Sint Maarten: een verhaal over chocola, voetbal, Holleeder en mantelzorg

11 november is de dag…

Enkele observaties en ervaringen rondom Sint Maarten

 

Sint Maarten in de brugklas

Als kind had ik geen weet van Sint Maarten. In de Gelderse regio waar ik destijds woonde was het geen gewoonte dat kinderen op 11 november langs de deuren gingen met lampions en Sint-Maarten liedjes om snoep op te halen. Pas in de brugklas maakte ik met deze legendarische man kennis. Bij het vak tekenen kregen we de opdracht om een afbeelding van Sint Maarten te maken. In een groot schetsboek, met echte verf. Die verf zat in kleine tubetjes met wonderlijke aanduidingen die op toverwoorden leken: karmijn, oker, vermiljoen. Voor we gingen schilderen vertelde de leraar, meneer Germans, ons vol vuur het verhaal van de Romeinse ruiter Maarten die een bedelaar de helft van zijn mantel gaf door met zijn zwaard dit kostbare kleed in twee stukken te snijden. Germans liet ons allerlei afbeeldingen van deze legende zien die ons moesten inspireren. Of dat in mijn geval gelukt is, durf ik niet te zeggen. Ik heb wel mijn schetsboek bewaard zodat ik mijn ’kunstwerk’ nog kan laten zien.

img_2911

 

Sint Maarten en de jonge vader

Toen ik vele jaren later in Amstelveen kwam wonen, stonden er op een regenachtig novemberavond volslagen onverwacht zingende kinderen bij de voordeur. We waren hier niet op voorbereid. Onze eigen kinderen waren nog heel jong  (één van twee jaar en één van twee maanden) en we hadden geen snoep in huis. Gelukkig konden we de zingende buurtkinderen tevreden stellen met mandarijntjes. De jaren daarna werden mijn kinderen zelf fanatieke 11 november vierders. Geen wonder, Sint Maarten zorgde jaarlijks voor zakken vol snoep. Dankzij de kinderen kregen we de kans niet om 11 november te vergeten. Begin november begon de voorpret. Er werden lampionnen gemaakt en opbergtassen voor snoep klaargelegd. Voor de bezoekende kinderen zorgden wij voor voldoende snoep. Ook bleven wij, bij wijze van eigen inbreng, mandarijnen uitdelen. Die vielen namelijk iedere keer ook in de smaak.

 

Sint Maarten: van soldaat tot bisschop en heilige

Dankzij meneer Germans en de Amstelveense kinderen is Sint Maarten deel gaan uitmaken van mijn leven. Weliswaar op bescheiden schaal, maar ik blijf hem tegenkomen. Op allerlei manieren zie je zijn naam, zijn afbeelding met de bedelaar, of het symbool van zijn gehalveerde mantel terug. Dat heeft vooral te maken met zijn heiligverklaring. De Romeinse soldaat Maarten werd na het verrichten van zijn nobele daad bisschop van de Franse stad Tours. In die stad overleed hij in het jaar 397 en werd hij in de basiliek van Tours begraven op 11 november. Toen hij later heilig werd verklaard, werd 11 november zijn naamdag. Hij was een populaire heilige en in katholieke landen en kringen kom je daarom Sint Maarten vaak tegen.

sint_maarten-van-dyck

Schilderij van Antoon van Dyck

willy-vandersteen

Kopie Willy Vandersteen (Suske en Wiske)

 

Sint Maarten in Nederlandse steden en dorpen

Ook in Nederland laat hij nog steeds van zich spreken. Meerdere plaatsen kennen Sint Maarten (of Sint Martinus) als beschermheilige. De bekendste voorbeelden zijn Groningen (denk aan de Martinikerk en -toren) en Utrecht. In Utrecht is er zelfs ieder jaar in november een Sint Maarten parade. Het stadswapen van Utrecht (half rood en half wit, met een diagonale scheidslijn) verwijst naar de gehalveerde mantel (rood) en het zichtbaar geworden  onderkleed (wit). Voetballiefhebbers kennen deze vlakverdeling van het logo en het shirt van FC Utrecht (helaas heeft deze club met ingang van dit seizoen afscheid genomen van dit karakteristieke half rode-half witte shirt).

 

gemeente-utrecht

fc-utrecht

shirt-fc-utrecht

 

 

 

 

 

Ook zijn in Nederland diverse plaatsen naar Maarten vernoemd: Sint-Maartensdijk (Zeeland), Maartensdijk (Utrecht), en enkele plaatsjes rondom Schagen (NH):  Sint Maarten, Sint-Maartensbrug, Sint-Maartenszee en Sint-Maartensvlotbrug.

maartensdijk_wapen-svg

Gemeentewapen Maartensdijk

 

Sint Maarten en het tropische eiland

Een andere mooie verwijzing is het eiland Sint Maarten in de Caraïbische zee. Dit eiland zou op 11 november 1493 door Columbus zijn ontdekt. Het eiland is -heel symbolisch- in tweeën gedeeld. Het zuidelijke deel is sinds 2010 een apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden, en het noordelijke deel is een Frans overzees gebiedsdeel.

260px-saint_martin_map

Pikant detail is dat Heineken-ontvoerders Willem Holleeder en Cor van Hout ook nog een tijdje op het Franse deel van Sint Maarten gevangen hebben gezeten. Na de ontvoering van Heineken vluchtte dit tweetal naar Frankrijk waar ze door de autoriteiten werden opgepakt. Omdat de uitlevering aan Nederland juridisch niet rondkwam, zaten de Fransen met deze twee criminelen in hun maag. Ze dachten hen ver weg op Saint Martin op te kunnen bergen (misschien wel om hen stiekem, buiten alle formele regels om, naar het Nederlandse deel van het eiland over te kunnen brengen), maar de lokale bevolking wenste niet als dumpplaats voor Europese criminelen te dienen. Geen barmhartigheid voor Holleeder en van Houts dus. Onder druk van de eilandbewoners moest Parijs beide Nederlanders snel weer ophalen.

 

Sint Maarten in Amstelveen

In mijn eigen woonplaats komt Sint Maarten op een sportieve en een gastronomische manier tot leven. Een van de grote lokale voetbalclubs heet Sporting Martinus. Van origine een katholieke club met als officieel logo een afbeelding van Sint Maarten en de bedelaar.

sporting-martinus

hek-sporting-martinus

 

 

 

 

 

 

 

 

De tweede herkenbare verwijzing is de bekende Amstelveense chocolatier Martinez. Op de website is te lezen dat het echtpaar dat het bedrijf startte maar liefst zeven dochters had, en één zoon. De zoon heette Martin en nam de productie van de chocola ter hand. De dochters gingen werken in de winkel. Het gehele bedrijf kreeg de naam Martinez (afgeleid van Martin en zijn zeven zusters). Die naam zegt veel over het belang dat men destijds hechtte aan het krijgen van een zoon. Hoe dan ook, Martin moet wel vernoemd naar Sint Maarten, want als je het logo van Martinez ziet, laat dat niets te raden over.

martinez-bonbons

 

Sint Maarten en de mantelzorg

Dan is er nog een omstreden verwijzing naar Sint Maarten. Het Latijnse woord voor mantel is pallium. De term palliatieve zorg (mantelzorg) is hiervan afgeleid. Volgens sommigen is deze term ontleend aan de legende van Sint Maarten. Wie op internet naar deze verwijzing zoekt, ziet dat de meningen over deze interpretatie nogal uiteenlopen. Opvallend genoeg is 10 november, de dag voor Sint Maarten, aangewezen als Dag van de Mantelzorg. Volgens de website van dit initiatief is de dag willekeurig gekozen. Toeval of niet, het is in ieder geval een bijzonder opeenvolging van dagen.

 

Sint Maarten en het kinderrijmpje

Als persoonlijke noot nog een klein rijmpje dat ik twintig jaar geleden voor mijn kinderen schreef:

Sint Maarten is op 11 november

En Sinterklaas op 5 december

Maar wat voor mij een raadsel is:

Wanneer is het Sint Juttemis?

Olifantenpaadjes en Ezelsbruggetjes

“Als we nudging zien als poging van een overheid of andere organisaties om burgers en klanten een suggestieve zet in de rug te geven, dan kunnen we olifantenpaadjes opvatten als een collectieve uiting van mensen/gebruikers om overheden en managers een duidelijke hint te geven”

 

Een collega èn plaatsgenote wees me er onlangs op hoe lokale overheidsdienaren op een bekende locatie in onze woonplaats een afsteek-route, een zogenaamd olifantenpaadje, voor voetgangers hadden geblokkeerd door een hek te plaatsen. In reactie daarop hadden voorbijgangers het hek ontwricht om weer een vrije doorgang te creëren. Daarop had de gemeente een steviger hek geplaatst, maar ook dit hek werd weer onklaar gemaakt. Een halsstarrige overheid tegenover hardnekkige burgers.

olifantenpaadje-b

Voorbeeld olifantenpaadje

 

 

Koen Olsthoorn Email koenolsthoorn@hotmail.com De gemeente probeerde het tegen te gaan door een blokkade naast het poortje. Na een tijdje hebben ze het toch maar opgegeven.

Nog een voorbeeld

We constateerden hoofdschuddend dat dit een treurig voorbeeld was van energieverspilling en vooral een gemiste kans om gezamenlijk tot een goede oplossing te komen.

Tijdens dit praatje bij de koffie-automaat viel me in dat het fenomeen ‘olifantenpaadjes’ een soort omgekeerde equivalent is van ‘nudging’.  Nudging is een modekreet in de professionele communicatiewereld. Het is een term die over is komen waaien uit de Verenigde Staten dankzij de publicatie van het boek Nudge van de gedragswetenschappers Thaler en Sunstein (2009). Het boek heeft de veelzeggende ondertitel ‘improving decisions about health, weath and happiness’. Nudging betekent letterlijk: een duwtje geven. Als illustratie staat op de voorkant van dit boek een grote olifant die een (weigerachtige) baby-olifant met zijn slurf een zetje geeft. Ook hier een olifanten-metafoor.

boek-nudge-thaler-sunstein

In de communicatiewereld zien professionals zich vaak voor de opdracht gesteld om met boodschappen en media een bepaalde doelgroep te beïnvloeden. Sinds de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw maken ze daarbij gebruik van gedragswetenschappelijke inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de Planned Behaviour theorie van Fishbein & Ajzen, of aan het Elaboration Likelihood Model van Petty & Cacioppo. Volgens het nu populair geworden nudging-principe is het beter om mensen een klein suggestief zetje in de rug te geven, dan ze bij hun lurven te pakken en dwingend te overreden (“Nudge, don’t Push”). Het klassieke visuele voorbeeld van nudging is de afbeelding van een vlieg in het urinoir om mannen netjes te laten plassen. Op YouTube staan tal van creatieve voorbeelden waarbij bijvoorbeeld traplopen (https://www.youtube.com/watch?v=oL3tYJCZLLs )  of afval weggooien wordt gestimuleerd (https://www.youtube.com/watch?v=nZ26NsbcQUk ).

papier-hier

Eigenlijk allemaal varianten op iets wat we allemaal kennen uit het pre-nudging tijdperk: Holle Bolle Gijs in De Efteling met zijn kreet ‘papier hier’. Zelfs al heeft een kind geen papiertje bij zich, hij zoekt net zo lang tot hij iets heeft om in de mond van Gijs te gooien om bij wijze van beloning ‘dankjewel’ te kunnen horen.

