het ook dat er een link wordt gelegd met de locatie/situatie: je ziet de poster terwijl je op de metro staat te wachten. Als ik vraag wat de bedoeling van deze uiting is (ik laat daarbij de termen Kennis, Houding en Gedrag vallen) vinden de studenten het moeilijk dat te bepalen. Als ik vervolgens vertel dat de posters zijn opgehangen aan de vooravond van de collecteweek van de Nierstichting, zie ik veel positieve Aha-blikken. Een student merkt op dat hij het dan wel vreemd vindt dat er geen rekeningnummer van de Nierstichting op de poster staat.

 

 

 

foto

 

 

 

Een poster van het Waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek valt niet in de smaak. Niemand weet wat een waterschap is. Ik suggereer dat dat misschien juist de achtergrond van deze campagne is. “Maar waarom dan die schattige eendjes”, vraagt een studente, “als het zo belangrijk is wat ze doen, zou ik juist een dreigender beeld laten zien; van een dijkdoorbraak of zo”. “Of een foto van benen van mensen die tot hun knieën in het water staan”, roept een ander.

 

 

 

 

 

foto (2)

 

 

 

 

Als ik een poster van de SNS-Bank laat zien, vraag ik de studenten nog niet direct te reageren, maar de komende week allerlei uitingen van de nieuwe SNS-campagne in de media te volgen en deze te analyseren aan de hand van een paar vragen die ik hen meegeef.

 

 

 

 

 

De week daarna hebben we volop gespreksstof. De studenten noemen de tekst opvallend. En ook vinden ze het grote witte vlak op de poster goed passen bij de ‘normaal’-boodschap. Maar de boodschap zelf slaat niet aan. Een student heeft de moeite genomen om met zijn smartphone foto’s te maken van de openingstijden van diverse filialen van andere banken die ook op zaterdag open zijn. De SNS doet dus niets bijzonders, vindt hij. Een andere student zegt dat het nu lijkt alsof de SNS-bank vroeger niet-normaal was. Die opmerking  leidt tot een hele discussie over de bankencrisis. Een mooie aanleiding voor mij om de term reputatie aan de orde te stellen. De studenten snappen dat de SNS nu probeert een gewone, betrouwbare indruk te maken, maar vinden dat daar meer voor nodig is dan deze campagne. Veel vertrouwen hebben de studenten er niet in. Ze associëren banken niet met normaal doen. Ten slotte begint een student over de commercial van de SNS die hij op de TV heeft gezien. Hij heeft het over één of andere opa met een oostelijk accent. Mij was de commercial ook opgevallen en ik schiet in de lach. “Weet je wie die opa is?”, vraag ik. Niemand heeft een idee. “Bennie Jolink”, roep ik. Bij niemand gaat een belletje rinkelen. “Hij was de zanger van de band Normaal”, probeer ik dan nog. Maar ook die toevoeging roept totaal geen herkenning op, al snappen ze nu wel de link met het nieuwe sleutelwoord van de SNS: normaal. Dan zegt een student: “maar dat is toch raar, want juist wij, studenten, jonge mensen, gaan voor het eerst op zoek naar een bank. Dan wil je toch aangesproken worden door iemand die je kent; iemand met wie je je kunt identificeren”. “Ja!”, roept een andere student grijnzend, “dat zou pas normaal zijn”.

Burgemeester word wakker!

“Hebben we eindelijk een jeugdige, vrouwelijke burgemeester (na decennia van middelbare VVD-mannen in dito pakken), dreigt er meteen onheil”

 

 

Politiek Amstelveen (mijn woonplaats) is in rep en roer. De kersverse burgemeester Mirjam in ’t Veld heeft een nevenfunctie: zij neemt zitting in de Raad van Toezicht van WNL. Je weet wel, Wakker Nederland, die nieuwe omroepvereniging uit de Telegraaf-stal.

Hebben we eindelijk een jeugdige, vrouwelijke burgemeester (na decennia van middelbare VVD-mannen in dito pakken), dreigt er meteen onheil.

Sommige klagers vinden WNL te rechts en daarom geen goede keuze voor de nieuwe ‘burger-moeder’ (van CDA-huize) die boven de partijen zou moeten staan. Anderen vinden dat de burgemeester zich geheel op haar burgemeesterstaak moet richten. Frits Barend, een bekende local, vindt dat laatste weer onzin en noemt het juist gezond dat de burgemeester zich inlaat met maatschappelijke organisaties. Vrijwel alle fractievoorzitters steunen de keuze van in ’t Veld, maar een groep oud-raadsleden heeft zich per brief juist weer heel kritisch uitgelaten. Kortom, de gemoederen in mijn -onlangs tot groenste stad van Europa- verkozen woonplaats lopen op.

Wat vind ik er van? Ik neem als communicatie- en media docent een formeel standpunt in.

In veel reacties op de nevenfunctie van burgemeester in ’t Veld blijft het feit onderbelicht dat WNL een omroepvereniging in het publieke bestel is. Volgens de Mediawet (2008) moet iedere omroepvereniging “zich volgens de statuten ten doel stellen in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen” (artikel 2.24). Mensen die zich daartoe aangesproken voelen kunnen lid worden van deze vereniging. Het gaat bij iedere omroepvereniging (ongeacht haar politieke, religieuze of maatschappelijke profiel) dus altijd om het vertegenwoordigen van een deel-belang, terwijl een burgemeester juist het brede belang dient te representeren. In die zin maakt burgemeester in ’t Veld dus een ongelukkige keuze met deze nevenfunctie. Een tweede bezwaar is het feit dat omroepverenigingen in het publieke bestel niet alleen amusement en verstrooiing bieden, maar ook een informatieve en educatieve functie hebben. De media (vooral ook in het via belastinggeld gefinancierde publieke bestel) vormen een erkende machtsfactor in de samenleving die bedrijven, sporters, actiegroepen, politici, etc. kritisch en onafhankelijk moeten kunnen benaderen. Dat is een onmisbare functie in een pluriforme, democratische samenleving. Daarbij komen soms ook burgemeesters onder vuur te liggen (zie recente voorbeelden als Hoes, Rehwinkel en van Aartsen). Dan moet niet de schijn gewekt worden dat het ene medium zich wat moet inhouden omdat er nu eenmaal een burgemeester in de Raad van Toezicht zit. Of dat de burgemeester niet vrijuit kan spreken en handelen, omdat dat niet spoort met de lijn van de omroepvereniging waarop zij toezicht houdt.. In die zin bewijzen zowel de burgemeester als WNL zichzelf geen dienst. Laten we blij zijn dat we zo langzamerhand bevrijd zijn van de reflexen uit de tijd van de Verzuiling met die stevige verstrengeling van belangen tussen politieke partijen en omroepen.

Laat de burgemeester op zoek gaan naar een andere klus. Dit is niet zo maar een nevenfunctie. Dit is een onhandig gekozen verbinding tussen politieke macht en media-macht en dat moeten we niet willen.

Teveel reclame?

