Zomerfeest in de Tulpstraat: de spanning loopt op

Het is al wekenlang onrustig in de Tulpstraat. En dat terwijl het jaarlijkse zomerfeest bijna voor de deur staat. Een leuke feestdag voor de hele straat met spelletjes voor de kinderen, een opruimactie om onkruid en zwerfafval te verwijderen en een afsluitende barbecue. Ieder jaar legt elk huishouden 30 euro in de pot en van dat geld wordt al het eten en drinken gekocht. En ook spullen om de straat op te ruimen. Als er geld overblijft gaat dat naar een goed doel.

De onrust begon toen het nieuwe straatcomité moest worden gekozen. Dat pakte heel anders uit dan de jaren hiervoor. Veertien jaar lang had de vader van familie V het zomerfeest georganiseerd. Steeds met een paar andere huishoudens: de ene keer met de familie P die een paar huizen links van hem woont, de andere keer met mensen van nummer 66, dan weer met het christelijke gezin middenin de straat. De familie V had zelfs een keer met de familie W, de bewoners van het huis op de hoek, het feest voorbereid. De familie W heeft nogal uitgesproken ideeën en ligt regelmatig met andere bewoners overhoop. Vader V had het toch een keer met hen willen proberen, maar dat was al snel uitgelopen op ruzie tussen vader V en vader W. Vanaf die tijd botert het niet meer tussen beide families.

Vader V liep ieder jaar te stralen als de straat opgefrist was en er een lekkere hamburger op de barbecue lag. “Bij een geslaagd straatfeest horen heerlijke hamburgers”, zei hij altijd. Hij had daarbij soms niet  in de gaten dat er te weinig te drinken was ingekocht, of dat sommige mensen een aangebrande hamburger kregen. Ook had hij niet veel oog voor bewoners die wel eens wat anders wilden dan hamburgers.

De familie W had nogal afwijkende opvattingen over het zomerfeest. Ze vonden dat het eigenlijk alleen maar voor de Nederlandse bewoners van de straat zou moeten zijn. Ze hadden geen zin in buitenlandse deelnemers en al helemaal niet in moslims. Ze vonden het een slecht idee dat er bij de barbecue de laatste jaren naast hamburgers ook vega-burgers en halal-burgers werden geserveerd. Voor het verwijderen van onkruid in de straat wilden ze een agressief verdelgingsmiddel gebruiken. Iets waar de bewoners van het huis met de grote moestuin juist erg tegen waren.

Een maand voor de verkiezing had de oudste dochter van de familie V gezegd dat zij het feest dit jaar wel wilde organiseren. Ze vond dat haar vader lang genoeg het voortouw had genomen en dat het tijd was voor iets anders. Haar vader wilde nooit meer met de familie W samenwerken, maar zij tilde daar minder zwaar aan. Er waren bovendien twee nieuwe families in de straat komen wonen die ook wel in het straatcomité zitting wilden nemen. De familie B kwam van het platteland en leek heel joviaal. Familie N was juist nogal van de regeltjes.

In de aanloop naar de verkiezing van het nieuwe straatcomité herhaalde vader W dat wat hem betreft het feest alleen maar voor de Nederlandse bewoners van de straat bestemd zou zijn. Hij beloofde verder dat hij dit jaar zou zorgen voor een lagere bijdrage per huishouden, grote stukken vlees voor op de barbecue en gratis bier. Ook wilde hij geen geld meer aan een goed doel schenken. En hij riep dat hij zeker wist dat de zon zou gaan schijnen tijdens het zomerfeest.

Zijn verhaal sloeg aan. De verkiezing liep uit op een grote overwinning voor vader W en zijn familie. Ze kregen 25% van alle stemmen. De kandidaten van andere families bleven daar flink bij achter. Ondanks die verkiezingsuitslag hadden de meeste straatbewoners er veel moeite mee dat de familie W geen buitenlandse straatbewoners wilde toelaten. Prompt vertelde vader W daarop dat hij dat wel had geroepen, maar dat wat hem betreft iedereen toch mocht deelnemen. Omdat men vader W vanwege alles wat hij in het verleden had geroepen niet helemaal vertrouwde, stelde men als eis dat hij zelf niet in het comité mocht gaan zitten, maar zijn familieleden wel. Vader W moest wel even slikken, maar aan de andere kant zag hij nu eindelijk zijn kans schoon om via zijn familie het straatfeest naar zijn hand te zetten.

Er volgden lange weken waarin vader W met de dochter van familie V en de families B en N om de tafel zat om de plannen voor het zomerfeest door te spreken. Soms liepen de spanningen hoog op, vooral omdat de familie N vaak twijfelde of alles wel haalbaar en betaalbaar zou zijn. Maar uiteindelijk werden ze het in grote lijnen eens over de opzet van het straatfeest. Toen kwam de samenstelling van het comité zelf ter sprake. Het vreemde was dat er geen geschikte voorzitter in de familie W te vinden was om het comité te leiden. Nadat hij uitgebreid binnen en buiten zijn familie had rondgevraagd kwam vader W uiteindelijk met een politiechef aanzetten die in een andere buurt woonde. Alle bewoners waren zeer verbaasd maar hadden ook niet echt bezwaar tegen de man.

Wel schrokken veel mensen toen een tante van vader W naar voren werd geschoven als contactpersoon voor buitenlandse straatbewoners. Zij had in het verleden juist vaker gezegd dat ze niets van buitenlanders moest hebben. Ook vonden veel bewoners het ongemakkelijk dat de vijfentwintigjarige dochter van de familie W verantwoordelijk werd voor het organiseren van de spelletjes voor de kinderen. Zij had vaak geroepen dat spelende kinderen de straat aan het overnemen waren. Volgens haar moesten kinderen op op de stoep blijven. De straat was voor de auto’s.

 

Geen wonder dus, dat het aanstaande straatfeest het gesprek van de dag is in de Tulpstraat. Deze week is het comité voor het eerst bij elkaar gekomen. Het schijnt dat het een pittige vergadering is geweest. Daardoor is de onrust alleen maar verder opgelopen. Het straatfeest is over drie weken. Steeds meer bewoners houden hun hart vast.

(bron foto: https://www.wesselerbrink.com/2017)

Hoe ontwikkel je een communicatiestrategie (Deel 2)? Over volgtijdelijkheid en werkniveaus

 

Een paar weken geleden schreef ik een blog waarin ik de strategie-modellen van twee populaire en toonaangevende communicatie-auteurs, Betteke van Ruler en wil Michels, naast elkaar legde (https://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2900 ). Ik was verrast door de grote hoeveelheid reacties (bijna 200 likes en commentaren) die ik in de dagen daarna ontving. Ook van beide prominenten zelf. Zij herkenden zich in grote lijnen in de vergelijkingen die ik had gemaakt.

Ik ben blij met de betrokkenheid, de vragen en de waardering die uit veel reacties naar voren kwamen. Kennelijk is dit een thema dat leeft onder communicatieprofessionals. Alle reden om er nog een keer aandacht aan te besteden en een paar bespreekpunten nader uit te diepen.

Uit mijn analyse in mijn vorige blog kwam naar voren dat er veel dezelfde (of vergelijkbare) bouwstenen voorkomen in het ‘Frame’ van Betteke van Ruler en het ‘Model’ van Wil Michels. Er bestaat dus redelijk veel consensus over de elementen die je in ogenschouw moet nemen als je tot een goede communicatie-strategie wilt komen. Voor een communicatieprofessional die ‘volgens het boekje’ een communicatie-strategie wil ontwikkelen biedt deze overeenstemming veel houvast. Beide auteurs wijzen immers grotendeels op dezelfde elementen.[1]

Het ‘Frame’ van Betteke van Ruler

Het ‘Model’ van Wil Michels

Maar er zijn ook verschillen tussen de modellen van van Ruler en Michels en juist die roepen vragen en discussies op. Dat kwam duidelijk naar voren in de reacties op mijn vorige blog. Ik heb gemerkt dat twee kwesties met name leiden tot meningsverschillen en misverstanden: 1. het al dan niet volgtijdelijke werken en 2. het omgaan met de ‘niveaus’ van communicatie. Deze twee discussiepunten wil ik daarom in deze vervolg-tekst nader bespreken.

Op basis van eigen inzichten en ervaringen (als docent, auteur en adviseur) geef ik hierbij ook mijn eigen positie aan. En die leg ik daarmee aan jullie, de lezers, voor. Niet als alwetende (want dat ben ik zeker niet), maar in de hoop daar weer veel reacties en commentaren op te krijgen. Want ik ben ervan overtuigd dat een open, inhoudelijke uitwisseling bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van professionele communicatie.

 

  1. Al dan niet volgtijdelijk werken

Op het punt van het hanteren van een vaste denk- en werkvolgorde is Betteke van Ruler ondubbelzinnig. Zij wijst stappenplannen en lineaire werkwijzen consequent af. Zij benadrukt dat het niet uitmaakt met welke bouwsteen van haar Frame je begint, zo lang je maar alle bouwstenen in je overwegingen meeneemt en op elkaar betrekt. Zij kiest voor een iteratieve, niet-volgtijdelijke benadering. Wil Michels is op dit punt meer ambivalent. Hij benadrukt weliswaar het belang van flexibiliteit, maar hij geeft ook aan dat je moet beginnen met het verkennen van de opdracht/vraag en dat de ontwikkeling van content voortkomt uit een eerder vastgestelde communicatiestrategie. De vraag is dus: moeten we nu wel of niet in een bepaalde volgorde gaan werken?

In mijn ogen is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de inhoudelijke afweging (de ontwikkeling van een communicatie-strategie of communicatie-campagne) enerzijds en het procedurele traject (de dynamiek tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en de methodische stappen die men zet) anderzijds. Wat mij betreft is er bij het eerste punt (inhoudelijke afweging)  geen noodzaak om volgtijdelijk te werken terwijl bij het laatste punt (dynamiek en methodiek) vaak juist wel sprake is van volgtijdelijkheid.

  1. Dynamiek opdrachtgever – opdrachtnemer

Doorgaans begint een traject vanuit een startsituatie waarbij een vraag of opdracht op tafel ligt die eerst nader moet worden verkend. Daarbij horen vragen als: Wat is de aard en omvang van het vraagstuk, wat is het kader waarbinnen deze opdracht moet worden uitgevoerd, wat is de vraag achter de vraag, is het een vraagstuk waarbij de inzet van communicatie zinvol is, welk niveau van professionele communicatie (in het tweede deel van dit blog ga ik nader op deze niveau-vraag in) is hierbij aan de orde, etc. In deze verkenningsfase proberen opdrachtgever en opdrachtnemer tot inhoudelijke en zakelijke overeenstemming te komen voordat de daadwerkelijke ontwikkeling van een strategie of campagne kan plaatsvinden. Ook tijdens het ontwikkelingsproces is het goed mogelijk (en wenselijk!) dat opdrachtgever en opdrachtnemer geregeld contact hebben over de voortgang. Ten slotte komt er ook een einde aan een traject. Dan is er sprake van oplevering, eindevaluatie en misschien wel een besluit tot verdere samenwerking. In die zin zou ik die verkenningsfase en de verdere dynamiek tussen opdrachtgever en opdrachtnemer altijd nadrukkelijk benoemen (iets wat niet expliciet in het boek van van Ruler staat), maar niet opnemen in het strategie-model zelf (wat Michels wel doet). Het is namelijk geen bouwsteen.

  1. Methodiek

Er zijn tal van methodes (bijv. scrum, design thinking, ontwerpgericht onderzoek) die je kunt hanteren om tot een bepaald resultaat te komen. In die methodes worden vaak bepaalde stappen en sessies (sprints, fasen, brainstorm-bijeenkomsten, hackatons) voorgeschreven. Hierin zit doorgaans een zekere volgtijdelijkheid, maar ook dit zijn geen bouwstenen. Het zijn procedurele stappen die op zich niets zeggen over de inhoud; al zijn ze wel nodig om verdere inhoudelijke afweging en ontwikkeling te bevorderen.

 

Als je kijkt naar dynamiek en methodiek lijkt het voor de hand te liggen om te kiezen voor een volgtijdelijke aanpak bij het ontwikkelen van een communicatie-strategie. Maar toch is dat schijn. Ongeacht de dynamiek en de methodiek gaat het in de kern van de strategie-ontwikkeling om het tegen elkaar afwegen van bouwstenen in een niet vaststaande volgorde. Wie een legpuzzel maakt kan met ieder stukje beginnen. De een wil graag eerst de vier hoekjes zoeken, de ander begint met het verzamelen van alle rechte stukjes en weer iemand anders gaat juist alles op kleur sorteren. Dat maakt niet uit zolang uiteindelijk alle stukjes maar in elkaar passen. Nog een ander voorbeeld: voor het maken van een appeltaart heb je een mix van ingrediënten (inhoud, bouwstenen) nodig. Het gebruiken van die ingrediënten staat los van de vraag of je de taart in een airfryer, een oven of een combi-magnetron (methode) gaat bakken.

Ik zie een communicatie-strategie als een onderbouwd geheel van inzichten en keuzes. En die inzichten en keuzes hebben betrekking op de gehanteerde bouwstenen. Communicatie-doelen, doelgroepen[2] en boodschappen moeten op elkaar afgestemd zijn. Ongeacht waar je begint. Begin je bij het onderzoeken en vaststellen van de doelgroep, dan heeft dat gevolgen voor het bepalen van je doel en je boodschap. Je kunt ook eerst naar het doel kijken en daaruit afleiden welke doelgroep daarbij aansluit en welke boodschap. Je kunt ook vaststellen wat de beschikbare hoeveelheid tijd en geld is om vandaaruit te bepalen welke ambities haalbaar zijn en welke niet. De inzichten en keuzes bij de ene bouwsteen zullen altijd van invloed zijn op de andere bouwstenen. Je blijft kneden en schaven tot er een mooi en afgebakend geheel tot stand is gekomen.