De toepassing van het nudging-principe neemt in de praktijk toe, vooral bij vraagstukken waarbij duurzame gedragsverandering nodig is (bijv. gezondheid, milieu). Dat leidt natuurlijk tot vragen over mogelijkheden en beperkingen. In 2014 publiceerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) een adviesrapport over de (on-)wenselijkheid van gedragsbeïnvloeding door de overheid. In dit rapport staat het nudge-instrument centraal. De auteurs van het rapport zien twee kampen tegenover elkaar staan. In het kamp van de tegenstanders  wordt nudging gezien als paternalistisch en manipulatief, terwijl voorstanders wijzen op de versterking van het keuzevermogen en de autonomie van burgers. In het advies pleit het RMO-rapport (geheel conform de geest van de ‘terugtredende overheid’) voor terughoudendheid bij de inzet van nudging bij omstreden, ingrijpende onderwerpen. Ook wordt een nieuwe visie op nudging voorgesteld:

“Deze conclusies leiden tot een herdefiniëring van wat nudging inhoudt. Het doel ervan – voor zover het nudging door de overheid betreft – moet niet zijn om mensen een duwtje in de ‘goede’ richting te geven. Het doel van nudges moet juist zijn om de weerstand van mensen te versterken tegen verleidingen die niet in overeenstemming zijn met hun eigen waarden en doelen. Tot op heden wordt nudging door velen vooral gezien als een mogelijkheid om mensen meer in een bepaalde richting te duwen, terwijl nudging ook kansen biedt om mensen minder in een bepaalde richting te duwen. Anders geformuleerd: nudging lijkt minder vaak te worden aangegrepen om dwingende maatregelen vrijblijvender te maken dan andersom. Met het oog op onze conclusie formuleren we drie aanbevelingen aan regering en Staten-Generaal: – Wees terughoudender bij beleidsonderwerpen die meer omstreden zijn. – Zorg voor onafhankelijke en gemeenschappelijke kennisontwikkeling. – Waarborg transparantie en tegenkrachten in het democratische beleidsproces.” (RMO, p. 79-80)

Een wat verwarrend advies. Alsof we in een gebouw waar een trap en een lift naast elkaar staan niet de trap op ludieke wijze aantrekkelijk mogen maken (verleiden), maar in de lift een bordje moeten ophangen waarop staat dat men ook de trap zou kunnen nemen (de verleiding van de lift weerstaan). Kritische communicatiewetenschapper Bert Pol is niet onder de indruk van het RMO-advies en vreest dat het beleidsmakers en campagnemakers niet echt duidelijkheid verschaft. Hij wijst daarbij op het mogelijke nut van nudging bij automatisch gedrag.

Een cruciaal punt is dat nudging en technieken uit de sfeer van social influence en andere actuele gedragswetenschappelijke inzichten met name effectief zijn bij het beïnvloeden van automatisch gedrag. En automatisch gedrag gaat nu juist niet over zaken waar we doorgaans van wakker liggen.”

Pol vervolgt dat mensen bij ingrijpender zaken doorgaans wel goed nadenken voor ze tot handelen overgaan.

“Waarom zouden we, dit alles gehoord hebbende, niet besluiten dat de overheid gewoon nudges en technieken uit de sfeer van social influence moet kunnen inzetten? En als iemand daar misbruik van maakt, of het nu een bewindspersoon of een ambtenaar is, dan moet hij of zij van onder uit de zak krijgen.”

Nu terug naar de Olifantenpaadjes. Als we nudging zien als poging van een overheid of andere organisaties om burgers en klanten een suggestieve zet in de rug te geven (inclusief de mogelijke valkuilen van betutteling en paternalisme), dan kunnen we olifantenpaadjes opvatten als een collectieve uiting van mensen/gebruikers om overheden en managers een duidelijke hint te geven. Anders gezegd: olifantenpaadjes als wisdom of the crowd. Dat betekent niet dat we ieder initiatief en alternatief van boeren, burgers en buitenlui moeten omarmen en omzetten in aanpassingen in infrastructuur en beleid. Alles moet wel binnen de spelregels van democratie, haalbaarheid en fatsoen blijven. Olifantenpaadjes moeten niet verworden tot olifanten in de porseleinkast. Maar als, vooral bij praktische zaken, in het dagelijkse gebruik een werkend alternatief ontstaat dat niet geheel aansluit op wat er op de tekentafel is bedacht, dan kun je de theorie van de tekentafel zwaarder laten wegen dan de aanpassingen uit de  praktijk, maar je kunt ook openstaan voor wat men langs natuurlijke weg heeft aangedragen. Vanuit die laatste optiek kan het olifantenpaadje een metafoor worden voor allerlei vormen van organiseren en communiceren.

boek-olifantenpaadjes-jan-dirk-van-der-burg

Waar nudging gestuurd en top down is, kun je olifantenpaadjes opvatten als bottom up communicatie. Feedback, terugkoppelingen, recensies en reviews zijn in feite ook olifantenpaadjes. Social media zijn tegenwoordig bij uitstek de platforms waarop mensen hun stem en mening laten horen. Digitale olifantenpaadjes als het ware. Communicatieafdelingen van organisaties zouden bij uitstek moeten functioneren als de oren en ogen van organisaties om analoge en digitale olifantenpaadjes te signaleren en als fenomeen te waarderen. Niet om alles te omarmen en te accepteren, maar om de hint te begrijpen en het gesprek aan te gaan. En wie weet tot passende en acceptabele oplossingen te komen.

luistervink_by_bleu_blizzard

 

In dierenproza: Een goede communicatieprofessional is geen brulaap, maar een luistervink die kattebelletjes (analoog) en apenstaartjes (digitaal) herkent als mogelijke olifantenpaadjes en deze waardeert als ezelsbruggetjes om tot betere gezamenlijke resultaten te komen.

 

 

 

 

 

 

Bronnen en tips om verder te lezen:

Allereerst: Lidy Neuhaus, mijn zeer gewaardeerde collega!

 

Burg, J.-D. van der (2011). Olifantenpaadjes. Burg Fotografie.  Zie ook:  http://www.olifantenpaadjes.nl/

 

Cialdini, R. (2007). Influence. The psychology of persuasion. New York: HarpersCollins Publishers.

 

Hermsen, S. en R.-J. Renes (2016).  Draaiboek gedragsverandering. De psychologie van beinvloeding begrijpen en gebruiken. Amsterdam: Atlas Contact.

(In dit pas verschenen boek komt nudging, naast andere beïnvloedingstechnieken, ook aan bod. Hermsen en Renes laten aan de hand van wetenschappelijke inzichten en diverse cases zien wat de mogelijkheden en valkuilen van gedragsbeïnvloeding zijn. Zijn presenteren hierbij een eigen werkwijze: persuasive by design.)

 

Pol, B.: Please don’t nudge: we’re Dutch (blog en column). http://communicatiekragt.nl/blog/item/please-dont-nudge-were-dutch/. Ook gepubliceerd in C, (5 juni) 2014 Vakblad Logeion.

 

Pol, B. en C. Swankhuisen (2013).  Nieuwe aanpak in Overheidscommunicatie. Mythen, misverstanden en mogelijkheden. Bussum: Coutinho.

 

RMO (2014). De verleiding weerstaan. Grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid. Den Haag. https://www.raadrvs.nl/uploads/docs/De_verleiding_weerstaan.pdf

 

Thaler, R.H. en C.R. Sunstein (2008). Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth and Happiness. New Haven: Yale University Press.

 

How does it feel? Over Bob Dylan en de Nobelprijs

Bob Dylan won vandaag de Nobelprijs voor de Literatuur.  Waarom dat wat mij betreft volkomen terecht is, kan ik het beste laten zien aan de hand van zijn eigen teksten. Een greep uit zijn veelzijdige werk van de afgelopen 50 jaar.

 

Maar eerst wat Dylan in 2015 zei over zijn werk bij het in ontvangst nemen van de MusiCares Award

“I’m glad for my songs to be honored like this. But you know, they didn’t get here by themselves. It’s been a long road and it’s taken a lot of doing. These songs of mine, I think of as mystery plays, the kind that Shakespeare saw when he was growing up. I think you could trace what I do back that far. They were on the fringes then, and I think they’re on the fringes now. And they sound like they’ve been traveling on hard ground.”