 

“Kortom, communicatie-Inuits kennen voldoende verschillende termen binnen hun eigen vakgebied, maar Haan is duidelijk geen kenner”

 

Een aantrekkelijke kant van mijn vakgebied (Communicatie) is dat het heel nabij en tastbaar is. Iedereen en alles communiceert en we ervaren doorlopend allerlei uitingen van communicatie. Geen wonder dat iedereen daar een mening over heeft. Net zoals we allemaal meepraten over het weer, over voetbal of over het Koninklijk Huis. Daar is niets mis mee, maar het is wel storend als mensen daarbij blijk geven van een volstrekt gebrek aan kennis. Twee dagen geleden zag ik daar een treffend voorbeeld van.

In een groot opinie-stuk in De Volkskrant van 27 september betoogt Gustaaf Haan dat er teveel reclame-uitingen (door Haan ten onrechte ‘reclames’ genoemd) over ons heen worden gestort. Dat is op zich volkomen legitiem. Iedereen mag zijn ergernissen uitventen, of het nu over hondenpoep gaat, over Gerard Joling, over benzine-prijzen, of over reclame. Maar als iemand twee pagina’s van een dagblad vult, dan hoop ik wel op een vakkundige, consistente onderbouwing. En daar wringt de schoen bij Haan.

Haan begint namelijk te vertellen dat de Inuit 33 woorden voor sneeuw hebben en dat wij maar één term kennen voor reclame, namelijk ‘reclame’. Dat is een fundamentele eerste denkfout. Wie even via Google gaat zoeken of in een handboek Marketing bladert, ziet dat er een breed scala aan onderscheidende reclame-vormen bestaat. Van promoties en persoonlijke verkoop tot direct marketing  en product placement. Naast reclame (tegenwoordig hanteren we vooral de term marketingcommunicatie) zijn er ook nog verwante communicatie-modaliteiten zoals public relations en sponsoring. Kortom, communicatie-Inuits kennen voldoende verschillende termen binnen hun eigen vakgebied, maar Haan is duidelijk geen kenner.

Dat blijkt ook als hij voorstelt om een onderscheid te maken tussen informatieve reclame (die hij nog wel enigszins nuttig vindt) en het in zijn ogen doelloze noemen van merken en organisaties op allerlei mogelijke dragers. Hij heeft daar een verzamel-naam voor bedacht die ik niet wil herhalen, omdat ik het een onzin-term vind en ik liever geen reclame voor onzin maak. In veel voorbeelden die Haan in dit verband noemt gaat het om sponsoring. Maar Haan herkent dat niet als zodanig. Hij doet het af als ‘overbodig’ en heeft het zelfs over ‘schade aan de maatschappij’. Dat gaat wel erg ver. Bij sponsoring steekt een bedrijf geld in een sportclub, een onderwijsproject of een museum. In ruil daarvoor wordt de naam van het bedrijf op de diverse uitingen van de begunstigde getoond. Misschien is dat soms hinderlijk (dat is vooral een kwestie van smaak), maar zolang wij als belastingbetalers niet te diep in de buidel willen tasten voor kunst, sport, onderwijs en zorg, mogen we blij zijn dat bedrijven bij willen dragen. En dan is naamsvermelding een logische tegenprestatie.

Een andere denkfout gaat over logo’s. ‘Als je mensen maar vaak genoeg je logo in hun gezichtsveld drukt, gaan ze meer van je spullen kopen’, roept Haan. Los van de vraag of dit aantoonbaar zo is, is de automatische link met verkoop onjuist. Ook de politie heeft een logo en mijn huisartsenpraktijk en zelfs het Koninklijk Huis. Dat heeft dus lang niet altijd met verkoop te maken of het langs slinkse weg beïnvloeden van ons onderbewuste. Het gaat vaak simpelweg om herkenbaarheid en uitstraling.

Los van het storend gebrek aan vakkennis en het veelvuldig generaliseren blijft de vraag of er teveel reclame is en of we een scheiding moeten maken tussen meer en minder gewenste uitingen. Ik zit eerlijk gezegd ook niet te wachten op Unox-mutsen bij de nieuwjaarsduik of straatnaambordjes met de naam van een sponsor erop. Maar wie zou moeten bepalen welke reclame-uitingen wel of niet overbodig of hinderlijk zijn? Moet er naast de dieren-politie nu ook reclame-politie komen? En hoe kun je onderscheid maken tussen informatieve reclame en de rest? Haan geeft zelf al aan dat elke reclame-uiting ‘aspecten van beide’ heeft. Omdat hij dit zelf niet kan oplossen stelt hij voor dat we de door hem niet-gewenste, schadelijk vorm maar moeten gaan minachten. Maar hoe moet ik iets gaan minachten als het nauwelijks te onderscheiden is van die andere wel-geaccepteerde vorm. Zo roept Haan wel veel, maar hij heeft eigenlijk geen benul en laat ons met lege handen achter.

En dan nog tot slot: onderaan het artikel lezen we dat Gustaaf Haan oprichter is van de Zonnefabriek, een bedrijf dat zonnepanelen levert. Een volstrekt irrelevante vermelding. Maar wel even lekker reclame maken voor je eigen toko!

De nieuwe landkaart van Europa

Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk liggen ver van elkaar verwijderd, maar hun huidige situatie vertoont opmerkelijke parallellen en een duidelijk verschil.

In geen enkel werelddeel wordt de landkaart zo vaak veranderd als in Europa.[1] Juist in het ‘oude’ continent blijken de grenzen van de landen niet stevig verankerd. Je zou juist verwachten dat bijvoorbeeld in Afrika, met al z’n willekeurige, langs koloniale linialen getrokken grenzen, het wijzigen van grenzen schering en inslag zou zijn. Maar met uitzondering van Eritrea en Zuid-Sudan heeft dat continent in grote lijnen zijn indeling behouden. Zo niet dus Europa. De afgelopen decennia zorgde de desintegratie van de Sovjet-Unie voor de komst van diverse nieuwe, onafhankelijke staten langs de grenzen van de Russische federatie. Ook werd Tsjecho-Slowakije gesplitst, terwijl Duitsland juist werd herenigd. En in de jaren ’90 viel Joegoslavië uiteen. Zo groeit het ledental van de NAVO en de EU en wordt het drukker op het Eurosongfestival en in de voorronden van het EK Voetbal. Het meest recente gerommel aan landsgrenzen vindt momenteel plaats aan de uiterste oost- en westkant van ons continent. In Oekraïne is de Krim nu Russisch grondgebied en probeert president Porosjenko de opstandelingen in het oosten te paaien met meer zelfbestuur. Je mag verwachten dat Oost-Oekraïne in de toekomst een zelfstandige status krijgt en een stevige band met Moskou, terwijl West-Oekraïne zich richt op de vrienden in Brussel. Hoe zit dat met de UK? Cameron worstelt zichtbaar met het referendum dat vandaag in Schotland wordt gehouden. Het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk dreigt. Net als Porosjenko probeert Cameron de Schotten te paaien met beloftes over meer zelfbestuur. Een typisch geval van too little, too late. Morgenochtend (19 september) weten we meer! Opmerkelijk (en ironisch) is verder dat Cameron zelf twee jaar geleden de Britten een referendum in het vooruitzicht heeft gesteld over het Britse lidmaatschap van de EU. In tegenstelling tot de achterban van Porosjenko is Cameron’s Conservative Party niet gecharmeerd van Brussel. Het aardige is dat Cameron hetzelfde wapen wil hanteren tegenover de EU waarmee hij nu wordt bedreigd door de Schotten. En je kunt voorspellen dat de argumenten die de Britse NO-stemmers straks tegen de EU zullen uiten van hetzelfde kaliber zijn als de  argumenten die  de YES-stemmers in Schotland vandaag gebruiken. “We nemen ons lot in eigen hand”, etc.etc. Als de Schotten vandaag in meerderheid Ja zeggen, zal dit andere gebieden in Europa inspireren om ook meer autonomie of zelfs volledige onafhankelijkheid op te eisen. Kennelijk is de strijd in Europa in deze tijd niet meer een expansief gevecht dat gericht is op gebiedsuitbreiding en imperium-vorming (al moet je Poetin wel in de gaten houden), maar een streven naar terugtrekking op en afbakening van eigen grond. Het botte referendum-instrument (waar veel op af is te dingen) is daarbij natuurlijk te verkiezen boven gewapende strijd. De vraag is wel of de vraag ‘wie we zijn’ en ‘waar we bijhoren’ met het afbakenen van landsgrenzen te beantwoorden is. Heineken kaart van Europa