Conclusie Volgtijdelijkheid

Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het advies-traject en de ontwerp-methode aan de ene kant en het inhoudelijke, iteratieve proces van afwegen en kiezen aan de andere kant. Er is wat mij betreft wel sprake van vormen van volgtijdelijkheid in het procedurele traject (dynamiek en methodiek), maar niet in de inhoudelijke afweging van strategie-ontwikkeling zelf. Betteke van Ruler bakent dat inhoudelijke proces duidelijk af in haar Frame en benadrukt, wat mij betreft terecht, het iteratieve karakter daarvan. Daarbij heeft zij minder oog voor het traject. Wil Michels besteedt relatief meer aandacht aan de volgtijdelijke aspecten van het traject, maar neemt zowel traject-elementen (Opdracht, Monitoring) als inhoudelijke elementen op in zijn Model. Dat maakt zijn model op dit punt ambivalenter.

Hoewel ik geen ster ben in visualisering heb ik toch geprobeerd er een plaatje van te maken. Je kunt de inhoudelijke en procedurele aspecten van strategie-ontwikkeling samen presenteren door onder het communicatie-model een tijdlijn af te beelden waarop procedurele stappen zijn afgetekend. Die tijdlijn zou altijd moeten beginnen met de startsituatie cq verkenningsfase die moet uitmonden in een Go of No Go beslissing.

Boven die tijdlijn staan meerdere afbeeldingen van dezelfde cirkel met vaste bouwstenen[3]. Die cirkel wordt per stap op de tijdlijn steeds specifieker en scherper ingekleurd. Er zit geen volgtijdelijkheid binnen de cirkel en haar bouwstenen zelf, maar wel in het traject van procedures en methodische stappen (de tijdlijn) waarlangs die strategie-ontwikkeling plaatsvindt.

 

  1. Omgaan met niveaus

Een ander belangrijk bespreekpunt is het omgaan met de verschillende ‘niveaus’ van communicatie. In de vakliteratuur worden over het algemeen drie niveaus onderscheiden: strategisch (langere termijn, organisatie-breed, algemene koers), tactisch (middellange termijn, campagne, project) en uitvoerend (kortere termijn, productie, realisatie). Beide auteurs suggereren dat je hun Frame of Model kunt gebruiken voor grotere communicatie-opdrachten, maar ook bij meer ‘hands on’ klussen als het schrijven van een persbericht. In de woorden van Betteke van Ruler helpt het daarbij ‘om even snel de strategische vragen uit het Frame langs te lopen om je af te vragen of dat persbericht nu wel zo’n goed idee is’. Op zich is het een goede gedachte om ook een persbericht te toetsen aan een breder kader, maar voor de verdere uitvoering kun je met het Frame niet echt uit de voeten. Wil Michels zegt: ‘Of je nu een operationeel plan maakt of een overkoepelende strategie…de bouwstenen komen altijd aan bod’.

Beide opvattingen suggereren op eigen wijze een soort ‘one sitze fits all’ gedachte. Maar doet dat wel recht aan de verschillen in niveaus die in het communicatievak aan de orde zijn? In hoeverre komen beide modellen met hun vaste bouwstenen op alle niveaus goed van pas?

Voordat ik hier verder op inga wil ik eerst ter verduidelijking van mijn opvattingen over niveaus een vergelijking maken met het populaire televisieprogramma ‘Weer verliefd op je huis’.

Intermezzo: Weer verliefd op je huis

In dit programma maak je kennis met mensen die ontevreden zijn over de inrichting van hun huis. Een styling-adviseur komt langs om het huis grondig te inspecteren (huidige inrichting, vierkante meters, zijn er kinderkamers, ruimtes voor thuiswerken en hobby’s), maar vooral om te praten met de bewoners over hun problemen en wensen (waar lopen jullie tegenaan, wat zouden jullie graag willen). Daarbij valt op dat de bewoners vaak uiteenlopende voorkeuren hebben. Heel erg cliché: mannen willen vooral robuust en industrieel; vrouwen met name warm en kleurrijk. De styling-adviseur gaat met die gegevens en inzichten aan de slag en komt vervolgens aanzetten met een totaal-idee voor de inrichting en geeft dat vaak een indrukwekkende naam als Scandinavian Romance of Urban Adventure. Dat totaal-idee zou je de strategie kunnen noemen (strategie is wat mij betreft koers, kader en kompas: centraal, overkoepelend, richtinggevend). Vervolgens worden de ruimtes in het huis volgens dat centrale idee opnieuw aangekleed, ingericht, of soms totaal verbouwd. Daarbij wordt natuurlijk gelet op de functies van de verschillende ruimtes (keuken, hobbykamer, woonkamer). De inrichting per kamer correspondeert in mijn ogen met het tactische niveau. Ten slotte heb je per kamer de concrete keuze voor meubels, decoraties, behang, verfkleuren etc. Dat is de operationele kant.  De keuze van een stoel of een vloerkleed (operationeel) moet passen binnen het tactische concept van de kamer en dat moet op zijn beurt weer passen binnen de centrale styling-strategie van het gehele huis.

Ik weet het, elke vergelijking gaat mank, maar ik heb tijdens lezingen en colleges gemerkt dat het helpt om deze analogie te gebruiken. Terug nu naar Frame en Model.

 

  1. Frame van Betteke van Ruler

In mijn vorige blog concludeerde ik dat het Frame van Betteke van Ruler vooral een goed bruikbare tool is voor het ontwikkelen van de communicatie-koers van een organisatie (en de invulling van de communicatie-functie) op een hoger, meer overkoepelend niveau. Dat maakt het Frame minder geschikt bij het uitvoeren van alledaagse communicatie-taken. Natuurlijk moet je bij het schrijven van een persbericht of het maken van een folder kijken naar het grotere kader waarbinnen het persbericht of de folder wordt gemaakt, maar het Frame als zodanig biedt te weinig houvast om op meer uitvoerend niveau tot scherpe afwegingen en keuzes te komen. Juist ook omdat bouwstenen op het gebied van content creatie en media ontbreken. Betteke van Ruler geeft zelf ook aan dat haar Frame geen nadere detaillering biedt: ‘wel de belangrijke keuzes, maar niet de details van de uitwerking’ (p. 26).  Het Frame kent wel de bouwsteen Aanpak waarmee je aangeeft welke basisvorm van communicatie je kunt gaan inzetten. Met de term basisvorm verwijst Betteke van Ruler naar haar eigen Communicatiekruispunt dat vier basisvormen kent: dialoog voeren, informeren, co-creëren en overreden. Het Frame geeft duidelijk aan hoe je tot een centraal idee (op basis van een strategische afweging) kunt komen en geeft daarbij aan dat er voor de uitwerking (Aanpak) een aantal basis-uitwerkingen zijn (in termen van mijn styling voorbeeld: totaal verbouwen, flink renoveren, of een beetje aanpassen). De uitwerking van dat centrale idee loopt via de bouwsteen Aanpak. De Aanpak is volgens van Ruler de ‘tactiek die je per doelstelling (denk aan: kamer in het huis) bedenkt om de ambitie te realiseren’. Tactiek is volgens haar het gekozen ‘aanvalsplan’ binnen een breder strategisch geheel van gemaakte keuzes. Dat roept bij mij de vraag op waarom je de bouwsteen Aanpak (of Tactiek) deel wil laten uitmaken van een Strategisch Frame. Dat kan leiden tot spraakverwarring omdat er twee niveaus in één model naast elkaar staan. Ik zou Aanpak/Tactiek buiten het strategische model laten en op een ander niveau aan bod laten komen (zie hieronder). Van Ruler geeft overigens naast het benoemen van de vier basisvormen niet aan hoe die tactiek/die aanpak verder ingevuld en uitgewerkt moet worden. Het gros van de communicatieprofessionals zal voor het uitvoeren van alledaagse communicatie-taken dus geen concrete handvatten aantreffen in het Frame, maar wel een breder, richtinggevend kader dat moet bevorderen dat dagelijkse werkzaamheden niet hap-snap  en onbezonnen worden ingevuld, maar in lijn zijn met de centrale communicatie-koers van de organisatie.

2. Model van Wil Michels

Ten aanzien van het Model van Wil Michels concludeerde ik in mijn vorige blok dat het relatief meer handvatten (biedt) voor het aanpakken van een concrete communicatie-opdracht (project, klus) op een meer tactisch en operationeel vlak. Dat komt vooral omdat Michels in zijn Model de bouwstenen Concept /Content en Planning heeft opgenomen, binnen een lijn die Aanpak heet. In deze bouwstenen komen zaken als kernboodschap, mediakeuze, content kalender, storytelling, budget en tijdsplanning aan bod. Dit zijn herkenbare termen en taken uit de dagelijkse praktijk van de gemiddelde communicatieprofessional. Michels biedt op deze punten meer inzicht en houvast. In die zin lijkt het erop dat Michels heeft geprobeerd de eerder genoemde drie niveaus van communicatie in één model te integreren. Ik vind het verwarrend dat hij in zijn model maar liefst drie, vier strategieën weergeeft; een positioneringsstrategie, een communicatiestrategie (ook nog verdeeld in een overkoepelende communicatiestrategie en specifieke communicatiestrategieën) en een content strategie (deze laatste als optelsom van de Aanpak-lijn: ‘je rondt het blok Aanpak af met een content-strategie’, p. 83). Dat zijn veel strategieën bij elkaar; van verschillend karakter en niveau. En zonder duidelijke inhoudelijk lijn en verbondenheid. In mijn ogen zijn dit niet allemaal strategieën, maar uitwerkingen op verschillende denk- en werkniveaus (tactisch, operationeel). Michels geeft daarbij niet aan hoe je van breder/hoger naar specifieker/concreter moet toewerken. Welke van de genoemde  strategieën staat voor het centrale idee en welke voor het meer tactische niveau? Als je in ogenschouw neemt dat zijn Model meer volgtijdelijk is, lijkt het alsof je eerst een positioneringsstrategie (meer strategisch) moet ontwikkelen en daarna een overkoepelende communicatiestrategie en dan een meer specifieke communicatie-strategie (meer tactisch) om ten slotte toe te werken naar een content strategie (meer operationeel). Zo lijken verschillen in werkniveau hetzelfde als verschillen in werkvolgorde. Is het de bedoeling van Michels dat alle niveaus naast elkaar in dit ene Model staan? En dat ze in een bepaalde volgorde aan bod moeten komen?

In de praktijk werk je niet altijd van strategisch naar operationeel. Dagelijkse communicatie-opdrachten liggen juist op operationeel niveau. En uiteraard dien je bij het oppakken en uitvoeren van die opdrachten rekening houden met het bredere kader/de grotere koers. Dat betekent dat er een duidelijk en doortimmerd centraal kader moet zijn. Juist die kaderstellende inhoudelijke lijn tussen de niveaus komt bij Michels niet goed uit de verf.

3. Conclusie niveaus

Het Frame van Betteke van Ruler biedt een goed handvat om te komen tot een kader en koers op meer strategisch, overkoepeld niveau. Iedere organisatie die serieus werk maakt van een professionele invulling van de communicatiefunctie zou tot een dergelijk kader (via dit Frame of op andere wijze) moeten zien te komen. Een kompas dat een leidraad biedt voor de invulling en uitvoering van alle communicatie-opdrachten op tactisch en operationeel niveau. Het Frame van Betteke van Ruler biedt daarbij geen praktische handvatten voor de uitvoering van dagelijkse communicatietaken.

Voor dat laatste kun je beter gebruik maken van het Model van Michels en dan met name de bouwstenen in de rechter kolom daarvan. Nog een keer het styling-voorbeeld: als je iets wilt weten over behangen, het kiezen van accessoires of de styling van een slaapkamer kun je beter naar het Model van Michels kijken. Alleen bieden zijn overige bouwstenen (door de volgtijdelijkheid en het benoemen van meerdere strategieën) geen duidelijk omvattend kader.

Kort door de bocht samengevat: Betteke van Ruler biedt vooral een consistent omvattend kader, maar minder praktische handvatten. Wil Michels biedt meer praktische handvatten maar niet echt een logisch opgebouwd kader.

4. Hoe nu om te gaan met niveaus?

Het lijkt op het eerste gezicht misschien handig om per niveau hetzelfde basismodel te hanteren; steeds in een concretere uitwerking van de bouwstenen.

Zoals Russische Matroesjka poppetjes die identiek zijn maar door hun verschillende formaat precies in elkaar passen, van groot naar klein. Dat zou betekenen dat je op elk niveau met dezelfde bouwstenen werkt. In principe zou dat bevorderlijk zijn voor de consistentie. Maar aan de andere kant vraagt ieder niveau weer om eigen aandachtspunten en afwegingen. En andere manieren van denken en doen. Dat is voor mij voldoende reden om per niveau niet steeds dezelfde bouwstenen te hanteren.

Voor het formuleren van de uitgangspunten van communicatie op strategisch niveau kun je goed gebruik maken de bouwstenen uit het Frame van Betteke van Ruler (of de daarmee overlappende bouwstenen uit het Model van Michels). Een strategisch kader zonder de intentie om ook praktische handvatten te bieden. In die zin zou de bouwsteen Aanpak daarbij achterwege kunnen blijven. Ik zou persoonlijk de bouwsteen Kernboodschap toevoegen. Je moet op strategisch niveau kunnen aangeven wat je belofte is; wat het wezenlijke is dat je in al je uitingen met je stakeholders zou willen delen.

Voor het tactisch en operationeel niveau vormt de strategische koers het referentiekader, maar het strategische model kan bij de verdere uitwerking of realisatie niet één-op-één worden overgenomen. Het moet worden aangepast: naast blijvend relevante basis-bouwstenen als Interne en Externe analyse, Ambities/Doelen en Stakeholders/Publieksgroepen moeten ook elementen op het gebied van Content creatie en Media-inzet een plek krijgen. En daarnaast ook meer praktisch-zakelijke bouwstenen (Budget, Planning) omdat je als professional ook werkt aan content kalenders, draaiboeken, advertentiebudgetten en productieschema’s. Zolang uitwerking en uitvoering in de geest en de lijn van het strategische kompas worden gerealiseerd kan de rode draad, de centrale lijn in de communicatie worden gewaarborgd.