(voor de volledige tekst, zie: http://www.rollingstone.com/music/news/read-bob-dylans-complete-riveting-musicares-speech-20150209#ixzz40q0lur2O)

 

Mijn (haastige) keus van vandaag:

 

POËTISCH

Inside the museums, Infinity goes up on trial

Voices echo this is what salvation must be like after a while

But Mona Lisa musta had the highway blues
You can tell by the way she smiles
See the primitive wallflower freeze
When the jelly-faced women all sneeze
Hear the one with the mustache say, “Jeeze
I can’t find my knees”
Oh, jewels and binoculars hang from the head of the mule
But these visions of Johanna, they make it all seem so cruel

(Vision of Johanna; 1966)

 

 

RELIGIEUS

In the time of my confession, in the hour of my deepest need
When the pool of tears beneath my feet flood every newborn seed
There’s a dyin’ voice within me reaching out somewhere
Toiling in the danger and in the morals of despair

Don’t have the inclination to look back on any mistake
Like Cain, I now behold this chain of events that I must break
In the fury of the moment I can see the Master’s hand
In every leaf that trembles, in every grain of sand

(Every grain of sand; 1981)

 

 

VERLEIDER

Lay, lady, lay, lay across my big brass bed
Lay, lady, lay, lay across my big brass bed
Whatever colors you have in your mind
I’ll show them to you and you’ll see them shine

(Lay, Lady, Lay; 1969)

 

 

TAALKUNST (rap avant la lettre)

Johnny’s in the basement
Mixing up the medicine
I’m on the pavement
Thinking about the government
The man in the trench coat
Badge out, laid off
Says he’s got a bad cough
Wants to get it paid off
Look out kid
It’s somethin’ you did
God knows when
But you’re doin’ it again
You better duck down the alley way
Lookin’ for a new friend
The man in the coon-skin cap
By the big pen
Wants eleven dollar bills
You only got ten

(Subterranean Homesick Blues; 1965)

 

 

HARTZEER

If you see her, say hello, she might be in Tangier
She left here last early Spring, is livin’ there, I hear
Say for me that I’m all right though things get kind of slow
She might think that I’ve forgotten her, don’t tell her it isn’t so

(If you see here, Say Hello; 1975)

 

 

TOEN EN NU

They’re peddlers and they’re meddlers
They buy and they sell
They destroyed your city
They’ll destroy you as well
They’re lecherous and treacherous
Hell-bent for leather
Each of ‘em bigger
Than all men put together

Sluggers and muggers
Wearing fancy gold rings
All the women goin’ crazy
For the early Roman kings

(Early Roman Kings, 2012)

 

 

TRIBUTE TO ROOTS

Seen the arrow on the doorpost
Saing, “This land is condemned
All the way from New Orleans
To Jerusalem”
I traveled through East Texas
Where many martyrs fell
And I know no one can sing the blues
Like Blind Willie McTell

(Blind Willie McTell, 1993)

 

 

BEWOGEN

I woke up this mornin’
There were tears in my bed
They killed a man I really loved
Shot him through the head
Lord, Lord
They cut George Jackson down
Lord, Lord
They laid him in the ground

(George Jackson; 1971)

 

 

HET EINDE NADERT

Shadows are falling and I’ve been here all day
It’s too hot to sleep, time is running away
Feel like my soul has turned into steel
I’ve still got the scars that the sun didn’t heal
There’s not even room enough to be anywhere
It’s not dark yet, but it’s getting there

(Not dark yet; 1997)

 

Tot zo ver mijn selectie.

Voor wie niet genoeg van Dylan kan krijgen, is er net in Nederland een prachtig boek verschenen:

dylan-compleet

Moussa en Meursault; rendez-vous met Albert Camus

De Algerijnse schrijver Kamel Daoud publiceerde enkele jaren geleden zijn debuut-roman Meursault, contre-enquête. Een hedendaags antwoord op het klassiek geworden boek L’Etranger van Albert Camus; ook een debuutroman, uitgebracht in 1942. Op de middelbare school ontwikkelde ik een fascinatie voor Camus die mij nooit echt heeft losgelaten. Ik kon dus niet anders dan ook het boek van Daoud lezen. In 2015 verscheen de Nederlandse vertaling onder de -nogal van het origineel afwijkende- titel Moussa, of de dood van een Arabier. Een intrigerend boek dat mij ertoe aanzette om, veertig jaar later, opnieuw L’Etranger te gaan lezen.

 

L’Etranger

Mijn belangstelling voor de schrijver Albert Camus ontstond op de middelbare school. Ik had Frans gekozen als examenvak en werd geacht 12 Franstalige boeken te lezen. Ik moest een gevarieerde keuze maken uit een voorgeschreven groslijst die begon met La chanson de Roland uit de Middeleeuwen en eindigde met moderne, naoorlogse schrijvers.

leeslijst-school-onderdeel

Een deel van de lijst met de door de school voorgeschreven boeken

Ik las de meeste boeken daadwerkelijk in het Frans, maar kon niet zonder de hulp van het uittrekselboek Aperçu, en ook niet zonder Nederlandse vertalingen en het Frans-Nederlandse woordenboek. Van Camus koos ik het boek l’Etranger en ik werd zo gegrepen door dat verhaal, dat ik daarna ook zijn La Peste op mijn lijst zette. Meer mocht niet: maximaal twee titels per schrijver. Via Albert Camus en ook Jean-Paul Sartre kwam ik in aanraking met het existentialisme, met maatschappelijk engagement, met het begrip absurditeit, met het verbinden van literaire thema’s aan sociale vraagstukken. Koren op de molen van een maatschappelijk geïnteresseerde bovenbouw-leerling in de jaren ’70.

leeslijst-frans

Inhoudsopgave van mijn uittreksel-schrift Franse literatuur. Gevonden in een oude kist op zolder

Het verhaal van L’Etranger speelt zich af in Algerije waar de hoofdpersoon Meursault een onopvallend leven leidt. Algerije is op dat moment nog een Franse kolonie en Meursault is een pied-noir, een Algerijn van Franse afkomst. Een westerling, dus. Het in de ik-vorm geschreven boek kent twee delen. Het eerste deel begint met het overlijdensbericht van de bejaarde moeder van Meursault en schetst hoe hij daar schijnbaar onbewogen mee omgaat. De hoofdstukken daarna laten iets zien van Meursault’s dagelijks leven, zijn buren, zijn vrienden en zijn omgang met zijn vriendin Marie. Ook in zijn werk en relaties toont hij zich tamelijk onbewogen. Hij is vriendelijk en rustig, niet gepassioneerd. Iemand die alles op z’n eigen manier doet, en niet met alle winden meewaait. Tijdens een (snikhete) dag op het strand met wat kennissen ontstaat er een ruzie met een groepje Arabieren. Een van de Arabieren haalt uit met een mes, maar deinst terug als een van Meursault’s kennissen een pistool trekt. Later die middag maakt Meursault in z’n eentje nog een keer een wandeling op het strand en treft op een afgelegen plek één van de Arabieren aan en schiet hem, zonder directe aanleiding, dood.

Het tweede deel van het boek is geheel gewijd aan het proces tegen Meursault. Allerlei gebeurtenissen uit het eerste deel krijgen in dit proces met terugwerkende kracht een negatieve duiding en worden door de aanklager  tegen hem gebruikt. De moord was de aanleiding om hem voor de rechter te brengen, maar in feite veroordeelt men Meursault vooral omdat hij niet heeft gehuild bij de begrafenis van zijn moeder, omdat hij de dag daarna met z’n vriendin naar een vrolijke film ging, omdat hij niet in God gelooft en omdat hij met een souteneur omging. Meursault verweert zich niet. Hij voert slechts aan dat hij op het moment van de moord werd bevangen door de hitte van de zon. Hij wordt uiteindelijk ter dood veroordeeld. De gevangenispriester probeert hem nog te bekeren, maar een woedende Meursault stuurt hem weg. Die woede-aanval brengt hem rust en hij verzoent zich aan de vooravond van zijn executie met zijn leven en zijn lot. Hij denkt terug aan zijn moeder die in haar laatste levensjaren nog een relatie kreeg met een oudere man. Een teken dat zij ook in het bejaardenhuis wist te genieten van de mooie dingen van het leven. En hij voelt dat hij zelf ook gelukkig is geweest en nog steeds is.

Op de valreep van het boek dat door velen als nihilistisch is aangeduid, gebruikt Camus het woord ‘gelukkig’. Net als in zijn boek de Mythe van Sisyphus: “we moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen”. Het leven lijkt absurd en zinloos, maar een mens kan keuzes maken die hem vrij maken van dwang, van God en van conventies en daarin kan hij geluk vinden. Ook (of juist!) in de kleine en gewone dingen van het leven.

 

Moussa

moussa-omslag

Ook dit boek is geschreven in de ik-vorm waarbij Haroen, de hoofdpersoon, een onbekende ‘jij’ toespreekt. Van tijd tot tijd richt de ‘ik’ zich direct tot deze aanspreekpersoon met zinnen als “heb je het begrepen?” (p. 12),  of “jij bent naar mij toegekomen” (p. 54),  of “jij, die uit Parijs komt” (p.79). De openingszin van het boek: “Vandaag is mijn moeder nog in leven” staat haaks op die van L’Etranger: “Vandaag is moeder gestorven”. Dat zet al meteen de toon van het boek. De sjabloon van Camus wordt gekopieerd, maar de invulling en het perspectief zijn wisselend: soms diametraal anders, soms verbluffend overeenkomstig. De hoofdpersoon onthult dat hij de jongere broer is van de anonieme Arabier die door Meursault is vermoord. Zijn broer heet Moussa. Hij wil zijn broer, die slechts een figurant was in het boek van Camus,  een stem en een gezicht geven. Hij is boos, omdat de Meursault van Camus zijn broer heeft gedood “door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten”. Daarmee lijkt het boek in eerste aanleg een aanklacht tegen de arrogantie van de Franse koloniale overheersers.  “Daarom doe ik wat sinds de Onafhankelijkheid iedereen in dit land doet: de stenen van de oude koloniale huizen een voor een weghalen om er een huis voor mezelf, een taal voor mezelf mee te bouwen”.

De ik-persoon beschrijft uitvoerig hoe de dood van zijn broer (en het verdwijen van zijn lichaam) de relatie met zijn moeder veranderde en belastte. Zijn moeder was gek van verdriet en zocht wekenlang wanhopig naar het lichaam van haar oudste zoon. Vanaf de dag van de moord draaide haar wereld om Moussa. De ik-persoon werd verwaarloosd: “vreemd genoeg werd ik behandeld als een dode en mijn broer Moussa als een levende….ik werd veroordeeld tot een bijrol”. Daoud schetst hierbij het herkenbare dilemma van ouders met een ernstig ziek of overleden kind en het gebrek aan aandacht voor de andere kinderen dat daar soms uit voorkomt. En dat is voor de ik-persoon des te moeilijker, omdat hij hieronder lijdt, maar toch geacht wordt zijn moeder op een voetstuk te plaatsen (“bij ons is een moeder de helft van de wereld”). Als hij toegeeft dat zijn moeder hem inmiddels volkomen koud laat en hij haar niet vergeeft, komt zijn houding in de buurt van die van Meursault die zich zo onaangedaan gedroeg bij de begrafenis van zijn moeder. Dit soort passages in het boek geven het verhaal een aparte dimensie. Het is geen simpele afrekening met Camus, of met het kolonialisme. Langzaamaan ontstaat het beeld van een ik-persoon die meer op de Meursault lijkt dan je aanvankelijk zou denken. Ook deze hoofdpersoon heeft moeite om een vaste relatie met een vrouw op te bouwen. Ook hij pleegt een tamelijk zinloze moord (in dit geval is een Fransman het slachtoffer; vermoord nadat de onafhankelijkheid al is uitgeroepen) en ook hij trekt zich (als moslim) weinig aan van de heersende religieuze conventies. Dat levert een prachtig citaat op: “Voor mij is godsdienst als openbaar vervoer, en ik maak er geen gebruik van. Ik zou graag naar die God toegaan, lopend als het moet, maar niet met een georganiseerde groepsreis”. En zoals Meursault aan het einde van L’Etranger zijn woede uit tegen de gevangenispriester, zo roept de hoofdpersoon in het boek van Daoud op de laatste pagina’s dat hij zin heeft om een minaret te beklimmen en via de luidsprekers alle details van zijn goddeloosheid uit te schreeuwen. Dat hij wil brullen dat hij vrij is en dat God een vraag is en geen antwoord.