 

 

 

 

[1] Lees vandaag ook de interessante column van Bert Wagendorp in De Volkskrant over Freddy Heineken en zijn idee om een nieuwe Europese landkaart te maken met 75 gelijkwaardige gebieden (Eurotopia).

Gerrit Kouwenaar

Als de radio meldt dat Gerrit Kouwenaar is overleden schieten me zijn gedichten ‘station hembrug’ en ‘Men moet’ te binnen. Ik heb geen bundel van Kouwenaar zelf in mijn boekenkast staan maar wel diverse verzamelbundels waarin gedichten van hem zijn opgenomen. Ik lees graag gedichten. Op de manier zoals Willem Wilmink zo fraai beschrijft in zijn gedicht ‘Vader’:

 

 

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken

 

Ik voeg aan die strepen en uitroeptekens nog iets toe: achterin de bundel noteer ik de nummers van de pagina’s met de gedichten die me het meest hebben aangesproken.

Dankzij mijn pagina-noteringen heb ik in korte tijd station hembrug gevonden:

 

station hembrug

Soms ziet men helder wat al donker is
en zit men haast weer heelhuids in zijn vlees, er is
geen boom gerooid, geen woord gepleegd, men zet
de klok terug, station hembrug
de trein staat stil, nu al een leven lang, men is
de stad voorbij, voorgoed een kind, het paradijs
ligt binnen handbereik, men spelt vandaag, men wijst
de noodrem met een vinger bij
wat is het jaargetij? het jaargetij is goed, zomer
en winter wonen in één tuin, voorjaar en najaar
reizen hand in hand, dit is altijd, de trein
staat in een wolk van stoom, en wacht
en wacht terwijl men onderwijl de tijd
stilt met een regel wit een boterham, het duurt
toch langer dan men had gedacht, men blijft
binnen de ramen, pelt een ei
woorden als langzaam later gaandeweg
vullen de rookcoupé, men kijkt door glas, men ziet
wikke in kolengruis, men hoort het sein, dit is
voorgoed, het sneeuwt, zo goed als tijd –

 

En ook het gedicht Men moet heb ik snel gevonden:

Men moet
 
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

 

De volgende dag tref ik dit gedicht ook in de krant aan en hoor ik Hagar Peeters het voordragen op televisie. ‘Men moet’ heeft alles in zich om een klassieker te worden.

Wat ook van blijvende schoonheid zal blijven is het gedicht dat Kouwenaar heeft gemaakt voor het Batavia-gebouw, een nieuwbouwproject bij de Panamalaan in Amsterdam. In een ontwerp van Kees Nieuwenhuijzen is door een patroon van inspringende bakstenen het ‘stenen gedicht’ van Kouwenaar weergegeven. Een prachtige combinatie van literatuur en architectuur. En ook een eerbetoon aan de rijke historie van de locatie; en vanaf nu ook aan Gerrit Kouwenaar.

 

 

Batavia

Zwarte zaterdag: Europa op weg

Zwarte Zaterdag. Samen met miljoenen andere Europeanen, die van of naar hun vakantiebestemming op weg zijn, begeven we ons met een volgepakte auto op de snelweg. Deze dag zal vooral bestaan uit tolwegen, tankstations en files. Juist dit weekend wordt het begin van de Eerste Wereldoorlog, honderd jaar geleden, herdacht. Ook toen verlieten miljoenen Europeanen hun huis. Toen om een ‘grande guerre’ te beginnen. Nu is het grote vakantie. Vergeleken met loopgraven en mosterdgas zijn de ongemakken van Zwarte Zaterdag slechts luxe-problemen: een onverwachte wegomlegging, een smerig toilet tijdens een koffiestop.

Europa is inmiddels ingrijpend veranderd. Europeanen gaan tegenwoordig bij elkaar op bezoek en waarderen de culturele en culinaire bijzonderheden van het gastland. Grensovergangen vormen geen belemmeringen meer, de euro wordt overal geaccepteerd en langzamerhand is Engels de lingua franca geworden. Tijdens mijn vakantie in Italië hoor ik een ouder Frans echtpaar Engels spreken met een Italiaanse winkelier. In diezelfde taal vraagt een Poolse man mij in Florence de weg. Ook valt mij op dat veel Italianen niet meer in Italiaanse auto’s rijden, maar de voorkeur geven aan Duitse en Aziatische merken. Als mijn broer en schoonzus ons bezoeken in Toscane (ze wonen in Brussel; zij is Italiaanse) delen zij vergelijkbare ervaringen met ons. Europa is geen melting-pot, maar Europeanen groeien wel meer naar elkaar toe. Zo kost het steeds meer moeite om in het straatbeeld de herkomst van Europese toeristen (zijn het Hongaren, Denen, Belgen, Tsjechen?) te bepalen. De enigen die echt opvallen zijn de Amerikanen en de Chinezen; niet-Europeanen, dus. Datzelfde valt me op als we, komend uit Toscane, voor Bologna in een lange file terechtkomen. De kentekenplaten laten zien dat we omringd worden door tal van nationaliteiten. En als we stapvoets naast elkaar rijden, ziet het Poolse gezin er net zo uit als het Nederlandse. Maar sommige verschillen blijven. Bij Bologna moeten we kiezen tussen Milano of Venezia. Britten, Belgen en Nederlanders houden de twee linkerbanen aan; Hongaren, Polen en Roemenen buigen af naar het oosten. Geografie verandert niet. Ook nu bestaat er nog Oost en West. Net als destijds bij het uiteenvallen van het Romeinse Rijk. Ik moet denken aan de stad Ravenna, niet ver van Bologna, die we aan het begin van de vakantie hebben bezocht. Na de splitsing van het Romeinse Rijk wordt Ravenna aan het begin van de vijfde eeuw de hoofdstad van het West-Romeinse rijk. Niet lang daarna vallen ‘barbaarse’ stammen het huidige Italië binnen. Ravenna komt vervolgens onder Byzantijns bestuur te staan en wordt de vooruitgeschoven post van het Byzantijnse rijk op het Italiaans schiereiland. Daarmee wordt de grondslag gelegd voor de prachtige Byzantijnse kunstwerken die nu nog in Ravenna te bewonderen zijn.