 

Slotwoord

Ik denk dat we veel misverstanden en onduidelijkheden kunnen voorkomen als we op heldere wijze onderscheid maken tussen inhoudelijke afwegingen en procedurele stappen enerzijds en tussen niveaus van denken en doen anderzijds. Het zou enorm helpen als we bij dat laatste niet alles het label ‘strategie’ geven, maar die term reserveren voor het overkoepelende, richtinggevende communicatie-kader.

Bij Bespreekpunt 1 (volgtijdelijkheid) heb ik aangegeven dat je zou kunnen spreken van een horizontale lijn bij strategie-ontwikkeling waarbij er sprake is van een procedurele volgtijdelijkheid en een iteratieve (niet-volgtijdelijke) inhoudelijk afweging waarbij het model met bouwstenen (cirkel, blokkenschema) steeds scherper wordt ingekleurd. Het daarbij overkoepelende kader is de algemene organisatie-strategie. Iedere communicatie-afdeling zou op strategisch niveau zelf eigen bouwstenen kunnen kiezen, waarbij het Frame van Betteke van Ruler op strategisch niveau een goede inspiratiebron vormt. Ik zou persoonlijk op dit niveau geen bouwsteen opnemen die gericht is op Aanpak (om spraakverwarring over Strategie en Tactiek te voorkomen), maar wel een bouwsteen die gericht is op de Kernboodschap.

Bespreekpunt 2 (niveaus) geeft aan dat de hoger gelegen niveaus kaderstellend en richtinggevend zijn voor de niveaus daaronder. Omdat er sprake is van verschillende denk- en werkniveaus kan je niet per niveau hetzelfde model hanteren, maar moet je dit aanpassen. Op tactisch en operationeel niveau zou je deels met de bouwstenen van het strategische niveau kunnen werken, aangevuld met bouwstenen die meer op creatie en realisatie zijn gericht. De Aanpak-kolom uit het model van Michels kan hiervoor een leidraad bieden.

Dit alles maakt het des te belangrijker om per opdracht vast te stellen op welk niveau de opdracht ligt. Ook dat is een argument om altijd te beginnen met een verkenning. Niet als bouwsteen, maar als procedure-stap. Daarbij kijk je naar de aard en omvang van het vraagstuk en de mogelijke bijdrage van communicatie. Maar zeker ook naar het grotere geheel waarbinnen de opdracht moet worden aangepakt. Bij een operationele opdracht kijk je naar het tactische kader, bij een tactische opdracht naar het strategische kader en bij een strategische opdracht naar het algemene organisatie-kader

Zo ontstaat een trapsgewijze model met drie horizontale communicatie-lagen: overkoepelend/richtinggevend, tactisch/middenniveau/deelterrein en operationeel/uitvoerend. Ook op tactisch en op operationeel niveau zou je een visualisatie kunnen maken met cirkels en bouwstenen. De tactische cirkel ‘hangt’ onder de scherp gestelde strategische cirkel en de operationele cirkel onder de tactische cirkel. Op deze niveaus wordt de cirkel met bouwstenen eveneens iteratief (dus inhoudelijk en niet volgtijdelijk) steeds specifieker ingevuld. Maar ook hier kan wel sprake zijn van een zekere procedurele volgtijdelijkheid.

Ik heb geprobeerd dit alles samen te vatten in een totaalplaatje. De bovenste helft komt overeen met het ‘strategische plaatje’ dat ik hierboven presenteerde. Daaronder zijn nu ook het tactische en het operationele niveau toegevoegd.

In feite kent elk niveau dezelfde dynamiek van inhoudelijke weging en procedurele stappen. Daarbij vormt steeds het hogere niveau het richtinggevende referentiekader. De bouwstenen kunnen naar eigen inzicht en voorkeur per niveau worden vastgesteld. Daarbij kunnen een paar kern-bouwstenen op alle niveaus worden gekozen naast enkele andere bouwstenen die zijn aangepast aan het betreffende niveau.

 

 

 

 

 

[1] In ons boek Kernbegrippen van professionele communicatie (Boom, 2019) benoemen Paula Zweekhorst en ik ook vrijwel dezelfde elementen.

[2] Wat mij betreft kan je soms beter spreken van deelgroepen in plaats van doelgroepen: https://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2063

[3] Ik kies voor een cirkel in plaats van een blokkenschema; een cirkel met de inhoudelijke bouwstenen als taartpunten geeft wat mij betreft een sterker beeld van de onderlinge samenhang van de bouwstenen.

Hoe ontwikkel je een communicatiestrategie? Een vergelijking van de werkwijzen van Betteke van Ruler en Wil Michels

Er zijn twee mensen die zich al decennialang manifesteren als ware voorvechters van het communicatievak: Betteke van Ruler en Wil Michels. Grote namen in communicatieland. Bekend en gewaardeerd vanwege hun advieswerk, lezingen, masterclasses, workshops en niet in de laatste plaats hun boeken. Verplichte kost voor vele generaties studenten Communicatie. Betteke van Ruler en Wil Michels oogsten allebei veel waardering. Dat is hun gegund, gezien hun langdurige, onvermoeibare inzet voor het vak, waarbij ze trouwens ook hun eigen promotie goed hebben verzorgd.

Nu doet zich het bijzondere feit voor dat beide communicatie-goeroes een nieuw boek hebben uitgegeven over een vergelijkbaar onderwerp, met een vergelijkbare uiterlijk. En ook nog eens bij dezelfde uitgever, namelijk Boom. Betteke van Ruler zat al langer bij uitgeverij Boom, maar dit keer heeft Boom ook Wil Michels (voorheen auteur bij uitgeverij Noordhoff) weten te strikken. Boom zal zich voelen als een rijke voetbalclub die naast Messi nu ook Ronaldo heeft gecontracteerd.

Dit roept natuurlijk allerlei vragen op over de motieven van de uitgever om in korte tijd van beide bekende auteurs een soortgelijk boekje uit te brengen. Daar kan ik alleen maar over speculeren, maar dat vind ik eigenlijk op deze plek niet van belang. Voor mij is het interessanter om beide boeken eens te vergelijken, juist omdat ze over dezelfde thematiek gaan. Wat zijn de overeenkomsten? En waarin verschillen ze van elkaar. Een uitgelezen kans om de jarenlang opgebouwde inzichten en ervaringen van deze twee toonaangevende schrijvers naast elkaar te leggen.

Ik begin met een aantal overeenkomsten.

Beide boeken hebben een horizontaal formaat. Beide boeken hebben een omslag met kleurvlakken. Beide boeken gaan over het ontwikkelen van een communicatie-strategie. Beide boeken borduren in compacte vorm voort op eerdere publicaties van de auteurs. Beide boeken zijn niet zo zeer theoretisch maar vooral praktijkgericht. Beide boeken presenteren een werkschema waarmee je aan de slag moet gaan om tot een communicatiestrategie te komen. Betteke van Ruler noemt dat ‘het Strategisch Communicatie Frame’, een schema met acht elementen dat ze al in eerdere publicaties heeft gepresenteerd.

Het Frame van Betteke van Ruler

Wil Michels spreekt van ‘het Communicatie Model’, een schema met twaalf elementen waarmee hij voortborduurt op zijn eerdere ‘Communicatie Canvas’.

Het Model van wil Michels

In beide schema’s komen meerdere gelijknamige elementen (‘bouwstenen’) voor: Visie, Accountabiliy, Aanpak. Daarnaast kennen de schema’s ook onderdelen die niet precies dezelfde namen hebben maar wel erg vergelijkbaar zijn: Stakeholders (BvR) – Communicatiedoelgroepen (WM), Ambitie (BvR) – Communicatiedoelen (WM), Interne situatie (BvR) – Analyse van de organisatie (WM), Externe situatie (BvR) – Analyse van de omgeving (WM). Kortom, beide schema’s hebben veel vergelijkbare bouwstenen. Vrijwel alle acht de bouwstenen uit het ‘Frame’ van Betteke van Ruler tref je ook aan in het ‘Communicatie Model’ van Wil Michels. Het is wel opvallend dat Michels in zijn nieuwe boek de elementen Visie en Accountability heeft toegevoegd aan zijn eerdere Canvas-model, terwijl die onderdelen altijd al deel uitmaakten van eerdere versies van Betteke van Rulers Frame-model.

Beide schrijvers geven aan dat je alle bouwstenen uit hun schema moet meenemen om tot een communicatiestrategie te komen. Betteke van Ruler formuleert het als volgt: “Het Strategisch Communicatie Frame helpt je om te bepalen wat zinvol is om te doen en wat niet. Je ontwikkelt er een communicatiestrategie mee die goed is onderbouwd“ (p. 7). En Wil Michels zegt: “Of je nu een operationeel plan maakt of een overkoepelende strategie. Of je nu focust op interne of externe communicatie, de twaalf bouwstenen komen altijd aan bod” (p. 11). Dus als je kijkt naar de schema’s van beide auteurs zie je in grote lijnen dezelfde elementen/bouwstenen terugkomen die je mee moet laten wegen bij het ontwikkelen van een communicatiestrategie. In dat opzicht bestaat er dus veel overeenstemming en overlap.

Dan zou je haast gaan denken dat er nauwelijks verschillen bestaan tussen beide boeken, maar die zijn er wel degelijk. Met name in de dynamiek en in de reikwijdte wijken beide werkwijzen van elkaar af.

Dynamiek

Het ‘Model’ van Wil Michels kent drie blokken: Analyse, Strategie en Aanpak. Hierin is een meer traditionele manier van werken te herkennen: van onderzoek via strategische keuze naar uitvoering. Bovendien heeft hij zijn elementen genummerd; ook dat suggereert een bepaalde (lineaire) werkwijze. Michels onderkent het gevaar dat deze werkwijze te lineair zou kunnen uitpakken, dus geeft hij aan dat je de drie blokken als onderdelen van een cirkel moet zien die blijft draaien totdat alles scherp is (Michels, p. 11). Je vraagt je daarbij wel af waarom hij dan toch voor een blokkenschema heeft gekozen en niet voor een cyclisch model. Een cirkel-presentatie zou zijn intenties beter weergeven. Verder valt op Monitoring een van de bouwstenen van Michels is. Ik heb altijd wat moeite met bouwstenen of elementen die afgeleid zijn van een werkwoord. Monitoring is in mijn ogen geen bouwsteen, maar een continue activiteit tijdens een ontwikkelproces.

Het ‘Frame’ van Betteke van Ruler kent twee helften, een linkerkant (‘bouwstenen voor de richting van de strategie’) en een rechterkant (‘bouwstenen voor de realisatie van de strategie’). Zij benadrukt dat het niet uitmaakt met welke helft of welke bouwsteen je begint, als je ze maar alle acht aan bod laat komen. Van Ruler zet zich hiermee af tegen lineaire modellen en stappenplannen. Ze wil juist dat men wendbaar en agile te werk gaat.

In het bovenstaande proef je echt een verschil in benadering tussen beide auteurs. Michels beweert dat er altijd sprake is van een zekere volgtijdelijkheid: “je kunt geen strategie bedenken als je de organisatievraag en de communicatievraag niet helder hebt”(p. 12)  Dat is dan ook de eerste bouwsteen in het Model van Michels. Ik vind dat een begrijpelijk uitgangspunt. In het Frame van van Ruler is de organisatievraag een onderdeel van de Interne Analyse.  Maar omdat zij geen expliciete werkvolgorde aangeeft hoef je hier niet mee te beginnen. Dat wringt wat, vind ik. Je moet in mijn ogen altijd beginnen vanuit een startvraag of een opdracht. In haar toelichtende tekst geeft ze het wel aan: “Het eerste wat je dus doet als je een opdracht krijgt, is vragen naar de grotere strategie” (p. 12). Dan lijkt het voor de hand te liggen om die startvraag ook op te nemen in het werkschema, of als basisvraag die voorafgaat aan het werkschema.

Kortom, het Frame van van Ruler biedt veel flexibiliteit en dat zal in de praktijk van alledag goed van pas komen. In dat opzicht is het Model van Michels te veel een stappenplan. Maar Michels heeft een punt door de Organisatievraag expliciet als eerste aandachtspunt te presenteren.

Reikwijdte

Een ander groot verschil tussen beide boeken heeft de maken met de invulling van het begrip strategie. In de praktijk en in de vakliteratuur wordt de term strategie te pas en te onpas gebruikt. Voor een algemene koers tot en met een kort project.  Voor een manier van werken (strategie als proces) tot een bepaalde uitkomst (strategie als resultaat). Betteke van Ruler geeft via een definitie aan dat zij het als een alomvattend begrip ziet: “Een strategie legt uit wat waarom en op welke manier moet worden aangepakt, wat daarmee voor elkaar kan komen, wie en wat ervoor nodig is en hoe je op koers blijft” (p. 18). Het woord strategie is zodoende ook niet een van de bouwstenen van haar Frame, maar alle (ingevulde) bouwstenen bij elkaar vormen de strategie. Die strategie is nooit af, maar blijft in ontwikkeling. Bij Michels ligt dit heel anders. Strategie is een van de drie blokken in zijn Model en binnen dit blok benoemt hij ook nog twee aparte strategische bouwstenen: Positioneringsstrategie en Communicatiestrategie. Volgens Michels geeft de Communicatiestrategie “de weg van A naar B aan. Waar willen we over drie jaar staan en wat doen we om daar te komen”. (p. 71). Daarbij moet je volgens Michels een paar essentiële vragen stellen over doelen, doelgroepen, boodschap, concept, media en planning. Op zich begrijp ik dat, maar dat zijn vragen die betrekking hebben op andere bouwstenen uit zijn Model. Die bouwstenen moeten eerst zijn afgewogen voordat je je communicatiestrategie kunt ontwikkelen. Op die manier is Communicatiestrategie een andersoortige bouwsteen dan bouwstenen als Communicatiedoelen of Communicatiedoelgroepen. Anders gezegd, Communicatiestrategie lijkt bij Michels voort te vloeien uit het invullen van andere bouwstenen.  Maar is het dan zelf nog wel een bouwsteen? Als je de bouwstenen beschouwt als ingrediënten van een appeltaart, dan is de appeltaart zelf niet een ingrediënt. In die zin is de Frame-aanpak van Betteke van Ruler logischer en consistenter. Daar vloeit de strategie voort uit de afweging van alle bouwstenen zonder zelf een bouwsteen te zijn.