Zo bevat het boek Moussa meerdere lagen. Het verhaal bevat teveel overeenkomsten met L’Etranger om een aanklacht te zijn. En te veel tegengestelde elementen om het een eigentijdse navertelling te noemen. Een belangrijk verschil is de reactie van de hoofdpersonen na de moord die ze hebben gepleegd. Meursault laat niet zien wat het vermoorden van iemand anders met hem doet, maar Haroen vertelt hoe het plegen van moord het leven heeft ontheiligt en hoe hij geen werkelijke liefde voor anderen meer kan voelen.

“Welk verhaal is meer waar”, vraagt de ik-persoon aan het eind. Het is, in de woorden van Daoud, aan ons om die vraag te beantwoorden.

 

L’Etranger

camus-nieuw

Na het lezen van Moussa voelde ik de sterke behoefte om L’Etranger opnieuw te gaan lezen. En opnieuw in het Frans. Ik kocht een gloednieuw exemplaar (nog steeds van Editions Gallimard) en begon aan het verhaal dat ik veertig jaar geleden voor het eerst had gelezen. Ik heb sinds mijn middelbare school-tijd geen boek meer in het Frans gelezen, dus ik hield net als destijds het woordenboek binnen handbereik. Dat was af en toe nodig, maar over het algemeen kon ik het verhaal goed volgen. Camus schrijft in een (om Pieter Steinz in zijn prachtige literatuurgids Steinz te citeren) “heldere stijl, die zich kenmerkt door korte zinnen en weinig moeilijke woorden”. Ideaal dus voor scholieren en voor herlezers op latere leeftijd. Bij het herlezen vond ik Camus’ stijl wat lijken op die van Arnon Grünberg in De Asielzoeker. En de gedachten van Meursault en de traagheid van alledag deden me denken aan Frits van Egters in De Avonden van Reve.  Maar wat me vooral opviel, was dat ik de sfeer van het boek meteen weer helemaal herkende. De leegheid en loomheid. Het strand en de brandende zon.  De onverschilligheid, maar ook de welwillendheid van Meursault. Niets kan hem wat schelen, maar niet op een puur negatieve manier. Als Marie voorstelt om te gaan trouwen, is hij niet enthousiast, maar hij wijst het ook niet af. Als zijn baas hem een mooie carrière-verandering voorstelt, haalt hij zijn schouders op. Hij vindt zijn huidige positie wel best. Als hij een buurman moet helpen om iemand een lesje te leren, wil hij wel helpen met het schrijven van een brief. Zou dat “la tendre indifférence du monde” zijn, zoals Meursault dat aan de vooravond van zijn executie benoemt en die hem laat inzien dat hij gelukkig is geweest?

Wat vooral opvalt als je het boek van Camus leest, na het lezen van Moussa, is hoe Camus inderdaad geen enkel oog heeft voor de  vermoorde Arabier. Geen naam, geen gezicht, geen geschiedenis. Je begrijpt waarom Daoed zijn boek heeft willen schrijven.

 

Tot slot

Het boek van Daoud is goed ontvangen. Daoud werd in 2015 winnaar van de Prix Concourt de Premier Roman. Ook in Nederland waren de recensies lovend. De recensent van Trouw gaf aan dat je tegenwoordig niet meer het boek van Camus kunt lezen, zonder ook dit “vervolg” te lezen. Ik ben het daarmee eens. Daoud heeft aan het verhaal van Camus niet alleen een eigentijdse dimensie toegevoegd, maar ook een lijn doorgetrokken die duidelijk maakt hoe het verleden zijn sporen nalaat en tot hedendaagse dilemma’s en worstelingen leidt. Hoe een moord uit het verleden een nieuwe moord in het heden kan uitlokken. Bas Heijne zegt in dat verband in de NRC: het is geen wraak, maar een vloek. Ik ben dat voor de helft met hem is. Het boek van Daoud is geen inderdaad geen wraakoefening. Maar het is ook geen vloek. Hoewel Heijne het woord vloek ontleend aan een citaat uit het boek van Daoud zelf, vind ik dat woord als aanduiding niet echt van toepassing. Camus is voor mij de denker en schrijver van de moed. Hij rekent in zijn werk juist af met termen als noodlot en vloek. De mens heeft een keuze, hoe moeilijk soms ook, om tegen het noodlot en tegen de (af-)goden in te gaan. Ook al moet hij elke dag een rotsblok de berg opduwen om iedere avond te zien hoe het weer naar beneden rolt.  Voor mij is dit boek van Kamel Daoud een complement van en een compliment voor L’Etranger van Albert Camus. Daoud zet je, in navolging van Camus, aan het denken. En hij heeft me zelfs weer zo ver gekregen om mijn school-Frans af te stoffen.

 

 

 

P.S. 1: De Italiaanse regisseur Luchino Visconti verfilmde het boek van Camus in 1976.

P.S. 2: De popgroep The Cure bracht in 1978 de song Killing an Arab uit.

P.S. 3: Kamel Daoud werd na het uitbrengen van zijn boek aangevallen op zijn kritische houding ten opzichte van de islam. Een salafistische imam sprak zelfs een fatwa tegen Daoud uit, maar werd daarvoor door een Algerijnse rechtbank veroordeeld tot drie maanden cel.

Moedige stap van Edith Schippers

Het is goed als een gezichtsbepalende politicus de gelegenheid krijgt en neemt om uitgebreid en afgewogen zijn denkbeelden omtrent een groot maatschappelijk vraagstuk op papier te zetten en in het openbaar te delen. Minister Edith Schippers deed dit onlangs door te spreken over ‘De Paradox van de Vrijheid’ in de door Elsevier georganiseerde H.J. Schoo-lezing.[1]  Geen schreeuwerige verkiezingsretoriek, geen ultra-korte soundbites, geen voortkabbelend praatje-plaatje verhaal à la Zomergasten, maar een doordacht en doortimmerd betoog. Politiek en persoonlijk. Dat zouden meer politici moeten doen.

De centrale vraag van haar lezing is hoe we onze (westerse) verworvenheden met als trefwoord ‘vrijheid’ beter kunnen bewaken en uitdragen zonder onze eigen vrijheid en die van anderen nodeloos in te dammen. Met andere woorden: hoe vrij laat je ander zijn die onze vrijheid op de korrel neemt? Hoe tolerant wil je zijn tegenover intoleranten? Hoe op te treden tegen mensen die onze principes bestrijden, zonder daarmee diezelfde principes ontrouw te worden?

In een uitvoerig betoog, waarin linkse en rechts heilige huisjes niet worden ontzien, probeert Schippers een onderbouwd antwoord te formuleren op haar centrale vraag

Ik heb haar lezing met veel belangstelling en ook op meerdere punten met veel instemming en waardering gelezen. Maar ook met een kritische blik. Ik ga graag in op drie termen die in het betoog van minister Schippers centraal staan: cultuur, maatschappelijk contract en vrijheid.

 

Cultuur

Schippers zegt het volgende over het begrip cultuur:

Frits Bolkestein zei het al in de jaren negentig: alle culturen zijn helemaal niet gelijkwaardig. En ik zeg het hem na: de onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken. In elk geval voor de vrouw. In elk geval voor de homo of de transseksueel. In elk geval voor mensen die niet behoren tot de groep van de machthebbers. Voor mensen die de overheersende religie niet aanhangen.

Cultuur is een complex begrip dat zich moeilijk laat definiëren en operationaliseren. Het woord is afkomstig van het Latijnse werkwoord colere, dat bebouwen of bewerken betekent. Denk aan het het Engelse woord ‘agri-culture’ (= akker bebouwen). Je zou kunnen zeggen dat cultuur in die betekenis gaat om datgene wat de mens toevoegt aan de natuur. In minder materiële zin kan cultuur ook gaan om het ‘bewerken’ van je geest of ziel. En dan kom je in de buurt van de termen verering, religie  of cultus. Het woord cultuur kan ook verwijzen naar de hogere kunsten; vaak wordt het dan met een hoofdletter C geschreven.  Cultuur kan ook opgevat worden als een algemeen begrip dat verwijst naar goede omgangsvormen en civilisatie. Deze opvatting kan meer specifiek toegepast worden op de zeden, gebruiken en instellingen van een bepaalde groep mensen.

Schippers lijkt met haar opmerking het meest op de laatste omschrijving van het begrip cultuur te doelen. Maar welke cultuur bedoelt ze hier precies? De Westerse? En dan die van Noord-Noorwegen tot South Carolina, met alle onderlinge verschillen en gradaties van dien? Of beperkt ze zich tot Nederland? Het gebruik van het woord ‘onze’ lijkt daarop te wijzen. Er staat niet letterlijk dat onze cultuur het beste is (zoals sommigen in hun reactie op haar lezing beweerden), maar het staat er wel met zoveel woorden. Het vergelijken van culturen is een hachelijke kwestie. Als ‘de onze’ beter is, zijn de andere culturen minder. Welke criteria heeft Schippers gebruikt om de rangorde te bepalen? Vergelijk het eens met de volgende vragen: is Friesland beter dan Zeeland; en Zweden beter dan Denemarken? Hoe wil je dat bepalen? Bovendien kan het vooropstellen van je eigen cultuur een soort superioriteitsdenken opleveren dat door sommigen als excuus of aanmoediging kan worden gebruikt om vertegenwoordigers van andere (mindere) culturen te onderdrukken of af te wijzen (“minder-minder-minder”). Aan de andere kant mag je culturen best vergelijken zonder te vervallen in vruchteloos cultuurrelativisme. Schippers doet dat indirect door haar opmerking over cultuur te koppelen aan specifieke groepen: vrouwen, homo’s en transgenders. Dat is vruchtbaarder. Je zou homo’s in allerlei landen kunnen vragen in hoeverre zij zich in hun land en omgeving gelukkig en veilig voelen. Dan zou het best kunnen dat homo’s uit Nederland gunstiger rapportcijfers laten zien dan homo’s in homo-vijandige landen. Is dat dankzij onze cultuur? Zit dat in ons dna? Veertig jaar geleden was het hier in Nederland niet zo fijn voor homo’s. En er zijn nog steeds scholen waar homo’s niet voor de klas mogen staan. Laten we dus niet te snel over cultuur en ‘onze genen’ te spreken. Wat je ziet is dat de afgelopen decennia het maatschappelijk discours over homoseksualiteit is veranderd. Er werd gedemonstreerd voor erkenning en gelijke rechten. Er ontstond ruimte voor debatten over gelijkwaardigheid. Langzaamaan veranderde de publiek opinie. Wetgeving werd aangepast. Daarmee kom je op het interessante punt van mensenrechten en regelgeving. Paul Scheffer zegt hierover in zijn bekende boek Het land van herkomst: “er is geen waarachtig alternatief voor de codex van mensenrechten” (p. 287). Wie die zin op zich in laat werken ziet dat we ons niet moeten verliezen in discussies die gekleurd worden etnocentrisme (“wij zijn beter”) of cultuurrelativisme (“automatische erkenning voor en waardering van andere tradities”). Beide opvattingen brengen ons niet verder. In een wereld die zo sterk globaliseert hebben we universele spelregels en rechten nodig om de menselijk waardigheid te beschermen. “Deze rechten van de mens zijn wezenlijk voor een samenleving, maar ze omvatten niet cultuur in algemene zin. Daarom moeten we  nooit over een rangorde van culturen spreken.”(Scheffer; p. 287)

scheffer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maatschappelijk contract