Ook later in de geschiedenis van Italië zie je de scheidslijn Oost-West terug. De republieken Genua (la Superba) en Venetië (la Serenissima) zijn aartsrivalen. Venetië is door haar ligging aan de Adriatische Zee van nature op het oosten gericht (een letterlijke ‘oriëntatie’), terwijl Genua de blik meer op het westen richt. Niet voor niets is het Genua’s bekendste zoon Christoffel Columbus die bekend wordt als de ontdekker van Amerika. Die ontdekking markeert de opkomst van Genua en de neergang van Venetië dat haar machtspositie in Zuid-Oost Europa verliest ten gunste van de Turken.

Inmiddels stellen wij de keuze tussen West en Oost nog even uit. We steken door naar het noorden van Italië. Daar woont een nicht van me die met een Italiaan is getrouwd. We kennen hen amper, maar dankzij internet en mail hebben we het contact de laatste tijd aangehaald en zijn we uitgenodigd om langs te komen. De ontvangst is allerhartelijkst en we gaan een aperitivo drinken in een prachtig stadje in de omgeving. Mijn aangetrouwde ‘cugino’ vertelt over het leven van zijn grootouders en ouders. En over de strijd die in deze regio heeft gewoed tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op de flanken van de Monte del Grappa kwamen in 1917-1918 ruim 25.000 Italiaanse en Oostenrijkse soldaten om. Ook wijst hij ons op een rij bomen waar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog partizanen werden opgehangen door de fascisten.

Tijdens het avondeten gaan de gesprekken door. Over de zon- en schaduwkanten van Europese samenwerking, over de nachtmerrie van toenemende werkloosheid onder jongeren, over Albanezen en Roemenen die inbreken en zakkenrollen, over de vele vluchtelingen die de oversteek maken naar Zuid-Italië, over de plaag van corruptie, maar ook over familiebanden, over reizen, over het verschil tussen leven in Nederland en leven in Italië, over het WK voetbal. We besluiten de bijzondere avond met eigengemaakte limoncello en grappa. We zijn een bijzondere ervaring en twee lieve familie-leden rijker. Prachtige zaterdag.

Outlet

Er is een nieuwe vorm van dienstverlening voor hondenbezitters: de uitlaatservice. Baasjes en vrouwtjes die vaak vele uren van huis zijn kunnen een uitlaat-service inhuren. Dan komt er op afgesproken dagen en vastgestelde tijden een busje voorrijden. De uitlaters, meestal jonge vrouwen met een sportieve paardenstaart, hebben een sleutel van het huis en laden de enthousiast kwispelende viervoeter in het diervriendelijk ingerichte busje. Een uurtje later wordt de hond weer thuisgebracht, na een ongetwijfeld lange en verfrissende wandeling.

Bij ons in de straat komt regelmatig het busje van het bedrijf Outlet langsrijden. Eerst dacht ik dat een van mijn buren aan het einde van de straat iets met merkkleding te maken had, maar op een ochtend zag ik dat een onbekende vrouw uit het Outlet-busje stapte en de twee honden van de verre buurman het busje in dirigeerde. Outlet was dus potjes-engels voor uitlaten. Toen maakten mijn hersenen een raar sprongetje.

Stel je voor dat er eenzelfde concept bedacht zou worden voor het uitlaten van eenzame bejaarden. Dat er af en toe een busje komt voorrijden om een opa of oma mee te nemen voor een gezellig ritje, een rondje lopen in het park en een kopje koffie toe. De kinderen en kleinkinderen zijn namelijk zo druk, dat zorg en aandacht voor de grootouders er bij inschieten. Bij veel van die drukke mensen zal er diep weggestopt een onbehaaglijk gevoel knagen vanwege het verwaarlozen van opa of oma. Maar ja, er moet eenmaal gewerkt worden en gesport. En dan zijn er ook nog de vakanties en de weekendjes-weg.

Dat gevoel kan nu afgekocht worden. Je huurt een uitlaat-service voor bejaarden in. Oma blij en jij blij. Elke week komt er een fris leuk iemand langs die een uur de tijd heeft en er een leuk uitje van maakt. Een gouden formule. Je verkoopt het als cadeautje en pakt de senior in kwestie er helemaal mee in.

En de naam voor deze service is snel gevonden: Oud-let.

 

 

P.S. (11 april 2016)

Bijna twee jaar later kom ik een artikel in de Volkskrant tegen dat naadloos op mijn blog aansluit. Vooral dankzij de verwijzing naar de hondenuitlaatservice. Ik wist bij het schrijven niet dat dit soort initiatieven daadwerkelijk bestaan.

vertroetel je ouders

 

 

Zijn en Hebben

Een paar jaar geleden liep ik een gebouw van de educatieve faculteit van de Hogeschool van Amsterdam binnen. Mijn oudste zoon studeerde die middag af bij de Lerarenopleiding Nederlands. En ondanks mijn blinde vader-trots van dat moment zag ik bij de ingang een poster hangen met het gedicht over ‘hebben en zijn’ van Ed. Hoornik:

Op school stonden ze…

Op school stonden ze op het bord geschreven;
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.,
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed. Hoornik Uit: Het menselijk bestaan (1952)

Ik kende het gedicht vagelijk, maar deze hernieuwde kennismaking op die plek en op dat moment trof me: mooi en toepasselijk.

 

Etre et avoir

Een paar dagen later zocht ik het gedicht op in een verzamelbundel. En terwijl ik het gedicht herlas moest ik opeens denken aan de veelgeprezen Franse documentaire Etre et Avoir. In deze documentaire staat een oudere dorpsonderwijzer centraal. Hij nadert zijn pensioen en met hem zal een degelijke onderwijstraditie uit het dorp verdwijnen. De onderwijzer is de school en de school is de klas. Hij is een instituut van vlees en bloed. Georges Lopez is de Franse variant van Theo Thijssen door groot te zijn in zijn vakkennis en klein te zijn door op hurkhoogte met zijn leerlingen om te gaan. Het klaslokaal ademt rust en persoonlijke aandacht. De film is een pleidooi voor menselijke omgangsvormen en kleinschaligheid en daarmee indirect een protest tegen de grote onpersoonlijke leerfabrieken van tegenwoordig. De documentaire kon zo populair worden, omdat hij appelleert aan een gevoel van nostalgie. Een gevoel van ‘vroeger was het beter’. Maar laten we eerlijk zijn, een school van 13 leerlingen is niet te handhaven. En op sommige kleine dorpsscholen ging het er vroeger niet altijd zachtzinnig en pedagogisch verantwoord toe. Ik zie nog hoe mijn juf van de eerste klas (haar bijnaam was ‘knotje van Nes’, omdat zij haar grijze haar altijd in een knotje droeg) een meisje dat niet uit ons dorp kwam, maar uit het door velen beschimpte gehucht Olburgen, op het schoolplein publiekelijk een enorme pets in haar gezicht gaf. Dat was meer dan een opvoedkundige tik. Maar nostalgie of niet, nog steeds zijn er dagelijks duizenden onderwijzers die proberen te werken in de geest van Georges Lopez. Vaak onderbetaald en ondergewaardeerd, maar bevlogen en idealistisch.