Ik vind het wel positief dat Michels in zijn tekst (niet zo zeer in zijn Model) onderscheid maakt tussen verschillen niveaus en reikwijdtes van strategie.[1] Hij geeft aan dat je onderscheid kun maken in vier strategische niveaus: organisatiestrategie > overkoepelende communicatiestrategie > specifieke organisatiestrategie > contentstrategie. Dat is een goed punt van Michels, maar het is jammer dat Michels die indeling niet expliciet en consequent koppelt aan of verwerkt in zijn Model. Is zijn Positioneringsstrategie hetzelfde als een overkoepelende strategie? Zou kunnen, maar het is niet duidelijk. In zijn uitwerkingen zie je dat Michels zowel bij Positioneringsstrategie als bij Communicatiestrategie en Content steeds dezelfde vragen stelt: wat is je doel, wie wil je bereiken, wat is je kernboodschap? Per onderdeel zijn dat geen vreemde vragen, maar Michels geeft niet aan hoe je een lijn aanbrengt tussen die niveaus of bij die bouwstenen. Neem bijvoorbeeld de vraag naar de kernboodschap. Die kun je niet drie keer verschillend invullen. Er zal toch samenhang moeten bestaan in het formuleren van je kernboodschap bij je positionering, je campagne en je creatieve uitwerking.

Betteke van Ruler maakt zelf geen scherp onderscheid in verschillende strategische niveaus. In haar boek is wel een tekst van Ron van der Jagt opgenomen die aangeeft dat in de praktijk drie niveaus te onderscheiden zijn: strategisch (positionering, reputatie), tactisch (regie, coördinatie) en uitvoerend (creatie, realisatie). Gezien het feit dat zij relatief weinig aandacht besteedt aan creatie en realisatie lijkt het erop dat haar Frame zich vooral richt op het strategisch-tactische niveau.

Wat mij betreft is het van belang om duidelijk aan te geven wat men onder de term Strategie verstaat en welk niveau of welke reikwijdte men daarbij in gedachten heeft. Anders levert dat misverstanden en spraakverwarring op. Een voorbeeld ter illustratie: het bekende Communicatiekruispunt van Betteke van Ruler (een model dat al 25 jaar geleden is ontwikkeld) wordt door Wil Michels genoemd bij zijn bouwsteen Communicatiestrategie, terwijl Betteke van Ruler het kruispunt bespreekt bij haar bouwsteen Aanpak. Om aan deze vormen van verschil in opvatting of indeling te kunnen ontsnappen zou je eigenlijk een werkschema moeten hebben waarin die verschillende niveaus (strategisch, tactisch, operationeel) terug te vinden zijn.

Conclusie

Het is de moeilijk om de dynamiek en veelzijdigheid van de praktijk in schema’s te vatten. Hoe zeer men ook aangeeft dat een schema flexibel is of dat je het meermalen kan laten ‘draaien’, een schema blijft een tweedimensionaal plaatje dat nooit helemaal recht kan doen aan de steeds veranderende werkelijkheid. We moeten de schema’s van Wil Michels en Betteke van Ruler dan ook opvatten als hulpmiddelen of ‘tools’. Daarbij vind ik het Frame van Betteke van Ruler meer consistent en hecht dan het Model van Wil Michels.[2] Michels is meer een eclecticus die uit verschillende bronnen zinvolle elementen bij elkaar brengt, maar niet voor een sluitende, doortimmerde samenhang zorgt.  Ik vind het een pluspunt bij Michels dat hij expliciet ruimte biedt aan de Organisatievraag en ook de verschillende niveaus van strategisch werken bespreekt. Ten opzichte van van Ruler besteedt Michels ook meer aandacht aan content creatie.

Al met al zie ik het Frame van Betteke van Ruler vooral als een goed bruikbare tool voor het ontwikkelen van de communicatie-koers van een organisatie (en de invulling van de communicatie-functie) op een hoger, meer overkoepelend niveau. Het Model van Michels biedt relatief meer handvatten voor het aanpakken van een concrete communicatie-opdracht (project, klus) op een meer tactisch en operationeel vlak.

 

Tot slot

Zou het niet een goed idee zijn als uitgeverij Boom beide top-auteurs eens zou uitnodigen om te komen tot een gezamenlijke publicatie? Samen werken aan een nieuwe standaard voor het denken en doen in communicatieland? Dat zou ons in de beroepspraktijk en het communicatie-onderwijs echt verder brengen. Ik gooi dit balletje maar even op. Want zeg nou zelf: Messi en Ronaldo samen in de voorhoede; dat zou toch een prachtige score moeten opleveren.

 

 

[1] Zijn trapsgewijze indeling sluit in grote lijnen aan op een artikel over communicatiestrategie van Harry Smals dat ik onlangs onder ogen kreeg: https://communicatiekc.com/2024/04/03/strategie/ .

[2] Ik heb me in een eerder blog al positief uitgelaten over het Strategisch Communicatie Frame van Betteke van Ruler; de voorloper van deze versie: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2204

De EU: geen superstaat, wel super belangrijk

Op donderdag 6 juni mogen we opnieuw naar de stembus. Dit keer om nieuwe leden van het Europees Parlement te kiezen. Tot nu toe trekken deze verkiezingen weinig aandacht. Het leeft niet.

De meeste mensen weten nauwelijks hoe de EU in elkaar steekt. Dat heb ik ook gemerkt toen ik de afgelopen weken een paar presentaties gaf over de aanstaande verkiezingen voor het Europees Parlement. Dit gebrek aan basiskennis is zorgelijk. Juist bij het ontbreken van feitelijke kennis zijn mensen extra vatbaar voor desinformatie.[1]

Je kunt het de mensen niet verwijten dat ze weinig van de EU weten, vind ik. Er is relatief weinig aandacht voor de EU in de media, het onderwijs en het publieke debat. Dat is jammer want de EU is een samenwerkingsverband dat een grote rol speelt in ons leven. Dat maakt het des te belangrijker dat wij daar als burgers ook enige democratische controle op kunnen uitoefenen. Daar is het Europees Parlement (EP) voor. Toegegeven, de ‘spelregels’ van de EU zijn niet simpel, maar je hoeft ook geen expert te zijn om op hoofdlijnen te begrijpen hoe de EU en het EP in elkaar steken.

Voordat ik nader op die hoofdlijnen en spelregels inga, wil ik graag eerst wat persoonlijke overwegingen en inzichten delen.

 

Steeds relevanter en robuuster

Het gaat de goede kant op met de Europese Unie. Ik durf dit zonder blikken of blozen te stellen. Te vaak horen we negatieve of misleidende geluiden over ‘Brussel’. De EU zou te bureaucratisch zijn, te ingewikkeld, te machtig of juist te machteloos. Maar als je kijkt naar de langere ontwikkelingslijnen van het Europese samenwerkingsproject kun je er niet omheen dat de Europese Unie steeds relevanter, robuuster en vanzelfsprekender is geworden. Denk aan de hereniging van Oost en West na de val van de Muur, de introductie van de Euro, het -moeizaam- oplossen van de financiële crisis die in 2009 uitbrak, de Green Deal, het gezamenlijke optreden tegen Poetin na de inval in Oekraïne, de kritische opstelling tegenover Big Tech bedrijven, de toenemende bescherming van consumenten, het vrije verkeer binnen de EU. Met vallen en opstaan is de EU uitgegroeid tot een relatief goed ingespeeld samenwerkingsverband en een gerespecteerde internationale speler. Geen militaire grootmacht, maar wel een invloedrijke ‘soft power’ die opereert vanuit democratische waarden. Geen wonder dat landen aan de randen van Europa graag lid willen worden van deze club. En kijk ook eens naar Groot-Brittannië waar de meeste mensen tegenwoordig spijt hebben van de Brexit en hopen dat het land zich opnieuw aansluit bij de EU.[2]

Beeld: SIPA

Vanuit het Brexit-kamp werden destijds talloze spookverhalen over de EU verspreid. Uittreding zou gouden bergen opleveren. We weten inmiddels beter. Euro-kritische politici in andere landen binden inmiddels in. Ook Geert Wilders durft niet meer voor een Nexit te pleiten. Kennelijk is Europese samenwerking te belangrijk om zo maar op te geven.

Kortom, de EU blijkt waardevoller en zinvoller dan velen dachten en denken. Dat betekent niet dat alles goed gaat. Als je het met 27 lidstaten eens moet zien te worden zit je lang te overleggen en moet je vaak waterige compromissen sluiten. Maar wat is het alternatief? Ieder land voor zich? Dat werkt niet, zie Brexit. Of een autoritaire leider die iedereen zijn wil oplegt? Dat willen we ook niet. Dus moeten we accepteren dat de EU een toneel is van pappen en nathouden en van moeizame besluitvorming. Natuurlijk moeten we daarbij kijken hoe we het proces van Europese samenwerking effectiever, democratischer en transparanter kunnen krijgen. Dat begint wat mij betreft met meer kennis over de EU, meer media-aandacht, beter EU-onderwijs (elke scholier zou les over de EU moeten krijgen; en natuurlijk ook over het Nederlandse politieke systeem) en een positievere houding van landelijke politici (niet steeds ‘Brussel’ de schuld geven; wij erkennen dat wij zelf een van de medespelers zijn).

 

EP-Verkiezingen: basisgegevens op een rij

Elke vijf jaar wordt er door de burgers van de lidstaten van de EU een nieuw Europees Parlement gekozen. Het EP kent momenteel 720 zetels die verdeeld worden onder vertegenwoordigers van de huidige 27 lidstaten op basis van het aantal inwoners. Hoe meer inwoners een lidstaat heeft, hoe groter het aantal zetels in het EP. Duitsland is koploper met 96 Europarlementariërs, terwijl kleine landen als Luxemburg en Cyprus slecht 6 vertegenwoordigers hebben. Nederland heeft als middelgroot land 31 zetels in het EP.[3] Getalsmatig heeft Nederland dus een bescheiden inbreng in het EP. Bovendien maken alleen de grotere Nederlandse partijen kans op meer dan één zetel in het EP. Ter vergelijking: in de Tweede Kamer zitten 150 volksvertegenwoordigers, dus in Den Haag is de kans dat ook kleine partijen een plekje in het parlement krijgen veel groter.

Om echt invloed uit te kunnen oefenen zitten de Nederlandse Europarlementariërs in politieke groepen of fracties. Zo maken de PvdA-ers deel uit van de S&D-groep (sociaal-democraten) en zitten de vertegenwoordigers van het CDA en de ChristenUnie bij de Europese Volkspartij (EPP, christen-democraten en conservatieven). Daarnaast is er ook nog een groene fractie, een liberale, een rechts-nationalistische, etc. Deze ordening brengt op zich al bijzondere combinaties met zich mee, omdat er veel meer Nederlandse politieke partijen zijn dan fracties in het EP. In het EP lopen de scheidslijnen daardoor anders dan in Den Haag. Zo hokken D66 en de VVD in dezelfde liberale EP-fractie, terwijl europarlementariërs van Groen-Links en de PvdA (met een gezamenlijke lijst in de Tweede Kamer) juist in twee verschillende Europese fracties zitten. Nieuwe partijen als BBB en NSC zeggen dat zij zich gaan aansluiten bij de fractie van de Europese Volkspartij (dus met het CDA en de ChristenUnie).

Huidige fracties in het EP (momenteel 705 zetels)

Uit onderzoek blijkt dat Europarlementariërs tijdens stemmingen vooral de fractie-lijn volgen. Nederlandse EP-leden vormen dus niet een gezamenlijk Nederlands blok, maar stemmen in het EP verdeeld, net als in Den Haag: ze volgen hun politieke kleur.[4]

 

Verkiezingen leiden niet tot een nieuw bestuur

Een groot verschil tussen deze EP-verkiezingen en die voor bijvoorbeeld de gemeenteraad, de provincie of de Tweede Kamer is dat in het geval van EU de verkiezing niet leidt tot een daaruit volgende samenstelling van een nieuw bestuur. Bij Nederlandse verkiezingen, op elk niveau, kiezen we vertegenwoordigers die op lijsten van politieke partijen staan. Daarna gaan die partijen kijken welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen op basis waarvan een college van Burgemeester en Wethouders (gemeente), Gedeputeerde Staten (provincie) of Regering (nationaal) samengesteld kan worden. Hoe meer mensen bij Tweede Kamer verkiezingen op de VVD stemmen, des te groter de kans dat de VVD ook in de regering komt. In Europa werkt dat niet zo. De EU heeft namelijk geen regering! In die zin is het wat merkwaardig dat sommige politici toch blijven roepen dat de EU een superstaat is. De EU is geen staat, laat staan een superstaat. De EU-lidstaten zijn vaak juist heel erg verdeeld. De EU kan daarom veel moeilijker een vuist maken dan echte superstaten, zoals de VS, China of Rusland. Er zijn dus ook geen regeringspartijen of oppositiepartijen in het Europees Parlement. Hoe meer Nederlanders op 6 juni op de PvdA stemmen, des te meer PvdA-ers in het EP komen en dat is weer een zetje in de rug van de S&D, maar daarmee houdt het verhaal op. Het zal niet leiden tot een S&D-regering in Brussel, want nogmaals, er is geen EU-regering.

 

Europese Commissie

De Europese instelling die een beetje in de buurt komt van een regering/bestuur is de Europese Commissie. Iedere lidstaat levert elke vijf jaar één commissaris die zich met één beleidsterrein bezig houdt. Voor Nederland zat Frans Timmermans in de Commissie. Toen hij vorig jaar overstapte naar Den Haag werd hij opgevolgd door Wopke Hoekstra. De keuze voor Frans Timmermans stond destijds geheel los van de uitslag van de EP-verkiezing van 2014, maar had meer te maken met het verdelen van interessante banen tussen de grote politieke partijen in Nederland (Timmermans, prominent PvdA-man, werd in 2014 benoemd door Rutte II, een coalitie van VVD en PvdA). Tien jaar geleden is afgesproken dat de grootste fractie binnen het EP na de verkiezingen de kandidaat-voorzitter voor de Europese Commissie mag voordragen. Maar uiteindelijk besluit niet het EP hoe de Europese Commissie wordt samengesteld. Elke EU-lidstaat wijst zelf aan wie namens dat land commissaris wordt in Brussel. Als we straks in Den Haag een nieuwe regering hebben zal deze ook een nieuwe Nederlandse EU-commissaris aanstellen. Een paar maanden na de EP-verkiezingen zal er namelijk ook een nieuwe Europese Commissie aantreden.