Laten we dus niet simpelweg over betere en mindere culturen spreken. Cultuur is vaak iets dierbaars voor mensen. Het biedt houvast en het doet pijn als de cultuur wordt aangevallen. Waar culturen elkaar raken, kan spanning en wrijving ontstaan. Schippers schetst in haar lezing hoe dat ook gebeurde tussen de zuilen en de generaties in het 20e eeuwse Nederland:

Voor wrijving heb je elkaar nodig. Je botst met elkaar, discussieert. Dat is wrijving. Wrijving geeft glans. Door wrijving hebben wij in deze samenleving iets bereikt. En dat is dat onder al onze verschillen, die uiteenlopende opvattingen en religies, toch een gemeenschappelijke basis ligt. Gemeenschappelijke normen en waarden. Het bezielende verband. Onze bakens. Een maatschappelijk contract. Dat contract is over de decennia heen bevochten, geconsolideerd en geschreven. Dat contract zit in onze genen, en natuurlijk kan het ook door nieuwkomers worden onderschreven.

Het valt mij op dat Schippers in deze passage veel zaken op een hoop gooit die ik juist zou willen scheiden. Normen en waarden zijn verschillende dingen. Ik ben op dit gebied meer geïnteresseerd in normen (regels, afspraken) dan in waarden. Meer geneigd te denken in termen van de rechtsstaat dan in termen van cultuur. Hoe iemand tot bepaalde opvattingen en waarden komt (religie, opvoeding, culturele achtergrond, politieke opvatting) is op zich interessant en de ene waarde of cultuur zal me meer aanspreken dan de andere. Maar we moeten met elkaar (met al die verschillende waarden en opvattingen) vooral komen tot gemeenschappelijke normen. Noem dat een maatschappelijk contract. En die normen liggen niet voor eeuwen vast, maar die kunnen langs democratische weg worden bijgesteld. En steeds weer zullen groepen opstaan die hun plek in de publieke ruimte en het maatschappelijke verkeer opeisen. Nieuwkomers (en oud-ingezetenen) moeten het huidige contract niet alleen onderschrijven, maar moeten ook meeschrijven aan het maatschappelijke contract van de toekomst. Pas dan doen ze volwaardig mee en hebben zij dezelfde rechten en plichten die we onszelf toedichten. Zoals Scheffer zegt: “de normen die men aan de wereld wil voorhouden, slaan onverbiddelijk terug op degene die ze uitdraagt”. (p. 288)

Vrijheid

De tekst van Edith Schippers is doorspekt met het woord vrijheid. Vrijheid is de centrale term. Vrijheid is zelfs haar “propositie”:

Maar laten we eerlijk zijn: onze propositie is beter! Onze vrijheid is nú, onze kansen kun je nú pakken, onze welvaart kun je nú hebben, jouw kinderen kunnen het beter krijgen dan jij nu. Je mag nu van het leven genieten, muziek luisteren, een feestje vieren, jezelf ontplooien, verliefd worden.

Dat klinkt natuurlijk prachtig en aanlokkelijk. Wie zou dit niet willen? Maar is dit wel het soort vrijheid waarbij Schippers een paradox ziet opdoemen? Is deze ‘lekker jezelf kunnen zijn’-vertaling van vrijheid zinvol als hoeksteen van haar betoog’? Ik denk het niet. Ik denk dat de propositie niet vrijheid, maar gelijkwaardigheid moet zijn. Het streven naar democratie, pluriformiteit en mensenrechten komt voort uit de opvatting dat mensen in principe gelijkwaardig zijn. Zij moeten zich kunnen ‘bevrijden’ van datgene wat hen onderdrukt en  ondermijnt. Vrijheid op grond van gelijkwaardigheid. Vrijheid omwille van de vrijheid mist een dergelijk fundament. Ongebreidelde vrijheid leidt al snel tot minder vrijheid voor anderen. Gelijkwaardigheid gaat ten koste van niemand. Als je (in tegenstelling tot Schippers) niet het woord vrijheid, maar het woord gelijkwaardigheid als uitgangspunt kiest, kun je ook duidelijker optreden tegen mensen die die gelijkwaardigheid ondermijnen. Niet omdat zij minderwaardig zijn, maar omdat ze het fundament van ons maatschappelijke contract bedreigen. We zouden dat expliciet kunnen vastleggen als een aanvulling op het bekende artikel 1 van de Grondwet.

monument_artikel1grondwet

Monument met weergave Artikel 1 in Den Haag

 

De huidige tekst:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”[2]

 

 

 

De Grondwet bepaalt de verhouding tussen overheid en burgers (verticale werking), maar de passage over discriminatie kan ook opgevat worden als spelregel tussen burgers onderling (horizontale werking). Misschien is het goed om dit nog explicieter te maken. Een suggestie (als niet-jurist):

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld op voorwaarde dat zij de gelijkwaardigheid van anderen onderschrijven en zich onthouden van discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook”

Schippers stelt een vrijheidscoalitie voor. Dat is op het eerste gezicht een sympathieke oproep, waarbij ze niemand uitsluit. Maar bij nader inzien kan ik me er niet iets heel concreets bij voorstellen. Ik doe het tegenvoorstel om het aangepaste eerste artikel van onze Grondwet ter ondertekening voor te leggen aan iedere inwoner van Nederland (bijv. bij het ophalen of vernieuwen van het paspoort of verblijfsvergunning) en aan elke organisatie die zich hier wil vestigen. Wie dit niet wil onderschrijven, hoort hier niet thuis. Dit is namelijk ons maatschappelijk contract.

 

 

[1] http://www.elsevier.nl/nederland/achtergrond/2016/09/hj-schoo-lezing-edith-schippers-de-paradox-van-de-vrijheid-353734/

 

[2]  Opmerkelijk genoeg deed Pim Fortuyn (“ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg”) in 2002 het voorstel om dit basis-artikel uit de Grondwet te halen.

 

Vruchtgebruik (of waarom Apple Apple heet)

 

De Europese Commissie heeft vandaag bepaald dat het bekende technologieconcern Apple 13 miljard euro  aan de Ierse fiscus moet betalen in verband met eerder gemaakte belastingafspraken die nu illegaal zijn verklaard. Dit bericht bracht mij (naast andere gedachten) op de vraag waarom Apple eigenlijk Apple heet. Waarom heeft men bij de naamgeving van een high tech bedrijf juist voor de naam van een vrucht gekozen? Heeft die naam iets met het Bijbelse scheppingsverhaal te maken? Of is er een link met de toenmalige gelijknamige platenmaatschappij van de Beatles. Of is er een andere reden?

Enig speurwerk op internet levert verschillende verhalen op. Op oude YouTube filmpjes van Apple-oprichters Steve Jobs en Steve Wozniak[1] klinkt vooral door dat ze het een kernachtige naam vonden. Simpel, positief en herkenbaar. Toen de naam Apple werd voorgesteld, wist niemand van de betrokkenen een betere naam te bedenken, dus werd het Apple. Er wordt zelfs gesuggereerd dat Jobs deze naam had bedacht omdat hij daarvoor in een biologische appelboomgaard had gewerkt.[2] Deze suggestie wordt nog versterkt door het feit dat de bekende Mac van Apple voluit Macintosh heet, en dat is een bekend appel-ras. Steve Jobs vertelt er op een video lachend bij dat de naam Apple ook handig was, omdat men zo bij het zoeken op alfabetische volgorde voorbleef op concurrent Atari.

Nu was er een probleem omdat de platenmaatschappij van de Beatles ook Apple heette.

Apple Abby Road

Apple Records (of eigenlijk holdingmaatschappij Apple Corps) spande een rechtszaak aan tegen Apple Computers. In de media werd deze aandachttrekkende zaak ‘Apple vs Apple’[3] genoemd. Apple Computer mocht de naam Apple blijven voeren tegen betaling van een fiks bedrag aan Apple Records en de belofte om zich niet in te laten met muziek (terwijl het bedrijf van de Beatles moest beloven buiten de computer-branche te blijven).

 

 

Nu de naam ook legaal was vastgelegd, moest er natuurlijk een plaatje bij, een logo. Hoe belangrijk een logo is voor Apple, blijkt wel uit het feit dat je in de uitingen van Apple vooral het logo (beeld) ziet en zelden de naam (woord). Het eerste beeld dat werd gebruikt was een tekening met daarop de legendarische uitvinder Isaac Newton zittend onder een appelboom.

Oudste Apple logo

 

“Newton (1642-1727) is een van de grootste denkers aller tijden geweest, en heeft baanbrekende bijdragen geleverd aan de natuurkunde, de wiskunde, en de astronomie. Van hem wordt verteld dat hij geïnspireerd werd tot zijn theorie over de zwaartekracht, toen hij lag te peinzen onder een appelboom in de boomgaard van zijn moeder, en er op zeker moment een appel naar beneden viel. Op het frame van de tekening in het logo staat in kleine hoofdletters: “NEWTON — ‘A MIND FOREVER VOYAGING THROUGH STRANGE SEAS OF THOUGHT — ALONE.’ ” De frase is afkomstig uit een passage uit The Prelude, van de Engelse dichter William Wordsworth (1770-1850). Het spreekt van een reis door vreemde oceanen van gedachten, het anders denken dan de rest van de wereld, en de eenzame hoogten die Newton daarin bereikte. Het is goed voor te stellen dat de oprichters van Apple eenzelfde reis hoopten te maken. En terugkijkend heeft Apple inderdaad net als Newton spectaculaire revoluties veroorzaakt.”[4]

 

Maar het logo was te ingewikkeld en te gedetailleerd, dus men ging op zoek naar een strakker ontwerp. Een ingehuurde ontwerper ontwikkelde het tegenwoordig zeer bekende Apple-logo met aan de rechterkant de ontbrekende hap. In tegenstelling tot het huidige logo werd deze appel afgebeeld met veelkleurige horizontale banen.