 

Arme meester Lopez

Wat veel mensen niet weten is dat de idyllische documentaire een rauw vervolg kreeg toen Georges Lopez geld ging eisen van de documentairemaker Nicholas Philibert. Lopez vond dat hij een groot aandeel had in het succes van de film en verlangde maar liefst 250.000 euro van de maker. Philibert weigerde om begrijpelijke redenen en het conflict mondde uit in een rechtzaak die Lopez zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verloor. Uiteindelijk moest hij ook nog opdraaien voor de proceskosten die 12.000 euro bedroegen. Arme meester Lopez. De wereld hield van hem zoals hij was (être), en nu wilde hij zijn nieuwe status omzetten in bezit (avoir). Maar zo werkt het niet. Dat had Ed. Hoornik hem kunnen vertellen.

 

P.S. 1

Op bezoek bij vrienden in hun Franse huis zag ik in een van de kamers op een witgepleisterde muur een mooie decoratieve strook behang met alle vervoegingen van de werkwoorden Etre en Avoir. Leuk om te hebben.

 

P.S. 2

Op internet kom ik een songtekst tegen van Jacques Brel met een passage over ‘Etre’ en ‘Avoir’:

Jacques Brel
CHACUN SA DULCINÉA
1968

Chacun sa Dulcinéa
Qu’il est seul à savoir,
Qu’un soir de pleurs, il s’inventa,
Pour se garder un peu d’espoir
Aux barbelés du coeur.
Par elle, par sa Dulcinéa
Ou par l’idée d’icelle,
L’homme rebelle devient un Dieu.
Voilà qu’il vole et même mieux,
Cueille des lunes du bout des doigts,
Mais cependant si tu es de ceux
Qui vivent de chimères,
Rappelle-toi qu’entre les doigts,
Lune fond en poussière.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.
Malheur à qui peut préférer
Le verbe être au verbe avoir,
Je sais son désespoir.
Il n’y a pas de Dulcinéa,
C’est un espoir fané.

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Epiloog

 “Wat mij betreft is het hoofdantwoord: de EU moet verstandig verder”

 

In deze serie zijn vijf manieren van kijken naar de EU gepresenteerd: geografisch (over grenzen en buren), historisch (over oorlog en vrede), economisch (over markt en munt), cultureel (over eenheid en verscheidenheid) en politiek (over burgers en Brussel). Nu, aan de vooravond van de verkiezingen voor het Europees Parlement, is het tijd voor een slotakkoord, een nabeschouwing en een blik vooruit. En sorry, lezer, je krijgt geen stem-advies: het invullen van het vakje op je stembiljet is aan jou (al geeft deze serie blogs wel een bepaalde richting aan). In deze epiloog een aantal punten die rond deze EP-verkiezingen opvallen en/of het overwegen waard zijn

 

  1. We zijn wakker

Nederland heeft de Europese Unie ontdekt. Na 60 jaar lidmaatschap van de EU en haar voorgangers is het debat over Europese samenwerking eindelijk volop losgebarsten. Uit mijn promotie-onderzoek[1] blijkt dat Nederland op dat gebied lang achter heeft gelopen bij de ons omringende landen. Bij onze buren kan de EU al jarenlang rekenen op meer politiek debat en meer media-aandacht. Decennialang was Europese samenwerking een non-issue voor politici, pers en publieke opinie in Nederland. Maar gelukkig zijn we hard bezig die achterstand in te lopen. Politici en burgers worden gedwongen tot een duidelijke positiebepaling. En de EU krijgt volop media-aandacht. Dat is grote winst, want het project van Europese integratie is te bepalend en invloedrijk om te negeren.

 

  1. We weten er niet zo veel van

De meeste mensen geven toe eigenlijk niet zoveel van de EU te weten. En dat is niet verwonderlijk. Wat decennia in de politiek, de media en het onderwijs onderbelicht is gebleven, kan niet in korte tijd volledig doorgrond worden. En daarbij is de EU ook een gecompliceerd en lastig onderwerp. Jan Tromp heeft namens De Volkskrant maandenlang in Brussel rondgelopen in een poging het Europese bedrijf te te leren kennen. En regelmatig moest hij verzuchten dat hij het ook niet allemaal begreep. Ook ingewijden (ministers, lobbyisten, leden van het EP, ambtenaren van de Europese Commissie) hoor je van tijd tot tijd toegeven dat zij ook niet precies weten hoe alles werkt. Daarom is het belangrijk om in het EU-debat (en in en om het stemhokje) vooral de hoofdlijnen en de uitgangspunten in de gaten te houden en niet te focussen op technische details en juridische fijnslijperij.

 

  1. Geen Ja, geen Nee

Wie weinig zicht en greep heeft op wat er in Brussel gebeurt, kan zich laten verleiden door eenvoudige zwart-wit denkschema’s. En helaas krijgen we die volop aangereikt. Je kunt zelfs zeggen dat het Nederlandse EU-debat momenteel is geframed in termen van Ja of Nee. Dat is een  schaduwkant van de op zich verheugende toegenomen aandacht voor de EU. De kiem voor dit Ja-Nee denken in Nederland  is gelegd ten tijde van het referendum over het grondwettelijke verdrag van de EU in 2005. Dat referendum was een paardenmiddel waarbij een gecompliceerde verdragstekst tot een zwart-wit zaak werd gereduceerd.[2] De afgelopen jaren is het vooral de PVV van Geert Wilders die het Ja-Nee denken op scherp heeft gezet. Ere wie ere toekomt. Ook andere politieke partijen en de media nemen dit ogenschijnlijk heldere VOOR-TEGEN format over. Maar het is nogal onzinnig om het complexe, rijkgeschakeerde proces van Europese samenwerking te vatten in een simpel zwart-wit denkschema. Als we Ja tegen Europa zeggen, waar zeggen we dan Ja tegen? Hetzelfde geldt voor de kreet Minder Europa. Wat moet er dan minder? Ja-Nee of Meer-Minder is niet genoeg. Het mist nuance. Het mist invulling. De vijf perspectieven uit deze serie blogs geven aan dat het niet zo eenvoudig is en dat onze positie-bepaling meer afgewogen moet zijn.