Ursula von der Leyen, de huidige voorzitter van de Europese Commissie

 

Invloed en macht

Hoe groot is de invloed van het Europees Parlement? Deze vraag is niet simpel te beantwoorden. Het staat vast dat het EP door de jaren heen steeds meer invloed heeft gekregen. De leden van het EP mogen over steeds meer Europese onderwerpen meepraten en meebeslissen. Die rechten zijn vastgelegd in diverse verdragen die door lidstaten van de EU zijn gesloten (zoals het Verdrag van Amsterdam). In het in 2009 opgestelde EU-Hervormingsverdrag (Lissabon) zijn deze rechten weer verder vergroot. Het EP mag over een groot aantal zaken advies uitbrengen en over steeds meer zaken ook meebeslissen. Ook die meebeslis-onderwerpen zijn vastgelegd. Globaal genomen zijn dit alle onderwerpen waarvan de lidstaten hebben bepaald dat een gezamenlijk beleid wenselijk is en de invloed van de lidstaten beperkt kan worden: milieu, markt, consumentenzaken, landbouw, voedselveiligheid, transport, etc. Meer nationaal-gevoelige zaken als belasting, onderwijs, cultuur, politie/justitie blijven vooral buiten de invloedssfeer van het Europees Parlement. Al met al heeft het EP duidelijk minder macht dan de nationale parlementen in de lidstaten.

In tegenstelling tot de Tweede Kamer (en andere parlementen) mag het Europees Parlement niet zelf met wetsvoorstellen komen. Alle wetsvoorstellen zijn afkomstig van de Europese Commissie. Vervolgens mag het EP (afhankelijk van het onderwerp) een advies uitbrengen of een besluit nemen en uiteindelijk wordt het voorstel besproken in de Raad van Ministers die een uiteindelijk besluit neemt. Die Raad van Ministers wisselt steeds van samenstelling, afhankelijk van het onderwerp. Als het om een milieu-voorstel gaat zijn het de 27 ministers van Milieuzaken van alle lidstaten. Gaat het om transport, dan komen alle 27 ministers van Verkeer bijeen (dus per lidstaat één minister). Zo moet Piet Adema, de Nederlandse minister van Landbouw, een paar keer per jaar met zijn Europese collega’s stemmen over Europese landbouw-voorstellen. Over die voorstellen heeft dus het Europees Parlement mee mogen praten en meedenken. Maar natuurlijk kan ook de Tweede Kamer minister Adema nog eens flink aan de tand voelen over wat hij allemaal bekokstooft met zijn collega’s in Brussel. De praktijk laat zien dat leden van de Tweede Kamer die kans vaak laten lopen, of pas wakker worden, als de handtekeningen in Brussel zijn gezet. En dat terwijl het Verdrag van Lissabon voorziet in een gele kaart procedure. Als nationale parlementen vinden dat Europese voorstellen beter op nationaal niveau opgepakt en ingevuld kunnen worden kunnen zij de Europese Commissie een halt toeroepen.[5]

Dan is er tenslotte nog een speciale club die behoorlijk wat invloed heeft in de EU: dat is de vergadering van regeringsleiders en staatshoofden (de Europese Raad). Enkele keren per jaar komen Rutte, Macron, Scholz en Meloni en alle andere politieke leiders van de lidstaten bijeen om over grote zaken te spreken: hoe gaan we de klimaatproblematiek te lijf, hoe gaan we om met de migratie, hoe stellen we ons op tegenover het Rusland van Poetin, etc. Tijdens dergelijke Top-bijeenkomsten worden vaak vergaande besluiten genomen. Het Europees Parlement heeft daar geen greep op. Dat gebeurt gewoon naast de standaard-procedures van Brussel en Straatsburg. Ook op dit punt heeft de Tweede Kamer eigenlijk meer invloed, omdat Rutte wel in Den Haag ter verantwoording geroepen kan worden, maar niet in Brussel of Straatsburg.

Vergadering Europese Raad (regeringsleiders)

 

Waar gaan de verkiezingen van 6 juni over?[6]

Strikt genomen (en zuinig gezegd) gaat het bij de EP-verkiezingen dus om de verdeling van 31 Nederlandse zetels waardoor het Europese Parlement een tikje socialer, christelijker, liberaler of rechts-nationaler kan worden. Daardoor worden de wetsvoorstellen van de nieuwe Europese Commissie met een iets meer sociale, christelijke, liberale of rechts-nationale blik bekeken en beoordeeld. Dat is dus niet heel wereldschokkend, maar aan de andere kant kun je zeggen dat het goed is dat de EU ook in toenemende mate door een democratisch orgaan als het EP wordt gecontroleerd en ingekleurd. Anders zouden de Europese Commissie en de Raden van Ministers zonder Europese, democratische toets hun werk doen. Nergens ter wereld opereert een soortgelijk parlement dat over landsgrenzen heen bepaalde rechten en machtsmiddelen heeft.

In bredere zin gaat het op 6 juni om wat wij eigenlijk met de Europese Unie willen. De kiezers kunnen een signaal afgeven welke koers de EU zou moeten inslaan. Wat mij betreft gaat het bij de Europese samenwerking niet om wezenlijk andere zaken dan in Nederland. Integendeel, Brussel en Den Haag liggen in elkaars verlengde. Vraagstukken op het gebied van klimaat, landbouw, energie, veiligheid en migratie (de belangrijkste issues bij de laatste Tweede Kamer verkiezingen) spelen natuurlijk ook op EU-niveau. Sterker nog, vrijwel alle grote issues in Nederland hebben een duidelijke internationale dimensie en kunnen niet simpelweg op nationaal niveau aangepakt worden. Die vraagstukken staan ook in Brussel op de agenda. En de EU bepaalt het raamwerk waarbinnen het Nederlandse beleid nader moet worden ingevuld.

 

Stemadvies

Het is niet aan mij om een gericht stemadvies te geven. Dat mag iedereen zelf bepalen. Ik hoop wel dat mensen op grote schaal gaan stemmen. Daarbij wil ik wel een tip geven. Tijdens mijn presentaties van de afgelopen weken merkte ik dat men het juist op EU-niveau moeilijk vond om tot een keuze te komen. Ik hield ik mijn publiek voor dat het kan helpen om je niet te laten leiden door simpele one-liners, Haagse politieke incidenten of tussentijdse opiniepeilingen. Het is zinvoller om op 6 juni in principe dezelfde issues en standpunten te laten meewegen die je in november 2023 voor ogen had bij de Tweede Kamer verkiezingen. Voor de één zal het klimaat het belangrijkste onderwerp zijn, anderen zullen vooral migratie het zwaarst laten wegen, of veiligheid. Ik hoop dat iedereen een goede inhoudelijke afweging zal maken.

 

 

 

Meer weten?

Ik kan iedereen die feitelijke informatie zoekt over de EU en de aanstaande EP-verkiezingen de volgende websites aanbevelen:

https://elections.europa.eu/nl/how-to-vote/nl/

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/verkiezingen/verkiezingentoolkit/verkiezingen-europees-parlement-2024

https://www.parlement.com/id/vlumdesb33su/verkiezingen_europees_parlement_2024

https://op.europa.eu/webpub/com/eu-and-me/nl/HOW_DOES_THE_EU_WORK.html

https://eu.stemwijzer.nl/

[1] https://www.nature.com/articles/s41591-022-01713-6?fromPaywallRec=false

[2] Zie o.a.: https://www.theguardian.com/politics/2023/dec/30/britons-brexit-bad-uk-poll-eu-finances-nhs

[3] https://www.parlement.com/id/vlumdesb33su/verkiezingen_europees_parlement_2024

[4] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/22/nederlanders-vormen-niet-vaak-een-blok-a3961256

[5] https://www.eumonitor.eu/9353000/1/j9vvik7m1c3gyxp/viahjsycnxxx

[6] Ook typisch Europees: De EU verkiezingen vinden niet in alle lidstaten op dezelfde dag plaats. In Nederland gaan we op donderdag 6 juni naar de stembus, omdat we hier nooit in het weekend stemmen. In de meeste andere landen wordt er juist wel in het weekend gestemd.

Stilstaan op 4 mei bij Bram en Luc

Een paar maanden na het einde van de oorlog publiceerde mijn vader een bloemlezing van gedichten uit de bezettingstijd onder de titel Verzet en Poëzie. In de bundel een twintigtal verzen van bekende dichters als J.C. Bloem, Jan Campert, Ed. Hoornik en M. Nijhoff.

In de Verantwoording bedankt mijn vader de auteurs voor hun toestemming om deze verzen in zijn bundel op te nemen. Onder de Verantwoording staat: Utrecht, November 1945. Dat is de maand waarin mijn vader 19 jaar werd. Dat roept bij mij allerlei vragen op. Hoe kwam hij ertoe om op zo’n jonge leeftijd deze bloemlezing samen te stellen? En hoe heeft hij een uitgeverij bereid gevonden dit boek te publiceren? Ik kan er alleen maar naar gissen. Ik weet dat mijn vader tijdens de laatste fase van de oorlog ondergedoken zat. Geen idee waar dat was. Ik weet ook dat mijn vader een gretige lezer was en een bijzondere belangstelling had voor poëzie. Ik vermoed dat mijn vader als onderduiker veel heeft zitten lezen en zo op het idee kwam om een verzameling van gedichten over oorlog en verzet aan te leggen.

Ik kan het mijn vader zelf niet meer vragen. Hij overleed in 1970; ik was toen nog te jong om over dit soort serieuze zaken met hem te praten. Ook zijn broers en zussen, inmiddels hoogbejaard, kunnen mij hierover geen uitsluitsel geven. Mijn vader was de oudste thuis. In 1944 werd hij 18 jaar en moest hij zich melden voor de Arbeidseinsatz (dwangarbeid) in Duitsland. Maar dat wilde hij niet. “Op een dag was hij weg”, vertelt mijn oude tante, “en we wisten niet waar hij zat; er werd niet gesproken over onderduikadressen”.

Mijn vaders bloemlezing staat al jarenlang in mijn boekenkast. Een paar maanden geleden haalde ik hem weer eens tevoorschijn. Ik wist dat de bundel aan twee mensen was opgedragen, maar ik had daar nooit echt bij stilgestaan. Nu wilde ik meer van hen te weten zien te komen.

“Aan de nagedachtenis van mijn vrienden Bram Colijn en Luc Touber”

Dankzij google en internet heb ik beide mannen kunnen traceren.

Abraham/Bram Colijn (1924) werd honderd jaar geleden geboren in Utrecht. Bram moest, net als mijn vader, onderduiken. Hij sloot zich vol overtuiging aan bij een verzetsgroep in de regio Harmelen-Montfoort. Eind maart 1945 vindt er vanuit Engeland een nachtelijke wapendropping plaats in de omgeving van Montfoort. De verzetsgroep van Bram staat klaar om de wapens te verzamelen. Ze moeten zich uit de voeten maken als een Duitse patrouille in de buurt komt en begint te schieten. Er valt één dodelijk slachtoffer: Bram Colijn. Zijn lichaam werd door de Duitse soldaten een dag lang ‘ter afschrikking’ in Montfoort op een grasveldje gelegd. Na de oorlog heeft de gemeente Montfoort hem geëerd door een woonerf naar hem te noemen.

Abraham Colijnhof in Montfoort (eigen foto)

Lucas/Luc Touber (1923) woonde tijdens de oorlog ook in Utrecht. Hij werd in 1944 gearresteerd omdat hij zich niet beschikbaar wilde stellen voor de Arbeidseinsatz. Hij zat van juni tot september 1944 gevangen in Kamp Amersfoort. Daarna werd hij op transport gezet naar concentratiekamp Neuengamme. Hij overleed daar in december 1944 aan uitputting. Een dag voor zijn 21e verjaardag.

Beide mannen liggen begraven op het Nationaal Ereveld in Loenen (Gelderland). Niet ver van het dorp waar ik met mijn ouders in de jaren ‘60 heb gewoond. Heeft mijn vader destijds geweten dat zijn kameraden zo dichtbij begraven lagen? En heeft hij hun graven wel eens bezocht? Ik heb geen idee.

Zo heb ik wat dingen weten op te helderen, maar blijven nog veel vragen onbeantwoord. Ik weet wel, dankzij de Opdracht voorin de bundel, dat het vrienden van mijn vader waren. En ik heb kunnen achterhalen dat deze jonge mannen zich hebben verzet tegen de nazi’s en dat met hun dood hebben moeten bekopen.

Alle reden voor mij om dit jaar op 4 mei speciaal stil te staan bij Bram en Luc.

 

 

Bronnen:

https://www.koningsdagmontfoort.nl/artikel-montfoort-in-de-oorlog-

https://vrijheid.scouting.nl/scouting-in-de-oorlog/database-bestanden/verzet/1392-verzet-lucas-touber/file

Hier opent binnenkort …..

Ik hik tegen een taaldingetje aan. Iets kleins. Het is, zeker ten opzichte van het grote wereldnieuws, een bijna te verwaarlozen vraagstuk. Maar toch wil ik het op deze plek met jullie, mijn lezers, delen.
Het gaat om de formulering ‘Hier opent binnenkort … ’ .

 

Op de voordeur van een leegstaand pand in een winkelstraat tref je vaak een bord of poster aan van het type ’Hier opent binnenkort Cadeaupaleis Carmen’. Iedereen zal begrijpen wat er wordt bedoeld, maar ik vraag me af waarom het zo houterig en onvolledig is geformuleerd.