Apple regenboog logo

Sommige bronnen suggereren dat de regenboog-kleuren en de hap eruit verwijzen naar Alan Turing, de beroemde Britse wiskundige die bekendheid verwierf door het ontcijferen van de militaire codes van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog  (een paar jaar geleden weer nader bekend geworden dankzij de film Enigma; zie ook mijn eerdere blog Enigma en Dilemma; http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=571). Steve Jobs was een bewonderaar van deze founding father van de informatica. Turing pleegde na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord door gif in te nemen. Het was een wanhoopsdaad omdat hij als homoseksueel aangeklaagd werd en chemisch gecastreerd dreigde te worden. Op zijn sterfbed zou een appel zijn gevonden waaruit een hap was genomen. De veelkleurigheid van het logo zou verwijzen naar de regenboogvlag van de homobeweging. Wat mij betreft is deze redenering wat vergezocht. Zeker ook omdat later het logo veranderde van veelkleurig in eenkleurig.

Een veelgehoorde andere verklaring omtrent het de naam en het logo van Apple is de verwijzing naar het bekende bijbelverhaal van Adam en Eva. Eva verleidt Adam met een door een slang aangereikte vrucht uit de ‘boom der kennis van goed en kwaad’. Door van deze verboden vrucht te eten, raken Adam en Eva hun onschuld kwijt en worden ze uit het paradijs verdreven. In bijbeltermen gaat het hier om een zonde, maar je kan het ook opvatten als een gewaagde daad, een provocatie, een revolutie, zoals Prometheus het vuur van de goden wist te stelen.

Ook deze uitleg overtuigt me niet, maar om een heel andere reden dan de Turing-versie. Dat komt door een boekje van mijn vader. Hij schreef lichtvoetige verhaaltjes over zijn ervaringen met zijn drie opgroeiende zoons. Een van die verhalen gaat over mij en mijn kinderlijke interpretatie van het scheppingsverhaal:

van geluk gesproken klein

 

Druiven nog korter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Druiven en geen appel. Het zou kunnen. Lees het maar na in Genesis. Ondanks alle latere verwijzingen in kunst en literatuur kom je in het scheppingsverhaal geen enkele appel tegen. Er wordt in de tekst wel gesproken over een vrucht, maar er staat niet om welke vrucht het gaat. Het had dus ook een peer  of een druif kunnen zijn. Ik weet niet hoe Bijbel-vast Steve Jobs was. Misschien ging hij net als zovelen ook van de spreekwoordelijke adamsappel uit.

Al met al is het moeilijk om onomstotelijk bewijs te leveren voor de oorsprong van de naam Apple. Het is verleidelijk om Steve Jobs en Apple mythische proporties te geven en hen te verbinden aan grote namen als Newton en Turing, of een link te leggen met het oeroude scheppingsverhaal. Als ik alles op een rijtje zet, denk ik dat het in werkelijk heel eenvoudig verliep.  Tijdens een studentikoze, melige brainstorm-sessie kwam de naam Apple bovendrijven en niemand wist iets anders te verzinnen. Niets meer en niets minder.

Een aardige bijkomstigheid voor ons is dat de naam Apple op een dag als vandaag veel munitie oplevert voor de bedenkers van krantenkoppen of woordgrappen. Ik zie de headlines van de ochtendbladen en de grappen op social media al voor me:

 

Apple geplukt

Europese Commissie perst Apple uit

EU heeft nog een appeltje te schillen met techno-reus

Schudden aan de Apple-boom

En als jochie zou ik gedacht hebben: de druiven zijn zuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.bitrebels.com/business/steve-jobs-steve-wozniak-apple-name/

 

[2] http://apple2history.org/history/ah02/

 

[3] http://news.bbc.co.uk/2/hi/entertainment/4750533.stm

 

[4] http://verizine.nl/de-betekenis-van-het-apple-logo/

 

 

 

 

Geniet ervan! (over de gebiedende wijs)

‘Geniet ervan!’ Deze woorden krijg ik steeds vaker te horen. In het restaurant als het bord onder mijn neus wordt geschoven, op mijn werk als de vakantie aanbreekt, in een winkel als ik iets moois heb gekocht, in het hotel als ik de sleutel van mijn kamer overhandigd krijg. Het merkwaardige is dat men de gebiedende wijs (‘geniet’) gebruikt voor iets dat men positief bedoelt.

 

Hoe zit dan nu precies met die gebiedende wijs (ook wel imperatief genoemd, naar het Latijnse woord imperator = keizer/opperbevelhebber)? Het lijkt alsof die te pas en te onpas wordt gebruikt.

Het valt mij op dat veel tekstschrijvers en reclamemakers de gebiedende wijs hanteren. Reclame maken is de kunst van het verleiden. Althans, als je sommige romantisch aangelegde professionals mag geloven. Hoe kun je iemand prikkelen om jouw product aan te schaffen? Reclamemakers hebben daarbij een groot arsenaal aan middelen tot hun beschikking: foto’s van palmenstranden, sfeervolle muziek, geurtjes in de winkels, bekende Nederlanders in een TV-commercial, promotieteams op straat, sexy modellen op billboards (‘sex sells’), en -niet in de laatste plaats- : wervende teksten. Naast beelden, geluiden en geuren, zijn woorden krachtige instrumenten om potentiële kopers over de streep te trekken. Er wordt vaak voor de gebiedende wijs gekozen om de boodschap kort en stevig over te brengen. Maar kunnen we het nog wel verleidingskunst noemen als wij bevelen naar ons hoofd krijgen geslingerd?  Ik merk dat ik me minder uitgenodigd voel als ik geconfronteerd word met termen als KOOP! BESTEL! RESERVEER! GENIET! Ik krijg bij dergelijke dwingende aansporingen al snel een ‘dat maak ik zelf wel uit’-gevoel.

Je kunt je bovendien afvragen of het op deze manier gebruiken van de gebiedende wijs wel spoort met de regels van de Nederlandse taal. Dat blijkt mee te vallen. De gebiedende wijs wordt niet alleen gehanteerd bij orders en bevelen. In een doorwrochte tekst legt Sies de Haan[1] uit dat er meerdere gebruiksmogelijkheden van de imperatief bestaan. Samengevat in een tabelletje met voorbeelden van de Haan en mijzelf kent de gebiedende wijs de volgende varianten:

Bevel/order Advies/instructie Wens Verwensing Aanmoediging
Hou je mond Voeg een mespuntje zout toe Slaap lekker Krijg de klere Zet ‘em op

 

Zo opgevat hoeft een reclame-leus als ‘Bel en Win’ niet ervaren te worden als een bevel of opdracht; het kan ook bedoeld zijn als een advies of aanmoediging. Na het lezen van de tekst van de Haan realiseer ik me dat ik wat minder kritisch naar gebiedende reclame-kreten moet kijken. Ook zal ik proberen me de woorden ‘geniet ervan’ probleemloos te laten aanleunen. De bediende die mij een stuk appeltaart serveert wil niet zeggen dat ik moet genieten, maar wenst dat ik zal gaan genieten. In feite niets anders dan de bekende uitdrukking ‘eet smakelijk’, al vind ik dat laatste toch toepasselijker in zo’n situatie.

Toch is de kous hiermee niet af. Ook met een breder gebruik van de gebiedende wijs is het belangrijk om de regels van de logica te hanteren en geen misverstand over je intenties te laten bestaan. En daar wringt nog wel eens de schoen.

Een paar voorbeelden.

In sommige advertenties staat het woord KRIJG of ONTVANG: ‘BESTEL nu uw product en ONTVANG 20% korting’. Ik kan aangespoord worden om te bestellen (ik ben hier de actieve partij), maar ik kan niet aangespoord worden om iets te krijgen of te ontvangen (ik ben hier de passieve partij). Daar heb ik iemand anders voor nodig die mij iets geeft. Dus eigenlijk moet die andere partij aangespoord worden. De gebiedende wijs bij KRIJG past wel bij een verwensing (‘krijg de klere’), maar dat zal een reclame-maker mij toch niet toewensen, neem ik aan.

Een andere opmerkelijke variant is de volgende[2]: ‘KOOP hier uw winnend staatslot?’. Ook hier kan ik het (dringende) advies krijgen om iets (een staatslot) te kopen, maar niemand kan mij garanderen dat het een winnend staatslot zal zijn. Boogaart zegt hierover: ‘wie iets aanbiedt moet het aangebodene wel in de aanbieding hebben’. En dat kan hier niet. Kennelijk heeft men wel een slag om de arm  willen houden door een vraagteken achter de slogan te plaatsen. Maar het is wel heel merkwaardig om de gebiedende wijs toe te passen in een vraagzin.

Een voorbeeld van een heel andere orde is de kreet die in 2013 en 2014 overal in Amsterdam te zien was: ‘WEET je stad’.

Weet je stad

 

 

Deze bijzondere imperatief was de slogan van Amsterdamse TV-zender AT5. Het Nederlands kent een subtiel verschil tussen de werkwoorden KENNEN en WETEN (in het Engels allebei ‘to know’). Je kunt een stad, een persoon, een voorwerp kennen, en je kunt iets van een stad, een persoon, een voorwerp weten. Het had dus ‘KEN je stad’ moeten zijn. Ook bij AT5 wist men dit[3]:

 

 

“Ja, we weten dat het niet klopt. Maar daardoor vallen de affiches juist op en dat was de bedoeling,” zegt Ivonne Bos, een woordvoerster van AT5. De affiches vestigen met “weet dat”, “weet of”, “weet waarom” en andere “weet”-teksten de aandacht op kwesties die alle Amsterdammers raken, en op de programma’s van AT5 zelf. “De verleiding om na al die weetjes een taalkundige faux pas te maken en van “ken je stad” over te stappen naar “weet je stad” was gewoon te groot.”