 

  1. Paradoxen

Wie probeert om tot een genuanceerde afweging te komen, stuit soms op bizarre paradoxen, vreemde bed-partners en onlogische logica.  Een paar voorbeelden:

–          In Nederland zijn GroenLinks en VNO-NCW niet bepaald natuurlijke partners. Maar hun houding ten opzichte van de EU is even positief

–          Ook de SP en de SGP zijn geen natuurlijke bondgenoten, maar op hun verliezingsposters staat (zij het in verschillende volgorde) dezelfde kreet: Samenwerking JA, Superstaat NEE

–          Het komt regelmatig voor dat het stemgedrag van Tweede Kamer-leden haaks staat op het stemgedrag van hun partijgenoten in het Europees Parlement

–          Regeringspartij VVD en oppositiepartij D66 zitten in het Europees Parlement in dezelfde liberale fractie

–          De PVV wil niets van Europese samenwerking weten, maar gaat juist een verbond aan met andere rechts-populistische partijen in Europa om samen een vuist te kunnen maken

–          Bij de Europese verkiezingen stemmen de Nederlanders en de Britten op donderdag. De Ieren op vrijdag. In Malta, Litouwen en Slowakije gaat men zaterdag stemmen en in de rest van de EU op zondag. Om elkaar niet te beïnvloeden worden de nationale uitslagen pas vanaf zondagavond bekend gemaakt

–          Om de euro-crisis te lijf te gaan, worden meer bindende Europese afspraken gemaakt. Dat klinkt als iemand die zijn lening niet kan betalen en daarom nog meer geld gaat lenen; of als iemand die in een vlek wrijft en hem daarmee nog groter maakt

 

 

  1. Wat valt er te kiezen: de hoofdlijnen

Het zou goed zijn als het in de verkiezingsstrijd om fundamentele keuzes gaat. In de kern gaat het Europese project namelijk niet om de vraag of begrotingstekorten een procentje meer of minder mogen bedragen. En ook niet om krappere of royalere visquota. Zelfs het berekenen van eventuele kosten van de euro of baten van Europese samenwerking gaan voorbij aan de essentie. Het wezen van Europese samenwerking is de vraag hoe Europese staten en burgers zich tot elkaar willen verhouden. Die vraag heeft een geografische, historische, economische, culturele en politieke laag. Die vraag is niet met Ja of Nee te beantwoorden. Als we die vraag ontleden, komen we op drie sub-vragen uit:

–          Met wie willen we samenwerken (kwantitatief)

–          Op welke terreinen willen we samenwerken (kwalitatief)

–          Tot op welke hoogte willen we samenwerken (institutioneel)

Wie terugkijkt naar de afgelopen 10-15 jaar ziet dat de EU zich op deze drie thema’s fors heeft ontwikkeld: van 15 naar 28 lidstaten; een groeiend aantal beleidsterreinen met de Euro als centraal symbool; een toenemende overdracht van bevoegdheden van de lidstaten naar Brussel. De EU heeft in het nieuwe millennium dus niet op één thema ingezet (alleen uitbreiding, of alleen intensievere samenwerking), maar op alledrie. Dat heeft veel van alle betrokken partijen gevergd.  En zolang het goed ging, ging het goed. Maar juist door de euro-crisis is ook de schaduwzijde blootgelegd.  Die groeistuipen zijn niet aan de Europese burger voorbij gegaan. Hij ziet Poolse en Bulgaarse nummerborden in de straat, heeft euro’s in zijn portemonnee en ziet dat werkgelegenheid en pensioenen onder druk zijn komen te staan. Hij heeft kritische vragen en wil duidelijke antwoorden.

Wat mij betreft is het hoofdantwoord: de EU moet verstandig verder. Na de groeistuipen past een periode van consolidatie en versterking. Geen grote nieuwe stappen, geen controversiële avonturen. De EU en de Europese burger moeten op adem komen, orde op zaken stellen. Niet door stil te zitten, of achteruit te lopen, maar (nogmaals) door prudent verder te gaan. Die lijn geeft ook richting aan de beantwoording van de drie sub-vragen:

Met wie

De eerste sub-vraag gaat over verdere uitbreiding van het aantal lidstaten. De EU zal geen moeite hebben om in de toekomst relatief kleine lidstaten (Servië, IJsland) toe te laten, hoewel elke uitbreiding leidt tot nieuwe deelnemers aan de onderhandelingstafels, andere machtverhoudingen en bijgestelde spelregels. De echte dilemma’s worden gevormd door grensgevallen als Turkije en Oekraïne. Los van de vraag of deze landen zelf zouden willen toetreden, is het momenteel niet verstandig om als EU toetreding van deze landen na te streven. Met de vijf perspectieven van deze serie blogs als criteria is het duidelijk dat er op meerdere vlakken grote verschillen en spanningen zijn. Niet doen dus.

 Welke terreinen

De EU heeft zich bewezen op het gebied van de interne markt en het onderlinge vrije verkeer. Er zijn weinigen die de vergaande samenwerking op dit gebied zouden willen beëindigen. Dit geldt ook voor samenwerking op uiteenlopende gebieden als milieu, energie, consumentenzaken, telecom. Allemaal zaken die grensoverschrijdend zijn en effectiever door samenwerking met buurlanden aangepakt kunnen worden. De EU zou zelfs punten kunnen scoren door successen op dit terrein beter uit te venten (geen gedoe bij de grens, lagere telefoontarieven). Aan de andere kant zou Brussel moeten inzien dat zoiets praktisch als het invoeren van tol op snelwegen door individuele lidstaten juist tegen de geest van de EU en de logica van de Europese automobilist indruist. Ook is de hoge werkloosheid in de EU een groot punt van zorg. De interne markt zou ook een bijdrage moeten leveren aan de werkgelegenheid. Waar dat niet lukt, neemt de verworvenheid van economische samenwerking af.

Tot op welke hoogte

De EU is geen land en de lidstaten moeten niet streven naar de vorming van een Verenigde Staten van Europa. Daar leent Europa zich niet voor en dat is ook niet nodig. Sterker nog, dat levert veel weerstand op.  De EU heeft bewezen dat lidstaten effectief kunnen samenwerken, waarbij het soms handig is om een deel van de nationale bevoegdheden over te hevelen naar Brussel. De stelregel is simpel: daar waar de samenwerking daadwerkelijk een meerwaarde heeft, kunnen nationale regeringen en parlementen besluiten ook meer macht over te dragen. Daar waar Europese samenwerking niet voor de hand ligt of niet noodzakelijk geïntegreerd hoeft te geschieden, houden de lidstaten de bevoegdheden meer in eigen hand.

 

Kortom

Waar de EU zich bewijst en waar de EU relevant is, kan het een stapje steviger of verder. Waar de EU zich niet bewijst of geen toegevoegde waarde heeft, moet Europese samenwerking worden heroverwogen of teruggedraaid. Politieke partijen zouden zich vooral daarover moeten uitspreken. Daarbij moeten ze de feiten laten spreken en de stereotypen en de zwart-wit schema’s achter zich laten. We zijn ons in Nederland gaan realiseren dat de EU van invloed is, maar we moeten ook beseffen dat wij (als land, als provincie, als burgers) daarin een rol spelen. We zijn daar zelf bij, en we kunnen daar ook zelf (een beetje) over meepraten en meebeslissen. Op 22 mei, maar ook als er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn, of zelfs voor de Provinciale Staten.

 

[1] Impressions of European Integration (Vrije Universiteit, 2012)

[2] Later zal ik nog een apart blog schrijven over het fenomeen referendum in de Europese context, met als titel: ‘De EU leent zich niet voor referenda’.