Volgens de communicatie-handboeken moet een boodschap altijd duidelijkheid bieden over de vier W’s: Wie, Wat, Waar, Wanneer.

Laten we de voorbeeld-zin ’Hier opent binnenkort Cadeaupaleis Carmen’ eens langs die 4W-meetlat leggen.

 

Waar

We zien dat er maar één W duidelijk wordt ingevuld: de W van Waar. In de voorbeeld-zin staat het woord ‘Hier’ en het bord hangt op de deur van het betreffende pand. Dus over de locatie (Waar) kan gaan misverstand bestaan.

Wie en Wat

Dan gaat we naar de Wie en de Wat. Wat betreft deze twee W’s is de voorbeeld-zin nogal verwarrend. Cadeaupaleis Carmen kan namelijk zowel de Wie als de Wat zijn.

Laten we uitgaan van het gegeven dat bij het werkwoord ‘openen’ zowel een Wie als een Wat nodig is. Iemand opent iets. Zina opent haar boek, Ajax opent de score (was dat maar waar…).  In de voorbeeldzin kun je Cadeaupaleis Carmen beschouwen als de Wie, maar daarbij ontbreekt een Wat.  Cadeaupaleis Carmen opent wat? Klaarblijkelijk is de Wat een nieuwe winkel, maar dat staat er niet. Je kunt beter zeggen: ‘Hier opent Cadeaupaleis Carmen binnenkort een nieuwe winkel’. Of ‘Cadeaupaleis Carmen opent hier binnenkort haar deuren’.

Je zou ook kunnen beweren dat Cadeaupaleis Carmen de Wat is in de voorbeeldzin. Maar dan ontbreekt de Wie. Wie opent dan de cadeauwinkel? Misschien wel de eigenaresse, of de burgemeester. Dan zou de zin moeten luiden: ‘Eigenaresse Carmen de Jong opent hier binnenkort Cadeaupaleis Carmen’.

Kortom, in de voorbeeldzin zit een taalgat. Ofwel de Wie ontbreekt, ofwel de Wat.

 

Wanneer

Dan ten slotte de laatste W: Wanneer. In de voorbeeldzin is het woord ‘binnenkort’ de indicatie voor het Wanneer. Maar wanneer is binnenkort? Over een week? Over twee maanden? Dat blijft onduidelijk. Als Carmen klanten wil trekken, zou ze wat preciezer moeten zijn. Mijn advies: maak een plan voor een openingsfeest of een welkomsactiviteit en zet die datum op het bordje.

Een aankondiging waarop wel een datum vermeld staat

Ik hoop dat middenstanders en winkelketens gaan afstappen van de afgezaagde en kromme zin ‘Hier opent binnenkort…’, en er iets mooiers van maken. Cadeaupaleis Carmen krijgt deze zin van mij cadeau: ‘Op zaterdag 29 juni opent Cadeaupaleis Carmen hier haar nieuwe winkel. Alle klanten ontvangen die dag een verrassing’. Of anders, met een call to action: ‘Kom op zaterdag 29 juni naar de verrassende opening van Cadeaupaleis Carmen’. (*)

Zo, ik heb mijn hart gelucht. Nu weer tijd voor echt belangrijke zaken.

 

(*) Deze zin heb ik toegevoegd na een aantal inspirerende reacties van lezers.

Groeten uit Zeist #12 The Passion: kruis en munt

Zeist is helemaal in de ban van The Passion. Op donderdagavond 28 maart wordt dit televisie-spektakelstuk live opgevoerd op het plein voor het gemeentehuis. Met Slot Zeist op de achtergrond. De meeste mensen die ik hierover spreek zijn blij dat onze woonplaats dit jaar het decor is. Ze vinden dat Zeist hierdoor mooi op de kaart komt te staan. Je telt kennelijk als gemeente pas echt mee als je uitverkoren bent om als locatie te dienen voor Koningsdag, een etappe van de Tour de France of The Passion.

Dit jaar valt onze gemeente dus in de prijzen. Sinds enkele weken zie je al vele voortekenen van dit evenement. Er hangen Passion-affiches bij bushaltes, horeca-gelegenheden lokken klanten met een speciale Passion-avond, fietsenrekken in het centrum worden verwijderd, winkels hebben inhaak-acties, en het lokale sufferdje presenteert het laatste nieuws over alle BN-ers die gaan meespelen.

 

Ik volg dit allemaal met veel belangstelling. Ik vind het mooi dat mijn nieuwe woonplaats zo in de belangstelling komt te staan.

Het hele gebeuren roept ook een paar gedachten en overwegingen bij me op.

 

 

1: Passie en Promotie

Dat blijkt dat Zeist dit event niet simpelweg aangeboden heeft gekregen, maar zelf de portemonnee heeft getrokken om ‘gaststad’ te kunnen zijn. De gemeente Zeist heeft hier circa 350.000 euro voor moeten betalen. Daar komt nog eenzelfde bedrag bij voor zaken als verkeersaanpassingen, veiligheidsplannen, facilitaire zaken, communicatie, etc. Kortom, er hangt een behoorlijk prijskaartje aan het binnenhalen en organiseren van The Passion.

Ik kom plaatsgenoten tegen die daar moeite mee hebben, maar ik deel hun gevoel niet. Je mag wat mij betreft als gemeente best af en toe je nek uitsteken en jezelf in de schijnwerpers zetten. Een ruime meerderheid in de gemeenteraad heeft dit initiatief dan ook gesteund. Goede promotie, zal men hebben gedacht.

De hoop is natuurlijk dat de naamsbekendheid van Zeist hiermee toeneemt en meer mensen Zeist gaan bezoeken. In die zin is The Passion niet alleen een populaire eendagsvlieg, maar ook een diepte-investering voor Zeist. Alleen weet niemand of de gemeente het nu uitgegeven bedrag helemaal zal gaan terugverdienen. Maar er ligt in ieder geval geen groot debacle op de loer, zoals bij het miljoenenverlies van de Floriade in Almere.

 

2: Kruis of Munt

Lokale organisaties en middenstanders mogen inhaak-activiteiten organiseren en ze kunnen zelfs wat subsidie van de gemeente hiervoor krijgen. Ze moeten zich daarbij wel aan bepaalde spelregels houden. Zo mogen zij niet het logo van The Passion gebruiken (want beschermd), maar kunnen ze wel gebruik maken van een door de gemeente ontwikkelde ‘toolkit’ met goedgekeurde afbeeldingen. “Bakkers mogen geen Passion-taartjes maken, maar wel Passie-taartjes”, zo staat er op de website van de gemeente.[1]

“Gelukkig mogen passievruchten nog wel verkocht worden”, grinnikte mijn vrouw toen ik het voorlas.

Een goedgekeurde afbeelding uit de ‘toolkit’

Ik vind dat maar vreemd en betuttelend. Wat is er op tegen als lokale middenstanders de naam en het logo gebruiken? Het gaat toch niet om het op de markt brengen van grote partijen imitatie-merkkleding?

Ik snap dat de omroeporganisatie en de gemeente huiverig zijn voor grote commerciële partijen die willen meeliften op dit event en er munt uit proberen te slaan. Maar dat is heel wat anders dan een lokale bakker of bloemenwinkel met wat aardige Passion-artikelen in de aanbieding. The Passion is een tijd- en plaatsgebonden evenement. Bovendien geeft de gemeente ook subsidie aan goedgekeurde ‘side-events’. De organisaties en ondernemers die subsidie (en dus groen licht) ontvangen zouden toch probleemloos de naam en het logo van the Passion moeten kunnen gebruiken, lijkt mij.

 

3: Het kruis als symbool

Mijn laatste opmerking staat los van Zeist, maar gaat over het kruis-symbool als zodanig. In kerkelijke kringen gaat de passie-tijd over het lijden en sterven van Christus. Aansluitend wordt met Pasen de opstanding van Jezus gevierd. Ik vind het opmerkelijk dat er in allerlei culturele uitingen vooral wordt stilgestaan bij het lijden en sterven van Jezus en niet bij zijn opstanding. De in Nederland zeer populaire Matthäus Passion van Bach eindigt met de dood van Jezus aan het kruis, niet met zijn opstanding. Terwijl het evangelie van Mattheus ook de opstanding beschrijft. Hetzelfde zie je bij de bekende musical Jesus Christ Superstar (die momenteel weer volle zalen trekt). Ook hier vormt het sterven van Jezus de slotscene. En ook The Passion in Zeist zal eindigen met de dood van Jezus. Vandaar dat kruis als symbool.

Hoewel ik niet meer gelovig ben (ik heb wel een -relatief on-dogmatische- christelijke opvoeding gehad), verbaas ik me hier nog steeds over. Het bijbelse verhaal van Jezus eindigt niet met zijn dood, maar met zijn herrijzenis. Dat is een uniek gegeven. Er zijn in de geschiedenis zoveel helden en voorbeeldfiguren op te noemen die hun strijd met de dood hebben moeten bekopen, maar niemand stond daarna op uit zijn graf. Dus niet de dood en het kruis zijn zo bijzonder, maar het open graf en de opstanding. Volgens de christelijke liturgie is Pasen is het belangrijkste feest. Dan wordt de opstanding van Jezus gevierd. Waarom hebben christenen door de eeuwen heen dan toch het instrument van zijn dood (het kruis) als symbool gekozen en niet een teken dat verwijst naar het overwinnen van de dood? Ik heb eerlijk gezegd geen idee. In mijn ogen zou een ‘levensteken’ een hoopvoller en passender symbool zijn dan een kruis.

[1] https://www.zeist.nl/projecten/projectenoverzicht/the-passion-live-vanuit-zeist/toolkit-the-passion-voor-zeister-ondernemers

Bali, paradijselijk eiland met een  bewogen verleden (Verkiezingen in Indonesië Deel 2)

Deze tekst is het vervolg op een eerder blog dat ik een week geleden plaatste. Over de verkiezingen in Indonesië.[1]  In dit tweede deel ga ik nader in op de situatie op Bali. Onze oudste zoon is daar acht jaar geleden gaan wonen en is inmiddels getrouwd met een Balinese vrouw. Ze hebben samen een dochtertje van bijna twee jaar oud. Ons Balinese kleinkind. Voor mij voldoende redenen om me nader te verdiepen in de historie en cultuur van Bali.
Bali is een relatief klein eiland binnen de grote Indonesische archipel. Het merendeel van de bevolking is hindoe, terwijl veruit de meeste Indonesiërs islamitisch zijn. Bali staat vooral bekend als een droombestemming, een tropische parel. Het eiland van de goden. Deze magische belofte trekt jaarlijks ruim 14 miljoen toeristen aan (op een bevolking van 4 miljoen). Maar achter dat paradijselijke imago gaat een bewogen geschiedenis schuil waarin Nederland een cruciale, kwalijke rol heeft gespeeld.

BALI PAS LAAT GEKOLONISEERD

Het Nederlandse koloniale gezag had lange tijd weinig belangstelling voor Bali. Bali was tot halverwege de 19e eeuw alleen interessant voor het ronselen van slaven die veelal op Java te werk werden gesteld. Waar de Nederlanders al in de 17e eeuw hun koloniale invloed lieten gelden op Java, de Molukken en andere eilanden, probeerde men pas twee eeuwen later Bali in z’n greep te krijgen. Dat paste in het bredere streven om niet langer alleen handelsgoederen, zoals specerijen, te bemachtigen. Net als andere Europese mogendheden probeerde Nederland in de 19e eeuw volledige territoriale controle over alle koloniale gebieden te krijgen. Zo konden ook landbouw, industrie en mijnbouw verder worden ontwikkeld ten bate van het koloniale moederland. Het Nederlandse gezag in Batavia wilde op Bali met name de rijstproductie veilig stellen en verder uitbreiden.

 

DE VORSTEN VAN BALI

In die tijd bestond Bali uit een aantal vorstendommen. De Nederlanders probeerden de vorsten voor zich te winnen om via hen de bevolking te kunnen besturen. Er bestond altijd al enige rivaliteit tussen de vorstenhuizen maar deze werd door de Nederlandse kolonisator verder aangewakkerd. Verdeel en heers. Sommige vorsten gingen met de Nederlanders in zee en wisten daarmee hun feodale gezag te versterken. Andere vorsten kwamen juist in opstand, wat in meerdere gevallen leidde tot bloedige confrontaties. Een paar keer eindigde de strijd in een zogenaamde puputan. Een puputan is een rituele vorm van zelfdoding van een vorst of leider met zijn gehele hofhouding. De koloniale strijdkrachten zagen tot hun verbijstering hoe Balinezen zichzelf met hun kris van het leven beroofden of hoe zij onbevreesd het vijandige geweervuur tegemoet liepen. Vanuit Balinese optiek was dit geen wanhoopsdaad, maar een bewuste keuze aan het einde van een verloren strijd waarmee men de idealen van opoffering en rechtvaardigheid wilde uitdrukken.

Puputan monument in de Balinese hoofdstad Denpasar

Pas rond 1900 lukte het de Nederlanders enigszins om ‘law and order’ te vestigen op Bali. Maar ondanks meerdere militaire expedities en veelvuldig hard optreden wist Nederland niet al het Balinese verzet definitief te breken. In de eerste decennia van de 20e eeuw gingen juist de hoger opgeleide zonen en dochters van de welgestelde klassen op Bali zich afzetten tegen het Nederlandse en het feodale gezag. Een van hen zou uitgroeien tot de bekendste verzetsheld van Bali: I Gusti Ngurah Rai.

 

DE JAPANSE BEZETTING EN DE TERUGKEER VAN DE NEDERLANDERS

In 1942 valt Japan Indonesië binnen en wordt ook Bali bezet. De houding tegenover de Japanners was dubbel. Enerzijds was het een Aziatisch ‘broedervolk’ dat de Nederlanders kolonisator had verdreven. Anderzijds schrok men van het harde optreden van de Japanners die minstens zo wreed konden zijn als de Nederlanders.