Het voorbeeld van AT5 laat zien dat men soms erg lichtzinnig met de taal omspringt. Ik pleit niet voor strakke regels, maar het moet geen pijn aan je oren en ogen gaan doen en dat is helaas toch regelmatig het geval.

 

Ten slotte nog een paar opmerkelijke imperatieven (lees en huiver, of grijns en glimlach):

–          Geek de bibliotheek (Openbare bibliotheken)

 

–          Ga het NA (Nationaal Archief –NA- in Den Haag)

 

–          Neuk het systeem (Theo Maassen)

 

–          Ervaar meer (EO)

 

En als allerlaatste:

–          Hou op, schei uit!

 

P.S. 3 november 2017

Interieurbedrijf FonQ voert momenteel ook campagne met een gebiedende wijs variant:

Het valt wel op (net zoals ‘Weet je Stad’, maar het is ook in dit geval helaas ook geen fraai taalgebruik. Mooi is anders!

 

 

 

 

 

 

 

[1] http://www.dbnl.org/tekst/_tab001198601_01/_tab001198601_01_0033.php

[2] Met dank aan tekst van Ronny Boogaart in Vaktaal, tijdschrift van de landelijke vereniging van neerlandici, 21-2 (2009), p.10-11.

[3] Zie: http://hansmoerbeek.eu/category/view/frontpage

 

Mooie kerk

Vaste rituelen tijdens de zomervakantie: naar een dorpsmarkt gaan, op een terras zitten en rondkijken, boodschappen doen in een mega-supermarkt, stokbrood eten bij het ontbijt, boeken lezen in een luie stoel, een kerk bezichtigen. Dat laatste deden we eergisteren. Het was wisselvallig weer en we hadden zin om een uitstapje te maken. We hadden gelezen dat deze kerk gerestaureerd werd en dat een bezoek ook tijdens de restauratie de moeite waard zou zijn.

Bijna elke plaats of regio heeft een bijzondere kerk, een oud klooster, een mooie tempel of een kleurrijke moskee die het bezoeken waard is. Er valt vaak veel te zien: beelden, muurschilderingen, bijzondere gebruiksvoorwerpen. Vanwege het religieuze karakter van het gebouw en de behoefte om het geloof uit te dragen werden vaak de beste bouwmeesters en vaardigste kunstenaars aangetrokken. Daarom behoren kerken ook nu nog tot de meest aanzienlijke en interessante gebouwen van steden en dorpen. Ook voor een niet-gelovige valt er veel te genieten van de architectuur en de kunstschatten van kerken. Oude kerken vertellen het verhaal van de geschiedenis van de streek, de geloofsbelevenis, de gebruiken, de stand van kunst en wetenschap in vroeger eeuwen. In nieuwere kerken zie je vaak hoe men de traditionele elementen die je in een kerk aantreft op een eigentijdse wijze vorm heeft gegeven: een stalen preekstoel, abstracte schilderijen, een blankhouten altaar.

De kerk die we eergisteren hebben bezocht is circa honderd jaar oud. Niet oud en niet nieuw. Het is een katholieke kerk, dus vol met kapellen en afbeeldingen van heiligen. Elke kapel heeft zijn eigen stijl en sfeer. Kunstenaars van naam en faam hebben hieraan bijgedragen. Een overwegend neo-gotische kerk vol verticale lijnen met middenin een hoge koepel met verwijzingen naar de Apocalyps. Vanuit het midden van de kerk heb je goed zicht op het prachtige, blauwe Maria-venster aan de noordkant en het indrukwekkende Christus-venster aan de zuidkant. De kerk heeft ook verrassende Moorse invloeden die terug te vinden zijn in de vele geometrische figuren en arcaden. Ook tref je Byzantijnse accenten en Jugendstil-elementen aan.

DSC05711

Het interieur is verrassend ruim en warm. Een grote kerk heeft soms iets unheimisch, maar dat is hier niet het geval. Als de zon door de ramen valt wordt het interieur in een kleurrijke gloed gehuld. Vooral aan de zuidkant van het schip waar tijdens de restauratie een groot groen gebrandschilderd raam is aangebracht. In dat deel van de kerk kleuren de pilaren zachtgroen.

DSC05705

We hebben er met plezier een uurtje rondgekeken.

Het was maar 25 minuten rijden en daarna konden we nog heerlijk uitwaaien op het nabijgelegen strand. Een echte aanrader en dichterbij dan je denkt…..Het is namelijk de kathedrale basiliek van Sint Bavo in Haarlem. Dit prachtige monument kan zeker wedijveren met de mooie kerken die je op vakantie in het buitenland aantreft.

De St. Bavo kathedraal (gelegen aan de Leidsevaart en niet te verwarren met de Grote of St. Bavo kerk in het centrum van Haarlem) is gebouwd door Jos Cuypers (de zoon van Pierre Cuypers, de bekende 19e eeuws kerkenbouwer, maar ook de architect van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam). Bezienswaardig zijn de prachtige tegelplateaus van Jan Toorop, de mooie beelden van Mari Andriessen, de rijkversierde sacramentskapel, het op een na grootste orgel van Nederland, de ingenieuze wenteltrap van Tack en de moderne gebrandschilderde ramen (waaronder het genoemde groene raam) van Jan Dibbets. De ramen van Dibbets zijn heel bijzonder.

DSC05692

DSC05704

 

 

DSC05706

groene glazen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Al met al een bezoek meer dan waard en heerlijk dichtbij huis.

Je moet er wat voor over hebben

“Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen”

 

Ik houd mijn studenten regelmatig voor dat persoonlijke communicatie effectiever is dan gemedieerde vormen van uitwisseling. Als voorbeeld gebruik ik vaak het verschijnsel huis-aan-huis collecte. Als ik van een goed doel een bankrekeningnummer in de krant zie staan, heb ik niet gelijk de neiging om geld over te maken. Maar als iemand met een collectebus voor mijn neus staat, geef ik (bijna) altijd. Ik heb thuis zelfs een ‘goede doelen-pot’ waar ik mijn overtollige kleingeld in gooi en daar pak ik steeds een handjevol munten uit als er een collectant voor de deur staat. Dat ik niet de enige ben, blijkt uit het feit dat er jaarlijks voor tientallen miljoenen wordt opgehaald via dit soort collectes.[1]

Goede doelen pot

De handboeken leren ons dat de boodschapper minstens zo belangrijk als de boodschap. We vinden het moeilijk om een persoon te weigeren die voor onze neus staat. Hoe relatief onbelangrijk de boodschap kan zijn, blijkt wel uit het feit dat ik vaak kort na de donatie niet eens meer weet voor welk goed doel men was langs geweest. Was het de Nierstichting of Jantje Beton? (wie hierover uitsluitsel zoekt, kan altijd even kijken in het nationale collecterooster. Ja, dat bestaat echt: http://www.cbf.nl/collecterooster/roosters/; en er is ook een collecteprotocol: http://www.collecteren.nl/collecterooster/collecteprotocol/). Dat ik ook voor andere vormen van directe verkoop vatbaar ben, heb ik in het verleden door schade en schande gemerkt. Ik heb me door aardige mensen een abonnement op een tijdschrift, een donateurschap van Artsen zonder Grenzen en een dakgootreiniging laten aansmeren. Totdat ik dacht: ‘nooit meer wat aan de deur kopen’. Het zijn pure impulsaankopen. Als ik iets echt nodig heb of nuttig vind, moet ik daar zelf opkomen, en me niet laten verrassen door een deurverkoper of een vlotte student op het marktplein. Deze afspraak met mezelf houdt nu al een paar jaar stand. Collectes voor het goede doel vallen hier niet onder; die krijgen steevast geld van mij.

Toch heb ik me laatst weer laten overhalen om iets te doen wat ik vooraf niet van plan was. Er stond een aardige meneer van Het Rode Kruis voor de deur. Werktuiglijk wilde ik al naar de goede doelen-pot grijpen, maar hij kwam niet voor geld. Hij zocht donateurs. Met een trefzeker gevoel voor drama in woord en gebaar legde hij uit dat er in onze wijk te weinig collectanten waren voor de collecteweek in juni. Hij somde enkele voorbeelden van de vele goede werk van Het Rode Kruis op en legde uit dat daar natuurlijk veel geld voor nodig was. Hij vervolgde dat het collecteren me hooguit een paar uurtjes gedurende een paar avonden zou kosten. Voordat hij uitgesproken was, hoorde ik mezelf al ‘dat is goed; ik wil het wel doen’ zeggen. ‘Echt waar?!’zei hij, met zoveel verbazing in zijn stem, dat ik even dacht iets volkomen belachelijks te hebben toegezegd. Maar hij herpakte zich snel en liet mij een voorgedrukt formulier invullen en ondertekenen. Een paar weken later kon ik de collectebus ophalen (identificatie bleek niet nodig) en kreeg ik mijn straten toegewezen. Ik was blij dat mijn eigen straat daar niet bij zat, want stel je voor dat enkele buren geen geld zouden willen geven. Dat zou de verhoudingen in de buurt onnodig belasten.

Hoe dan ook, ondanks het EK Voetbal ben ik twee avonden vanaf etenstijd (‘dan zijn de meeste mensen thuis’, aldus de instructiebrief) een paar uur op pad geweest. Ik ben veel welwillendheid tegenkomen. De meeste mensen gaven een klein bedrag zoals ik dat ook altijd doe. Een enkeling viste een briefje van vijf euro uit zijn portemonnee. Er waren natuurlijk ook mensen die niets gaven (‘geen interesse’; of met meer principiële redenen, zoals een twintiger die zei: ‘ik geef alleen aan de Ouderenbond’). Een lastig probleem was dat veel mensen simpelweg niet thuis waren. En ik merkte ook dat nogal wat mensen geen contant geld meer in huis hebben. We leven nu eenmaal in een tijd van pinnen en digitaal bankieren. Ik heb begrepen dat er zelfs al proefcollectes geweest waarbij mensen aan de deur ook kunnen pinnen, maar die leverden geen succes op.