Serie ‘Kiezen voor Europa’. Thema 5: Politiek

“Het EP is een klein duimpje dat langzaam aan kracht wint, maar geen stevige vuist kan vormen om op tafel te slaan. Maar eigenlijk kan dat ook niet, omdat er in Straatsburg geen tafel staat om op te slaan”

 

   >>>> over burgers en Brussel >>>>

 

Op bushokjes hangen posters die me oproepen om te gaan stemmen voor het Europees Parlement. Verschillende posters laten me uiteenlopende Europeanen zien: een student, een designer, een landbouwer. De leus: “Op 22 mei kiest Ricardo (of Trish, of Jens) wie Europa leidt, en u?” Om meerdere redenen deugt deze poster niet. De eerste –flauwe- reden is dat de meeste Europeanen niet op donderdag 22 mei, maar pas op zondag 25 mei gaan stemmen. Nederland houdt niet van verkiezingen op zondag, dus wijken wij af. Dat betekent dat we ook pas op zondagavond 25 mei de uitslag van ons land kunnen verwachten. De tweede reden is dat wij niet stemmen voor Europa, maar voor het Europees Parlement als onderdeel van de EU. Europa is meer dan de EU. Zie mijn eerdere blog in deze serie over Geografie (buren en grenzen). Mijn belangrijkste klacht is dat wij, de Henken en Ingrids van Europa, niet kiezen wie Europa (of de EU) leidt, maar dat wij de volkvertegenwoordigers kiezen die vanuit Brussel en Straatsburg een beetje mogen meepraten en bijbuigen. De leiders, dat zijn toch vooral de ministers en de regeringsleiders, kunnen we veel effectiever aanspreken en ter verantwoording roepen via de nationale parlementen, dan via het Europees Parlement. En daarmee hebben we meteen de kern van dit vijfde perspectief te pakken: hoe zit het met het democratische gehalte van de EU en wat is nu precies de verhouding tussen burgers en Brussel?

IMG_0693

We weten het niet zo goed…

Laten we bij het begin beginnen. Als er verkiezingen zijn, sta je voor twee keuzes: ga ik stemmen en zo ja, op wie/op welke partij ga ik dan stemmen? Dat geldt ook voor de verkiezing voor het Europees Parlement op 22/25 mei a.s. Voor veel mensen zijn deze twee keuzes als het om Europa gaat des te moeilijker te maken: de EU is een soort ver-van-mijn-bed-show en weinigen hebben een goed beeld van wat er in Brussel en Straatsburg (hier vergadert en stemt het EP een week per maand) gebeurt. En bovendien: we kennen de kandidaat Europarlementariërs nauwelijks van naam, laat staan dat we weten wat ze in Europa willen bereiken. Niet erg aantrekkelijk en uitdagend om daarvoor naar de stembus te gaan! Uit opiniepeilingen blijkt dat vooral partijen met een uitgesproken EU-profiel (sterk ’voor’ of ‘tegen’) het goed doen bij de respondenten.

 

Getallen en stemmen

In het nieuwe Europese Parlement (EP) is plaats voor 26 Nederlandse leden op een totaal van 750. Deze getallen laten zien dat de Nederlandse inbreng in het EP beperkt is. Het betekent ook dat alleen de grotere Nederlandse  partijen kans maken op meer dan 1 zetel. Ter vergelijking: in de Tweede Kamer zitten 150 volksvertegenwoordigers, dus in Den Haag is de kans dat ook kleine partijen een plekje krijgen veel groter.

Om toch invloed uit te kunnen oefenen zitten de Nederlandse europarlementariërs in politieke groepen of fracties. Zo maken de PvdA-ers deel uit van de PES (sociaal-democraten) en de CDA-ers van de Europese Volkspartij (christen-democraten en conservatieven). Daarnaast is er ook nog een groene fractie, een liberale etc. Deze ordening brengt op zich al bijzondere combinaties met zich mee. Zo zitten de CDA-ers samen met de Italiaanse opvolgers van Berlusconi in één groep, hokken D66 en de VVD in dezelfde liberale fractie en opereert de SP in een groep waarin ook communisten zijn vertegenwoordigd. Deze Europese blokvorming is de voornaamste reden waarom Geert Wilders nu aan het flirten is met Marine le Pen en Flip de Winter. Als losse nationale partij tel je niet mee in het EP. Alleen als Europese fractie heb je een vinger in de pap. Uit onderzoek (www.votewatch.eu) blijkt dat Europarlementariërs tijdens stemmingen vooral de fractie-lijn volgen. Nederlandse EP-leden vormen dus niet een gezamenlijk Nederlands blok, maar stemmen in Europa verdeeld, net als in Den Haag: ze volgen hun  politieke kleur.

 

Verkiezingen leiden niet to een nieuw bestuur

Een groot verschil tussen deze verkiezingen en die voor bijvoorbeeld de gemeenteraad, de provincie of de Tweede Kamer is dat in het geval van EU de verkiezing niet leidt tot een daaruit volgende samenstelling van een nieuw bestuur. Bij Nederlandse verkiezingen, op elk niveau,  kiezen we vertegenwoordigers die op lijsten van politieke partijen staan. Daarna gaan die partijen kijken welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen op basis waarvan een college van Burgemeester en Wethouders (gemeente), Gedeputeerde Staten (provincie) of Regering (nationaal) samengesteld kan worden. Hoe meer mensen bij Tweede Kamer verkiezingen op VVD stemmen, des te groter de kans dat deze partij ook in de regering komt. In Europa werkt dat niet zo. De EU heeft namelijk geen regering! Er zijn dus ook geen regeringspartijen of oppositie-partijen in het Europees Parlement. Hoe meer Nederlanders op 22 mei op het CDA stemmen, des te meer CDA-ers in het Europees Parlement komen en dat is weer een zetje in de rug van de Europese Volkspartij, maar daarmee houdt het op. De Europese instelling die een beetje in de buurt komt van een regering/bestuur is de Europese Commissie. Iedere lidstaat levert één commissaris die zich met één beleidsterrein bezig houdt. Voor Nederland zit Neelie Kroes (nog even) in de Commissie op de post Digitale Agenda. De keuze voor mevrouw Kroes stond destijds geheel los van de uitslag van de EP-verkiezing, maar had meer te maken met het verdelen van interessante banen tussen de grote politieke partijen in Nederland. Nieuw in 2014 is de afspraak dat de grootste fractie binnen het EP na de verkiezingen de kandidaat-voorzitter voor de Eurpese Commissie mag voordragen. We hebben de afgelopen weken daarom (vooral in buitenalndse media) een nieuw fenomeen gezien: een debat tussen de Spitzenkandidaten van de grootste fracties.[1]

 

Invloed en macht; samenspel Commissie-Parlement-Raad

Hoe groot is de invloed van het Europees Parlement? Deze vraag is niet simpel te beantwoorden. Vast staat dat het EP door de jaren heen steeds meer invloed heeft gekregen. De leden van het EP mogen over steeds meer Europese onderwerpen meepraten en meebeslissen. Die rechten zijn vastgelegd in diverse verdragen die door lidstaten van de EU zijn gesloten (zoals het Verdrag van Amsterdam). In het in 2009 opgestelde EU-Hervormingsverdrag (Lissabon) zijn deze rechten weer verder vergroot. Het EP mag over een groot aantal zaken advies uitbrengen en over steeds meer zaken ook meebeslissen. Ook die meebeslis-onderwerpen zijn vastgelegd. Globaal genomen zijn dit alle onderwerpen waarvan de lidstaten hebben bepaald dat een gezamenlijk beleid wenselijk is en de invloed van de lidstaten beperkt kan worden: milieu, markt, consumentenzaken, landbouw, voedselveiligheid, transport, etc. Meer nationaal-gevoelige zaken als belasting, onderwijs, buitenlands beleid, cultuur, politie/justitie blijven vooral buiten de invloedssfeer van het Europees Parlement. In dit opzicht heeft het EP duidelijk minder macht dan de nationale parlementen in de lidstaten.