Twee dagen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 roept Sukarno in Batavia (Jakarta) de Indonesische onafhankelijkheid uit. Deze ‘proklamasi’ vormde een enorme opsteker voor de vrijheidsstrijders op Bali. Velen steunden het streven naar een onafhankelijk Indonesië. Maar toen na de overgave van de Japanners (en het einde van de oorlog in Europa) de Nederlanders terugkeerden en het koloniale gezag op Bali probeerden te herstellen waren er ook enkele vorsten die voor de Nederlandse kant kozen. Voor een deel speelde het veilig stellen van de eigen feodale positie daarbij een rol, maar er leefde ook argwaan ten opzichte van de revolutionaire beweging van Sukarno. Sommigen vreesden dat Bali door de Javaanse Republikeinen overvleugeld zou worden.

 

DE PARADIJS-MYTHE

In de koloniale tijd zette Nederland Bali neer als een bijzondere bestemming, een idyllisch eiland. Nederland afficheerde Bali als een voorbeeldige koloniale regio met een eigen, authentieke cultuur die dankzij het Nederlandse gezag en de feodale vorsten kon floreren. Westerse kunstenaars werden uitgenodigd om op Bali te komen wonen en werken. Hun teksten, schilderijen en foto’s werden gebruikt om het paradijselijke imago verder te promoten. Bali moest een succesverhaal worden. In dat beeld paste geen ondermijning en protest en daarom werd elke vorm van verzet tegen de koloniale en feodale autoriteiten hardhandig aangepakt. Dat hardnekkige, geïdealiseerde beeld heeft er mede voor gezorgd dat er in veel geschiedenisboeken en publicaties weinig aandacht is voor het dekolonisatieproces en de onafhankelijkheidsstrijd op Bali. Bali werd gezien als een oase van rust en cultuur, niet als strijdtoneel. Maar ook op Bali is hard gevochten tegen de koloniale overheersing waarbij door de jaren heen zeker tienduizenden mensen (strijders en burgers) zijn omgekomen.

 

I GUSTI NGURAH RAI[2]

Het verzet op Bali vormde geen eenheid, maar bestond uit een bonte verzamelingen van groepen en organisaties die elk hun eigen idealen en belangen hadden. Na de overgave van Japan krijgt I Gusti Ngurah Rai van de Republikeinen op Java de opdracht om leiding te geven aan de vrijheidsstrijd op Bali. Vanaf het voorjaar van 1946 voerde hij met enkele honderden matig bewapende medestrijders een soort guerrilla-oorlog tegen het Nederlandse gezag: wapendiefstallen, overvallen, aanslagen, gewapende confrontaties. Ondanks herhaalde verzoeken van Nederlandse kant weigerde hij de wapens neer te leggen: “Mijn taak is dat de Nederlandse troepen van Bali weggaan”, schreef hij in onberispelijk Nederlands aan de koloniale gezaghebbers.

I Gusti Ngurah Rai

Maandenlang werd hij door veel beter bewapende koloniale troepen achtervolgd en opgejaagd tot hij uiteindelijk in november 1946 bij de plaats Marga[3] in de val liep en met zijn medestrijders werd vermoord. De gezaghebbers hoopten dat hiermee de rust op Bali zou weerkeren, maar andere verzetsgroepen namen de fakkel van I Gusti Nugrah Rai over. Toch was er in de jaren na zijn dood nog steeds geen sprake van een verenigd front. Er waren gematigden en radicalen. Mensen die wilden praten en die wilden vechten. Mensen die Sukarno en zijn Republikeinen steunden, mensen die pro-Nederland waren en mensen die streefden naar een aparte Oost-Indonesische deelstaat, naast de republiek van Sukarno.[4] Die scheidslijnen liepen soms dwars door gemeenschappen en families heen.

Er zouden op Bali (en de rest van Indonesië) nog drie jaren van bloedige gevechten en van diplomatiek overleg volgen voordat Nederland uiteindelijk eind 1949 de soevereiniteit overdroeg, waarna in 1950 de eenheidsstaat Indonesië werd uitgeroepen en Sukarno de eerste president werd.[5]

 

VERLEDEN EN TOEKOMST

Over dit verleden en het grote aantal slachtoffers wordt tegenwoordig niet veel gesproken. Men kijkt liever vooruit. In het Hindoe-geloof staat het vinden van een balans tussen scheppende en vernietigende krachten centraal. Dat zal in de verwerking van het oorlogsverleden vast ook een rol spelen.

Ook worden wij als mensen van ‘Belanda’ (Holland) niet scheef aangekeken of beschimpt (zoals wij in Nederland lang over ‘moffen’ hebben gesproken in plaats van over Duitsers). Balinezen zijn over het algemeen erg vriendelijk en voorkomend, maar ook als je met mensen doorpraat over de koloniale rol van Nederland valt er geen onvertogen woord.

 

AANKOMST EN VERTREK

Wie als bezoeker van Bali niet alleen oog heeft voor de vele tempels, de prachtige stranden, de mooie offertjes, de sierlijke traditionele kleding en de indrukwekkende rijstvelden kan op Bali ook overal monumenten, plakkaten en beelden zien die verwijzen naar de strijd, de helden en de slachtoffers uit het verleden. Ook al kijkt men op Bali graag vooruit, men hecht veel waarde aan het herdenken van de vrijheidsstrijd.

Toeristen kunnen dat al merken bij aankomst op de grote internationale luchthaven van Bali. Die luchthaven is genoemd naar I Gusti Ngurah Rai, de meest vereerde verzetsheld op Bali. Degene die wordt bewonderd omdat hij het verzet leidde tegen zowel de koloniale als de feodale gezagsdragers en dat met de dood moest bekopen.

Vraag de taxi-chauffeur op de luchthaven naar I Gusta Ngurah Rai en hij zal met trots zeggen: “He is our hero. He fought for our freedom”.

 

SCHOONDOCHTER EN KLEINDOCHTER

Er loopt een lijn van Sukarno en Ngurah Rai naar mijn schoondochter en kleindochter. Dankzij de destijds bevochten onafhankelijkheid en vrijheid kon mijn schoondochter een paar weken geleden deelnemen aan vrije verkiezingen. Ze heeft kunnen stemmen op lokale, provinciale en nationale volksvertegenwoordigers. En ook op een nieuwe president.

Ik hoop wel dat Prabowo, de voorspelde winnaar van de presidentsverkiezingen en de kandidaat met een zeer omstreden verleden[6], ook de nagedachtenis aan Ngurah Rai (en vele andere vrijheidsstrijders) in ere zal houden. En dat de kostbare democratie in Indonesië intact blijft. Dan kan mijn kleindochter over 16 jaar ook in vrijheid haar stem laten horen.

 

 

[1] http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=2806

[2] Zie ook https://www.gerritdemunnik.nl/indie-het-monument/1948-a/i-gusti-ngurah-rai/

[3] In Marga is een groot oorlogsmonument opgericht waar jaarlijks alle gevallenen van de bevrijdingsstrijd worden herdacht.

[4] Het voert hier te ver om al deze groepen verder te belichten en de gehele context van die tijd te schetsen. In het boek De strijd om Bali van Anne-Lot Hoek wordt dit zeer gedetailleerd besproken.

[5] Zie ook mijn vorige blogtekst over Indonesië. Vijftien jaar later zijn er ook op Bali onder de dictatuur van Suharto vele duizenden mensen omgekomen. Sommige schattingen spreken zelfs van 80.000 Balinese slachtoffers. Een nieuw groot trauma na de eerdere bewogen strijd tegen de koloniale overheersing in de jaren ’40.

[6] Zie mijn vorige blog over Indonesië.

De foto bovenaan deze tekst laat het monument zien dat in de noordelijke stad Singaraja is opgericht ter ere van een verzetsstrijder die de Nederlandse vlag had weggehaald om er de rood-witte Republikeinse vlag voor in de plaats op te hangen. Hij werd daarop door koloniale troepen doodgeschoten. Mijn zoon vertelde dat opstandelingen in die tijd vaak simpelweg de blauwe baan van Nederlandse vlaggen scheurden om die zo om te toveren in de eigen vlag.

Verkiezingen in Indonesië Deel 1

 

ONZE SCHOONDOCHTER GAAT STEMMEN (Bali, 14 februari 2024)

Onze schoondochter laat haar in inkt gedoopte vinger zien. Het bewijs dat ze haar democratische plicht heeft gedaan. Ze is in alle vroegte gaan stemmen en heeft maar liefst vijf stembiljetten moeten invullen. Niet alleen voor de verkiezing van een nieuwe president, al wekenlang het gesprek van de dag in Indonesië, maar ook voor het kiezen van lokale, regionale, provinciale en nationale volksvertegenwoordigers. Die dag laten meer mensen trots, maar soms ook verlegen of lacherig, hun paars-zwarte vingers zien.

In de aanloop naar deze belangrijke dag kan je ook als buitenlandse bezoeker niet om de verkiezingen heen. Alle straten en pleinen, van de grote steden tot de kleinste dorpjes, hangen vol met vlaggen, posters en aanplakbiljetten. Twee dagen voor de verkiezingen worden deze allemaal weggehaald. Vlak voor de verkiezingen mag er geen campagne meer worden gevoerd. Op de verkiezingsdag zelf hebben de meeste mensen vrij en zijn alle scholen gesloten.

Je merkt aan alles dat iedereen er vol van is. Natuurlijk hoor je ook, net als in Nederland, cynische geluiden en gemopper: over onbetrouwbare politici, over corruptie, over het bloedige verleden van de populaire presidentskandidaat Prabowo, over de elite in Jakarta. Maar de meeste mensen die we spreken zien deze verkiezingen als een serieuze en positieve aangelegenheid.

 

SCHAAMTE EN NOSTALGIE

Indonesië is in meerdere opzichten een land in opkomst. Ik vind het opmerkelijk dat we zo weinig van de huidige ontwikkelingen in dit land weten. Te meer omdat Nederland eeuwenlang als kolonisator de Indonesische archipel in zijn greep heeft gehouden. Of is ons koloniale verleden juist de reden dat we ons zo weinig voor het huidige Indonesië interesseren? Vanwege het verleden dat omgeven is door een mix van verlies, schaamte, pijn en nostalgie (tempo doeloe)? Alsof we na ons vertrek die deur definitief hebben dichtgedaan. Terwijl juist goede inzichten in het dekolonisatie-proces en de daarop volgende opbouw van de nieuwe Indonesische staat onontbeerlijk zijn om de huidige ontwikkelingen in dit grote land te kunnen plaatsen en begrijpen.

 

EEN ZOON OP BALI

Eerlijk gezegd wist ik tot voor kort ook weinig van het hedendaagse Indonesië. Op de middelbare school en later als student politicologie had ik wat basiskennis over Indonesië en het Nederlandse koloniale verleden opgedaan: de VOC, het Cultuurstelsel, de Max Havelaar, de Japanse bezetting, Sukarno, de politionele acties. Gefragmenteerde en gekleurde kennis over de koloniale tijd. Daar bleef het bij.

Dat veranderde toen we acht jaar geleden op bezoek gingen bij onze oudste zoon die een half jaar in Indonesië op vakantie was. Vooral Bali vond hij prachtig. Sterker nog, hij vertelde ons toen dat hij Bali zo mooi en inspirerend vond dat hij daar wilde gaan wonen. We waren zeer verrast en moesten ook even slikken. Zou hij het menen of was het een bevlieging?

Hij heeft woord gehouden. Vrij snel na ons bezoek ontmoette hij een leuke Balinese vrouw met wie hij een jaar later is getrouwd. Twee jaar geleden kregen ze een dochtertje (en wij een Balinees kleinkind). We hebben dus een bijzondere band met Bali gekregen en zijn er inmiddels meerdere keren geweest. Ik ben me daardoor ook meer gaan verdiepen in Indonesië in het algemeen en Bali in het bijzonder.

Dozen vol ingevulde stembiljetten; klaar om geteld te worden

Nu wil het toeval dat het me daarbij makkelijk is gemaakt door een hausse aan publicaties die de laatste jaren over Indonesië zijn verschenen.[1] Kennelijk lagen in de eerste decennia na de onafhankelijkheid van Indonesië veel zaken nog erg gevoelig in Nederland. Wie wat vertelde of schreef over Indonesië en ons koloniale verleden kreeg al gauw van allerlei kanten kritiek te horen. Nu alles in een wat verder verleden ligt, lijkt er minder schroom te zijn. En minder taboes. Dankzij al die boeken, films en documentaires heb ik een wat breder, evenwichtiger beeld gekregen.

 

GROOT LAND IN OPKOMST

Veel mensen realiseren zich niet dat Indonesië een van de grootste landen ter wereld is. Na China, India en de Verenigde Staten komt Indonesië met 275 inwoners (waarvan 4 miljoen Balinezen) op de vierde plaats. Veruit de meeste inwoners van Indonesië zijn islamitisch en daarmee is Indonesië het land met de grootste islamitische bevolking ter wereld.  Het land heeft ook een enorme geografische omvang. Als je Indonesië op de kaart van Europa zou leggen zou het zich uitstrekken van Portugal tot aan de Oeral. De Indonesische Republiek is een conglomeraat van duizenden grotere en kleinere eilanden met een grote verscheidenheid aan talen, tradities en culturen. In die zin zou je Indonesië qua omvang en diversiteit meer met de Europese Unie kunnen vergelijken dan met een relatieve homogene eenheidsstaat als Nederland of Frankrijk. Het is dan ook een grote opgave om dit enorme land te besturen en tot verdere ontwikkeling te brengen. Met name de afgelopen 25 jaar zijn veel democratische hervormingen doorgevoerd. Ook op  economisch gebied laat Indonesië veel vooruitgang zien. Er zijn deskundigen die verwachten dat het land in de tweede helft van de 21e eeuw uit zal groeien tot een economische grootmacht.