Op de tweede avond stuitte ik op een ander probleem. Aan de opgegeven straat stonden portiek- en galerijflats en meerdere bewoners lieten weten dat ze het niet fijn vonden dat ik via de centrale ingang binnen was gekomen. Ik was in hun ogen voorbij de voordeur gekomen en dat stelde men niet op prijs. Om geen verdere problemen te veroorzaken ging ik daarom maar bij de ingang van de dichtbijgelegen Dirk van den Broek staan. Ik wist niet of dat toegestaan was, maar toen het meisje van de bakkersafdeling me na 10 minuten een briefje van vijf kwam brengen, wist ik dat het wel goed zat. Het mooie was dat mensen me bij het ingaan van Dirk van den Broek al even zagen staan en konden bedenken of ze mij bij het naar buiten lopen wat wilden geven. Ik maakte er voor mezelf een spelletje van: ‘die gaat straks vast iets geven en die zeker niet’. Ik had het vaak mis. Mijn mensenkennis bleek een onbetrouwbare radar. Een sjofel geklede vrouw kan guller zijn dan een nette dame. Al met al bleek mijn ingeving om voor een supermarkt te gaan staan een goede zet. Ik stond er prima in een aangenaam avondzonnetje, mensen maakten soms even een praatje en ik hoefde niet af te wachten of iemand open wilde doen. En bij thuiskomst bleek ter geruststelling dat de voetbalwedstrijd die ik had gemist een draak van een vertoning was geweest.

Tevreden leverde ik een paar dagen later de collectebus, waar ik zelf ook nog de nodige euro’s in had gestopt, in. Ik kreeg een plantje (‘voor de vrouw’) en twee door vrijwilligsters gehaakte poppetjes (‘voor de kleinkinderen’) mee naar huis. ‘En, kunnen we volgende jaar weer op u rekenen?’, vroeg de vriendelijke Rode Kruis mevrouw.  ‘Jazeker’, zei ik. Ik wilde haar natuurlijk niet teleurstellen. Bovendien heb ik volgend jaar in juni vast wel weer twee keer twee uur de tijd.

Drie weken na de collecteweek kreeg ik een bedankkaartje van Het Rode Kruis met daarop het bedrag dat ik had opgehaald: 169 euro en 18 cent op een totaalbedrag van ruim 5700,- euro in Amstelveen.

Bedankt 3

Ik had zelf gedacht rond de 200 euro te hebben opgehaald, maar ik had me kennelijk wat rijk gerekend. Toen ik de dag daarna hierover met een collega sprak, vroeg hij me of ik wel de juiste kleding had gedragen. Toen ik verbaasd ‘wat maakt dat nou uit’ antwoordde, wees hij me op een onderzoek waaruit blijkt dat een collectant die merkkleding draagt meer ophaalt dan een gewoon gekleed iemand: http://www.marketingonline.nl/bericht/bij-kleding-telt-alleen-het-merk

De collectanten die de kleding met het merklogo droegen, haalden bijna twee keer zoveel geld op dan (mooie hyper-correctie, PtL) de collectanten met kleding zonder het merklogo. Het gemiddelde per deur, waar iemand open deed, was 34 eurocent voor de eerste groep en 19 cent voor de tweede.

Ook in andere testsituaties (sollicitaties, enquêtes) scoorden de proefpersonen met merkkleding beter. De onderzoekers verklaren dit door te stellen dat merkkleding kwaliteit uitstraalt en dat het publiek daar positief op reageert. Ik had bij Dirk van den Broek gemerkt dat het uiterlijk van de gever geen goede indicator was, maar volgens dit onderzoek is de kleding van de collectant juist wel een succesfactor. Dat had ik nog nooit in onze studieboeken zien staan. Maar de les is duidelijk: wil ik volgend jaar 200 euro ophalen, dan zal ik eerst moeten investeren in een prijzig shirt van Lacoste of Tommy Hilfiger. Je moet er wat voor over hebben.

Lacoste shirts

 

 

[1] Zie o.a. http://www.nu.nl/economie/3935289/collecteren-populair-ondanks-dalende-opbrengst.html

 

Festival

 

 

Tot een week geleden was ik nog nooit naar een festival geweest. Nooit naar Pinkpop, Lowlands of Oerol. Niet als scholier of student en ook niet op latere leeftijd. Maar sinds afgelopen weekend ben ik ervaringsdeskundige; ik heb drie dagen North Sea Jazz beleefd. En het is goed bevallen.

Dit festival stond al lang op het verlanglijstje van mijn vrouw en mij. We genieten elke keer van de sfeerimpressies die we van tijd tot tijd op televisie zien en we vinden de muzikale variëteit van dit festival heel interessant: “daar moeten we ook een keer naartoe!”. Maar jarenlang lukte het niet om te gaan door drukke werkzaamheden, sociale verplichtingen of zomervakanties in het buitenland. Dit jaar hakten we de knoop door. We kochten al in februari kaartjes (treffend ‘early birds’ genoemd) en blokkeerden het betreffende weekend stevig in onze agenda’s.

De eerste indrukken op vrijdagmiddag worden beheerst door de grote toeloop en massaliteit. De metro vanaf ons hotel naar Ahoy’ zit stampvol. We moeten ons naar binnen persen. Dezelfde drukte komen we tegen bij het binnenlopen van Ahoy’: grote rijen mensen die zich naar binnen wurmen om vervolgens voor de muntenmachines samen te drommen. Wij volgen slaafs en kopen een dagrantsoen aan plastic tokens. Daarna lopen we een soort sluizensysteem in waar onze tickets worden gescand. Pas dan zijn we echt binnen en begint de massa zich in allerlei richtingen te verspreiden. Tot zo ver geen onbekende ervaringen, want bij eerder bezochte voetbalwedstrijden of grote concerten is de massale toestroom en het bijbehorende gedrang hetzelfde. Maar het grote verschil is dat je bij een voetbalwedstrijd of concert allemaal naar hetzelfde veld of dezelfde zaal gaat, terwijl we hier een keuze hebben uit een dozijn zalen. We hadden thuis het blokkenschema al bestudeerd en voor deze eerste dag al een voorkeurslijstje gemaakt van de artiesten die we wilden zien. Maar in de praktijk gaat het toch anders. Het is deze eerste avond flink wennen. Waar zijn de zalen? Kunnen we overal naar binnen? Wordt het staan of zitten? Waar kun je eten en drinken halen?

Blokkenschema

Dankzij de festival-app op mijn smartphone en de bewegwijzering in Ahoy’ hebben we wat houvast, maar het voelt de eerste uren toch als het dwalen door een doolhof. We volgen onze wensenlijstje, maar merken dat niet alleen de kwaliteit van de musici van belang is, maar ook de kwaliteit van de zaal en de opeenstapeling van ervaringen. Na een uur staan in een grote zaal wil je bij het volgende concert zitten. En na twee concerten is het de hoogste tijd om wat te eten en te drinken. Na een verstild optreden wil je weer wat stevigers horen. Zo proberen we wat afwisseling in onze muzikale speurtocht aan te brengen. Je moet steeds keuzes maken (per avond zijn er 48 optredens; grote en kleine namen, grote en kleine zalen) en het verrassingselement speelt daarbij een grote rol. Een concert valt tegen, dus stap je een aangrenzende zaal binnen waar een volslagen onbekende artiest optreedt. Zo brengen we de eerste avond door en stappen we met een moe lijf en een hoofd vol muziek rond 1 uur ’s nachts de metro in die even vol is als op de heenweg.

Op zaterdag voelt alles al veel vertrouwder aan en op zondag zijn we kind aan huis. Als we zondagavond laat Ahoy’ verlaten en naar de metro lopen zijn we muzikaal geheel voldaan, maar is het toch vreemd om je te realiseren dat het nu echt voorbij is.

 

IMG_2122

We hebben intens genoten van de muziek. Ook dagen na het festival klinkt die nog door in je oren en je lijf. North Sea Jazz laat dankzij de grote variëteit aan artiesten en stijlen zien hoe muziek je op verschillende manieren kan raken (of juist niet). Ibrahim Maalouf was groots en meeslepend, Snarky Puppy was strak en opwindend, Maartje Meijer was ontroerend en verrassend, Brandford Marsalis was virtuoos (maar ook routineus), Candy Dulfer was swingend en opzwepend, Gregory Porter was warm (maar ook wat afstandelijk), Yuri Honing was verstild en intiem, Christian Scott was uitdagend (en erg luid), Melanie de Biasio was mysterieus.

Dankzij die vele muziekstijlen kom je op North Sea Jazz ook de meest uiteenlopende mensen tegen. Nogmaals, ik ben geen ervaren festivalganger, maar ik betwijfel of je op andere festivals zo’n grote diversiteit (leeftijden, culturen, stijlen) aan bezoekers tegenkomt. En dat is erg leuk om te ervaren.

En North Sea Jazz is ook:

–          het opvallend vriendelijke en service-gerichte personeel;

–          de namen van de zalen; ze zijn naar rivieren genoemd. De Yenisie is de meest onbekende naam, maar stomtoevallig kom ik die naam dat weekend ook tegen in het boek As in Tas van Jelle Brandt Corstius; het blijkt een rivier in Rusland te zijn);

–          de (over het algemeen) gemoedelijke stemming onder de bezoekers;

–          de verrassing om een collega, neef en buurtgenoot tegen het lijf te lopen (“hé jij ook hier!?”);

–          de ontdekking dat er overal muntenmachines staan, zodat je niet op de eerste dag bij de ingang in een lange rij had hoeven te staan,

–          de meevaller dat je in elke zaal kunt zitten (ik dacht vooraf, dat we vooral zouden moeten staan, maar dat was alleen op de middenterreinen van Maas en Nile het geval)

–          het gevoel (als je door de gangen van Ahoy’ loopt) dat je door Amsterdam Centrum loopt tijdens Koningsdag.

–          het gevoel dat je met een leeg bord bij een enorm buffet staat en vijf uur lang je bord mag blijven vol scheppen (nu heb ik het niet over het eten);

–          de geruststelling dat je niet elke avond in een krap tentje hoeft te slapen, maar in een comfortabel hotel-bed.

Maar North Sea Jazz is vooral aan het einde van een mooie muziekavond nog even naar een van de hoofdacts (in dit geval Earth, Wind & Fire) gaan om wat nostalgische klanken mee te pikken, maar onderweg op een buitenpodium een jonge, frisse band (in dit geval Con Brio[1]) tegen te komen die zo energiek en aanstekelijk staat te spelen dat je daar blijft hangen en swingend meegaat in de dynamiek die daar ter plekke tussen muzikanten en toehoorders ontstaat. Toen we na afloop nog een staartje Earth, Wind & Fire probeerden mee te pikken, viel dat tegen in die enorme Nile-zaal. We liepen maar snel weg om de smaak van Con Brio vast te houden.

Kortom, dit eerste festival is ons prima bevallen; we gaan beslist nog een keer.

 

[1] Con Brio treedt eind november op in Paradiso. Mooie up tempo mix van funk en soul. Frontman Ziek McCarter is een geweldige zanger (doet denken aan de jonge Michaël Jackson, Prince, Pharrell Williams) en een ras-entertainer.

Blogsite van Peter 't Lam