In tegenstelling tot de Tweede Kamer (en andere parlementen) mag het Europees Parlement niet zelf met wetsvoorstellen komen. De wetsvoorstellen zijn afkomstig van de Europese Commissie. Vervolgens mag het EP (afhankelijk van het onderwerp) een advies uitbrengen of een besluit nemen en uiteindelijk wordt het voorstel besproken in de Raad van Ministers die een uiteindelijk besluit neemt. Die Raad van Ministers wisselt steeds van samenstelling, afhankelijk van het onderwerp. Als het om een milieu-voorstel gaat zijn het de 28 ministers van Milieuzaken van alle lidstaten. Gaat het om transport, dan komen alle 28 ministers van Verkeer bijeen (dus per lidstaat één minister). Zo moet Melanie Schultz van Haegen, de Nederlandse minster van Infrastructuur, een paar keer per jaar met haar Europese collega’s stemmen over Europese verkeersvoorstellen. Over die voorstellen heeft dus het Europees Parlement mee mogen praten en beslissen. Maar natuurlijk kan ook de Tweede Kamer Schultz van Haegen  nog eens flink aan de tand voelen over wat zij allemaal bekokstooft met haar  collega’s in Brussel. De praktijk laat zien dat leden van de Tweede Kamer die kans vaak hebben laten lopen, of pas wakker worden, als de handtekeningen in Brussel zijn gezet. Tegenwoordig is de Tweede Kamer wat meer alert. Mede dankzij de gele kaart procedure uit het Verdrag van Lissabon. Als nationale parlementen vinden dat Europese voorstellen beter op nationaal niveau opgepakt en ingevuld kunnen worden kunnen zij de Europese Commissie een halt toeroepen.[2]

Dan is er tenslotte nog nog een speciale club die behoorlijk wat invloed heeft in de EU: dat is de vergadering van regeringsleiders en staatshoofden (de ‘Europese Top’). Gemiddeld vier keer per jaar komen Rutte, Hollande, Merkel en alle andere politieke leiders van de lidstaten bijeen om over grote zaken te spreken: hoe gaan we de euro-crisis te lijf, hoe staan we tegenover het conflict Oekraïne-Rusland, mag Turkije lid van de EU worden, etc. Tijdens dergelijke Top-bijeenkomsten worden vaak vergaande besluiten genomen. En het Europees Parlement heeft daar geen greep op. Dat gebeurt gewoon naast de standaard-procedures van Brussel en Straatsburg. Ook op dit punt heeft de Tweede Kamer eigenlijk meer invloed, omdat Rutte wel in Den Haag ter verantwoording geroepen kan worden, maar niet in Brussel of Straatsburg.

 

Waar gaan de verkiezingen van 22 mei over?

Strikt genomen (en zuinig gezegd) gaat het bij de EP-verkiezingen dus om de verdeling van 26 Nederlandse zetels waardoor het Europese Parlement een tikje socialer, christelijker, liberaler of nationaal-georiënteerder kan worden. Daardoor worden de wetsvoorstellen van de nieuwe Europese Commissie met een iets meer sociale, christelijke, liberale of nationaal-georiënteerde blik bekeken en beoordeeld. Dat is dus niet heel wereldschokkend, maar aan de andere kant kun je zeggen dat het goed is dat de toenemende invloed van de EU ook in toenemende mate door een democratisch orgaan als het EP wordt gecontroleerd en ingekleurd. Anders zouden de Europese Commissie en de Raden van Ministers zonder Europese, democratische toets hun werk doen. Nergens ter wereld opereert een soortgelijk parlement dat over  landsgrenzen heen bepaalde rechten en machtsmiddelen heeft.

In bredere zin gaat het op 22 mei om wat wij eigenlijk met de Europese Unie willen. De kiezers kunnen een signaal afgeven over hoe zij de EU het liefst ingericht willen zien. Er bestaan daarbij grofweg twee opties:

Visie één: de EU is hard nodig om gezamenlijk internationale problemen aan te pakken. Milieu, de opkomst van China en India, migratie, energie: het vinden van juiste antwoorden daarop werkt alleen als lidstaten goed samenwerken en een deel van hun speelruimte opgeven aan de EU en daarmee ook het EP meer bevoegdheden geven. Kortom: nauwe samenwerking op een groot aantal terreinen.

De andere visie is: de EU is in de kern een goed idee, maar het schiet te ver door: er is teveel samenwerking, teveel overdracht van nationale invloed. De EU moet een pas op de plaats maken. Laat lidstaten zoveel mogelijk zelf regelen; alleen waar het echt nodig is, werken Europese staten samen.

 

Klein duimpje met groeistuipen

De Europese Unie had geen Europees Parlement hoeven hebben. Men had de controle van de wetgeving geheel kunnen overlaten aan de nationale parlementen. Het zijn immers de nationale ministers en regeringsleiders die uiteindelijk de beslissingen nemen. Je zou het Europees Parlement kunnen zien als een aanvullend orgaan. Dichter bij het vuur en op een centrale locatie. Een ideale constructie? Zeker niet. Het EP kent vele onvolmaaktheden: beperkte invloed, geen bevoegdheid om de commissarissen naar huis te sturen, geen zeggenschap over alle beleidsterreinen. Om nog maar te zwijgen over de 24 talen en het verhuiscircus tussen Brussel en Straatsburg. Het EP is een klein duimpje dat langzaam aan kracht wint, maar geen stevige vuist kan vormen om op tafel te slaan. Maar eigenlijk kan dat ook niet, omdat er in Straatsburg geen tafel staat om op te slaan. Die tafels staan in de nationale regeringscentra. Klein duimpje heeft dus de vingers van nationale parlementen nodig om samen een vuist te maken. Als er al een democratisch tekort is in de EU, dan is dat voor een belangrijk deel te wijten aan het gebrek aan samenspel tussen nationale parlementen en het Europees Parlement. De tendens van de afgelopen jaren is dat dit samenspel beter op gang komt en serieuzer wordt ingevuld. Daar heeft de burger baat bij. Zo heeft zijn stem voor het Europees Parlement ook een nationaal aspect en kent zijn stem voor het nationale parlement ook een Europese dimensie.

 

[1]Zie o.a. http://www.tagesschau.de/europawahl/koepfe/ebu-tv-debatte100.html

 

[2]Hangt samen met het zgn.subsidiariteitsbeginsel.