 

KWETSBARE DEMOCRATIE

Democratie is een kostbare maar ook kwetsbare verworvenheid. Zeker ook in Indonesië. De grondslag hiervoor is gevormd tijdens de onafhankelijkheidsstrijd, 80 jaar geleden. Een heftige strijd tegen de Nederlandse koloniale overheersing. Indonesiërs wilden vrij zijn, hun eigen lot kunnen bepalen. De Nederlanders waren de vijand, de bad guys, die jarenlang hebben geprobeerd het Indonesische vrijheidsstreven hardhandig de kop in de drukken. Na het behalen van de onafhankelijkheid moest vanaf het einde van de jaren ’40 een nieuwe staat worden opgebouwd. Sukarno, de eerste president, probeerde daarbij een balans te vinden tussen de verschillende geledingen en krachten binnen de jonge Indonesische Republiek (nationalisten, communisten, de islam, het leger, de regio’s), maar slaagde daar niet echt in. In de loop der jaren ging hij een steeds linksere koers varen en haalde hij de banden aan met China. Zeer tegen de zin van de legerleiding die juist sterk anti-communistisch en pro-westers was. Sukarno werd na een machtsstrijd aan de kant geschoven door Suharto, een generaal die zijn sporen had verdiend in de onafhankelijkheidsstrijd tegen Nederland.

Sukarno en Suharto

In de jaren van de Koude Oorlog zag je in meer landen dat het leger de macht greep om met westerse steun een dam op te werpen tegen het communisme. Suharto wilde een andere koers gaan varen dan Sukarno en introduceerde hiervoor de term Nieuwe Orde. Hij ontpopte zich tot een brute machtspoliticus die meedogenloos optrad tegen communisten en opstandelingen in ‘afvallige’ regio’s. Mede dankzij royale westerse investeringen wist hij zich drie decennia lang te handhaven als sterke man in Indonesië en kwam de economie tot verdere ontwikkeling. Maar er was een inktzwarte keerzijde: onder de Suharto-dictatuur vonden honderdduizenden Indonesiërs (communisten, regionale opstandelingen, oppositieleden) de dood. Uiteindelijk moest Suharto onder toenemende binnenlandse en buitenlandse druk eind jaren ’90 vertrekken. Daarna brak in Indonesië een relatief stabiele periode aan die gekenmerkt werd door tal van sociale en democratische hervormingen: de Reformasi.

De huidige president, Joko Widodo (bijnaam: Jokowi) is het toonbeeld van deze nieuwe tijd. Hij is een man van eenvoudige komaf met een onbesproken verleden. Hij heeft veel sociale maatregelen genomen om de situatie van de ‘gewone’ Indonesiër te verbeteren. Daarnaast is onder zijn leiding Indonesië uitgegroeid tot een potentiële economische grootmacht.

 

DE OMSTREDEN KANDIDAAT

Jokowi heeft twee termijnen gediend als president. En net als in de VS mag hij niet opgaan voor een derde termijn. Dat is maar goed ook, want hij begon in zijn laatste termijn ook wat autoritaire trekjes te vertonen en privileges aan familieleden te verstrekken. Bij de vorige twee verkiezingen was Subianto (bijnaam: Prabowo) zijn tegen-kandidaat en tot twee keer toe wist Jokowi hem te verslaan. Omdat Jokowi nu moet terugtreden ruikt Prabowo zijn kans om eindelijk president te worden. Driemaal is scheepsrecht, zal hij gedacht hebben. Het bijzondere (en wrange) van de huidige presidentsverkiezing is dat Prabowo, inmiddels de duidelijke winnaar volgens de exit-polls, destijds als jonge militair carrière heeft gemaakt tijdens het bewind van Suharto. Hij is zelfs lange tijd getrouwd geweest met een dochter van Suharto. Hij is omstreden omdat hij een prominente rol heeft gespeeld in het bloedig bestrijden van communisten en opstandelingen. Tegenstanders vrezen dat hij als houwdegen uit de Suharto-tijd een meer autoritaire koers gaat varen.

Het opvallende is dat in Indonesië alles toch ook weer gecompliceerder is dan je denkt. De aftredende president Jokowi heeft de afgelopen jaren zelf de deur voor zijn tegenspeler Prabowo open gezet door hem in zijn laatste regering te benoemen als minister van defensie. Daarnaast is Gibran, de zoon van Jokowi, de running mate van Prabowo.

Kortom, de twee grote politieke tegenpolen staan niet alleen bij herhaling tegenover elkaar, maar geven elkaar ook ruimte en invloed binnen hun eigen regering. Alsof Geert Wilders eerst minister is geweest onder premier Frans Timmermans, waarna Wilders de nieuwe premier wordt met de zoon van Timmermans als vice-premier. Handjeklap tussen twee rivaliserende machtsblokken.

Prabowo heeft dit keer goed begrepen dat hij zich niet moest presenteren als sterke man. Om zijn door het verleden besmeurde imago op te poetsen werd hij in de campagne veelvuldig neergezet als ‘schattige opa’ en afgebeeld als een knuffelbare cartoonfiguur. Het heeft kennelijk gewerkt want bij de exit-polls behaalde hij bijna 60% van alle stemmen. Maar veel Indonesiërs houden hun hart vast. Zij vrezen dat Prabowo de kostbare en kwetsbare democratie van Indonesië in gevaar zal brengen.

 

P.S. Terwijl ik urenlang zat te schrappen en schaven aan deze tekst laat Arjen Lubach in tien minuten op zijn bekende lichtvoetige manier in grote lijnen hetzelfde verhaal zien. 

 

[1] Denk aan boeken als Revolusi van David van Reybrouck, De brandende kampongs van generaal Spoor van Rémy Limpach, Koloniale oorlogen in Indonesië van Piet Hagen, De strijd om Bali van Anne-Lot Hoek, Indië, betovering en desillusie van Thom Hoffman. Maar ook aan films als De Oost of Sweet Dreams.

Ook is er momenteel een grote Indonesië-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam (tot 1 april 2024).

 

Op een regenboogtrui staat geen regenboog (over vlaggen die de lading niet dekken)

Dit zijn woorden die niet helemaal (of helemaal niet) passen bij wat zij beogen te beschrijven. Volgens het bekende gezegde dient een vlag de lading te dekken. Toch gebeurt dat niet altijd. Vaak is dat een bewuste keuze, om het mooier te maken dan het is. Soms is het min of meer toevallig ontstaan. In mijn nieuwste blog schets ik enkele uiteenlopende gevallen waarbij vlag en lading niet goed overeenstemmen.

 

Toekan (een vlag die de valk niet dekt)

Vorige week overleed Arie van der Valk, de financiële man van het bekende van der Valk-concern. In de media werd uitgebreid bij zijn overlijden stilgestaan. Mijn blik viel daarbij op een artikel waarin werd uitgelegd waarom jaren geleden werd besloten om niet een valk, maar een toekan te kiezen als symbool van het concern. In de jaren ’50 kocht de van der Valk familie het vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn. Het logo van Avifauna bevatte een toekan, een vrolijke, kleurrijke vogel. De familie van der Valk vond dat beter passen dan een valk. Dat was een roofvogel die men ook nog zou kunnen associëren met nazi-Duitsland. Er is dus bewust gekozen voor een vlag die de valk niet dekt.

(https://www.valkvoorschoten.nl/over-valk-exclusief/#:~:text=De%20familie%2C%20op%20zoek%20naar,past%20veel%20beter%20bij%20ons%E2%80%9D.)

 

Regenboogtrui (een vlag vol oude stereotypes)

In de wielersport is het traditie dat een renner die in een bepaalde discipline wereldkampioen is geworden een regenboogtrui aantrekt. Als je goed kijkt zie je weliswaar kleurrijke strepen op het shirt staan, maar geen regenboog. Het zijn vijf kleurbanen die de werelddelen moeten representeren, namelijk: blauw (Europa), rood (Amerika), zwart (Afrika), geel (Azië) en groen (Oceanië). Dit is honderd jaar geleden zo bedacht. En misschien wel afgekeken van de Olympische ringen. Het is dus helemaal geen regenboogtrui, maar een shirt met een nogal stereotype kleurenp-code (Afrikanen zijn zwart, Aziaten zijn geel). Wat mij betreft zou het verfrissend zijn als toekomstige wereldkampioenen een shirt met een echte regenboog krijgen. (https://indekopgroep.nl/betekenis-regenboogtrui/)

 

Verdieping (een vlag met weinig diepgang)

Als we een gebouw binnenlopen en een lift instappen drukken we op de knop van de gewenste verdieping. Want we willen omhoog (ik heb het nu even niet over bezoekers die graag naar de kelder gaan). Vreemd dat we alles boven de begane grond verdiepingen noemen, terwijl het feitelijk verhogingen zijn.

 

Ziggo Dome (een vlag die een beetje dom is)

De Ziggo Dome ziet eruit als een gigantische zwart, vierkant gebouw. Op zich niets mis mee, maar een dome is het niet. Het woord dome is afkomstig van het Latijnse woord domus. Het woord wordt gebruikt als aanduiding van een godshuis, een kerk. Denk aan de Dom van Utrecht of de Duomo van Milaan. Het woord dome verwijst in architectonische zin naar een koepel op een gebouw (denk aan Dôme des Invalides in Parijs). De Ziggo Dome is geen kerk en heeft ook geen koepel. Wat mij betreft zou Ziggo Doos een betere naam zijn. https://en.wiktionary.org/wiki/dome

 

Suikerfeest (een vlag die te zoet is)

Aan het einde van de vastenmaand Ramadan vieren moslims feest. In de volksmond wordt dit het Suikerfeest genoemd. Als niet-moslim zou je zo maar kunnen denken dat er tijdens het Suikerfeest alleen maar zoetigheid wordt gegeten, maar dat is niet het geval. Het feest draait om saamhorigheid en bezinning, Natuurlijk wordt er ook lekker gegeten, maar dat is niet de kern. Veel moslims willen daarom van die associatie af. Ze spreken liever over het ramadan-feest of gebruiken de oorspronkelijke naam Eid Al Fitr: het verbreken van de vasten.

https://www.trouw.nl/religie-filosofie/waarom-moslims-afwillen-van-de-naam-suikerfeest-noem-het-beestje-bij-de-naam~b56068f7/

 

Woonboulevard (een vlag vol broken dreams)

Veel mensen hebben de gewoonte om op vrije dagen een woonboulevard te bezoeken. Het woord boulevard belooft een indrukwekkende, chique ervaring. Maar dan kom je bedrogen uit. Een woonboulevard is meestal te vinden aan de rand van een kaal en winderig bedrijventerrein. Niet charmant of imposant, maar naargeestig. Het woord boulevard associëren we vooral met brede, chique lanen in Parijs. Deze werden in de 19e eeuw om verschillende redenen aangelegd (om het leger en de oproerpolitie meer ruimte te geven bij onrust, om de stad meer aanzien grandeur te geven, om oude krottenwijken op te ruimen). De boulevards werden gerealiseerd op plaatsen waar vroeger verdedigingswallen lagen. Het woord boulevard is dan ook een verbastering van het Nederlandse woord bolwerk. Je zou zo’n treurige rij meubelwinkels hooguit een boulevard of broken dreams kunnen noemen. https://www.encyclo.nl/begrip/bolwerk

 

Verlangen (een vlag die P.C. Hooft al wilde strijken)

Als we naar iets (of iemand) verlangen, staan we te popelen. We kunnen eigenlijk niet langer wachten. Als een kind op de dag voor zijn verjaardag: ‘ik wou dat het al morgen was’. Het woord verlangen hangt samen met de woorden lang en verlengen. Maar is het niet merkwaardig en paradoxaal dat we dit wachten juist willen verkorten en niet verlengen? Dit inzicht is niet van mijzelf, maar van de bekende 17e eeuwse dichter en bestuurder P.C. Hooft. In zijn gedicht ‘Geswinde Grijsart’ formuleert hij het als volgt:

Mijn lief sint ick u mis, verdrijve’ ick met mishaeghen

De schoorvoetighe Tijdt, en tob de lange daeghen

Met arbeidt avontwaerts; uw afzijn valt te bang.

En mijn verlangen can den Tijdtgod niet beweghen:

Maer ’t schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,

Dat ick den Tijdt, die ick vercorten wil, verlang.

 

Papadag (een vlag die papa niet verdient)

Op mijn werk hoorde ik ooit een paar jonge vrouwelijke collega’s met de nodige verontwaardiging praten over het feit dat de term papadag iets heel bijzonders lijkt uit te drukken, terwijl het van werkende moeders doodnormaal wordt gevonden dat zij een dag thuis zijn om voor de kinderen zorgen. Volgens deze vrouwen spreekt uit de term papadag iets te veel eer voor (de vaak bescheiden bijdrage van) papa en te weinig waardering voor (de vanzelfsprekend geachte rol van)  mama. Zoals een collega het verwoordde: ‘Er is toch ook geen mamadag’. Waar een andere collega aan toevoegde: ‘Vaders zijn toch elke dag papa!’

Ik verbaas me om een andere reden om de term ‘papadag’. Papa staat daarin centraal, terwijl die dag niet om hem draait. Op een verjaardag zetten we de jarige in het zonnetje en op Bevrijdingsdag herdenken we het einde van de oorlog, maar Papadag is niet de jubeldag voor vaders; daar hebben we Vaderdag voor.

Mijn voorstel is om het heel simpel te houden en het ouderschap erbuiten te laten. Zeg gewoon: ‘op donderdag werk ik niet’ of ’dinsdag is mijn vrije dag’. Punt uit. Daar is verder geen tekst of uitleg bij nodig. Of je nu met de kinderen wat gaat doen, of gaat vissen, of de hele dag in je bed blijft liggen, dat gaat niemand wat aan. (zie ook mijn eerdere blog over Papadag: http://phaestus.nl/phaestus.nl/?p=1321 )

 

Kip-stuckjes (een vlag die vega-vaag is)

Het vega-schap van de supermarkt ligt vol met alternatieven voor vlees. Toch worden heel veel producten aangeduid met een vlees-term. Namen als groenteburger en kaasschnitzel zijn nog wel te billijken, maar woorden als gehakt, kip, spekjes of shoarma vind ik merkwaardig. Het is juist geen kip of spek, maar iets plantaardigs. Door die woorden toch te gebruiken wordt in feite benadrukt dat het hier niet om ‘the real thing’ gaat maar om imitaties. En imitaties vallen altijd tegen. Dus, vega-producenten, kom op, verzin eens originele, zelfbewuste productnamen!

Blogsite van Peter 't Lam